Site-archief

Dichterswebsite

Martin Wijtgaard

.

Toen ik met de rubriek ‘Dichterswebsites’ begon was Ariel Alvarez de eerste die reageerde. Hij opperde de website van Martijn Wijtgaard (1971) op te nemen in deze rubriek. Nu ken ik Martin al vele jaren. We stonden samen op het podium van Reuring, hij stond op het podium van Ongehoord! en ik herinner mij een avond in Amsterdam, in de kelder van een kroeg bij West Going Underground, een initiatief van Martin waar ik mocht voordragen. Ook was hij een van de dichters die meeging met de toer van de Poëziebus in 2016.

De website van Martin http://martinwijtgaard.blogspot.com is zeer de moeite waard van het bezoeken. Als je Martin als mens en als dichter wat beter wil leren kennen kun je hier je hart ophalen. De site is donker (zwarte achtergrond) en voor wie Martin een beetje kent past dit helemaal bij hem. De rubrieken op zijn website zijn duidelijk aangegeven: Labels, columns, gedichten, geluid en beeld, nieuws, plaatjes. Maar er is ook een korte biografie van hem te lezen en er is de rubriek ‘Gepasseerde Stations, een enorm lange lijst van data en plaatsen waar hij zijn poëzie voordroeg. Opvallend daarbij is dat hij een vaste gast is van de Eijlders Dichtmiddag. Maar er staat ook een blogarchief op zijn website waar heel veel te lezen is over zijn poëzie, zijn voordrachten, de bundels (zoals zijn meest recente bundel ‘Waar je voor zilverlingen niks kunt kopen’) die van hem zijn uitgegeven en zijn poëzie. Kortom zeker een bezoekje waard.

Uit de lijst gedichten die er ook te lezen zijn koos ik voor het gedicht ‘Insomnia’ uit 2016, een sonnet over slapeloosheid in een typerende Wijtgaardstijl.

.

Insomnia

.

De angsten waar je niet bij stil wilt staan,
die je bij daglicht simpel kunt verjagen,
zetten hun uitgekookte hinderlagen
bij voorkeur even voor het slapengaan.
.
Klaarwakker moet je weerwerk bieden aan
paniek en ongelegen levensvragen,
ten prooi aan je totaal op hol geslagen
hypochondrie en achtervolgingswaan.
.
Terwijl je dapper poogt de slaap te vatten
staan kastekorten, kwelduivels en kiespijn
met opgestroopte mouwen rond je bed,
.
luidruchtig en ongrijpbaar als de ratten
die in het donker knagen en actief zijn,
maar spoorloos zijn als je het licht aanzet.

.

                                                                                                                             Foto: Marije Hendrikx

 

De stem van de dichter

Pierre Kemp

.

Een bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen, zo luidt de ondertitel bij de in 1962 door J.B. Wolters in Groningen uitgegeven bundel ‘De stem van de dichter’. Blijkbaar was er destijds in het curriculum van de scholen nog plaats voor voordracht (kom daar maar eens om tegenwoordig). De bundel beslaat een grote ruimte in tijd, van Vondel, Bredero, Constantijn Huygens en Bilderdijk naar Multatuli, Gerhardt en Vasalis. Bekende gedichten en minder bekende gedichten.

In het voorwoord staat het doel van het voordragen beschreven: Het doel van het voordragen is: anderen te laten genieten van een kunstwerk. De voordrager moet niet de ontroering opdringen, die het kunstwerk bij hem gewekt heeft, hij moet de bewogenheid en de visie van de maker vertolken. Hij is uitsluitend medium tussen de maker en de toehoorder; een beter medium dan het gedrukte woord, dat de levende taal slechts (gebrekkig) aanduidt.

Een paar dingen vallen me op: blijkbaar was poëzie in 1962 exclusief van mannen (ik denk van niet) en over de keuze van het medium (beter of slechter) valt ook nog wel een discussie te voeren. Dat wil ik hier niet doen, al is het maar omdat het medium dat ik gekozen heb voor mijn website per definitie vooral gericht is op het gedrukte woord.

Een dichter die in de bundel voorkomt is Pierre Kemp (1886 – 1967). Kemp is een dichter die ik graag lees maar eigenlijk weinig lees (dat heb je soms). Een dichter met een bijzonder leven; een mooi detail uit zijn leven vind ik het feit dat hij altijd zwart droeg, hij werkte in de staatsmijn Laura waar hij loonadministrateur was, zodat het kolengruis op zijn kleding niet zou opvallen.

In ‘De stem van de dichter’ is het gedicht ‘Najaarsstemming’ van zijn hand opgenomen dat oorspronkelijk verscheen in ‘Phototropen en Noctophilen’ uit 1947.

.

Najaarsstemming

.
Alles lijkt zo verloofd buiten en ik ben gehuwd.
Het beeld van de haan in het landschap is niet nieuw,
het beeld van de kippen in de weide is niet oud
en alles is vanmorgen in groen gebiesd met goud.
Maar ik kleed me om en op de pijpen van
mijn broek speld ik de blaadren, die ik grijpen kan
en over de revers van mijn zwarte jas
een slinger donkergele dahlia’s.
Want ook ik wil vandaag zijn wat groen, wat goud;
verloofd en gehuwd en vooral niet oud.
.
.

Let America Be America Again

Langston Hughes

.

Over Langston Hughes (1902 – 1967) schreef ik al eerder maar ik werd opnieuw op een gedicht van hem opmerkzaam gemaakt toen ik in ‘Waarom Amerikanen niet lopen’ een passage over dit betreffende gedicht las. In dit geval gaat het om het gedicht ‘Let America Be America Again’. Zoals Arjen van Veelen in zijn boek schrijft, lijkt dit wat op de term die Trump gebruikt (make America great again) maar in dit geval gaat het om een heel ander onderwerp. Dit gedicht, geschreven in 1935, gaat over de Amerikaanse droom, dat deze droom nooit heeft bestaan voor de Amerikaan uit de lower-class, zwart, wit of gekeurd. En over de vrijheid en gelijkheid waar elke immigrant in de VS ooit op heeft gehoopt maar nooit heeft gekregen. De Verenigde staten staat voor een land waar alles mogelijk is, maar hebzucht en corruptie beletten gewone mensen vooruit te komen. Het gedicht is een contrast tussen wat Amerika hoopt te zijn en wat Hughes en anderen hebben meegemaakt

.

Let America Be America Again

.

Let America be America again.
Let it be the dream it used to be.
Let it be the pioneer on the plain
Seeking a home where he himself is free.

.
(America never was America to me.)

.
Let America be the dream the dreamers dreamed —
Let it be that great strong land of love
Where never kings connive nor tyrants scheme
That any man be crushed by one above.

.
(It never was America to me.)

.
O, let my land be a land where Liberty
Is crowned with no false patriotic wreath,
But opportunity is real, and life is free,
Equality is in the air we breathe.

.
(There’s never been equality for me,

.
Nor freedom in this “homeland of the free.”)
Say, who are you that mumbles in the dark?

.
And who are you that draws your veil across the stars?
I am the poor white, fooled and pushed apart,

.
I am the Negro bearing slavery’s scars.
I am the red man driven from the land,
I am the immigrant clutching the hope I seek —
And finding only the same old stupid plan
Of dog eat dog, of mighty crush the weak.

.
I am the young man, full of strength and hope,
Tangled in that ancient endless chain
Of profit, power, gain, of grab the land!
Of grab the gold! Of grab the ways of satisfying need!
Of work the men! Of take the pay!
Of owning everything for one’s own greed!

.
I am the farmer, bondsman to the soil.
I am the worker sold to the machine.
I am the Negro, servant to you all.
I am the people, humble, hungry, mean —
Hungry yet today despite the dream.
Beaten yet today–O, Pioneers!
I am the man who never got ahead,
The poorest worker bartered through the years.

.
Yet I’m the one who dreamt our basic dream
In the Old World while still a serf of kings,
Who dreamt a dream so strong, so brave, so true,
That even yet its mighty daring sings

In every brick and stone, in every furrow turned
That’s made America the land it has become.
O, I’m the man who sailed those early seas
In search of what I meant to be my home —
For I’m the one who left dark Ireland’s shore,
And Poland’s plain, and England’s grassy lea,
And torn from Black Africa’s strand I came
To build a “homeland of the free.”

.
The free?

.
Who said the free? Not me?
Surely not me? The millions on relief today?
The millions shot down when we strike?
The millions who have nothing for our pay?
For all the dreams we’ve dreamed
And all the songs we’ve sung
And all the hopes we’ve held
And all the flags we’ve hung,
The millions who have nothing for our pay —
Except the dream that’s almost dead today.

.
O, let America be America again —
The land that never has been yet —
And yet must be–the land where every man is free.
The land that’s mine — the poor man’s, Indian’s,
Negro’s, ME —
Who made America,
Whose sweat and blood, whose faith and pain,
Whose hand at the foundry, whose plow in the rain,
Must bring back our mighty dream again.

.
Sure, call me any ugly name you choose —
The steel of freedom does not stain.
From those who live like leeches on the people’s lives,
We must take back our land again,

America!

.
O, yes,
I say it plain,
America never was America to me,
And yet I swear this oath —
America will be!

.
Out of the rack and ruin of our gangster death,
The rape and rot of graft, and stealth, and lies,
We, the people, must redeem
The land, the mines, the plants, the rivers.
The mountains and the endless plain —
All, all the stretch of these great green states —
And make America again!

.

The N-word

Countee Cullen

.

Countee Cullen (1903-1946) werd als wees geadopteerd door een dominee en groeide op in een Methodistisch gezin. Als student blonk hij uit en hij schreef op zijn 14e zijn eerste gedichten. Als student  aan de New York University was hij het productiefst, hij publiceerde in die periode zijn eerste drie bundels: ‘Color’, ‘Copper sun’ en ‘The ballad of the brown girl’. Cullen werd een prominent lid van de ‘Harlem Renaissance’ waar hij veel over raciale ongelijkheid en ongelijkheid tussen de rassen schreef. Zijn bundel ‘Color’ geldt als éen van de belangrijkste bouwstenen van deze beweging. Tegelijkertijd werd hij door sommige van zijn mede dichters bekritiseerd omdat hij sociale en politieke kwesties zou vermijden in zijn werk.

In 1929 had Cullen 4 bundels gepubliceerd. Het titel gedicht van ‘The black Christ and other poems’ werd sterk bekritiseerd omdat hij veelvuldig gebruik maakte in zijn gedichten van religieuze beelden. Zo vergeleek hij in het titelgedicht het lynchen van zwarte Amerikanen met het kruisigen van Christus.

In 1946 , na een bewogen leven, stierf Countee Cullen aan hoge bloeddruk en bloedvergiftiging. Een filiaal van de Openbare Bibliotheek van New York is naar hem vernoemd en in 2013 werd zijn naam toegevoegd aan de New York Writers Hall of Fame.

In 1925 was er nogal wat ophef toen Countee Cullen het N-word (Nigger) gebruikte in zijn gedicht ‘Incident’ maar het gedicht legt de vinger op de zere plek en geeft precies weer hoe de verhoudingen lagen tussen de blanke en zwarte Amerikanen in die tijd. Hoewel Cullen liever niet als ‘zwart’ dichter bekend wilde zijn (maar gewaardeerd wilde worden om zijn gebruik van de zogenaamde ‘traditional English standards’) worden juist zijn meest kritische gedichten als hieronder het hoogst gewaardeerd. Cullen wordt tegenwoordig als één van de belangrijkste African-American schrijvers ooit gezien.

.

Incident

.

Once riding in old Baltimore,
Heart-filled, head-filled with glee,
I saw a Baltimorean
Keep looking straight at me

.

Now I was eight and very small,
And he was no whit bigger,
And so I smiled, but he poked out
His tongue, and called me, ‘Nigger.’
.
I saw the whole of Baltimore
From May until December;
Of all the things that happened there
That’s all that I remember.
.
cullen
CCgrave
ccmomument1

 

 

 

Buiten beeld

K. Schippers

.

Het geschenk bij de nationale Gedichtendag was het bundeltje Buiten beeld van K. Schippers. Dit leuke kleine bundeltje bevat 10 gedichten waarvan er een paar een bijzondere typografie hebben. Dit door de CPNB uitgegeven bundeltje bevat ook het volgende gedicht.

.

Zwart

.

Zie van deze letters,

die u hier leest,

heel even alleen maar

.

het zwart of elke

betekenis is weggeglipt.

.

Staketsels en rondingen,

meer niet.

.

Bekijk ze

als een vijfjarig kind

dat nog nooit

iets heeft gelezen.

.

Geschenk_Buiten-beeld_250

Stiftgedicht

Wat is het?

.

Deze poëzievorm is een idee van de Amerikaanse schrijver Austin Kleon, die ze Newspaper Blackout Poems noemt. Hij publiceerde ze op zijn website  ( www.austinkleon.com) en een bundel ervan verscheen in april 2010 onder de titel Newspaper Blackout. In Nederland maakt onder andere Dennis Gaens (stadsdichter van Nijmegen) stiftgedichten.

.

Een stiftgedicht is een gedicht dat niet ontstaat door te schrijven maar door te schrappen. Je maakt een stiftgedicht door met een merkstift in een bestaande gedrukte tekst (vaak krantenartikelen of een bladzijde uit een oud boek), woorden of delen van woorden te schrappen tot wat overblijft een gedicht vormt, dat niets meer met de oorspronkelijke tekst te maken hoeft te hebben.

.

Hier zijn enkele voorbeelden. De linker is van Judy Elfferich (http://judyelf.edublogs.org/)

 

%d bloggers liken dit: