Site-archief

Dichter draagt voor

Ramsey Nasr

.

In 2013 maakte de toenmalige Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr (1974) een persoonlijke selectie van 21 poëtische hoogtepunten uit de Nederlandstalige literatuur. Zijn keuze bestond uit gedichten uit de 14e eeuw tot en met de 20ste eeuw en alle eeuwen die daar tussen liggen. Van Bilderdijk tot Beets, van Hooft tot Kloos en van Bredero tot Claus. Het bijzondere echter aan dit project was dat hij bij elk gedicht in de bundel ‘Dichter draagt voor’ een QR code heeft af laten drukken die doorlinkt naar, speciaal voor dit project gemaakte poëzieclips, onder regie van Shariff Nasr, de broer van Ramsey.

Hieronder staat een gedicht uit deze bundel van Albert Verwey (1865 – 1937) getiteld ‘Baders hartewens’. Als je de QR code scande werd je automatisch doorgeklikt naar de clip die bij dit gedicht hoorde. Helaas werkt dit niet meer. Gelukkig staan de clips op YouTube en kun je ze allemaal terug zien onder ‘Dichter draagt voor’. De clip kun je hier bekijken: https://www.youtube.com/watch?v=8i5SE9Bsjkw

.

Baders hartewens

.

Dwars door de tuinen

Van roos en ranken

Zich ’t p[ad te banen,

Dan door de lanen

Van zand en dennen

Vluchtig te rennen

Tot waar de kruinen

Van hoge duinen

In ’t blauwe banken,

En zo te naadren

Met zwellende aadren

In laatste loop

De harde golven.

En, overdolven,

Hun koele doop.

.

 

Jas

Vicki Feaver

.

De BBC gaf in de jaren ‘90 van de vorige eeuw een aantal bundels uit met daarin de keuze van het Engelse publiek als het gaat om de mooiste gedichten, de mooiste liefdesgedichten, reisgedichten en de grappigste gedichten. Men vroeg het Engelse volk welk liefdesgedicht men het mooiste en beste vond.  Daaruit kwam een top 100 met daarin klassiekers als ‘Shall I compare thee to a summer’s day’ van Shakespeare en Elisabeth Barret Browning’s ‘How do I love thee’ (op de eerste plaats). Maar er staan ook minder bekende liefdesgedichten in, verrassende gedichten ook zoals die van Vicki Feaver (1943) ‘Coat’.

.

Vicki Feaver is een Engelse dichter. Ze heeft meerdere dichtbundels gepubliceerd. Feavers gedicht ‘Judith’, uit haar bundel ‘Handless  Maiden’, kreeg de Forward Prize voor het beste gedicht. De bundel ontving ook de Heinemann-prijs en werd genomineerd voor de Forward-prize. Feaver ontving ook een Cholmondeley Award.

.

Coat

.

Sometimes I have wanted

to throw you off

like a heavy coat.

.

Sometimes I have said

you would not let me

breathe or move.

.

But now that I am free

to choose light clothes

or none at all

.

I feel the cold

and all the time I think

how warm it used to be.

.

Van Dante tot Neruda

Steinn Steinarr

.

In de bundel ‘Van Dante tot Neruda’ 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, staat een gedicht van de IJslandse dichter Steinn Steinarr. Nu lijkt het me een hele opgave om de 123 gedichten in deze bundel uit het hoofd te leren maar er staan vele prachtige gedichten in van evenzoveel prachtige dichters. De dichter Steinarr (1908 – 1958) kende ik niet.

Steinn Steinarr wordt soms beschouwd als de eerste belangrijke IJslandse modernistische dichter , maar hij had ook een goede beheersing van de traditionele IJslandse poëzie. Zijn poëzie is verrassend goed verouderd. In feite is het tegenwoordig op veel manieren actueler dan het was toen het werd geschreven. Een reden kan zijn dat zijn favoriete thema, de strijd van de eeuwige eenling / buitenstaander tegen de diepgewortelde tirannie van corrupte macht, nu minstens zo waar klinkt als in de jaren dertig en veertig. Een andere reden kan zijn dat de werken van Steinnarr een spin-off zijn van een van ’s werelds grote literaire tradities: de poëzie van de middeleeuwse IJslandse ‘skalds’ (wat ‘dichter’ betekent, is over het algemeen een term die wordt gebruikt voor dichters die in de Vikingtijd en in de middeleeuwen aan het hof van Scandinavische leiders hebben gecomponeerd), beroemd om hun complexe en raadselachtige stijl, hoewel Steinnarr ook een van de eerste IJslandse dichters was die wegging van de dominantie van strikte meter en alliteratie. (Bron: Wikipedia).

Het gedicht dat in ‘Van Dante tot Neruda’ is opgenomen is getiteld ‘Kind’ en komt oorspronkelijk uit ‘Letters’ uit 1995 en is vertaald door Claude Van De Berge.

.

Kind

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee zwartgeklede mannen

gingen voorbij

en groetten mij:

goedendag, klein kind,

goedendag.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee bleekharige meisjes

gingen voorbij

en fluisterden:

ga met ons mee, jongeman,

ga met ons mee.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee lachende kinderen

gingen voorbij

en riepen:

goedenavond, oude man,

goedenavond.

.


Schilderij Hallgrímur Helgason

Poëzieweek 2020

Jules Deelder

.

Nu de Poëzieweek nadert (van 31 januari tot en met 5 februari) zal ik een aantal gedichten plaatsen die in mijn visie eer doen aan het thema van deze week namelijk ‘De toekomst is nu’. Afgelopen weken heb ik mijn bundels van Jules Deelder weer eens ter hand genomen om begrijpelijke redenen, en zo ook de bundel ‘Renaissance’ Gedichten ’44 – ’94. In deze bundel van bijna 600 pagina’s zijn alle bundels gedichten opgenomen die van Jules Deelder tot en met 1994 verschenen. Daarnaast zijn opgenomen de cyclus ‘Renaissance’ en enkele gedichten uit ‘Jazz’.

Het gedicht dat ik koos bij het thema van de Poëzieweek is het gedicht ‘Swami Bami’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Dag en nacht geopend’ uit 1970. Het aardige aan het thema van deze Poëzieweek is dat gedichten die religie als onderwerp hebben, hier wonderwel bij passen. En dat geldt dus ook voor dit gedicht.

.

Swami Bami

.

Horen en zien zijn Hem vergaan,
Hij kan ook niet meer spreken.
Zijn Huis staat hier een eeuw vandaan,
Hij liet geen enkel teken.
.
Toch circuleert een vaag gerucht
dat eens de Dag zal komen,
waarop Hij met een diepe zucht
de Waarheid zal vertonen.
.
En daarop, Broeders, wachten wij
met Hoop in onze ogen.
Het Uur komt immer dichterbij,
dat wij Hem prijzen mogen:
.
Swami Bami is de Man,
Die het langste zwijgen kan!
.
.

De stem van de dichter

Pierre Kemp

.

Een bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen, zo luidt de ondertitel bij de in 1962 door J.B. Wolters in Groningen uitgegeven bundel ‘De stem van de dichter’. Blijkbaar was er destijds in het curriculum van de scholen nog plaats voor voordracht (kom daar maar eens om tegenwoordig). De bundel beslaat een grote ruimte in tijd, van Vondel, Bredero, Constantijn Huygens en Bilderdijk naar Multatuli, Gerhardt en Vasalis. Bekende gedichten en minder bekende gedichten.

In het voorwoord staat het doel van het voordragen beschreven: Het doel van het voordragen is: anderen te laten genieten van een kunstwerk. De voordrager moet niet de ontroering opdringen, die het kunstwerk bij hem gewekt heeft, hij moet de bewogenheid en de visie van de maker vertolken. Hij is uitsluitend medium tussen de maker en de toehoorder; een beter medium dan het gedrukte woord, dat de levende taal slechts (gebrekkig) aanduidt.

Een paar dingen vallen me op: blijkbaar was poëzie in 1962 exclusief van mannen (ik denk van niet) en over de keuze van het medium (beter of slechter) valt ook nog wel een discussie te voeren. Dat wil ik hier niet doen, al is het maar omdat het medium dat ik gekozen heb voor mijn website per definitie vooral gericht is op het gedrukte woord.

Een dichter die in de bundel voorkomt is Pierre Kemp (1886 – 1967). Kemp is een dichter die ik graag lees maar eigenlijk weinig lees (dat heb je soms). Een dichter met een bijzonder leven; een mooi detail uit zijn leven vind ik het feit dat hij altijd zwart droeg, hij werkte in de staatsmijn Laura waar hij loonadministrateur was, zodat het kolengruis op zijn kleding niet zou opvallen.

In ‘De stem van de dichter’ is het gedicht ‘Najaarsstemming’ van zijn hand opgenomen dat oorspronkelijk verscheen in ‘Phototropen en Noctophilen’ uit 1947.

.

Najaarsstemming

.
Alles lijkt zo verloofd buiten en ik ben gehuwd.
Het beeld van de haan in het landschap is niet nieuw,
het beeld van de kippen in de weide is niet oud
en alles is vanmorgen in groen gebiesd met goud.
Maar ik kleed me om en op de pijpen van
mijn broek speld ik de blaadren, die ik grijpen kan
en over de revers van mijn zwarte jas
een slinger donkergele dahlia’s.
Want ook ik wil vandaag zijn wat groen, wat goud;
verloofd en gehuwd en vooral niet oud.
.
.

Vers geplukt

Merlijn Huntjens

.

Al 15 jaar lang wordt er in Lelystad een Stadsdichtersdag georganiseerd. Met de Stadsdichtersdag heeft zich in Lelystad een waardevolle traditie geworteld met een landelijke uitstraling. Gerard Beense (hij was ooit de eerste stadsdichter van Lelystad) en Felix Guérain hebben vanaf het begin de organisatie van dit evenement op zich genomen. Op deze dag kunnen de (dit jaar) 40 stadsdichters uit Nederland en Vlaanderen terecht in huizen van inwoners van Lelystad, die de bewoners ter beschikking stellen, voor een poëzievoordracht. In de avond is er dan een optreden van alle dichters in het theater/bioscoop/congrescentrum in Lelystad, de Agora.

Ook dichter des vaderlands Tsead Bruinja verzorgde dit jaar een voordracht. Tijdens deze avond werd ook voor de achtste maal de prijs voor het beste stadsgedicht uitgereikt. Van zowel de gedichten die voor de stadsgedichtenprijs zijn ingezonden als van een selectie uit het werk van de huidige stadsdichters verschijnt bij uitgeverij Kontrast elk jaar een bundel.

In 2017 verscheen ‘Vers geplukt’ met de inzendingen van dat jaar. In deze bundel staat ook Merlijn Huntjens, stadsdichter van Heerlen in 2017 en 2018, met het gedicht ‘op en af ter gelegenheid van geluksweekend’.

.

op en af ter gelegenheid van geluksweekend

.

I.

.

bij het raam alles in een handpalm willen vangen en vasthouden, de

hele wereld het liefst en je kop vol kopen. dat maakt niet gelukkig.

.

lekker onder een deken bij het raam. kijk! er is een kip op de schutting

gekomen. hij lijkt op mij hoe hij niet vliegen kan maar hoog hupt en

hoe dat prima is.

.

II.

.

dat de hele wereld pluraal en in koor in mij spreekt. dat die kopstoffen

hard gaan.

.

in elk geval een beetje geleidelijk op en af zoals mijn vader die zijn bril

altijd zocht en hem gelukkig op zijn hoofd vond.

.

Foto: Luc Lodder

1 + 1 = 1

C. Buddingh’

.

Humor in poëzie wordt niet door elke poëzieliefhebber gewaardeerd. Het zou afdoen aan het poëtische palet van een gedicht. Ik ben daarin geen hardliner, ik vind humor in poëzie vaak juist heel verfrissend. En met humor bedoel ik dan een breed spectrum aan taalgrappen of taalvondsten, gewiekste ven grappige vondsten, wendingen in een gedicht die onverwacht en daardoor vaak juist grappig zijn of absurde tekstvondsten en uitweidingen. Zolang het niet te opgelegd en banaal is en ik er om kan lachen (van glimlachen tot schaterlachen) vind ik dat humor een prima aanvulling op het poëtische of inhoudelijke deel van een gedicht kan zijn.

Nu ik er zo over nadenk is de subtiele vorm van humor in poëzie denk ik de meest aantrekkelijke. Humor die niet opgelegd is maar waar je soms even over doet om te laten bezinken, waarna een lach of glimlach volgt. Een van de dichters die volgens mij dit laatste uitstekend wist te brengen met zijn poëzie was Kees Buddingh’ (1918 – 1985). De poëzie van Buddingh’ wordt vaak tot de light verse gerekend. Dichter/schrijver Remco Campert schreef ooit: “Sinds Buddingh verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen”.

In de bundel ‘gedichten 1938 | 1970’ staan vele gedichten die een lach op je gezicht of een glimlach rond je mond toveren. Een mooi voorbeeld van een gedicht waarin subtiel een grappig element is gestopt is het gedicht ‘1 + 1 = 1’.

.

1 + 1 = 1

.

Ik heb nooit hard gelopen

om dichters te ontmoeten

maar mij wel vaak buiten adem gefietst

om op tijd bij een voetbalwedstrijd te zijn

.

het moet, in de poëzie,

niet van één kant komen

.

 

Met twee maten

Marnix Gijssen

.

De verzamelbundel ‘Met twee maten’ uit 1956 werd in dat jaar in een oplage van maar liefst 15.000 stuks gedrukt en later in 1969 nog eens 7.500 stuks. Deze bundel ingeleid en samengesteld door Paul Rodenko, heeft als ondertitel; de kern van vijftig jaar nederlandse poëzie geïsoleerd en experimenteel gesplitst.

De bundel is dus in tweeën gedeeld, de eerste maat, zoals Rodenko het noemt, geeft een beeld van het beste, dat er de laatste halve eeuw in Nederland en Vlaanderen aan poëzie is geschreven (dus ruwweg de eerste helft van de 20ste eeuw).

De tweede maat wil een poging zijn tot reconstructie van de poëtische erfenis van de laatste halve eeuw, op basis van het contemporaine poëtische bewustzijn, dat in zijn meest geprononceerde vorm in de poëzie der experimenteren tot uitdrukking komt.

Juist naar die tweede maat ging mijn belangstelling uit, grote dichters en gedichten uit de eerste helft van de 20ste eeuw ken ik genoeg maar wat verstaat of verstond Rodenko in 1956 als experimenteel? Met de kennis en de kijk van een 21ste eeuwse lezer valt dat experimentele erg mee. Toch valt er een hoop te genieten en is duidelijk waarom dichters als Andreus, Lucebert en Claus in dit deel zijn opgenomen.

Maar ook een schrijver/dichter als Marnix Gijsen (1899-1984) staat tussen de Experimentelen. Ik ken Gijsen als schrijver maar niet zozeer als dichter en juist hij staat hier als experimenteel gerangschikt. Als je het gedicht ‘Bij een sterfbed’ leest begrijp je dit ineens beter.

.

Bij een sterfbed

.

Dat wij allen

aan dit leven

kleven

lijk een oester aan haar schelp,

lijk aan den tepel der leeuwin

de weke welp

doet dat mij dat beven?

Of is het dat oud en diep verdriet

om den dag die heengaat,

om een bron die in zand vervliet,

om Oedipus die ons blind en klagend

verlaat?

.

Gele dood, stomme dood,

elke porie wordt een wonde,

ik bloed zwijgend, langzaam uit.

Mijn zoetste ketens, vlees en geest,

hebt gij weer plots ontbonden.

Ik ben uw buit, ik ben uw buit.

.

Maffe zus

Nico Scheepmaker

.

In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.

De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.

Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.

.

Maffe zus

.

Het gaat in een gedicht niet om het rijm!

En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten

al vallen zij als onvolwassen nichten

bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.

.

Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,

maar een gedicht dat met een kwastje lijm

aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim

op ongeëvenaarde vergezichten.

.

Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:

‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd

in een gedicht dat zonder tierlantijnen

zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.

.

Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd

dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.

.

De sjouwers van de Grève

Rutebeuf

.

De Franse dichter Rutebeuf ( of Rustebeuf) werd waarschijnlijk geboren in Troyes, hoofdstad van Champagne. Rutebeuf (1230 – ca. 1285) werkte hij als jongleur of beroepsdichter in Parijs. Zijn beschermheren waren Alfons van Poitiers en Karel van Anjou, twee broers van Lodewijk IX de Heilige. Rutebeuf legde zijn naam uit als ‘rude boeuf’of  ‘hard zwoegende os’ (voor middeleeuwers is schrijven ploegen met de pen). Zijn omvangrijke oeuvre telt veertienduizend verzen. Het omvat zesenvijftig werken van uiteenlopende aard. Er zijn fabliaux of boerden, koddige vertellingen in verzen ( zoals Le Dit de l’herberie, Frère Denise, La Vengeance de Charlot le juif), klaagdichten (Pauvreté Rutebeuf, Le Mariage Rutebeuf, Complainte Rutebeuf), satiren (Le Dit de l’université, Le Dit des béguines), een oproep tot een kruistocht (Complainte d’outre-mer), heiligenlevens (La Vie de sainte Marie l’Égyptienne) en een mysteriespel over een pact met de duivel (Le Miracle de Théophile). Rutebeuf hekelt de clerus en zet zich vooral af tegen de bedelorden die aan de universiteit leerstoelen opeisen. Anderzijds leeft hij mee met de gewone man. De eeuwige klachten over zijn eigen armoe zijn wellicht karikaturale overdrijvingen van een broodschrijver. Zijn poëzie is virtuoos, volks van toon en melodieus van klank.

In 2015 verscheen bij uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep ‘De tuin van de Franse poëzie’ een canon in 100 gedichten. In deze bundel staat Franse poëzie van dichters die leefden tussen de 9e eeuw en nu. Uit deze bundel het gedicht ‘De sjouwers van de Grève’ van dichter Rutebeuf in een vertaling van Paul Claes en in het originele Frans. Dit gedicht  gaat over Parijse schooiers. Op de place de Grève (‘Zandplein’) bij de Seine, waar nu het stadhuis staat, boden ze hun diensten aan als sjouwers van per boot aangebrachte goederen. De witte vliegen aan het slot zijn sneeuwvlokken. Het beeld komt al voor in Rutebeufs gedicht ‘La Griesche d’Yver’ (De ellende van de winter) en loopt vooruit op Guido Gezelles gedicht ‘Wintermuggen’.

.

De sjouwers van de Grève

.

Sjouwers, het einde is nabij:
De blaren vallen van de bomen
En jullie vinden geen kledij
Om aan de vrieskou te ontkomen.
Een wambuis of een warme pij
Daar kun je enkel maar van dromen.
Al loop je ’s zomers nog zo blij,
De winter biedt geen onderkomen.
Je schoeisel is van smeervet vrij:
Je hebt je voet tot zool genomen.
De zwarte vliegen zijn voorbij,
De witte zullen weldra komen.

.

Li Diz des Ribaux de Greive

.

Ribaut, or estes vos a point:
Li aubre despoillent lor branches,
Et vos n’aveiz de robe point,
Si en avreiz froit a voz hanches.
Queil vos fussent or li porpoint
Et li seurquot forrei a manches.
Vos aleiz en estei si joint
Et en yver aleiz si cranche.
Vostre soleir n’ont mestier d’oint:
Vos faites de vos talons planches.
Les noires mouches vos ont point,
Or vos repoinderont les blanches.

.

Met dank aan athenaeum.nl
%d bloggers liken dit: