Site-archief

In de beperking toont zich de meester

Johann Wolfgang von Goethe

.

De waarde van lezen ligt voor mij vooral in het ontdekken van nieuwe werelden, inzichten en verhalen. En natuurlijk geldt dit ook voor het lezen van poëzie. De uitspraak ‘In de beperking toont zich de meester’ kende ik, maar dat deze uitspraak van de Duitse wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) was wist ik dan weer niet.

Dat ik nu weet dat Goethe deze uitspraak deed komt door het gedicht ‘Natuur en Kunst’ of ‘Natur und Kunst’ in het Duits, dat ik las in de bloemlezing ‘Natuur zal kunst nooit blijvend evenaren’ De Westeuropese poëzie in honderd gedichten uit 1996. Hierin zijn 100 bekende en/of beroemde gedichten opgenomen die gerekend kunnen worden tot de beste uit vijf West-Europese taalgebieden; het Duits, Engels, Frans, Italiaans en Spaans. Samensteller Peter Verstegen sloeg geen enkele beroemde dichter over in dit ruim 400 pagina’s tellende overzicht.

Dichters als Dante, Petrarca, Shakespeare, Keats, Baudelaire, Rimbaud, Goethe en Rilke, ze zijn allemaal vertegenwoordigd. De gedichten zijn opgenomen in de oorspronkelijke taal en in een vertaling en voorzien van commentaar door Peter Verstegen. Voor de volledigheid deel ik hier het gedicht ‘Natuur en Kunst’ in de vertaling en in het Duits.

.

Natur und Kunst

.

Natur und Kunst, sie scheinen sich zu fliehen,
Und haben sich, eh’ man es denkt, gefunden;
Der Widerwille ist auch mir verschwunden,
Und beide scheinen gleich mich anzuziehen.

.

Es gilt wohl nur ein redliches Bemühen!
Und wenn wir erst in abgemeßnen Stunden
Mit Geist und Fleiß uns an die Kunst gebunden,
Mag frei Natur im Herzen wieder glühen.

.

So ist’s mit aller Bildung auch beschaffen:
Vergebens werden ungebundne Geister
Nach der Vollendung reiner Höhe streben.

.

Wer Großes will, muß sich zusammen raffen;
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

.

Natuur en Kunst

.

Natuur en kunst lijken elkaar te mijden,

Maar eer je ’t weet komen zij tot elkaar;

Ook mijn afkerigheid is niet meer waar,

Ze lijken mij gelijkelijk te verleiden.

.

Slechts de intentie telt! Zolang wij maar

Eerst aan de kunst een aantal uren wijden

Met geest en ijver, is het geen bezwaar

Als de natuur het hart weer komt bevrijden.

.

Zo is het met cultuur van elke rang:

Vergeefs zullen door niets gebonden geesten

Naar vervolmaking van het hoogste streven.

.

Naar grootheid streven vergt veel zelfbedwang;

In de beperking pas toont zich de meester,

En wetten slechts kunnen ons vrijheid geven.

.

Andy Warhol

Advertentie

Aan het begin van de avond

Nachoem M. Wijnberg

.

Dichter, schrijver en econoom Nachoem M. Wijnberg (1961) schrijft net zo makkelijk dichtbundels als doorwrochte wetenschappelijke verhandelingen. Een dichtbundel kan een titel als ‘Nog een grap’, ‘Liedjes’ of ‘Alvast’ hebben terwijl een wetenschappelijk werk een titel als ‘The dynamics of inter-firm networks in the course of the industry life cycle: the role of appropriability’ heeft. Een man van vele talenten dus.

Nachoem M. Wijnberg ( de M. staat voor Mesoulam) publiceerde sinds zijn debuut in 1989 met ‘De simulatie van de schepping’ maar liefst 20 dichtbundels en een aantal romans. Zijn poëzie is geëvolueerd van anekdotisch naar abstract, met behoud van het verhalende element. Hij schrijft vaak over actuele, maatschappelijke, politieke en filosofische kwesties. Associaties en logica wisselen elkaar af. Soms lijken de gedichten bedoeld als objectieve observaties en is (afstandelijk) sprake van ‘Iemand’ of ‘men’. Helderheid staat voor de dichter voorop.

Helder is ook het gedicht ‘Aan het begin van de avond’ uit de bundel Voor jou, van mij’ uit 2017 waarin het ‘gewone’ wordt gecombineerd met het ‘bevreemdende’.

.

Aan het begin van de avond

.

Toen je op een strand aanspoelde

keek een meisje naar je,

alsof haar een vraag gesteld werd,

niet door jou,

maar door iemand ver weg.

.

Je wenste haar een huwelijk

waarin zij en wie bij haar is

samen antwoord probeert te geven.

.

Je liep op straat

en voor je uit liepen twee huwelijks-

makelaars.

.

Waarover spraken zij

met elkaar?

.

Over hoe erg hun laatste

twee klanten hen nodig

zouden hebben.

.

Biologica

Leo Vroman

.

Het thema van de Poëzieweek mag dit jaar dan Natuur zijn, in 2018 verscheen van dichter Leo Vroman (1915-2014) postuum de bundel ‘En toch is alles wat we doen natuur’ de mooiste gedichten over het leven in en rondom ons. Vroman was een Nederlands-Amerikaans dichter, (toneel)schrijver, tekenaar, schilder, bioloog en hematoloog. In Nederland is hij echter vooral bekend als dichter. Zelf beschouwde hij zich allereerst als wetenschapper. Vroman woonde en werkte vanaf 1947 in de Verenigde Staten en werd in 1951 Amerikaans staatsburger. Desalniettemin geldt hij als een van de belangrijkste Nederlandse dichters van de vorige eeuw.

Vromans werd tijdens zijn leven meerdere malen bekroond. Zo ontving hij onder andere in 1950 de  Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Gedichten, vroegere en latere’ in 1964 de P.C. Hooft-prijs voor zijn oeuvre, en in 1996 de VSB Poëzieprijs voor ‘Psalmen en andere gedichten’.

Vromans gedichten zijn levendig en herkenbaar, al sinds zijn debuut in 1946. Hij behoort tot geen enkele stroming binnen de literatuur, maar heeft een speelse, grillige, soms surrealistische stijl. Criticus Kees Fens noemde Vroman ooit ‘de vlakbijste dichter’ van Nederland, wat iets zegt over de toegankelijkheid van zijn poëzie.

Zoals gezegd verscheen in 2018 de bundel ‘En toch is alles wat we doen natuur’ en uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Biologica’ dat eigenlijk voor zichzelf spreekt.

.

Biologica

.

Ik was altijd al omgeven

door al die schattige vormen

van het aardse leven.

Neem nou die regenwormen.

Als kind al, hoe mij zo’n regen-

worm dringend moest doorboren

tussen mijn vingertjes door en

terug naar de natte grond,

daar kon ik gewoon niet tegen.

Drukte ik niet vaak met mijn meest

innige liefde mijn mond

zoetsappig op zo’n beest?

Hoe dieren elkander vinden!

Eerst even snuffelen,

dan elkaar knuffelen

en dan verslinden.

Heerlijk te worden omgeven

door al dat leven.

.

Wormen

Hans Andreus

.

Vanmorgen hoorde ik op Radio 1 een reportage over een wormenkweker. Wat me opviel was dat wormenkwekers (volgens mij één van de beroepen van de toekomst (veeteeltvervangers, biologische mest) blijkbaar tegen een zelfde wetgeving oplopen als veehouders. Het lijkt me toch van een heel ander slag maar misschien moet hier wettelijk nog iets op worden aangevuld, dat werd me niet helemaal duidelijk.

Wormen zijn de darmen van de aarde schijnt de grote Griekse filosoof en wetenschapper Aristoteles al gezegd te hebben en ik kan het daar erg mee eens zijn. In ieder geval was deze reportage aanleiding voor me om eens te kijken of er een gedicht voor handen was over wormen. En dat is er. Hans Andreus (1926 – 1977) schreef het gedicht ‘De wormen’ en ik nam het uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1995.

.

De wormen

.

Wanneer men liefheeft,

komen de wormen weer,

de wormen met hun kleine koppen,

de wormen van de laffe dood.

.

Niet van de echte dood, de echte

dood is groot en heeft een licht,

een zon in zijn handen,

witte zon, naakte zon, zon zonder tijd.

.

Maar in wat leeft leven de wormen

en vreten van de liefde

en vreten van het goede leven,

de wormen met hun kleine koppen.

.

God, wie, wat je bent

kan mij niet schelen, maar verbrand

de wormen van de laffe dood

en laat ons rustig zijn.

.

 

Binnenhof

Lieven Rens

.

De Vlaamse dichter Lieven Rens (1925 – 1983) schreef elf dichtbundels. Hij was recensent in diverse kranten en tijdschriften, gerenommeerd wetenschapper inzake het renaissancedrama in de Nederlanden in het bijzonder de werken van Joost van den Vondel. Daarnaast was hij hoogleraar Europese en Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).

In 1948 debuteerde hij met de bundel ‘Schrikkeljaar’waarna hij tot zijn voortijdige overlijden (in 1983 overlijdt hij aan de gevolgen van een tragisch ongeval) om de paar jaar een dichtbundel publiceert.

Als dichter behoorde hij aanvankelijk tot de groep van ‘Nieuwe Stemmen’ een tijdschrift van de katholieke jongeren, waarvan hij van 1951 tot 1958 redactielid was. Zij streefden een katholiek reveil na, en gingen aldus in tegen die andere naoorlogse stroming het existentialisme, die, volgens hen, teveel nihilistisch van aard was. Ook keerden ze zich af van de experimentelen en geloofden in de kracht van de grote klassieke traditie.

Zijn dichterschap is in drie delen te beschouwen: de eerste 11 jaar dicht hij vooral over de liefde en de verwording van de westerse cultuur. In de acht jaar die daarop volgen verwoordt hij de spanning tussen het menselijk verblijf in het aardse en de hemelse bevrijdingshunker. en verinnerlijkt en vergeestelijkt hij  zijn poëzie in een reeks, landschappen, stillevens en portretten. In de laatste 7 jaar van zijn dichterschap evolueert hij naar een soort woordpoëzie, die haar eigen vorm en ritme vastlegt. Versregelbouw en woordschikking worden grilliger, associaties en referenties verruimen zijn poëtische wereld.

Voor zijn werk ontvangt hij enkele prijzen waaronder de Guido Gezelleprijs 1972-1976 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor de dichtbundel ‘Leander’.

Uit de tweede periode van zijn dichterschap stamt de bundel ‘Op gouden grond’ (1971) waaruit het gedicht ‘Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)’ is genomen.

.

Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)

De platgetreden wegen,
Het gladgeschoren gras,
Alles ligt effen als een plaat van glas.

Heel even een bewegen
Van mus en mus, en soms
Een rilling onder de geraniums.

Ik voel de wereld wegen –
Iets is op til –
Iets moet gebeuren of de tijd valt stil.

.

Elementen

Garmt Stuiveling

.

In 1931 publiceerde dichter en literator Garmt Stuiveling zijn debuut als dichter getiteld ‘Elementen’. Mijn versie is een derde druk uit 1949 maar zou, qua vorm en ontwerp, ook zomaar van nu kunnen zijn. Stuiveling (1907 – 1985) had al enige werken gepubliceerd voordat hij met deze poëziebundel kwam en ook na deze bundel zouden van hem werken als ‘Rekenschap’ en ‘Een eeuw Nederlandse Letteren’ (beide uit 1941) verschijnen waardoor hij grotere bekendheid kreeg. dat is waarschijnlijk ook de reden dat 18 jaar na het verschijnen van ‘Elementen’ er een derde druk volgde.

In de binnenflap van de bundel is te lezen: “Zijn natuurlyriek, zijn menselijke gevoelens, zijn sociale overtuiging, zijn wijsgerige denkbeelden: zij allen vormen in hun onderlinge samenhang de inhoud van dit werk dat nergens ‘modern’ maar evenmin ergens ‘ouderwets’ aandoet , omdat Stuiveling in zijn rustige en weloverwogen taalbeheersing zomin het experiment om het experiment zoekt, als in versleten retoriek blijft steken”.

Maatschappelijk gezien vervulde Stuiveling een grote rol in de sociaaldemocratische beweging; hij was pacifist, geheelonthouder en al voor de oorlog lid van de SDAP. Hij had een vooraanstaande positie in tal van organisaties, instellingen en verenigingen. Voor de oorlog publiceerde hij onder andere in het literair tijdschrift Forum, na de oorlog verkreeg hij vooral bekendheid als wetenschapper en door zijn rol in het maatschappelijk leven. Uit de bundel ‘Elementen’ koos ik voor het gedicht ‘de stad’.

.

De stad

.

Zo zijt ge, stad: een donker silhouet,

een monster laag en wreed ineengedoken,

met duizend felle klauwen opgestoken

en in het levend hemellicht gezet.

.

Zo zijt ge, stad: een stormend meer van steen,

maar onder wildbewogen dakengolven

weet ik geheel een mensgeslacht bedolven

door elk seizoen en alle tijden heen.

.

Zo zijt ge, stad: uw gevels zij aan zij

weren de zonneschijn en ’t winderuisen,

en grauwe mensen tussen grauwe huizen

bewegen naamloos aan elkaar voorbij.

.

Maar als de avond tot u wederkeert,

bloeit elke straat tot lichtend wonder open,

en door uw wezen komt de gloed gelopen

van brandend leven dat zichzelf verteerd.

.

 

De Elfenkoning

Johann Wolfgang von Goethe

.

Altijd als ik iets lees over of van Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832) moet ik denken aan Boudewijn Büch en zijn dweperige liefde voor deze beroemde Duitse schrijver, dichter, wetenschapper, filosoof, staatsman, natuuronderzoeker en toneelschrijver (dat kon in die tijd nog, zoveel verschillende carrières hebben). Ik denk dat je Büch bewust moet hebben meegemaakt om dit te herkennen.

Dat had ik ook weer toen ik in de hele fijne bundel ‘Gedichten die vrouwen aan het huilen maken’ las welk gedicht Inez Weski had gekozen als gedicht dat haar tot tranen roerde als kind. het betreft hier het gedicht ‘De Elfenkoning’ van Goethe (in een vertaling van Erik Derycke). Of ‘Erlkönig’ zoals de Duitse titel luidt uit 1782.

Ze zegt hierover: “Het gaat over een vader, die te paard met zijn ijlende kind door de nacht rijdt in de ijdele hoop op hulp. Je voelt vooral die wanhoop van de vader, die zijn kind geruststelt, en de onafwendbaarheid van het noodlot.”

.

De Elfenkoning

Wie rijdt er zo laat door nacht en wind?
Het is een vader met zijn kind.
Hij houdt de jongen vast in zijn arm,
Omklemt hem stevig en houdt hem warm.-

Waarvoor toch ben je zo bang, mijn zoon?-
Voor de elfenkoning, met mantel en kroon;
Zie jij dan, vader, de elfenkoning niet?-
Mijn zoon, dat is een nevelsliert.-

‘Mijn liefste kind, kom mee met mij!
Zo’n leuk spelletjes spelen wij:
Vol bonte bloemen staat ons strand;
Mijn moeder kleedt ons met goud en kant.’-

Ach vader, ach vader, heb je niet gehoord
Waarmee de koning mij zachtjes bekoort?-
Wees rustig, blijf rustig mijn kind!
In dorre bladeren ritselt de wind.-

‘Ga mee met mij en leer mij kennen;
Mijn dochters zullen jou verwennen,
Ze dansen elke nacht, mijn lieve knaap,
En wiegen en zingen je daarna in slaap.’-

Ach vader, ach vader, kijk ginds naast de baan:
Zie je de koning zijn dochters niet staan?-
Mijn zoon, ik zie ze helder en klaar;
Het lijken die oude grijze wilgen daar.-

‘Ik hou van jou, je bent al wat nu voor mij telt;
En ben je niet willig, dan gebruik ik geweld.’-
Ach vader, ach vader, nu raakt hij me aan!
Elfenkoning heeft mij pijn gedaan!-

De vader huivert, hij rijdt gezwind
Hij houdt in zijn armen het kermende kind,
Bereikt de hoeve ternauwernood;
Het kind in zijn armen was dood.

.

erl_king_sterner

gdv

Een uitzicht op de eeuwigheid

Leo Vroman

.

Vandaag heb ik een gedicht gekozen uit een bundel uit mijn boekenkast. Inmiddels beslaan dichtbundels reeds meerdere meters in mijn boekenkast en af en toe pak ik daar een bundel uit zonder te kijken welke het is. Op die manier herlees ik bundels soms alsof het voor het eerst is.

Vandaag pakte ik de bundel ‘De gebeurtenis en andere gedichten’ van Leo Vroman (1915 – 2014) uit de kast. Deze bundel verscheen in 2001 en wat mij trof was het gegeven dat in veel van zijn gedichten de wetenschap (in algemene zin) en god regelmatig een rol spelen. Leo Vroman was behalve een zeer begenadigd dichter, eerst en vooral (in zijn eigen ogen) wetenschapper namelijk bioloog en hematoloog (medisch specialisme dat zich bezighoudt met afwijkingen van het bloed).

Ook in het gedicht ‘Een uitzicht op de eeuwigheid’ komen deze genoemde elementen terug.

.

Een uitzicht op de eeuwigheid

Ieder staat aan de kant van iets groots:
de rand van het leven en des doods.
Wij staren onze toekomst in
en zien geen eind en geen begin,

een uitzicht dat geen inzicht geeft,
een leven waar niets buiten leeft
binnen de korte warme poos
van onbewust naar bewusteloos.

Hoe vinden wij, het lijf ten spijt,
tijd voor een geloof in eeuwigheid?
Niets is immers voor altoos?
En bloemen, vlinders, aarde dan,
waarom genieten wij daarvan?
Wij raken immers alles kwijt?

Maar het vervallen van de roos,
het rode zwellen van de vrucht
dat niemand nog begrijpen kan
onder de dodeloze tijd
die elk jaar weer de dood herhaalt
en dan de zon die stijgt en daalt,
en altijd weer dat overdoen en
wederkeren der seizoenen…
wordt hier een les gerepeteerd?
Doen wij dus alles nog verkeerd?

En aldoor weer gedichten schrijven
om na mijn dood nog wat te blijven,
zoals onvruchtbaaar rozenzaad
gelooft dat het eeuwig voortbestaat?
Dat kan geen wiijsheid wezen, want
zoiets doet elke bloeise plant.

.

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Leo-Vroman

Goethe als dichter

Dodendans

.

Eind 2012 schreef ik al eens over Goethe als dichter. De schrijver en wetenschapper Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832, dat von kreeg hij toegevoegd aan zijn naam toen hij in 1782 in de adelstand werd verheven) is natuurlijk vooral bekend en beroemd om zijn proza. Goethe begon ook pas laat met dichten. Componist Franz Schubert was een groot liefhebber van de poëzie van Goethe en zette er verschillende op muziek. Hieronder het gedicht ‘Totentanz’ of ‘Dance of Death’ in een vertaling van Edgar Alfred Bowring uit 1874 voor wie, zoals ik, het Engels eenvoudiger te begrijpen is dan het Duits.

.

Totentanz                                                                                                    Dance of Death

Der Türmer, der schaut zu Mitten der Nacht The warder looks down at the mid hour of night,
Hinab auf die Gräber in Lage; On the tombs that lie scatter’d below:
Der Mond, der hat alles ins Helle gebracht; The moon fills the place with her silvery light,
Der Kirchhof, er liegt wie am Tage. And the churchyard like day seems to glow.
Da regt sich ein Grab und ein anderes dann: When see! first one grave, then another opes wide,
Sie kommen hervor, ein Weib da, ein Mann, And women and men stepping forth are descried,*
In weißen und schleppenden Hemden. In cerements** snow-white and trailing.
Das reckt nun, es will sich ergetzen sogleich, In haste for the sport soon their ankles they twitch,
Die Knöchel zur Runde, zum Kranze, And whirl round in dances so gay;
So arm und so jung, und so alt und so reich; The young and the old, and the poor, and the rich,
Doch hindern die Schleppen am Tanze. But the cerements stand in their way;
Und weil hier die Scham nun nicht weiter gebeut, And as modesty cannot avail them aught here,
Sie schütteln sich alle, da liegen zerstreut They shake themselves all, and the shrouds soon appear
Die Hemdlein über den Hügeln. Scatter’d over the tombs in confusion.
Nun hebt sich der Schenkel, nun wackelt das Bein, Now waggles the leg, and now wriggles the thigh,
Gebärden da gibt es vertrackte; As the troop with strange gestures advance,
Dann klippert’s und klappert’s mitunter hinein, And a rattle and clatter anon rises high,
Als schlüg’ man die Hölzlein zum Takte. As of one beating time to the dance.
Das kommt nun dem Türmer so lächerlich vor; The sight to the warder seems wondrously queer,
Da raunt ihm der Schalk, der Versucher, ins Ohr: When the villainous Tempter speaks thus in his ear:
Geh! hole dir einen der Laken. “Seize one of the shrouds that lie yonder!”
Getan wie gedacht! und er flüchtet sich schnell Quick as thought it was done! and for safety he fled
Nun hinter geheiligte Türen. Behind the church-door with all speed;
Der Mond, und noch immer er scheinet so hell The moon still continues her clear light to shed
Zum Tanz, den sie schauderlich führen. On the dance that they fearfully lead.
Doch endlich verlieret sich dieser und der, But the dancers at length disappear one by one,
Schleicht eins nach dem andern gekleidet einher, And their shrouds, ere they vanish, they carefully don,
Und, husch, ist es unter dem Rasen. And under the turf all is quiet.
Nur einer, der trippelt und stolpert zuletzt But one of them stumbles and shuffles there still,
Und tappet und grapst an den Grüften; And gropes at the graves in despair;
Doch hat kein Geselle so schwer ihn verletzt, Yet ‘tis by no comrade he’s treated so ill
Er wittert das Tuch in den Lüften. The shroud he soon scents in the air.
Er rüttelt die Turmtür, sie schlägt ihn zurück, So he rattles the door—for the warder ‘tis well
Geziert und gesegnet, dem Türmer zum Glück, That ‘tis bless’d, and so able the foe to repel,
Sie blinkt von metallenen Kreuzen. All cover’d with crosses in metal.
Das Hemd muß er haben, da rastet er nicht, The shroud he must have, and no rest will allow,
Da gilt auch kein langes Besinnen, There remains for reflection no time;
Den gotischen Zierat ergreift nun der Wicht On the ornaments Gothic the wight seizes now,
Und klettert von Zinne zu Zinnen. And from point on to point hastes to climb.
Nun ist’s um den armen, den Türmer getan! Alas for the warder! his doom is decreed!
Es ruckt sich von Schnörkel zu Schnörkel hinan, Like a long-legged spider, with ne’er-changing speed,
Langbeinigen Spinnen vergleichbar. Advances the dreaded pursuer.
Der Türmer erbleichet, der Türmer erbebt, The warder he quakes, and the warder turns pale,
Gern gäb er ihn wieder, den Laken. The shroud to restore fain had sought;
Da häkelt—jetzt hat er am längsten gelebt— When the end,—now can nothing to save him avail—
Den Zipfel ein eiserner Zacken. In a tooth formed of iron is caught.
Schon trübet der Mond sich verschwindenden Scheins, With vanishing lustre the moon’s race is run,
Die Glocke, sie donnert ein mächtiges Eins, When the bell thunders loudly a powerful One,
Und unten zerschellt das Gerippe. And the skeleton fails, crush’d to atoms.
Met dank aan http://german.about.com/library/bltotentanz.htm

goethe_1

Gedichten op vreemde plekken

Op een WC rol

.

Op de website van Kinderboekenwinkel De Boekenberg kwam ik een bijzondere  plek voor poëzie tegen. Wetenschapper Samir Hanssen studeerde Nanoscale Science and Engineering aan de State University in New York en schrijft kinderpoëzie (bijzondere combinatie). Naar aanleiding van de Nationale Gedichtendag in 2013 schreef hij op een rol toiletpapier een reeks kinderversjes. Op de middag in de Boekenberg droeg hij de gedichtjes voor en maakte gedichten op verzoek.

.

??????????

 

??????????

%d bloggers liken dit: