Site-archief

Als ik ga moet je niet huilen

Mary Elisabeth Frye

.

Op 29 juni, een voor mij speciale dag, wil ik een gedicht van troost met jullie delen. In het voorjaar overleed een goede vriendin van me en op haar rouwkaart stond het onderstaande gedicht zonder titel. Omdat ik dacht het te herkennen ben ik op zoek gegaan en het blijkt de vertaling te zijn van een gedicht waarover ik eerder schreef op 23 augustus 2016 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/08/23/do-not-stand-at-my-grave-and-weep/

Het betreft hier de vertaling van het gedicht ‘Do not stand at my grave and weep’ dat wordt toegeschreven aan de dichter Mary Elisabeth Frye.

.

Als ik ga moet je niet huilen

want ‘echt’ weg ben ik eigenlijk niet ,

Mijn lichaam is nu duizend dingen,

heb daarom niet zoveel verdriet.

.

Ik ben de wind ,ik ben de regen,

ik ben de zon ,het jonge gras

Ik ben de sneeuw en duizend dingen,

ik ben weer degene die ik was .

.

En als je wakker wordt bekijk dan

de bomen en de blauwe lucht,

kijk naar de vlinders en de bloemen,

kijk naar de vogels in hun vlucht.

.

Want al die duizend dingen ben ik,

sinds ik mijn lichaam achterliet.

Die duizend dingen zijn mijn leven,

dus zie je ‘echt’ weg ben ik niet.

.

Advertenties

Sylvia Plath

Koeriers

.

Over Sylvia Plath (1932 – 1963) schreef ik al enkele malen. Maar toen ik de bundel ‘Ariel’ (oorspronkelijk uit 1965 maar in mijn geval in vertaling door Anneke Brassinga uit 1980) weer eens in handen nam en herlas wist ik dat ik uit de bijzondere bundel nog een gedicht wilde delen. Het betreft hier het gedicht ‘Koeriers’ of ‘The Couriers’ zoals het in het Engels luidt.

.

Koeriers

.

Het woord van een slak op het bord van een blad?

Het is niet van mij. Neem het niet aan.

.

Azijnzuur in een verzegeld blik?

Neem het niet aan. Het is niet puur.

.

Een ring van goud, en daarin de zon?

Leugens. Leugens en droefenis.

.

Rijp op een blad, de smetteloze

Heksenketel, zwetsend en knetterend

.

In zichzelf, op elke top

Van negen zwarte alpen.

.

Beroering in spiegels,

De zee die de zijne, zo grijs, verbrijzelt –

.

Liefde, liefde, mijn seizoen.

.

The Couriers

.

The word of a snail on the plate of a leaf?
It is not mine. Do not accept it.

Acetic acid in a sealed tin?
Do not accept it. It is not genuine.

A ring of gold with the sun in it?
Lies. Lies and a grief.

Frost on a leaf, the immaculate
Cauldron, talking and crackling

All to itself on the top of each
of nine black Alps.

A disturbance in mirrors,
the sea shattering its grey one-

Love, love, my season.

.

Rechtdoor…

Joan Brossa

.

In 1983 is het aantal bezoekers aan het Park in Rotterdam waar zich Poetry International afspeelt ongekend groot. In de kranten spreekt men van 40.000 bezoekers. Een verklaring van dit aantal is onder andere te vinden in het feit dat de dichter Breyten Breytenbach na 7,5 half jaar gevangenschap in zijn geboorteland Zuid Afrika is vrijgelaten en is teruggekeerd naar Parijs. In de voorgaande edities van Poetry International was altijd extra aandacht voor Breytenbach als protest tegen zijn gevangenschap en als steun. Al in die tijd spreken de kranten over Rotterdam als ‘de poëziehoofdstad van de wereld’.

De dichter Joan Brossa (1919 – 1998) staat ook op Poetry International in 1983. Deze dichter uit Barcelona was daarnaast toneelschrijver, grafisch ontwerper en beeldend kunstenaar. Hij schreef alleen in de Catalaanse taal. Brossa was een van de grondleggers van zowel de groep als de publicatie bekend als Dau-al-Set (1948) en een van de toonaangevende vroege voorstanders van visuele poëzie in de Catalaanse literatuur. Hoewel hij in de voorhoede stond van de naoorlogse dichters. Hij schreef ook honderden formeel perfecte sonnetten , saphic odes en sestinas evenals duizenden gratis en directe gedichten. Zijn creatieve werk omarmde elk aspect van de kunsten: cinema, theater, muziek, cabaret , para-theatrale kunsten, magie en het circus.

In de bundel ‘100 Dichters uit 15 jaar Poetry International is onder andere het gedicht ‘Rechtdoor…..’ van hem opgenomen in een vertaling vanMadelon Zuyderhoff of zoals de titel luidt in het Catalaans ‘Tira Avall…..’.

.

Rechtdoor…..

.

Ga rechtdoor. Neem dan de eerste straat

rechts. na deze een stukje te hebben

gevolgd, vind je een straat die

naar boven loopt; die ga je af

tot aan de tweede kruising

en dan kom je op een plein; de

weg aan de linkerkant leidt

naar het huis dat je zoekt.

.

Maar ik weet niet of je binnen kunt,

want ze zijn nooit thuis.

.

Tira avall

.

Tira avall. Pren el carrer

de la dreta. Després d’haver

caminat un tros, en trobaràs un

altre que trenca amunt; segueix-lo.

Pren el segun carrer que trobis

i arribaràs en una placa; el

passatge de l’esquerra et portarà

a la casa que busques.

.

Però no sé si podràs entrar-hi

acostumen a no ser-hi mai.

.

Zet je fiets voor een gedicht

Federico Garcia Lorca

.

Van mijn vriend Edwin kreeg ik vanuit Narbonne, Zuid Frankrijk de onderstaande twee foto’s toegestuurd van een gedicht op een muur. Zoals je kunt zien hebben de makers of degene die het gedicht hebben aangebracht niet heel lang nagedacht over de specifieke plek, zo lijkt het. Meteen voor het muurtje met het gedicht staan haken waar je je fiets in kan zetten. Desalniettemin is het een fraai aangebracht gedicht van de Spaanse dichter Federico Garcia Lorca (1898 – 1936) getiteld ‘Media Luna’ uit 1922. de tekst in het Spaans is als volgt (gevolgd door de vertaling van Edwin).

.

Media Luna

.

La luna va por el agua.
¡Cómo está el cielo tranquilo!
Va segando lentamente
el temblor viejo del río
mientras que una rama joven
la toma por espejito.

.

Halve maan

.

De maan gaat door het water.

Hoe sereen blijft de hemel!

Ze oogst langzaam

de oude tremor van de stroom

ofschoon een boomkikker hem

voor een handspiegel houdt.

.

Waar zal ik een naam voor je vinden

Sándor Petőfi

.

De afgelopen week was ik in Roemenië en in de bijzondere fraaie oude binnenstad van Sighișoara kwam ik het borstbeeld van Sándor Petőfi tegen. De naam kwam me bekend voor en toen ik hem opzocht bleek het hier om de nationale dichter van Hongarije te gaan. Raar zal je misschien denken, de nationale dichter van Hongarije in Roemenië, maar als je weet dat meer dan 20% van de bevolking uit etnische Hongaren bestaat die vooral in Szeklerland wonen, is dat al veel minder vreemd. In Sighișoara is bijna 20% van de inwoners van Hongaarse origine. De Hongaarse gemeenschap van Segesvár (zoals de Hongaren de stad noemen) heeft de beschikking over eigen scholen en kerken. Verder zitten er twee Hongaarse raadsleden in de gemeenteraad van de stad.

Sándor Petőfi (1823 – 1849) was een Hongaars dichter en een sleutelfiguur in de Hongaarse Revolutie van 1848. Hij werd geboren als Alexander Petrovics in een Slowaakse familie en zijn moedertaal was Slowaaks. Talloze straten in Hongaarse steden zijn naar hem vernoemd. in Boedapest alleen al zijn er 11 Petőfi-straten, 4 Petőfi-pleinen en een brug, namelijk de Petőfi hid, een van Boedapests bruggen over de Donau.

Op 15 maart 1848 droeg Petőfi op het Vörösmarty-plein zijn bekendste werk, het gedicht ‘Nemzeti dal’ (Lied van het Volk), voor aan een menigte opstandelingen. Vandaag de dag nog wordt het gedicht aangehaald in tijden van verdeeldheid of juist saamhorigheid onder het Hongaarse volk.

Maar hij schreef ook liefdesgedichten. Hans Boland vertaalde zijn liefdespoëzie en een mooi voorbeeld is het gedicht ‘Waar zal ik een naam voor je vinden’ of ‘Minek nevezzelek’ zoals de Hongaarse titel luidt.

.

Waar zal ik een naam voor je vinden

.

Waar zal ik een naam voor je vinden,
In de schemering mijmerend
Van jouw prachtige ogen, de avondster
In mijn ogen schitterend
Als zag ik ze nu voor het eerst,
In de glans van die ster,
Waarvan iedere lichtstraal
De liefde meevoert, een stroom
Die vervloeit in de zee van mijn ziel –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer jij mij plotseling aankijkt
Met een blik als een duif, zachtmoedig
En vreedzaam, alsof iedere veer
Een palmtakje meedraagt,
En zo teder wanneer je haar streelt,
Zachter dan zijde
Of de lakentjes van een wieg –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Als jouw stem klinkt, muziek
Die in de winter beluisterd
Door bladloze bomen
Groen loof laat uitbotten
En hoop zaait, dat nu
Het voorjaar gekomen is,
De lang verwachte verlosser,
Met het lied van de nachtegaal –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer mijn lippen de jouwe
Nabij voelen, een vlammende robijn,
Wanneer wij versmelten in het vuur van een kus
Als de dag met de nacht in het morgenrood,
Terwijl ik geen weet meer heb van de wereld,
Geen weet meer heb van de tijd,
Bedwelmd en verzaligd, geheimzinnig
Gezegend tot in de eeuwigheid –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Jij hebt mijn geluk gebaard en gezoogd,
Van een beeld dat de hemel bestormt
Ben jij de tovenaarsdochter,
En mijn stoutmoedigste hoop
Heb jij, oppermachtig en lichtend, vervuld.
Niets bestaat voor mijn ziel dan jij,
Een grotere schat dan de hele planeet,
Mijn heerlijkheid, schoonheid en jeugd, mijn vrouw,
Waar zal ik een naam voor je vinden?
.
.

Om buiten te zingen

Hugo von Hofmannsthal

.

De Oostenrijkse dichter Hugo von Hofmannsthal (1874 – 1929) kende ik niet (ik ken eigenlijk geen Oostenrijkse dichters behalve Erich Fried en Ernst Jandl) maar toen ik in de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen tegen kwam was ik aangenaam verrast. Het simpele feit dat Paul Claes deze dichter met een gedicht heeft opgenomen zegt wel iets. In ‘De liefste’ zijn de allergrootsten van de wereldliteratuur vertegenwoordigd.

Hugo von Hofmannsthal was een laatromantisch dichter en toneelschrijver. Al moet gezegd dat hij eigenlijk vooral een toneelschrijver was. Deze eenvoudige omschrijving doet hem echter te kort. Hugo von Hofmannsthal was bijzonder productief; vele van zijn plannen zijn evenwel onafgewerkt gebleven. Hij gaf naast vele toneelwerken ook meerdere verzamelbanden met redevoeringen en verhandelingen uit. In de jaren twintig gaf hij lezingen over de kunst en het cultuurleven: hij aardde niet in de modernistische, formele kunststromingen zoals het dadaïsme en verlangde naar een meer conservatieve kunst, waarin de mens zijn geest ontwikkelt en door middel van de kunst tot wijsheid komt.

Ondanks zijn hang naar een meer conservatieve kunst, blijkt uit het gedicht dat is opgenomen in ‘de liefste’ een moderne en vrije geest.

.

Om buiten te zingen

.

De liefste sprak: ‘Ik weerhoud je niet,

Je hebt me niets gezworen.

Men moet de mensen niet weerhouden,

Ze zijn niet tot trouw geboren.

.

Kies je eigen weg, mijn vriend,

Bewonder land na land,

En rust in vele bedden uit.

Neem vele vrouwen bij de hand.

.

En als de wijn te zuur is,

Drink dan malvezij,

En als mijn mond je zoeter is,

Kom dan terug naar mij!’

.

Im Gruenen zu singen

.

Die Liebste sprach: ‘Ich halt dich nicht,

Du hast mir nichts geschworn.

Die Menschen soll man halten nicht,

Sind nicht zur Treu geborn.

.

Zieh deine Strassen hin, mein Freund,

Beschau dir Land um Land,

In vielen Betten ruh dich aus,

Viel frauen nimm bei der Hand.

.

Wo dir der Wein zu sauer ist,

Da trink du Malvasier,

Und wenn mein mund dir süsser ist,

So komm nur wieder zu mir!.

.

Varkens

Les Murray (1938 – 2019)

.

Op 29 april jongstleden overleed de Australische dichter, bloemlezer en criticus Les Murray. Van 1963 tot 1967 werkte hij als vertaler bij de Australian National University. In 1971 staakte hij zijn werkzaamheden als ambtenaar in Canberra om zich volledig aan de poëzie te wijden. In 1965 debuteerde hij met de bundel ‘The Ilex tree’ waarna er nog vele zouden volgen. In 2015 verschenen nog twee bundels van zijn hand en in 2018 verschenen zijn ‘Collected poems’. Deze ‘Australia Bush Bard’ en gedoodverfde Nobelprijskandidaat was populair bij een brede groep lezers van intellectuelen tot boeren. Hij werd (tijdens zijn leven) door de National trust of Australia niet voor niets benoemd tot een van de 100 levende schatten van Australië.

In 2013 vertaalde Maarten Elzinga gedichten van Murray en stelde een bundel samen van deze gedichten met als titel ‘De planken kathedraal’. Uit deze bundel het gedicht ‘Varkens’.

.

Varkens

.
We waren op het zere cement met z’n allen.
Niet door de lichtgloed verwarmd. We slurpten geen brij
onder die paal waar de bliksem aan vast zit.
Geen melk met biggeschijt om ons op te geilen.
Wij toen in koele godenstront. We vraten knap.
We wroetten in struikgewasgangen naar smakelijk rot.
We waren toen allemaal neukers. En dik, hm? Reten
de hond die teelballenbijter open en schransden hem nat.
We schoven het zompe cement van rivieren omlaag.
We snurkten de grond hol, laafden een worp, knorden.
Hielden nooit op met groeien. We woelden, we snoven
en lieten het lot begaan, tot de heuvelruggen ons waren
met zwaar verborgen hoeven. Of borstelig, met melk.
We kenden niks toen van japende messen of waterstraal-dreun.
Niet het vreselijk bliksemsnijdend geschreeuw verderop.
De klappen van verbrand water. Dit gevoel van al weg zijn
hier op geen plek met onze koppen op ondersteboven.
.
.

T. S. Eliot

Gedicht in vertaling

.

Soms lees je een gedicht in vertaling en dan ben je nieuwsgierig naar het origineel. In het geval van onderstaand gedicht van dichter T.S. Eliot ( 1888-1965) las ik eerst de vertaling maar voor wie het Engels machtig is, is het origineel misschien wel te verkiezen. In dit geval het gedicht ‘Aunt Helen’ in een vertaling van Bert Voeten ‘Tante Helen’.

.

Tante Helen

.

Miss Helen Slingsby, mijn ongetrouwde tante,
Woonde in een klein huis bij een deftig plein,
Verzorgd door bedienden ten getale van vier.
Toen zij doodging werd het stil in de hemel
En stil aan haar eind van de straat.
De blinden gingen dicht en de lijkbezorger veegde zijn voeten –
Hij had dit soort dingen meer bij de hand gehad.
Voor de honden werd voortreffelijk gezorgd,
Maar kort daarop stierf ook de papegaai.
De Dresdener klok bleef tikken op de schoorsteenmantel,
En de tafelbediende ging op de eettafel zitten
En hield het tweede meisje op zijn schoot –
Dat altijd zo had opgepast toen mevrouw nog leefde.
.
.
Aunt Helen
.
Miss Helen Slingsby was my maiden aunt,
And lived in a small house near a fashionable square
Cared for by servants to the number of four.
Now when she died there was silence in heaven
And silence at her end of the street.
The shutters were drawn and the undertaker wiped his fee
He was aware that this sort of thing had occurred before.
The dogs were handsomely provided for,
But shortly afterwards the parrot died too.
The Dresden clock continued ticking on the mantelpiece,
And the footman sat upon the dining-table
Holding the second housemaid on his knees –

Who had always been so careful while her mistress lived.

.

 

Van Kooten en de Bie

Detlov P. van Paasen

.

In de column van Sylvia Witteman in de Volkskrant van zaterdag 13 april schrijft ze: “.. er is altijd wel wat te vinden waarbij genoeg tijd overblijft voor het scheppen van veelbelovende dichtbundels (Ruiter langs drijfzand)…”. Wanneer ik zoiets lees word ik meteen nieuwsgierig. Die titel zegt me namelijk helemaal niets. En omdat ik weet dat er nog zoveel titels zijn van dichtbundels die ik niet ken, ga ik dan op zoek; wie is de dichter? wanneer is het uitgegeven?

Wat schetst mijn verbazing als ik dan op een pagina van de (overigens geweldige website) dbnl.org terecht kom met als titel: ‘Het groot bescheurboek’ van van Kooten en de Bie uit 1986. Die pagina begint met de introductie van de Groenlandse dichter Uhughuanajoq Pilakapsak (1885-1926). Uiteraard is dit een gefingeerde dichter die is ontsproten uit de geniale breinen van van Kooten en de Bie. Dan lees ik: “Deze meest vooraanstaande dichter van het Noordelijk IJsgebied (Nobelprijs 1925), werd nog niet eerder in de Nederlandse taal vertaald. Wij vroegen vier vooraanstaande vertalers hetzelfde gedicht te vertalen.”.

Daaronder een ‘Groenlands gedicht’ in het Groenlands. Nu dacht ik dat men in Groenland Deens sprak (en dat klopt) maar er wordt ook Kalaallisut gesproken. Nu lijkt het me sterk dat dit Kalaallisut is (volgens Google translate lijkt het nog het meest op Somalisch!) en waarschijnlijk is het een hoop flauwekul. maar dan volgen er maar liefst 4 vertalingen van de meest uiteenlopende én bijzondere ‘wetenschappers’ te weten:

Peter de Munck (1938), wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Arctisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Leiden, Wonno Bleijleven (1943),studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit van Gent, Hans Boerema (1921), ex-conrector van het Colijnlyceum te Zwolle en tenslotte Detlov P. van Paasen (1933). Dichter. Publiceerde Pendule (1949), Ruiter langs drijfzand (1951) en De pendule in het drijfzand (1983).

Natuurlijk is dit allemaal grote flauwekul maar zo slim en creatief bedacht door van Kooten en de Bie dat ik jullie hier het gedicht van Uhughuanajoq Pilakapsak en  de vertaling van dichter Detlov P. van Paasen niet wil onthouden. Voor alle ‘vertalingen’ (die heel verschillend zijn) kun je terecht op https://www.dbnl.org/tekst/bie_003groo01_01/bie_003groo01_01_0161.php

.

Aunerit e Aungêq
.
Nuliajuk a Amingat aka kivka
Mataluk atsiaq pibloktoq
Pu lorssuaq
Inuktomajoq
Qagsse osse mausurniq
Kivkaq oe padloq
Qujanaq qujanaq kivlaq umaga
Ajorpot kisiek ajingilat
.
.
Het gesmolten ijsje
.
De zon noch de maan
krijgen hem klein.
Dat zou ook te dol zijn.
Ik ben immers
de Grote IJseter?
De snackbar staat stampvol,
mijn ijsje is gevallen.
Dank je wel. Jij bent het
die mij een nieuw ijsje doet.
En alles komt weer goed.
.
.

O, was ik maar de wereld uit

Else Lasker-Schüler

.

Alweer een dichter op verzoek en dit keer op speciaal verzoek van de Vlaamse dichter Evy Van Eynde, van wie ik afgelopen februari de bundel ‘Zal ik liefde noemen’ uitgaf via mijn uitgeverijtje van poëzie MUG books. Evy verzocht om een gedicht van Else Lasker-Schüler. De poëzie  van Else Lasker-Schüler (1869 – 1945) is bewust irrationeel en werkt met associaties en aaneenrijgingen. De figuren die ze in haar proza ten tonele voert, zijn vaak vermomde mensen uit haar omgeving. Ze spint allegorische constellaties van sprookjesachtige situaties en laat een grote verscheidenheid aan emoties de revue passeren.

Nadat in 1912 haar tweede huwelijk strand begint het leven van Lasker-Schüler meer en meer onthecht te raken. Ze trok van het ene pension naar het andere, werd een bekend gezicht in het Café des Westens, leed vaak honger en begon bedelbrieven te schrijven. In een editie van Awater uit 2002 staat geschreven over deze periode:

Halverwege 1912 werd ze verliefd op een dichtbundel, ‘Morgue und andere Gedichte’. De dichter van dat boek was Gottfried Benn, een 26-jarige patholoog-anatoom die in een Berlijns armenziekenhuis werkzaam was. De ellende die hij daar onder ogen had gekregen deed hem in één week tijd een spookachtig mooie dichtbundel schrijven. ‘Lang voordat ik hem kende,’ schreef Lasker-Schüler, ‘was ik zijn lezeres; zijn dichtbundel ‘Morgue und andere Gedichte’ lag op mijn deken; gruwelijke kunstwonderen, doodsdromerij die contouren kreeg. Kwellingen sperren hun muil open en verstommen, kerkhoven wandelen de ziekenzalen binnen en schieten wortel voor de bedden van zware patiënten.’

En over de dichter schreef ze: ‘Dr. Benn is half tijger, half havik en staat in de kelder van zijn ziekenhuis lijken open te snijden. Hij is stug en stevig, zacht en teerhartig.’

Het gedicht ‘O, was ik maar de wereld uit’ schreef ze in een staat van verliefdheid voor Dr. Benn. De vertaling is van Menno Wigman.

.

O, was ik maar de wereld uit
.
Dan huilde je om mij.
Bloedbeuken wakkeren
Strijdlustig mijn dromen aan.
Door duister kreupelhout
Moet ik gaan,
Door greppels en wateren.
Aldoor slaat er een wilde golf
Tegen mijn hart;
Innerlijke vijand.
O, was ik maar de wereld uit!
Maar ook ver daar vandaan
Dwaal ik, een flikkerlicht
Rond het graf van God.
.
%d bloggers liken dit: