Site-archief

Wendy little rose

Marleen De Crée

.

In de laatst verschenen editie van leukste en kleinste poëziemagazine MUGzine, https://woutervanheiningen.wordpress.com/2021/02/17/in-de-nieuwe-mugzine/ met Nederlandse en Vlaamse dichters, staan een aantal gedichten van de Vlaamse dichter Marleen De Crée (1941). Alle gedichten , ook die van Marleen De Crée, zijn gratis te lezen via http://mugzines.nl/

De Crée is dichter en beeldend kunstenaar. Ze studeerde kunstgeschiedenis aan de K.U. Leuven. De eerste uitgever van Marleen de Crée was J.L. de Belder, waar ze jarenlang, net als met Maurice Gilliams, goed bevriend mee was. Haar werk is met meerdere literaire prijzen bekroond. Haar poëzie verscheen behalve in MUGzine ook in Deus ex Machina, Dietsche Warande en Belfort, Gierik, Nieuw VlaamsTijdschrift, Poëziekrant, Restant, Revolver, Spiegel, De Vlaamse Gids en Yang.

Haar oeuvre is sinds haar debuut in 1969 gegroeid naar meer dan 20 dichtbundels en haar werk is opgenomen in verschillende bloemlezingen. In 2004 verscheen van haar hand de bundel ‘Vita Vita’ en uit deze bundel is het gedicht ‘Wendy little rose’ genomen.

 

Wendy little rose

rozen, als kwamen ze ’s avonds, laten
zich niet lezen. ze slurpen taal en teken
uit mijn blik. in een sonore stoet trekken
ze voorbij. maanlicht staat te staren,

rukt aan de tijd, zwart als water en
vol onzekerheid. niets is nog bewezen.
rozen hebben me beet en bijten. ik slik
hun geur, blijf aan ze haken.

lucht hangt als verbeelding te verbleken,
veegt met een vage hand mijn adem uit.
hoe ver zijn rozen, hoe dicht aan mij gebrand.

mijn stem wikkelt zich soms uit hun blaren.
niets is guller dan een rozenhart. daarin
zal ik slapen, schuilen, leven als het moet.

.

Uit het oog

Miguel Declercq

.

Met enige regelmaat ontdek ik nieuwe dichters. Vaak zijn het Vlaamse dichters en ook nu betreft het een Vlaamse dichter namelijk Miguel Declercq (1976). Voor hij in 1997 debuteerde met de dichtbundel ‘Person@ges’, een sonnettenkrans waarmee hij de Hugues C. Pernath-prijs won, publiceerde hij al gedichten in allerlei literaire tijdschriften. Magazines van gefotokopieerde blaadjes (iets waar ik veel respect voor heb, zo laat je als dichter blijken dat je je niet te goed voelt om gelezen te worden) tot Deus Ex Machina , Yang, De Revisor en Parmentier.

De sonnettenkrans in ‘Person@ges’ is een bijzonder werk. Deze sonnettenkrans bestaat uit veertien regelmatig rijmende gedichten waarvan de slotregel de begin regel van het volgende gedicht is en het laatste vers van nummer veertien hetzelfde is als het eerste vers van het eerste sonnet; die veertien beginregels samen vormen dan het vijftiende zogenaamde ‘meestersonnet’.

In het 2000 wordt  Miguel Declercq in ‘Dietsche Warande & Belfort’ samen met Paul Bogaert, Paul Demets, Jan Lauwereyns, Johan de Boose en Peter Holvoet-Hanssen gepresenteerd als behorend tot de kopgroep van de jonge Vlaamse dichters. In 2001 wordt zijn frivole bundel ‘Zomerzot/Somersault‘ gepubliceerd waarna het maar liefst 11 jaar duurt voordat er weer een bundel van Declercq verschijnt; ‘Boven water’ in 2012.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Uit het oog’.

.

Uit het oog

.

We gingen naar Oostende om de sterren te bekijken,

maar het enige wat we van de sterren te zien kregen,

was oud licht, oude hitte, herinneringen

aan koude plaatsen, aan hoe we ’s zomers urenlang aan tafel zaten

om op te warmen

als hagedissen.
We hielden onze ogen open. We hielden onze ogen open
met de hulp van tandenstokers. We leefden nog,
maar vaak leek het of ons
ons laatste dictee werd afgenomen. Vaak leek het
alsof we loodrecht naar de bodem zonken, alsof we onder tonnen modder
     zouden worden bedolven
zodra we onze ogen sloten.
We schitterden als nooit tevoren,

maar enkel aan de oppervlakte.

 

 

December-elegie

Maurice Gilliams

.

Het Vlaams literaire kwartaalblad ‘Yang’ verscheen van 1963 tot en met 2009. In ‘Yang’ werd ruime aandacht besteed aan hedendaagse poëzie en proza van zowel Nederlandstalige auteurs als in vertaling en er stonden kritieken en essays in. In 2009 is het samengesmolten met het tijdschrift ‘freespace Nieuwzuid’ tot het nieuwe platform ‘nY’. In ‘Yang’ het tijdschrift voor Literatuur Kommunikatie (ja zo schreef men dat destijds) uit 1980, staat een passend gedicht voor deze tijd van het jaar. Wellicht iets te vroeg (het is nog november) maar niet minder mooi. Het is het gedicht ‘December-elegie’ van de Vlaamse schrijver en dichter Maurice Gilliams (1900 – 1982). Op zeventienjarige leeftijd debuteerde Gilliams met gedichten en proza onder de naam Floris van Merckem, een pseudoniem dat hij later introk. Hij brak op 36-jarige leeftijd door met zijn sterk autobiografische roman ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’.

Gilliams ontving voor zijn werk onder andere de Constantijn Huygensprijs (1969) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1980). In de tuin van het Elzenveld in Antwerpen staat een standbeeld van hem van de hand van beeldhouwer Rik Poot. Op de arduinen sokkel staat Gilliams’ tekstregel ‘De onrust schenkt vleugels aan de verbeelding’, die in 2018 het motto werd van de roman ‘De avond is ongemak’ van dichter en schrijfster Marieke Lucas Rijneveld.

.

December-elegie

.
Hier woont een bruid. De stallen staan vol paarden.

De wintermaan beschijnt door ’t vensterglas,

verschuivend langs een roerloos vlak van angst,

de teil met bloedmoer van geslachte hazen.

.

En stoel aan stoel en kast aan kast der vaderen

beluistren ’t kraken van de zorgentrap

waarlangs zij klommen, lijdzaam overlast,

naar nesten van vergetelheid op zolderkameren.

.

Voor barenswee verkoren dochter sluimert;

een arm, als bij het rapen, hangt ontbloot

naar ’t veld der dromen waar de wellust suizelt.

.

En met haar mond naar de appels aan de bomen

bewasemt zij het plekje op de wand

waar de afscheidszucht verstierf van verre doden
.
.

Eddy van Vliet

Vlaams dichter

Eduard Léon Juliaan  (1942 – 2002) gebruikte als pseudoniem de naam Eddy van Vliet.

Hij studeerde rechten aan de Vrije Universiteit in Brussel en vestigde zich als advocaat in Antwerpen. Hij werkte mee als redacteur aan Yang, Kentering en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Van Vliet hield zich afzijdig van elke groep of stroming in de literatuur. Hij debuteerde met de bundel ‘Het lied van ik’ (1964), gedichten die abstraheren van de werkelijkheid en daarvoor in de plaats sprookjesachtige of mythische elementen plaatsen. Dat geldt ook voor de bundels ‘Duel’ (1967), bekroond met de Reina PrinsenGeerligsprijs, en ‘Columbus tevergeefs’ (1969), waarvoor hij de Arkprijs van het Vrije Woord kreeg.

De thematiek van zijn poëzie is  gericht op de tegenstellingen goed en kwaad, liefde en geweld, waarbij hij het eigen ik als uitgangspunt kiest voor wat men als belijdenispoëzie zou kunnen kenschetsen. Uit ‘Na de wetten van Afscheid & Herfst’ het volgende gedicht.

.

Op de iden van maart

de dag dat Julius Ceasar werd geveld

zoals ik geleerd had

en toen nog dacht dat alles te leren viel

stierf zij

.

Zo ze dan toch moet verdwijnen

bad ik stiekem in de gang van het ziekenhuis

dan op de dag dat een keizer werd vermoord

zoals voorspeld in de vlucht der eenden

zoals gelezen op de tweede bank. derde rij links

afrukkend en geil van verdriet

.

En na de koffie met ooms en tantes

nooit gezien en stervensgereed

de hoon van de vrienden

om mijn tekens van rouw.

.

Na de wetten

een twee drie ten dans

Eva Cox

.

Eva Cox (1970) is een dichter, prozaïst en vertaler, woont in Oostende, België. Op haar website schrijft ze over zichzelf en over haar leven tussen 1986 en 1999 het volgende:

“Zij woonde zelfstandig op zestien, ontvluchtte de middelbare school,stichtte een eenoudergezin, werkte als enquêtrice en tekenmodel, verkocht brood, opende een theehuis.”  Vanaf 1999 schrijft ze en was ze onder andere medewerker van Parmentier, De Brakke Hond, Revolver, Poëziekrant, Rottend Staal, Yang en DWB.

In 2001 won ze de eerste Vlaamse Poetry Slam. In 2004 debuteerde ze met de bundel ‘Pritt.stift.lippe’ in de Windroosreeks.  In 2009 verscheen bij De Bezige Bij ‘een twee drie ten dans’, een kleine stoet poëzie, (ultra)kort proza, vertalingen, pastiches, een duet voor één stem. Uit deze bundel het gedicht ‘Hand’.

.

Hand

Toen er een hand uit de kast stak, niet opdringerig, eerder
bijna verlegen, traag kantelend in het bleke licht, nam ik
een stoel en moest even gaan zitten. Ik overdacht het
bestaan, het ritme ervan, de pitloze weekte, en besloot de
hand niet weg te slaan. Sindsdien deel ik de tijd, mijn
kast en mijn leegte, en het is waar dat ik voor het eerst en
haast tot mijn spijt afhankelijk ben, maar ik blijf opgelucht
dat het een hand is en geen tong, god verhoede een tong,
of een neus, wat neuzen teweeg kunnen brengen, hoe men
er in lorren gehuld achteraan moet, nee een hand, lege
hand, glad, verlegen, traag kantelend in het harde licht,
op het ritme van de zon en wat uren.

.

Eva zwart wit k

%d bloggers liken dit: