Site-archief

Sprookje

Jan Emmens

.

De Rotterdamse dichter Jan Ameling Emmens (1924 – 1971) schreef simpele, erudiete gedichten, waarin gevoel en verstand hand in hand gaan. In zijn soms geestige werk relativeerde hij veel vaststaande waarden. Terugkerende thema’s zijn angst en agressie. Hij leed aan depressies en maakte zelf een einde aan zijn leven door zich op te hangen. Samen met o.a. Theo Sontrop en William Kuik wordt hij wel tot de ‘Utrechtse school’ gerekend.

Emmen debuteerde in 1945 met de bundel ‘Chacone’, een illegale uitgave in een oplage van 150 exemplaren, en schreef in totaal 5 poëziebundels. Na zijn dood verschenen nog ‘Verzamelde gedichten'(1974), ‘Soms een gevoel'(1979) en ‘Gedichten en aforismen'(1980). In 1971 ontving Emmens de Feniks-prijs voor zijn gehele oeuvre.

Uit ‘Gedichten’ uit 1974 het gedicht ‘Sprookje’.

.

Sprookje

.

Ik sprak op de wallen

de nacht net gevallen

en de dag in verwaarloosde staat,

drie koningen lagen

op sterven te klagen,

de maan kwam op, maar te laat.

.

Ik draalde nog buiten

en zag door de ruiten

dat een heks zich zojuist had gebaad,

ze droogde haar dijen

met hertengeweien,

haar pruikje met goudbrokaat.

.

Een hoogst zeldzaam teken

voor priesters en leken

dat schommelend kroop langs de straat,

bleek geloodst in een huisje

van steen slechts een puistje,

we bliezen het weg met gepraat.

.

 

Dreamsong 14

John Berryman

.

De Amerikaanse dichter en schrijver John Berryman (1914 -1972) brak met zijn poëzie door in 1956 met ‘Homage to Mistress Bradstreet’, een dramatische monoloog waarin hij zijn bewondering uitspreekt voor Anne Bradstreet (1612 – 1672), ook wel de ‘eerste Amerikaanse dichteres’ genoemd. Berryman begon overigens al veel eerder met het schrijven van poëzie in de jaren dertig van de vorige eeuw. In de jaren veertig publiceerde hij een aantal bundels; ‘Poems’ in 1942 en ‘The Dispossessed’ in 1948 maar die sloegen niet meteen aan bij het grote publiek.

In 1965 won hij de Pulitzerprijs voor de bundel ’77 Dream Songs’. Berryman wordt wel gerekend tot de school van de ‘confessional poetry’. Dit is poëzie van ‘het persoonlijke of het ik’, die autobiografisch is en waarin vaak taboe onderwerpen worden behandeld als seksualiteit, geestesziekte en zelfmoord. Berryman is duidelijk verwant aan Robert Lowell en Anne Sexton. De humor die hij telkens weer door de behandeling van serieuze levensvraagstukken weeft werkt echter relativerend en verfrissend. In ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries, staat het gedicht ‘Dreamsong 14’ in een vertaling van Rob Schouten. Voor de liefhebbers van het originele werk ook het gedicht in het Engels.

.

Dreamsong 14

.

Leven, vrienden, verveelt. Zie je verkeerd

immers de zon straalt en de zee smacht,

wijzelf stralen en smachten

daar komt nog bij dat moeder toen ik klein was zei

(en meer dan eens) ‘Wie zegt dat-ie zich zo

verveelt ontbeert

 

een Innerlijke Bron.’ Nou: ik ontbeer

een innerlijke bron want ik verveel me dood.

Mensen vervelen me,

literatuur verveelt me, vooral grote,

Henry verveelt me, z’n ‘ja doe ik’, ‘zeker’

net zo stierlijk als Achilles

.

die mensenvriend met z’n heldengedoe,

stomvervelend.

De kalme heuvels, gin, allemaal saai gelispel

op een of andere manier

is er een hond met staart en al een eind

de bergen ingehold, de zee, de hemel

met achterlating van: mij, kwispel.

.

Dreamsong 14

.

Life, friends, is boring. We must not say so.
After all, the sky flashes, the great sea yearns,
we ourselves flash and yearn,
and moreover my mother told me as a boy
(repeatingly) ‘Ever to confess you’re bored
means you have no
Inner Resources.’ I conclude now I have no
inner resources, because I am heavy bored.
Peoples bore me,
literature bores me, especially great literature,
Henry bores me, with his plights & gripes
as bad as achilles,
who loves people and valiant art, which bores me.
And the tranquil hills, & gin, look like a drag
and somehow a dog
has taken itself & its tail considerably away
into mountains or sea or sky, leaving
behind: me, wag.

.

Voor wie dit leest

J.A. Emmens

.

In mijn collectie poëziebundels bevinden zich een aantal Salamanderpockets. Een daarvan is de pocket ‘Voor wie dit leest’ Proza en poëzie van 1950 tot heden (heden is in dit geval 1977). Lezend in deze bundel kom ik naast de vele bekende namen van grote dichters ook een paar dichters tegen die ik minder goed of helemaal niet ken.

De dichter J.A. Emmens is zo’n dichter die ik helemaal niet ken of kende moet ik inmiddels zeggen.  Jan Ameling Emmens (1924 – 1971) was doctor in de Kunstgeschiedenis en was van 1958 tot 1961 directeur van het Nederlands Kunsthistorisch Instituut in Florence. Vanaf 1967 was J.A. Emmens hoogleraar algemene kunstwetenschap en ikonologie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.

Samen met o.a. Theo Sontrop en William Kuik wordt hij wel tot de ‘Utrechtse school’ gerekend. Hij schreef simpele, erudiete gedichten, waarin gevoel en verstand hand in hand gaan. In zijn soms geestige werk relativeerde hij veel vaststaande waarden. Terugkerende thema’s zijn angst en agressie. Hij leed aan depressies en maakte zelf een einde aan zijn leven door zich op te hangen.

Een voorbeeld van het thema angst in zijn poëzie is opgenomen in de Salamander pocket 306 maar verscheen oorspronkelijk in ‘Autobiografisch woordenboek’ uit 1963. Het betreft hier het gedicht ‘Rapport over de angst’.

.

Rapport over de angst

.

Oorsprong nog onbekend, het groeit,

naar men thans aanneemt, in ’t geheim,

merkwaardig struikgewas

.

Paart zelden, in volwassen staat

als in een mist ontwaard,

gehuld in ziektes uiterst ingenieus.

.

Sterft, schijnt het, niet altijd: een god,

verouderd tegengif,

is het wel eens genadig.

.

Wij

Een liefdesgedicht

.

Anne Sexton (1928 – 1974)  wordt gerekend tot de zogenaamde ‘confessional poets’of de ‘bekentenis dichters’, sterk autobiografisch schrijvend, steeds sterk haar vrouwelijke identiteit benadrukkend, met blootlegging van de meest intieme details uit haar leven, onder het motto ‘poëzie moet pijn doen’. Sexton had geen makkelijk leven, ze leed aan anorexia en manische depressiviteit en haar psychiater raadde haar aan poëzie te gaan schrijven. Haar gedichten werden gepubliceerd in The New Yorker, Harper’s Magazine en Saturday Review.

In 1960 debuteerde ze met de bundel ‘To Bedlam and Part Way Back’ en hierna volgde nog een aantal bundels maar ook postuum verschenen nog 5 boeken na haar overlijden in 1974. Ze was tijdens haar leven heel succesvol met haar poëzie, in 1967 won ze de Pulitzer Prijs voor poëzie. Ze was bevriend met Sylvia Plath en na dat Plath zelfmoord had gepleegd dacht ook Sexton na over zelfmoord en of dat voor haar misschien ook het beste zou zijn (ze had sinds 1956 al een aantal pogingen gedaan). Uiteindelijk deed ze een geslaagde poging in 1974.

Uit de bundel ‘Kreupel hart, gedichten’ het door Katelijne de Vuyst vertaalde liefdesgedichtgedicht ‘Wij’ waarin ze een het proces van een liefde beschrijft.

.

Wij

.

Ik was gehuld in zwart

bont en wit bont en

je kleedde me uit en toen

zette je me in gouden licht

en toen kroonde je me

terwijl achter de deur sneeuw

viel in schuine schichten.

Terwijl een dikke laag sneeuw

als sterren neerdaalde

in kleine calciumdeeltjes,

waren wij in ons lichaam

(de kamer die ons zal begraven)

en was jij in mijn lichaam

(de kamer die ons overleven zal)

en eerst wreef ik je

voeten met een handdoek droog

omdat ik je slavin was

en toen noemde je me prinses

Prinses!

.

O, toen

stond ik op mijn gouden huid

en liet de psalmen achterwege

en liet de kleren achterwege

en jij maakte de breidel los

en jij maakte de teugels los

en ik maakte de knopen los,

de botten, de verwarring,

de ansichten uit New England,

de januarinacht van tien uur ’s avonds,

en we rezen op als koren,

are na are van goud,

en we oogstten,

we oogstten.

.

Singing poetry

Vachel Lindsay

.

Het leuke van dit blog dagelijks schrijven en delen is dat ik steeds vaker tips en reacties krijg op de stukken die ik hier plaats. Waarvoor dank! Naar aanleiding van het stuk over de Bertsolari van afgelopen donderdag reageerde Akim AJ Willems. Hij schreef dat Vachel Lindsay al enkele decennia eerder een slam-poet-avant-la-lettre was. Dat hoef je maar één keer tegen me te zeggen natuurlijk want dan ben ik meteen nieuwsgierig naar wie die Vachel Lindsay dan wel was.

Nicholas Vachel Lindsay (1879 – 1931) was een Amerikaans dichter die wel gezien wordt als de oprichter of bedenker van de ‘Singing poetry’ waarbij gedichten worden gezongen of gescandeerd. In die zin kun je hem beschouwen als een voorloper van de slam poëzie en/of spoken word. Hoewel zijn ouders wilde dat hij dokter zou worden dacht Lindsay daar anders over. Hij studeerde Pen & Ink aan de New York School of Art. In New York groeide zijn liefde voor poëzie. Hij probeerde zijn gedichten, die hij zelf stencilde, op straat aan de man te brengen. Daar begon hij ook met een soort ruilhandel: Een gedicht voor een stuk brood.

Tussen 1906 en 1908 reisde hij tussen Florida en Kentucky en van New York tot Ohio en voorzag hij in zijn levensbehoefte door het ruilen van gedichten tegen voedsel en onderdak. In die zin leefde hij als een moderne troubadour. In 1912 reisde hij opnieuw, nu van Illinois tot New Mexico. Tijdens deze reis schreef hij zijn meest bekende werk ‘The Congo’. Toen hij was teruggekeerd werden zijn gedichten voor het eerst gepubliceerd in Poetry magazine en werd hij al snel heel bekend als dichter.

Zijn bekendste gedicht, “The Congo”, illustreert zijn revolutionaire idee over de esthetiek van geluid ter wille van het geluid. Het imiteert het stampen van de trommels in de ritmes en in onomatopoeïsche onzinwoorden. Bij sommige delen van het gedicht gebruikt Lindsay conventionele woorden  deze verbeelden het chanten van de inheemse bevolking van Congo, die uitsluitend en alleen op geluid vertrouwen.

In 1931 leefde Lindsay een berooid leven en was hij ziek door het intensieve reizen om geld voor zijn familie te verdienen. In dat jaar pleegde hij zelfmoord door het drinken van een fles Lysol schoonmaakmiddel. Zijn laatste woorden waren: They tried to get me; I got them first!

De volledige tekst van het gedicht ‘The Congo’ kun je hier lezen: http://xroads.virginia.edu/~hyper/lindsay/lindsay.html#congo

Hier hoor je het gedicht zoals ‘gezongen’ door Vachel Lindsay zelf.

.

Jan Arends

Korte venijnige poëzie

.

Afgelopen zondag presenteerde ik een poëziemiddag waar ook Alexander Franken optrad. Als singer-songwriter en als dichter. Alexander heeft een paar korte maar krachtige gedichtjes geschreven die altijd aanslaan. Ook bij mij, ook al heb ik ze al meerdere malen gehoord uit zijn mond. Dit deed me denken aan de schrijver, dichter en literair vertaler Jan Arends.

Jan Arends (1925 – 1974) was Hagenaar van geboorte (net als Franken overigens). Hij had een moeilijke jeugd en omdat het werk van Jan Arends  veel autobiografische elementen bevat, is zijn leven en zijn literaire werk sterk met elkaar vervlochten. In zijn werk geeft Arends een kritische visie op de maatschappij vanuit een persoonlijk perspectief.

Jan Arends heeft nog geen twee jaar als schrijver en dichter de aandacht van een breed lezerspubliek getrokken en in de publiciteit gestaan. Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn gedichtenbundel ‘Lunchpauzegedichten’ verschijnt, pleegt hij zelfmoord door uit het raam van zijn woning op de vijfde etage van een flat in Amsterdam te springen. Uit zijn nalatenschap werd door Remco Campert de dichtbundel ‘Nagelaten gedichten’ samengesteld die in 1975 verscheen. In 1983 verschijnt het ‘Verzameld werk’ met daarin een aantal niet eerder gepubliceerde gedichten. (Bron Wikipedia).

Hieronder twee gedichten van Arends, kort, krachtig en venijnig. De eerste uit ‘Lunchpauzegedichten’ en de tweede uit ‘Nagelaten gedichten’.

.

Wat

geeft dat toch

een angstig gevoel

van vrede

als vader

zijn bijl slijpt.

.

.

Kanker

is
een goede dood.

Teplettervallen
is
een goede dood.

Verdrinken
is
een goede dood.

Zelfmoord
is
een goede dood.

Elke dood
is
een goede dood.

Maar
de dood
die je
te wachten staat
dat is
een slechte dood.

Altijd.

.

Arends reeks-Lunchpauze@1.indd

arends_nagelaten_gedichten

 

Schapen in de mist

Sylvia Plath

.

De Amerikaanse dichter, romanschrijfster en essayiste Sylvia Plath (1932 – 1963) pleegde zelfmoord na een leven dat werd beheerst door een bipolaire stoornis. Connie Palmen schreef het prachtige boek ‘Jij zegt het’ over het huwelijk van Sylvia Plath en Ted Hughes. Hierover schreef ik op 7 september van het vorig jaar.

Nu wil ik uit haar bundel ‘Ariël’ die in 1965 verscheen een gedicht met jullie delen in het (oorspronkelijke) Engels en in de vertaling van Anneke Brassinga getiteld ‘Sheep in fog / Schapen in de mist’

.

Sheep in fog

.

The hills step off into whiteness.

People or stars

Regard me sadly, I disappoint them.

.

The train leaves a line of breath

O slow

Horse the colour of rust,

.

Hooves, dolorous bells-

All morning the

Morning has been blackening,

.

A flower left out.

My bones hold a stilness, the far

Fields melt my heart

.

They threaten

To let me through to a heaven

Starless and fatherless, a dark water.

.

.

Schapen in de mist

.

De heuvels stappen weg, het wit in.

Mensen of sterren

bezien me treurig, ik stel ze teleur.

.

De trein laat een streep adem achter.

O traag

Roestkleurig paard,

.

Hoeven, smartelijk gerinkel –

de hele ochtend

Is de ochtend zwarter geworden,

.

Een bloem in de kou.

Mijn botten zijn vol stilte, de verre

Velden smelten in mijn hart.

.

Ze dreigen

Mij de ingang tot een hemel

Sterrenloos, vaderloos, een donker water.

.

Ariel

 

sylvia-plath

Die achternacht

Joost Zwagerman (1963 – 2015)

.

Hoewel ik een aantal van de boeken van Joost Zwagerman heb gelezen, behoorde hij niet tot mijn favoriete schrijvers. ook zijn poëzie vond ik vaak wat gekunsteld. Helemaal niet erg natuurlijk, smaken verschillen. Nu hij maandag zo plotseling en onverwacht een einde aan zijn leven heeft gebracht voelde ik toch dat ik ook aan zijn poëzie aandacht moest besteden. Overal in het nieuws worden zijn romans en essays genoemd en het feit dat hij bij De Wereld Draait Door vaak over kunst sprak (iets waar ik trouwens wel altijd enthousiast van werd), maar vrijwel nergens lees ik uitgebreid terug dat hij ook poëzie schreef. Zwagerman behoorde in de jaren 80′ tot de ‘Maximalen’

De dichters die bij de “Maximalen’ behoorde zetten zich vooral af tegen de volgens hen ‘witte en stille’ gedichten die er door de talige dichters werd geschreven. In plaats van die minimale poëzie wilden zij ‘maximale’ – en ze noemden de bloemlezing waarin ze hun werk verzamelden dan ook ‘Maximaal’ (1988). Deze Maximalen rekenden af met poëzie die gebukt ging onder ‘het juk van het grote niets’, zoals Joost Zwagerman het noemde. Zoals alle nieuwe stromingen maakten zij dus een karikatuur van het werk van hun voorgangers. Dichters moesten zichzelf niet langer reduceren tot ‘lispelende garde van de porseleinkast’, maar moesten de ‘muze de straat opjagen’- poëzie moest realistisch zijn. Maar voor deze ‘Maximalen’ was het ook van belang hoe een gedicht was geschreven: behalve het leven speelde ook het talige een grote rol.

Om ook dat aspect van zijn schrijverschap aandacht te geven hier een gedicht uit 2004 waarin ik bij herlezing wel iets van de worsteling in zijn leven terug lees. Of om, zoals hij het zelf schreef’ de laatste zin uit dit gedicht aan te halen; “een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen”.

.

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek
waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.
Ik stelde mij teleur. Sprak te luid
tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.
Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde
en sprak mij aan om hiervandaan te gaan
maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij
in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had
zonder zicht op toonzaamheid
of zelfs maar dunne trucs
waarmee je doorgaans
een kapotte nacht doorkomt.

Het eindigde ermee dat ik van alles
in mijn oor siste wat ik maar half verstond.
Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij
voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen
op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten
en toen het eenmaal ochtend was
zag ik mij als zo vaak in tongen terug
als het legioen dat vreemden streelt.
Spreekwoord was ik dat niet snapt,
gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding
die ouders voor hun kinderen uitdenken
en in het holst van alle bruikleen
was ik wat ik telkens na zo’n achternacht in corvee
en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,
met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,
een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen

.

Uit: Roeshoofd hemelt

.

zwagerman

Met dank aan http://www.literatuurgeschiedenis.nl

Plath en Hughes

Jij zegt het

.

Naar aanleiding van het boek ‘Jij zegt het’ van Connie Palmen (over het huwelijk van Sylvia Plath en Ted Hughes, beide dichters, de zelfmoord van Plath en het zwijgen van Hughes) wil ik hier graag een gedicht van beide plaatsen. Veel mensen kennen de namen van dit beroemde dichterspaar wel maar hun werk is vaak bij hen onbekend (zo was het bij mij ook). Daarom van Sylvia Plath het gedicht ‘Memoirs of a spinach-picker’ en van Ted Hughes het gedicht ‘The seven sorrows’.

.

Memoirs of a Spinach-Picker

They called the place Lookout Farm.
Back then, the sun
Didn’t go down in such a hurry. How it
Lit things, that lamp of the Possible!
Wet yet
Lay over the leaves like a clear cellophane,
A pane of dragonfly wing, when they left me
With a hundred bushel baskets on the edge
Of the spinach patch.
Bunch after bunch of green
Upstanding spinach-tips wedged in a circle—
Layer on layer, and you had a basket
Irreproachable as any lettuce head,
Pure leafage. A hundred baskets by day’s end.

Sun and sky mirrored the green of the spinach.
In the tin pail shaded by yellow paper
Well-water kept cool at the start of the rows.
The water had an iron taste, and the air,
Even, a tang of metal.
Day in, day out,
I bent over the plants in my leather-kneed
Dungarees, proud as a lady in a sea
Of prize roses, culling the fullest florets;
My world pyramided with laden baskets.

I’d only to set one foot in wilderness—
A whole sea of spinach-heads leaned to my hand.

.

plath

The Seven Sorrows

The first sorrow of autumn
Is the slow goodbye
Of the garden who stands so long in the evening-
A brown poppy head,
The stalk of a lily,
And still cannot go.

The second sorrow
Is the empty feet
Of a pheasant who hangs from a hook with his brothers.
The woodland of gold
Is folded in feathers
With its head in a bag.

And the third sorrow
Is the slow goodbye
Of the sun who has gathered the birds and who gathers
The minutes of evening,
The golden and holy
Ground of the picture.

The fourth sorrow
Is the pond gone black
Ruined and sunken the city of water-
The beetle’s palace,
The catacombs
Of the dragonfly.

And the fifth sorrow
Is the slow goodbye
Of the woodland that quietly breaks up its camp.
One day it’s gone.
It has only left litter-
Firewood, tentpoles.

And the sixth sorrow
Is the fox’s sorrow
The joy of the huntsman, the joy of the hounds,
The hooves that pound
Till earth closes her ear
To the fox’s prayer.

And the seventh sorrow
Is the slow goodbye
Of the face with its wrinkles that looks through the window
As the year packs up
Like a tatty fairground
That came for the children.

.

ted H

Romans

Stevie Smith

.

Florence Margaret Smith, schrijvend onder de naam Stevie Smith (1902 – 1971) was een Engels schrijfster en dichteres. Haar werk neemt een bijzondere positie in de Engels literatuur in omdat haar poëzie weinig gemeen heeft met die van haar tijdgenoten. Soms is de invloed van William Blake of Edward Lear te bespeuren.

Haar taal schommelt tussen eenvoudig en archaïsch Engels, ze gebruikt zowel traditionele als vrije vormen.  De speelse en humoristische toon van veel gedichten herinnert aan kinderversjes, maar vaak is de tekst gecontrasteerd met subtiele melancholie en een thematische voorkeur voor de dood en zelfmoord.

Ze schreef acht dichtbundels en een aantal romans en ontving voor haar poëzie in 1969 de Queen’s Gold Medal for Poetry. Uit ‘Poems’ uit 1971 het volgende gedicht.

 

Tenuous and Precarious

Tenuous and Precarious
Were my guardians,
Precarious and Tenuous,
Two Romans.

My father was Hazardous,
Hazardous
Dear old man,
Three Romans.

There was my brother Spurious,
Spurious Posthumous,
Spurious was Spurious,
Was four Romans.

My husband was Perfidious,
He was Perfidious
Five Romans.
Surreptitious, our son,
Was Surreptitious,
He was six Romans.

Our cat Tedious
Still lives,
Count not Tedious
Yet.

My name is Finis,
Finis, Finis,
I am Finis,
Six, five, four, three, two,
One Roman,
Finis.

smith

.

%d bloggers liken dit: