Site-archief

Van Dante tot Neruda

Steinn Steinarr

.

In de bundel ‘Van Dante tot Neruda’ 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, staat een gedicht van de IJslandse dichter Steinn Steinarr. Nu lijkt het me een hele opgave om de 123 gedichten in deze bundel uit het hoofd te leren maar er staan vele prachtige gedichten in van evenzoveel prachtige dichters. De dichter Steinarr (1908 – 1958) kende ik niet.

Steinn Steinarr wordt soms beschouwd als de eerste belangrijke IJslandse modernistische dichter , maar hij had ook een goede beheersing van de traditionele IJslandse poëzie. Zijn poëzie is verrassend goed verouderd. In feite is het tegenwoordig op veel manieren actueler dan het was toen het werd geschreven. Een reden kan zijn dat zijn favoriete thema, de strijd van de eeuwige eenling / buitenstaander tegen de diepgewortelde tirannie van corrupte macht, nu minstens zo waar klinkt als in de jaren dertig en veertig. Een andere reden kan zijn dat de werken van Steinnarr een spin-off zijn van een van ’s werelds grote literaire tradities: de poëzie van de middeleeuwse IJslandse ‘skalds’ (wat ‘dichter’ betekent, is over het algemeen een term die wordt gebruikt voor dichters die in de Vikingtijd en in de middeleeuwen aan het hof van Scandinavische leiders hebben gecomponeerd), beroemd om hun complexe en raadselachtige stijl, hoewel Steinnarr ook een van de eerste IJslandse dichters was die wegging van de dominantie van strikte meter en alliteratie. (Bron: Wikipedia).

Het gedicht dat in ‘Van Dante tot Neruda’ is opgenomen is getiteld ‘Kind’ en komt oorspronkelijk uit ‘Letters’ uit 1995 en is vertaald door Claude Van De Berge.

.

Kind

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee zwartgeklede mannen

gingen voorbij

en groetten mij:

goedendag, klein kind,

goedendag.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee bleekharige meisjes

gingen voorbij

en fluisterden:

ga met ons mee, jongeman,

ga met ons mee.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee lachende kinderen

gingen voorbij

en riepen:

goedenavond, oude man,

goedenavond.

.


Schilderij Hallgrímur Helgason

Begin van het einde van een regime

Ion Monoran

.

Op 16 december 1989 was het dertig jaar geleden, dat de revolutie tegen Ceaușesc ontketend werd in Timisoara, Roemenie. Ik herinner me dit nog goed, ik had in die periode een boek gelezen over het bizarre regime van Ceaușesc. Via collega dichter Serge van Duijnhoven ontving ik informatie over de dichter die de val van het Ceaușesc regime in gang zette. Uit een bericht op zijn website https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/ : Een moedige dissidente dichter genaamd Ion Monoran, had de euvele moed een trolleybus te kapen. En met zijn verzen op te roepen op te staan tegen het “Genie van de Karpaten” en diens misdadige ultra-communistische regime. Binnen een dag leidde de pop-up opstand van Monoran tot veertig doden die voor de kathedraal van Timisoara werden neergeschoten door de Securitate en een dag later verbrand op last van Elena Ceaușesc in Boekarest. De rest is geschiedenis.

Ion Monoran (1953–1993) werd geboren in het dorp Petroman in Timis, Roemenië. Hij was journalist, dichter en uitgever. Zijn eerste gedichten werden in 1976 gepubliceerd in het tijdschrift Forum studenţesc. Hij gaf les in de literaire kring ‘Pavel Dan’ van het Studenten Cultuurhuis in Timişoara en hij werkte samen met en publiceerde in de literaire tijdschriften Orizont, Amfiteatru, Echinox en Luceafărul. Geen van zijn boeken zijn tijdens zijn leven gepubliceerd. Monoran was een icoon onder de Boheemse kunstenaars van Timişoara en werd een culturele held na de revolutie. Zijn prijzen zijn onder andere de Orizont-tijdschrift Poëzieprijs (1987), de Nichita Stănescu-prijs voor hedendaagse poëzie (1987), de prijs voor literaire creatie (Satu Mare, 1987) en de Literaire Unie Debuutprijs. Voor zijn werk, Locus periucundus, werd hij geëerd door de gemeente Timișoara door hem ereburger te maken.

Na zijn dood werd Monoran pas gepubliceerd in een poëziebundel. Deze bundel ‘Locus Periucundus’ bevat gedichten uit de periode 1975-1989. Deze biografische poëzie geeft de impulsieve, abrupte en vaak tegenstrijdige teksten van Monoran de ervaring van een ‘vrije geest’. Uit deze bundel het gedicht ‘Locus Periucundus (1)’ (wat zoveel betekent als (tweede) Kamer voor meineed in het Latijn). In een vertaling van Marius Surleac en Marc Vincenz.

..

Locus Periucundus (I)

.

Before
becoming a village
this cluster of ruins
gently sloped beneath the trees, beneath bending
boughs, so that from place to place
fragments of wall peer out of the foliage,
a clutter of refuse
collapses into silence,
interrupted only by the murmur of countless
flowing streams
on winding narrow streets
and by the chatter of villagers
or the wide-eyed, ignorant
shepherds
menacingly dangling their clubs
above the hill’s crest,
behind their herds,
and among the brambles and blackberries
that impede the ewes’ ascent.

.

It is essential
to venture up there
amid the vineyards dull and bright,
to admire the hills
bombarded with rural echoes,
and to roam the dung-speckled grasslands
to reach
these Loci Periucundi
as Pliny would say—
places infused with the mysterious
presence of spirits
which give you an unsettling feeling
even when they are spelled out on paper,
not to mention to encounter them here
frightening and cheerful,
throbbing
in a slow affected ostentation
on the muddy footpaths shaded by thickets
from which curious news arrives
in light and shadow,
sweetened by bird song
or muffled by a profusion
of serpentine creeper vines
winding through trees.

.

Time
perfected
this green daedal country
dominated
by the language of birds and flowers,
a country prepared to take back its fauns and satyrs
concealed in the rocks
overgrown with ferns and wild roses—
as if designed in mad disarray
by a frivolous gardener
and in chaotic succession,
as if especially intended for lovers
seeking a hidden place for love.

.

In these places,
ruling for millennia,
hawk, bat, or cuckoo
have fulfilled their roles as augurs,
as angels and archangels, but now
hang as simple decorations
or as red penalty cards,
torn apart by weather and neglect.
.
Despite
the urgency of this beautiful,
almost Rousseauian spontaneity,
churches still loom
abundantly
in the oppressive religiosity
of the peasants
who, notwithstanding their kindness and courtesy,
are more renowned
for the quality of their wines and brandy
than any worship of saints
or their practice of the Mysteries
dedicated to Zamolxis or Dionysus.
.
The peasants are simple,
a living material
of farmers or miners or shepherds
and live their lives in these villages
built from these high walls and rubble—
rather more medieval than ancient.
And only my imagination
helps me see them
dissolve into the dream-light of an antiquity
that swarms everywhere,
reviving from these stones
with uncertain meaning,
the great towers of an almighty
Dacian stronghold,
which, in their long-lasting wanderings,
the Romans besieged.

.

Sneeuwbed

Paul Celan

.

De van Joodse afkomst en Roemeense dichter Paul Celan (1920-1970) wordt algemeen beschouwd als een der grootste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij schreef, beïnvloed door het symbolisme en het surrealisme, gedichten waarin hij op zijn eigen wijze zijn ervaringen met de Holocaust verwerkte.  Paul Celan was het meest gebruikte pseudoniem van Paul Antschel (een anagram van zijn Roemeense achternaam Ancel). Celan gaat spaarzaam met woorden om en schrijft op de rand van het zwijgen. Hij gebruikt gewaagde metaforen en neologismen, die hij voor een deel haalde uit lectuur van geologische boeken.

Zoals het gedicht ‘Sneeuwbed’ of ‘Schneebett’, dat een voorbeeld is van de anorganische poëzie die Celan schreef.  Organische poëzie is levende, dynamische, telkens veranderende poëzie, waar anorganische (niet-levend) poëzie, een kunstwerk op zichzelf dat niet verandert of evolueert.

In 1959 verscheen van Celan de bundel ‘Sprachgitter’ met daarin het gedicht ‘Schneebett’, hier in het Duits en in een vertaling die ik heb gevonden op de website https://mystiekfilosofie.com/ .

.

Sneeuwbed

.

Ogen, wereldblind, in de sterfkrochten: ik kom,
met verharding in het hart,
ik kom.

.

Steile wand maanspiegel. Afdalen.
(Met adem bevlekte schijnsels. Vegen bloed.
Wolkende ziel, nog eens gestalte haast.
Tienvingerschaduw – vastgeklampt.)

.

Ogen wereldblind,
ogen in de sterfkrochten,
ogen ogen:

.

het sneeuwbed onder ons beiden, het sneeuwbed.
Kristal na kristal,
met een tijddiep rooster, we vallen,
we vallen en liggen en vallen.

.

En vallen:
we waren. We zijn.
We zijn één vlees met de nacht.
In de gangen, de gangen.

.

Schneebett

.

Augen, weltblind, im Sterbegeklüft: Ich komm,
Hartwuchs im Herzen.
Ich komm.

.

Mondspiegel Steilwand. Hinab.
(Atemgeflecktes Geleucht. Strichweise Blut.
Wölkende Seele, noch einmal gestaltnah.
Zehnfingerschatten – verklammert.)

.

Augen weltblind,
Augen im Sterbegklüft,
Augen Augen:

.

Das Schneebett unter uns beiden, das Schneebett.
Kristall um Kristall,
zeittief gegittert, wir fallen,
wir fallen und liegen und fallen.

.

Und fallen:
Wir waren. Wir sind.
Wir sind ein Fleisch mit der Nacht.
In den Gängen, den Gängen.

.

Anna Yin

Chinees-Canadees dichter

.

Anna Yin emigreerde in 1999 van China naar Canada waar ze als IT-er werkte. Pas na de geboorte van haar zoon in 2000 begon ze zich te interesseren voor de taal die men in haar nieuwe vaderland sprak. Toen ze in 2003 na het voorlezen van verhaaltjes aan haar zoon haar eerste gedichtje schreef werd het kind in haar wakker zoals ze dat zelf beschrijft. In 2005 werd haar gedicht ‘Toronto, No More Weeping’ over haar identiteit uitgezonden door de radiozender CBC Radio for hope and peace. In die periode begon ze met het vertalen van Canadese en Amerikaanse dichters naar het Chinees. 

Anna Yin was de dichter laureaat van Mississauga (Canada) van 2015-2017 en vertegenwoordiger van Ontario voor de Liga van Canadese dichters. Anna was finalist voor de Canadese Top 25 Canadese immigrantenprijs in 2011 en in 2012 en heeft vijf poëziebundels geschreven, waaronder ‘Wings Toward Sunlight’ (2011) en ‘Inhaling the Silence’ (2013). Haar gedichten en vertalingen verschenen in de New York Times en CBC Radio. Haar “Poetry Alive” programma’s worden veel gebruikt op scholen, hogescholen en bibliotheken, vooral voor het ‘Poets in Schools Program’.

Anna Yin heeft een website waarop veel informatie over haar te vinden is: http://www.annapoetry.com

Als Chinees-Canadese heeft ze een bijzonder accent en daarover schreef ze een gedicht getiteld ‘My accent’ dat verscheen in ARC Poetry nummer 73.

.

My Accent

.

t is charming.
I assure you,
I assure myself;
and choose to believe so.

.

Languages have colors.
I want to show you my tender blue.
But you cut off with fork and knife,
quicker than my chopstick taps.

.

My accent grows trees,
trails and winding roads to
west coast landscape.
It points to the open sky;
yet clouds are too heavy
and form raindrops.

.

My papers collect them
then dry in silence.
I have hesitated many times
before speaking;
now it develops teeth.
Even with gaps between,
I decide
…this is my voice.

.

De slaper in het dal

Arthur Rimbaud

.

Ik lees de verzamelbundel ‘Van Dante tot Neruda, 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen’, uitgegeven door uitgeverij Lannoo in 2009. De bundel is samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem en bevat een doorsnee van de bekendste en beroemdste dichters uit Europa en het Amerikaanse continent. Opvallend genoeg geen Aziatische dichters (Perzië, Japan, China), Afrikaanse dichters (Zuid Afrika, Noord Afrika) of dichters uit Australië. Als verklaring geven de samenstellers dat deze gedichten niet tot ons collectieve geheugen behoren en daar is iets voor te zeggen, zeker wanneer je je beperkt tot 123 gedichten uit alle eeuwen poëzie.

Veel bekende gedichten, ook (voor mij) wat minder bekende gedichten. Ik heb uit deze fijne bundel gekozen voor het gedicht ‘De slaper in het dal’ van de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854 – 1891). Rimbaud was een vertegenwoordiger van het Symbolisme en het Decadentisme en in zijn korte leven één van de grote vernieuwers van de dichtkunst. Rimbaud schreef dit anti-oorlogsgedicht op zijn zestiende jaar. De vertaling is van Paul Claes.

.

De slaper in het dal

.

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt
Die kruid met flarden zilver onbesuisd
Bespat; vanaf de fiere bergkam blinkt
De zon: een klein dal dat van stralen bruist.
.
Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
De nek in blauwe kers gedompeld, ligt
In open lucht te slapen op de grond,
Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.
.
Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou lijdt hij.
.
De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

.

Partir c’est mourir un peu

Edmond Haraucourt

.

Iedereen kent de uitdrukking ‘Partir c’est mourir un peu’ of in goed Nederlands ‘Weggaan is een beetje sterven’. Wat ik me nooit had gerealiseerd was dat deze uitdrukking uit een gedicht komt. Uit het gedicht ‘Rondel de l’adieu’ van de Franse dichter Edmond Haraucourt (1856 – 1941). Edmond Haraucourt was naast dichter ook schrijver, componist, journalist, toneelschrijver en curator van de Franse musea.

‘Rondel de l’adieu werd voor het eerst gepubliceerd in Seoel in 1890. Francesco Paolo Tosti maakte er in 1902 een lied van. Ton Oosterhuis tekende voor de Nederlandse vertaling die verscheen in ‘3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten’ uit 2005.

.

Rondeel van het afscheid

.

Weggaan is een beetje sterven,

sterven aan wat men bemint.

Je laat iets na van wat je vindt,

altijd weer, op alle erven.

.

Spijt zal steeds een eed bederven,

een vers verwaaiend in de wind;

weggaan is een beetje sterven.

.

En men gaat; het lijkt wel zwerven.

Tot het afscheid echt begint

kunnen vrienden, vrouw en kind

van elk afscheid iets verwerven.

Weggaan is een beetje sterven…

.

Rondel de l’adieu

.

Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime :
On laisse un peu de soi-même
En toute heure et dans tout lieu.
.
C’est toujours le deuil d’un vœu,
Le dernier vers d’un poème ;
Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime.
.
Et l’on part, et c’est un jeu,
Et jusqu’à l’adieu suprême
C’est son âme que l’on sème,
Que l’on sème à chaque adieu :
Partir, c’est mourir un peu…

.

De geboorte van een gedicht

Jaan Kaplinski

.

In het werk van de uit Estland afkomstige (Estisch heet dat dan) schrijver, dichter, filosoof en vertaler Jaan Kaplinski (1941) nemen de natuur en de filosofie een belangrijke rol in. Vooral de filosofie van het Oosten ( zoals het Boeddhisme en het Daoïsme) vormt een inspiratiebron voor hem. Hoewel Kaplinski’s grootste productie ligt op het gebied van de dichtkunst, schrijft hij  ook proza, kinderboeken en theaterstukken.

In 1965 debuteerde hij met de bundel ‘Jäljed allikal’ (Sporen bij de bron) maar hij brak echt door met de bundel ‘Tolmust ja värvidest(Stof en verf) uit 1967. Hierin beschrijft hij met veel metaforen de eenheid tussen mens en natuur en toont hij zich pacifistisch. Vloeiende vrije verzen worden afgewisseld met op rijm geschreven teksten. Hierna publiceerde Kaplinski nog 15 dichtbundels (en vele andere geschriften).

In 1993 verscheen in de reeks Cahiers van de Lantaarn (nummer 60) een keuze uit zijn werk onder de titel ‘De bronmeester van Veskimõisa’. Met een voorwoord van de auteur en in een vertaling van Külli Prosa. Uit deze bundel koos ik het gedicht zonder titel maar met de veelzeggende eerste regel “De geboorte van een gedicht blijft altijd ondoorgrondelijk.” Waarvan akte.

.

De geboorte van een gedicht blijft altijd ondoorgrondelijk.

Soms lijkt het op ontwaken,

hoewel het moeilijk te zeggen is waaruit;

de dag, het leven, de persoon, ‘ik’ – dat alles

is dan als een droom met open ogen

die voor een ogenblik breekt en daartussen

schijnt iets heel toevalligs,

heel nietigs (in de droom natuurlijk): twee stengels

die naast de trap in de wind wiegen, een berkblaadje

voor je voeten op de vloer van de sauna, licht

van opzij vallend door het regenboogvlies van de vrouw,

en daarachter de zwoelte van de nazomer, een verre

donderslag, gillen van buizerds

en de rillende stem van sprinkhanen die

je eigenlijk met niets kan vergelijken. Alle dingen, iedereen

lijken op dat even vreemde als zeer bekende gezicht

dat terugkijkt van de spiegel.

.

 

Zwart Wit poëzie

Sabi so

.

Op 8 juli jongsleden schreef ik een stuk over meningen en poëzie https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/07/08/met-meningen-schrijf-je-geen-goed-gedicht/ . De strekking van dit stuk was dat ik vind (en ik niet alleen bleek) dat goede poëzie op zichzelf moet staan en niet bepaald moet worden door meningen of de achtergrond van de dichter. Dat sluit echter niet uit dat de achtergrond van een dichter een rol kan spelen in zijn of haar poëzie (voorbeelden genoeg). Activistische poëzie kan heel bijzonder en heel goed zijn.

In 1987 werd door ‘Sabi So’ de Delftse Zwarte Vrouwen Belangen Organisatie, de bundel ‘Zwart Wit poëzie’ uitgegeven. Deze bundel werd door de gemeente Delft mogelijk gemaakt destijds. Op zichzelf een mooi initiatief maar wat ik vreemd vind is dat ik lees in de inleiding:

“Aan deze bundel hebben 21 zwarte en witte vrouwen meegewerkt. Deze literaire bundel heeft niet de pretentie één te zijn waar niets op of aan te merken zou zijn. Een groep enthousiaste vrouwen, allen amateurs heeft de lay out verzorgd, de redaktie op zich genomen en de omslag ontworpen. de rest heeft de drukker gedaan.”

Maar dan: De groep witte vrouwen heeft uit haar inzendingen een selektie gemaakt waarbij een bepaalde puntenwaardering gegeven werd aan de gedichten. De groep van zwarte vrouwen heeft geen selektie gemaakt. Aan de vrouwen is gevraagd enkele van haar gedichten, die ze zelf mooi vinden en voor haar heel veel betekenen op te sturen.”

Ik vind het vreemd dat er hier een onderscheid gemaakt is. Zelfs als er al een reden was om onderscheid te maken (wat me vreemd lijkt) is het dan nodig dit ook te benoemen in een inleiding. Hiermee lijkt me juist dat er een onderscheid wordt gecreëerd, terwijl de reden dat deze bundel is uitgegeven er een is om juist aan te geven dat poëzie, zwart of wit, hetzelfde is waarbij er maar één criterium is om onderscheid te maken: vind je het mooie of goede poëzie of niet (onafhankelijk van wie het geschreven heeft).

Uit deze bundel heb ik gekozen voor een gedicht van Jacqueline (verder geen informatie bekend) in een vertaling uit het Spaans van ‘Lagunas del tiempo’.

.

Meren des tijds

.

Wat gebeurt als je niet meer daar bent

en op nieuwe paden loopt

andere ideeën en gewoontes

zo oud onmetelijk, onbevattelijk

zo diep

dat

wat er was

ontastbaar wit wordt

transparant, amorf water en niets meer

noch de vijand wie de haat zich nog herinnert

wie jou ontworteld heeft

toen je in de berg geloofde

.

Er blijven alleen mijn herinneringen over

meer van oneindig water

gevuld met glanzende kleur of, donker?

verblindend als de gekte

een verleden te hebben

.

En ik blijf daar

met dat verleden in mijn ingewanden.

.

Als ik ga moet je niet huilen

Mary Elisabeth Frye

.

Op 29 juni, een voor mij speciale dag, wil ik een gedicht van troost met jullie delen. In het voorjaar overleed een goede vriendin van me en op haar rouwkaart stond het onderstaande gedicht zonder titel. Omdat ik dacht het te herkennen ben ik op zoek gegaan en het blijkt de vertaling te zijn van een gedicht waarover ik eerder schreef op 23 augustus 2016 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/08/23/do-not-stand-at-my-grave-and-weep/

Het betreft hier de vertaling van het gedicht ‘Do not stand at my grave and weep’ dat wordt toegeschreven aan de dichter Mary Elisabeth Frye.

.

Als ik ga moet je niet huilen

want ‘echt’ weg ben ik eigenlijk niet ,

Mijn lichaam is nu duizend dingen,

heb daarom niet zoveel verdriet.

.

Ik ben de wind ,ik ben de regen,

ik ben de zon ,het jonge gras

Ik ben de sneeuw en duizend dingen,

ik ben weer degene die ik was .

.

En als je wakker wordt bekijk dan

de bomen en de blauwe lucht,

kijk naar de vlinders en de bloemen,

kijk naar de vogels in hun vlucht.

.

Want al die duizend dingen ben ik,

sinds ik mijn lichaam achterliet.

Die duizend dingen zijn mijn leven,

dus zie je ‘echt’ weg ben ik niet.

.

Sylvia Plath

Koeriers

.

Over Sylvia Plath (1932 – 1963) schreef ik al enkele malen. Maar toen ik de bundel ‘Ariel’ (oorspronkelijk uit 1965 maar in mijn geval in vertaling door Anneke Brassinga uit 1980) weer eens in handen nam en herlas wist ik dat ik uit de bijzondere bundel nog een gedicht wilde delen. Het betreft hier het gedicht ‘Koeriers’ of ‘The Couriers’ zoals het in het Engels luidt.

.

Koeriers

.

Het woord van een slak op het bord van een blad?

Het is niet van mij. Neem het niet aan.

.

Azijnzuur in een verzegeld blik?

Neem het niet aan. Het is niet puur.

.

Een ring van goud, en daarin de zon?

Leugens. Leugens en droefenis.

.

Rijp op een blad, de smetteloze

Heksenketel, zwetsend en knetterend

.

In zichzelf, op elke top

Van negen zwarte alpen.

.

Beroering in spiegels,

De zee die de zijne, zo grijs, verbrijzelt –

.

Liefde, liefde, mijn seizoen.

.

The Couriers

.

The word of a snail on the plate of a leaf?
It is not mine. Do not accept it.

Acetic acid in a sealed tin?
Do not accept it. It is not genuine.

A ring of gold with the sun in it?
Lies. Lies and a grief.

Frost on a leaf, the immaculate
Cauldron, talking and crackling

All to itself on the top of each
of nine black Alps.

A disturbance in mirrors,
the sea shattering its grey one-

Love, love, my season.

.

%d bloggers liken dit: