Site-archief

Poëzie op het Alhambra

Gedichten op bijzondere plekken

.

Een aantal jaar geleden was ik in Granada (Spanje) en bezocht daar het Alhambra. Op zichzelf een belevenis want het Alhambra is één van de mooiste voorbeelden van islamitische architectuur in Europa. Wat ik toen niet wist was dat de vele inscripties en kalligrafieën op en in het gebouw poëzie bevatten van de grote islamitische dichters uit die periode.

Eeuwenlang hebben onderzoekers de teksten die op de geometrische tegels en het fijn gesneden metselwerk van het Alhambra bestudeerd. Onder deze teksten zijn heel wat verzen van veel geprezen islamitische dichters als Ibn al-Khatib en Ibn Zamrak. De verzen zijn 500 jaar geleden aangebracht in opdracht van de veroveraars van de Nazrid-dynastie, die het koninkrijk van Al Andalus regeerden van 1238 tot 1492. En hoewel de katholieke vorsten Ferdinand en Isabella na 1492 alles wat met de islam te maken had meedogenloos verwijderde uit Spanje, waren ze in ieder geval nieuwsgierig naar de erfenis van hun overwonnen vijand, of onder de indruk van de unieke schoonheid van het Alhambra. Zo nieuwsgierig dat ze gespecialiseerde vertalers vroegen de inscripties te bestuderen.

Sommige poëzie beschrijft de plaats waar ze is aangebracht, zoals de Hal van de Twee Zusters, die een tuin voorstelt waarover Ibn Zamrak schreef:

 

Bovendien kennen we geen andere tuin

aangenamer in zijn frisheid, meer geurig in zijn omgeving,

of zoeter in het verzamelen van zijn vruchten …

 

Of op het plafond dat de hemel vertegenwoordigt:

 

De handen van de Plejaden zullen de nacht doorbrengen

Gods bescherming in hun voordeel oproepen en ze zullen ontwaken voor

het zachte geblazen van de bries. Hierin bevindt zich een koepel

die door zijn hoogte verloren gaat uit het zicht …

.

Tot het begin van deze eeuw werd slechts een fractie van de verzen en teksten ontcijferd en vertaald maar met moderne technologie, waaronder digitale camera’s en een 3D laser scanner, worden deze nu in kaart gebracht en kan men beginnen met de interpretatie van de verzen en teksten en ook waar op of in het gebouw deze zich bevinden. Tot nu toe is ongeveer 65% van de teksten en verzen in kaart gebracht (sinds 2002). Een van de redenen is volgens onderzoeksleider Juan Castilla dat de makers van de inscripties een ingewikkeld cursief schrift gebruikten dat moeilijk te lezen is. Kalligrafie, zo sierlijk mogelijk schrijven, was een belangrijke kunstvorm in een cultuur waarin het verboden was mensen af te beelden.

.

Levenslang

Jean Pierre Rawie

.

In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw was dichter Jean Pierre Rawie (1951) één van de toonaangevende dichters in Nederland (en Vlaanderen). Zijn bundels verkochten beter dan menig roman. Ik herinner mij een avond in de bibliotheek van Wateringen waarop Rawie zou vertellen en voordragen en waar bijna 80 mensen aanwezig waren. Voor een dichter een meer dan respectabel aantal. Vooral zijn bundel ‘Een onmogelijk geluk’ uit 1992 was een enorm groot (verkoop)succes.

Tussen 2001 en 2012 was het erg stil rond Jean Pierre Rawie. In die periode verscheen alleen ‘Verzamelde verzen’ (2004). Na 2012 kwamen er weer met enige regelmaat bundels uit van zijn hand. Te beginnen in 2012 met de bundel ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’. Uit deze bundel het gedicht ‘Levenslang’ over verwachtingen die niet uitkomen.

.

Levenslang

.

De dronken dagen, doorgehaalde nachten

(wij konden niet kapot in onze jeugd),

de herdersuren waar ons geen van heugt,

de gouden tijd die wij oneindig achtten.

.

Toch waren wij ten prooi aan de gedachte

dat wat voor ons was weggelegd niet deugt;

wij hebben ons een leven lang verheugd

op iets wat levenslang op zich liet wachten.

.

Straks zijn wij oud, en met doorgroefd gelaat,

bedroefd en moe, en met de dood voor ogen,

vertrouwd met hoe het in de wereld gaat,

.

maar met behoud, naar buiten onbewogen,

van het vooruitzicht waar ons hart voor slaat,

dat wij daar tot het laatst naar haken mogen.

.

 

Het zingend meisje

De stem der muze

.

In de loop der tijd heb ik verschillende exemplaren van de ‘Muze’ reeks verzameld ( bijvoorbeeld De muze op zee, 2 muzen, De muze viert feest en De muze en Europa) en ik dacht een nieuw exemplaar aan deze reeks te kunnen toevoegen toen ik ‘De stem der muze’ kocht. Maar dit was niet het geval. Waren de exemplaren uit de Muze reeks allemaal Boekenweek geschenken, dat is ‘De stem der muze’ niet. Deze in 1961 uitgegeven bundel met als ondertitel ‘een bundel moderne gedichten om voor te dragen samengesteld door P. Maassen’ is een losse uitgave van uitgeverij J.M. Meulenhoff.

De bundel begint met een ‘Open brief’ of een inleiding van toneelspeler en voordrachtskunstenaar Hans Tiemeyer gericht aan ‘de jongeren van Nederland’. In een gloedvol betoog richt Tiemeyer zich tot de Nederlandse jongeren met de boodschap dit boek aan te schaffen, bij zich te dragen en regelmatig een gedicht eruit te lezen, waarna hij verder ingaat op de melodie, de muziek en het het metrum van de gedichten. Hij pleit er ook voor om de gedichten ‘mee te zingen’om ze zo eigen te maken.

Hij eindigt de brief met: “Nou nog een enkel woord over het meezingen zelf, het voordragen dus: doe het voor jezelf, net zolang tot je alles, maar dan ook alles weet wat de dichter bedoelde. Je zult gelukkig zijn met dit te weten, deel het dan mee aan iemand die je dierbaar is, laat hem of haar delen in je geluk en als je helemaal zeker bent van jezelf, draag het dan aan meer mensen voor. Door dit delen van je rijkdom word je zelf niet armer en worden zij rijker, want ‘Verzen zijn onsterfelijke geschenken’. ”

Ik kan het niet meer eens zijn met hem. Ook daarom een gedicht uit deze bundel van de Vlaamse dichter Karel Jonckheere (1906 – 1993). Deze wereldreiziger bezocht vele delen van de aardbol en zijn reizen waren een grote bron van inspiratie voor zijn gedichten.

.

Het zingend meisje

.

Zij wacht en rilt, als bloemen in de avondwind,

en voelt een tere bron zacht naar haar lippen vloeien.

Reeds deint de klamer in haar blik, die verten vindt,

waarin de melodie tot louter droom kan bloeien.

.

Zij zingt, alleen. Haar jonge, menselijke stem

schenkt aan elk slapend woord het glanzen van koralen;

soms fluistert zij om plots met innig schuchtre klem

de schone, wilde ziel uit éne klank te halen.

.

Wie luistert weet dat er muren zijn en tijd,

hij voelt zich weerom rijp voor reis en avonturen,

maar ook voor stilte en leed en oude innigheid,

en glimlacht wijs en hoopt dat ’t lied mag blijven duren.

.

Bombast en larie

De 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur

.

In 2009 verscheen in de Sandwich-reeks (nr. 20) de bundel ‘Bombast en larie’ samengesteld door Gerrit Komrij. In dit charmante bundeltje zet Komrij zijn gedachten op papier over hoge en lage poëzie en kiest hij de, vijfentwintig in zijn ogen, slechtste gedichten uit de periode 1822-1935.  Komrij’s voorkeur gaat uit naar de edelkitsch, de huilende zigeunerjongetjes in versvorm, en dat leidt tot een kleine collectie zeer onbedoeld vermakelijke gedichten.

Komrij houdt op bij 1935 omdat levende dichters geen toestemming zouden geven voor een dergelijke bloemlezing. Desalniettemin is dit een bundel met heerlijke edelkitsch gedichten, poëzie vol clichés en meer tranentrekkende rijmelarij. Een heel fijn bundeltje dus en het was nog niet eenvoudig om er de, in mijn ogen, slechtste uit te kiezen.

Het is uiteindelijk het gedicht ‘Mijn leed’ geworden van de dichter H.C. Kakebeeke. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verzen’ uit 1903.

.

Mijn leed

.

Mijn leed staat als een hoge toren van hard metaal

en staart met blinde ogen neer in het verre dal,

waar kommer zweeft, en waar een ongesproken taal

zingt van mijn blij geluk en van zijn droeve val.

.

Zo staat mijn hoge toren in sombere praal,

maar slechts een blik uit tweeër ogen tal

behoeft te wenken één enkele maal

en instorten heel mijn hoge toren zal.

.

Want gewrocht uit hard metaal en sterke steen

is toch hij slechts als gemaakt van ’t zwakste was

wanneer mijn liefste blikt er even heen.

.

Een enkele blik slechts, en zie, ras

ligt hij in puin, er blijft geen steen

om te getuigen, wat eens mijn toren van leed was.

.

 

Zwerversverzen

C.S. Adama van Scheltema

.

In mijn boekenkast staan vele dichtbundels en soms als ik bij iemand anders in zijn of haar boekenkast snuffel zie ik ook dichtbundels staan. Zoals bijvoorbeeld een prachtig vormgegeven dichtbundel van C.S. Adama van Scheltema uit 1931, met de nieuwsgierig makende titel ‘Zwerversverzen’.

Carel Steven Adama van Scheltema (1877 – 1924), zoals zijn naam volledig luidt, staat wel bekend als socialistisch dichter. Na zijn studie en kort werkzaam leven in een kunsthandel trad hij toe tot de SDAP en wijdde hij de rest van zijn (korte) leven aan de geëngageerde literatuur.

Hij wilde tot een nieuwe volkskunst komen en bestreed vanuit die gedachte ook de Tachtigers. In ‘De grondslagen eener nieuwe poëzie’ (1907) bestreed hij de “kunst omwille van de kunst”-gedachte, en pleitte in plaats daarvan voor kunst omwille van de mensen om je heen. Zo schreef hij: “Een gedicht moet zijn een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer medemenschen kan worden gevoeld en begrepen”. Zijn gedichten vallen dan ook op door de eenvoud. Zijn politieke gedichten worden tegenwoordig niet of nauwelijks meer gelezen, maar zijn natuurgedichten nog wel door liefhebbers van dit genre.

Toch zijn juist zijn politieke gedichten ook interessant, in sommige gedichten is niet meteen duidelijk dat het hier om politiek geëngageerde gedichten gaat. Juist door de eenvoud van zijn taal, de bijna light verse-achtige bewoordingen vind ik het nog heel goed leesbaar en ook best genietbaar. Een voorbeeld uit de bundel ‘Zwerversgedichten’ dat na zijn dood postuum werd uitgebracht door W.L. & J. Brusse’s uitgeversmaatschappij N.V. te Rotterdam is het gedicht ‘Mijn hospita’.

.

Mijn hospita

.

Mijn hospita is weduwe

Van Duitschen middenstand, –

Zij zellef komt uit Schwabenland,

Haar man kwam van de Veluwe.

.

Mijn hospita heeft twee spruitjes:

Hert meisje dat is blond,

Het jongetje is ongezond

En heeft twee bloote kuitjes.

.

Mijn hospita draagt haar boezem

Al vijf jaar uit den rouw,

Vandaag was ze in lichtlilablauw

Met rose moerbeibloesem.

.

Mijn hospita was vanavond

Bijzonder sentimenteel: –

Haar dooden man gedacht ze veel,

Vertelde ze hoogdravend.

.

Mijn hospita speelt met statie

De lieve “Lorelei”, –

Zij zingt er zoo melancholisch bij –

Toch goed van intonatie.

.

Mijn hospita wil mij verleiden –

Nou weet ik het podorie! –

Verduiveld, dat ik dat nou pas zie!

.  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .

Verbeel je eens – wij beiden – ?

.

Misschien

Hans Andreus

.

De verzenbundel ‘Misschien’ werd in 1956 uitgegeven voor de Vriendenkring van De Beuk. De bundel bestaat uit twee delen, het tweede deel werd bekroond met een Regerings-reistoelage.

Uit dit fijne kleine bundeltje het gedicht ‘Het ander woord’.

.

Het ander woord

.

Dodelijk in mij

een ander woord.

.

Het is rond,

want het weet weinig

.

van rechtlijnig.

Maar het licht

.

op wanneer ik

mij niet verdedig

.

en wij bestaan

in het zinledig.

.

Spiegel van de Surinaamse Poëzie

Michaël Slory

.

De Surinaamse dichter Michaël Slory (1935) geldt als één van de belangrijkste dichters in het Sranan. Het Sranan is ontstaan als taal van de uit Afrika aangevoerde slaven op de plantages tijdens de Nederlandse koloniale overheersing. Het draagt de sporen van Engels, Nederlands, Spaans, Portugees en West-Afrikaanse talen. Deze herkomst is te vergelijken met die van andere gecreoliseerde talen in het Caraïbisch gebied, zoals het Papiaments. Slory studeerde Spaans in Nederland en begon zijn carriëre als dichter met de publicatie van drie bundels met overwegend politieke poëzie. Aan het einde van de jaren zestig keerde hij terug naar Suriname waar hij vanaf 1970 nog uitsluitend in het Sranang schrijft. In de jaren tachtig stapt hij vervolgens weer over naar het Nederlands en Spaans. Slory heeft altijd de sociale en politieke actualiteit poëtisch van commentaar voorzien, niet alleen van Suriname maar ook van Zuid Amerika en Vietnam (1970). Naast poëzie voor volwassenen schreef hij ook verzen voor kinderen en proza. Zijn laatste poëziebundel dateert van 2012 (Torent een man hoog met zijn poëzie).

In 1995 kwam bij Meulenhoff Boekerij de vuistdikke bundel ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie, van de oude liedkusnt tot de jonge dichters’ uit waarin Slory uiteraard goed vertegenwoordigd is. Uit deze bundel hier het gedicht in vier delen ‘Nachtregen van Michaël Slory.

.

Nachtregen (I)

.

En in de koude regen

het harteleed

dat klaagt.

.

Straatstenen, schaduwen

luisteren niet

waar de nacht woedt,

verloren.

.

Nachtregen (II)

.

In de koude wind

vleermuizenscherts

na regen.

.

De sapotille

is reeds aangevreten

en valt daarna.

.

Nachtregen (III)

.

(kikkers)

.

De koperen blazers

wachten op het orkest.

Maar

het valt niet in.

.

Zelfs de sterren

hebben hun stemrecht

verloren.

.

Nachtregen (IV)

.

(hond)

.

Waf!

Alleen

een diep geblaf.

Van bijten

komt er niets.

.

De regen

houdt hem

ervan af.

Waf!

.

 

 

 

Ik ben een god

Annie M.G. Schmidt

.

Iedereen kent Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995) en voor wie haar niet kent; ook jij kent haar of één van haar liedjes, teksten of boeken. Deze voormalig bibliothecaresse, dichter en  schrijfster van verzen, liedjes, boeken, toneelstukken, musicals en radio- en televisiedrama is niet alleen in Nederland wereldberoemd maar ook buiten ons land bekend. Een gedicht dat ze schreef in 1938, niet voor kinderen en duidelijk als gedicht, is vooral door de eerste zin erg bekend. Ook bij mij. Voor een ieder die wel de erste zin kent maar ook graag eens de rest van het gedicht leest hier ‘Leeszaal’ destijds verschenen in het tijdschrift ‘Opwaartse Wegen’.

.

Leeszaal

.

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
maar in de bibliotheek een volontair
die hunk’rend op een baantje zit te wachten
en boeken uitleent met een zeker air.

Ik lever geestlijk voedsel aan mevrouwen
die binnenkomen en alleen maar van
de allernieuwste liefdesboeken houwen,
“maar niet zo’n engerd als die Wasserman”.

Ik loop met stapels boeken rond te sjouwen
en plak een etiket op Gorters Mei.
Och, als nu juffrouw Jansen eens ging trouwen,
dan kwam er eindlijk eens een plaatsje vrij.

Ik ben het niet alleen, die staat te wachten
en achter me staat nog een hele rij.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
maar niet zo heel veel in de maatschappij ..

.

In ballingschap

A. Roland Holst

.

Van de kringloopwinkel dit keer een deel uit de Ooievaar reeks, nummer 16 uit 1955, ‘In ballingschap’ een keuze uit eigen werk door A. Roland Holst (1888 – 1976). In de Achteraf (dat vooraan in de bundel is opgenomen) schrijft Roland Holst:

“Mocht, niet alleen nu, maar nog na jaren, door iets van wat ik ooit schreef, een zweem van dat geluk in een ander mensch teweeg worden gebracht, dan ware mijn leven niet zonder zin geweest.”

Ik denk dat elke dichter deze gedachten wel eens heeft, in het geval van Roland Holst is deze hoop ook werkelijkheid geworden. In deze bundel verzen en proza. Ik koos voor een gedicht uit 1921 met de titel ‘De stervende’.

.

De stervende

.

Wie praat daarbuiten in zon en wind

van den ouden tuin?

De stem van een, die ik heb bemind,

kon niet lichter en lieflijker zijn.

.

En wie is de vreemde die met haar praat?

o, huiverend harte mijn,

de stem van een, dien ik heb gehaat,

kon niet schooner en donkerder zijn.

.

Moest dan alleen een droom, dien de wind verhaalt

aan het licht en het loover, zijn?

de wind gaat liggen…de avond daalt…

en het zal over zijn.

.

arh

 

Liederen van den Arbeid

Martien Beversluis

.

Soms vind ik boekjes bij tweedehands- of kringloopwinkels waar ik oprecht heel blij van word. De bundel ‘Liederen van den Arbeid’ is zo’n boekje. Geschreven door Martien Beversluis (toch geen familie van?) met bandteekening en illusrtraties van Nans Amesz, uit 1932, uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers.

Waarom ik hier zo blij van word mag duidelijk zijn, dit zijn bundels die je nooit meer ergens vindt, die vergeten zijn, weg gedaan, door hun onderwerp, taal, duidelijke signatuur (socialistisch) niet meer van deze tijd.  En juist daarom zijn ze zo leuk om te lezen en te delen.

In het voorwoord staat: “Deze verzen, verzameld onder de titel Liederen van den Arbeid, zijn door mij geschreven in het voorjaar en den zomer van 1929. Zij hebben hun ontstaan te danken aan het verzoek der V.A.R.A. om op den avond van 30 april en den morgen van 1 mei 1929 eenige liederen voor te dragen, die in overeenstemming waren met het karakter van deze socialistische wijdings-uren… Ik heb dit werk aan hen, die mij nader brachten tot het socialisme aan Greet en Ger. Zwertbroek gewijd. Blaricum 1929”.

Alleen zo’n voorwoord al plaatst deze bundel in een lang vervlogen tijdgewricht waar wij ons niets meer bij kunnen voorstellen. De illustraties zijn prachtig en passen heel goed bij de tijdsgeest van begin dertiger jaren. In de bundel worden beroepen beschreven, sommige die al reeds lange tijd niet meer bestaan (De Sleepers, de Schuthaag, Boetende vrouwen, de Dorschers) en andere die je niet meteen verwacht in een ‘socialistische’ bundel (De Sterrewacht). Na gedichten over deze beroepen aan het eind van de bundel een kleine cyclus van 8 gedichten met als titel ‘Rondom de mijnschacht’.

Daarover wellicht later meer maar nu een gedicht uit de bundel over de Bouwers.

.

De Bouwers

.

Nog waait de wind alheerschend om

de plek, waar eens het heiligdom,

het woonhuis zal verrijzen.

Wat lage muurtjes geven aan,

waar eens de wanden opwaarts gaan,

en naar den vrijen hemel staan

de palen al te wijzen.

.

Daar staan gebukt de bouwers, die

van steen op steen de symmetrie

doen groeien en ontplooien.

Die dragen steenen heen en weer,…

en zetten ze tot stapels neer.

Er komen werkers meer en meer,

om de opbouw te voltooien.

.

Dan, als de muur al hooger rijst,

gaan trap en steiger om de lijst

van dit nog wondend wonder.

De mannen dragen, last na last,

op hunne schouders opgetast,

en dreunend gaan hun stappen vast

rondom en op den vlonder.

.

Het groeit, het groeit van steen tot steen.

Gebinten buigen er door heen,

in wijs beraamd getoover.

Het klimt, het klimt van plint tot plint,

van plank naar plank naar hoog gebint.

Dan… sluit het dak de ruimte blind.

Dan waait de wind er over.

.

Het huis staat!- maar van binnen klinkt

de arbeid, die nog dagen zingt,

en wegsterft, als in droomen.

Tot, na die stilte, op een dag

het huisgezin met nieuw gezag

brengt ’s levens leed en schaterlach.

Dan is het huis volkomen.

.

Maar ginds gaat naar de vrije lucht

een nieuwe muur, een nieuw gerucht

van metselaars en sjouwers…

Voort gaat het werk van plan tot plan,

van hand tot hand, van man tot man,

als een eendrachtige opdracht van

dat kloppend koor: De Bouwers.

.

Zoo staan wij allen om die plek.

Zoo gaan wij om dit klein bestek

des Tijds, die ons voorbij glijdt.

Maar weten ons geduldig sterk,

als bouwers aan het prachtig werk,

dat opklimt naar het open zwerk,

het zwerk van onze vrijheid.

.

img_6489

 

img_6491

 

%d bloggers liken dit: