Site-archief

Twee-pigrammen

Florence Tonk

.

Vorig jaar brachten uitgeverij Wereldbibliotheek en Nieuw Amsterdam een bundel uit met poëzie over het thema van de Boekenweek in een specifieke dichtvorm. Het thema dat jaar was rebellie en de dichtvorm het sonnet. Ook dit jaar koos men een thema; tweestrijd en als vorm koos men het epigram. Bovendien bevat de bundel dit jaar ook gedichten van andere dichters dan die van Nieuw Amsterdam en Wereldbibliotheek.

Het epigram heeft de volgende vaste regels: acht regels; vrije versvorm; hetzelfde slotwoord in de regels 1,3,5 en 7; metrum naar believen; de slotregel bevat de pointe. Een ander woord voor epigram is puntdicht. Het is een kort gedicht, vaak geestig. Slechts enkele gedichten uit de bundel voldoen aan deze regel. Ook de humoristische laatste zin met een rake pointe komt niet vaak voor. Wel zien we dat de gedichten acht regels tellen en dat de herhaling van het slotwoord veel is toegepast.

Omdat het thema Tweestrijd is heeft men voor de titel Twee-pigrammen gekozen, epigrammen over tweestrijd. Dichter Florence Tonk (1970) heeft zich voorbeeldig aan de regels van het epigram gehouden met haar gedicht ‘Puntdicht’ dat subtiel knipoogt naar het gedicht ‘Sotto voce’ van Vasalis.

.

Puntdicht

.

Een punt breekt af, de punt doet pijn

in zinnen aan mijn zusjes

een punt die stopt, veroorzaakt pijn

staat voor venijn en stelligheid, gelijk

is niet vrijblijvend, dat doet pijn

het stokken, afgesloten zijn

mijn tere zusjes lijden pijn

geen punt, het mag niet van mijn brein.

.

Sijo

Koreaanse versvorm

.

Ik heb op dit blog al vaak over allerlei verschillende vormen van verzen geschreven. de een met nog exotischer klinkende naam dan de ander. Van de Katja en de Pantoem tot de Fatras, de Helix en het elftal. Heel veel van deze voorbeelden komen van de website https://sites.google.com/site/versvormen .

En ik heb nu ook een Engelstalige variant op deze pagina gevonden met maar liefst 168 vormen van verzen, je kunt ze vinden op https://www.writersdigest.com/write-better-poetry/list-of-50-poetic-forms-for-poets  . Het aardige van deze pagina vind ik de internationale insteek, niet alleen de westerse versvormen maar juist ook versvormen uit Maleisië, Japan, Bangladesh, Vietnam en Iran.

Een bijzondere vorm is de Koreaanse Sijo. Geen eenvoudige versvorm want er liggen nogal wat regels aan deze vorm ten grondslag:

 

Het vers is 3 regels lang, met gemiddeld 14-16 lettergrepen per regel (voor een gedicht in totaal 44-46 lettergrepen). Dat betekent per regel het volgende aantal lettergrepen:

  • Regel 1: 3-4-4-4
  • Regel 2: 3-4-4-4
  • Regel 3: 3-5-4-3

Daarnaast zijn de volgende regels van toepassing:

Regel 1 introduceert de situatie of het thema van het gedicht.

Regel 2 ontwikkelt het thema met meer detail of een “verandering” in argument.

Regel 3 presenteert een “twist” en conclusie.

Maar er zijn nog een paar regels die in acht moeten worden genomen:

Sijo zijn bedoeld als liedjes, dus deze vorm is meer lyrisch.

Gedichten kunnen diepgaand, humoristisch, metafysisch en persoonlijk zijn.

Elke regel moet ergens in het midden een pauze (of pauze) hebben.

De eerste helft van de laatste regel maakt gebruik van een “twist” van betekenis, geluid of een ander poëtisch middel.

De Koreanen maken het zich niet gemakkelijk.

Op de website wordt een voorbeeld, in het Engels gegeven dat aan alle regels voldoet.

.

Orbit

.

I tell her we’re always alone, but she says we’re together
the same as the moon spins with the earth around the sun.
If they weren’t together, she tells me, we would not be alive.

Robert Lee Brewer

.

I Will Write a Poem Too

.

Up above the shimmering sea, Two or three seagulls are hovering.
Rolling, wheeling, they write a poem.  I do not know the alphabet they use.
On the broad expanse of sky,  I will write a poem too.

Yi Unsang (1903 – 1982)

.

Haiku’s en limericks

Rud Brenninkmeijer en Bastiaan Plompverloren

.

Tussen al de poëziebundels die ik koop en krijg zitten soms ook bundels die ik misschien niet had gekocht als ik ze om de kwaliteit zou hebben gekozen maar die toch iets aardigs, bijzonders of grappigs hebben. Als je over poëzie en haar rafelranden schrijft, zoals ik doe, horen dit soort bundeltjes daar ook bij.

De twee bundeltjes waaruit ik vandaag iets wil plaatsen hebben gemeen dat ze geschreven zijn rondom een specifieke versvorm; de limerick en de haiku. Omdat ik ervan uitga dat iedereen wel min of meer weet wat deze twee versvormen als eigenschappen hebben zal ik daar hier niet verder op ingaan.

De eerste bundel is een redelijk obscuur bundeltje getiteld ‘limerick of limerjij?’ van Bastiaan Plompverloren (wat naar ik aanneem een pseudoniem is).  In het voorwoord van Viktor Aanstoot, de hoofdredacteur van literair tijdschrift ‘Stokebrand’ schrijft hij: Voor al die mensen die telkenmale beweren dat slechts het Engels zich goed leent voor een superieure limerick, mag dit boekwerkje een bewijs zijn van de grote flexibiliteit van onze moedertaal. En hoewel dit werkje uit 1975 enigszins een melig karakter heeft, staan er toch best aardige limericks in.

De tweede bundel is van Rud Brenninkmeijer uitgegeven in eigen beheer (Boekscout), is getiteld ‘Geen poot om op te staan’ en bevat haiku’s en zo. Alles behalve melig en voor de liefhebber van haiku’s vast en zeker zeer te genieten. In de bundel ook schilderwerk van Brenninkmeijer.  De bundel werd in 2011 uitgegeven.

.

’n Emeritus zeide in Gaastmeer:

“Uw bloed, lieve vrouw, kookt en raast weer.

Houdt toch uw fatsoen

we hebben pensioen

en derhalve geen enkele haast meer!”

.

Tulpen in mijn vaas

ze mogen zich uitleven

ver hun bloei voorbij

.

 

 

Problemen

Frank van Pamelen

.

Frank van Pamelen (1965) http://frankvanpamelen.nl/  is geboren in Terneuzen en woonachtig in Tilburg. Hij studeerde Letteren aan de Katholieke Universiteit Brabant en is schrijver van literaire thrillers en jeugdboeken, dichter en kleinkunstenaar. Ook schrijft hij cabaretprogramma’s, musicals, kinderliedjes, columns en teksten voor radio en televisie.

Sinds 1990 publiceert Frank van Pamelen gedichten. Voornamelijk light verse, vormvaste gedichten, meestal met een humoristische onderlaag. Zijn verzen worden gepubliceerd in literaire tijdschriften als De Tweede Ronde, Parmentier en Ballustrada, in NRC Next, in de wekelijkse rubriek Poëzie Politiek in Trouw (1999-2007), en verder in vele bloemlezingen, scheurkalenders en gelegenheidsuitgaven. Hij ontpopt zich sindsdien steeds meer als de cabaretier onder de dichters, en de dichter onder de cabaretiers.

Frank van Pamelen won de Publieksprijs op het Amsterdams Kleinkunst Festival (1995), de Zilveren Reissmicrofoon met het radioteam van KRO’s Theater van het Sentiment (2001), de Kees Stipprijs voor zijn light verse-oeuvre (2005) en de Tilburg Trofee voor verdiensten in zijn woonplaats (2013).

In literair tijdschrift  ‘De Tweede Ronde’, jaargang 13  (1992) verscheen van zijn hand de terzanelle ‘Problemen’. Een terzanelle is een poëtische vorm die aspecten van de villanelle en de terza rima combineert. Het is in totaal negentien regels, met vijf drielingen en een afsluitend kwatrijn. De middelste regel van elke triplet-strofe wordt herhaald als de derde regel van de volgende strofe, en de eerste en derde regel van de oorspronkelijke strofe zijn de tweede en laatste regels van het afsluitende kwatrijn; zeven van de regels worden dus herhaald in het gedicht.

.

Problemen (een terzanelle)
.
Ik staar al uren naar mijn lege glas

De wereld is vergeven van problemen

Ik wou dat daar een oplossing voor was

.

Ach, waarom zou ik zelf niets ondernemen

Bedenk ik wel eens met een zwaar gemoed

De wereld is vergeven van problemen

.

En er is niemand die er iets aan doet

Zo diep zijn wij als mens dus al gezonken

Bedenk ik wel eens. Met een zwaar gemoed

.

Besef ik nu hoeveel ik heb gedronken

Dan denk ik over goed en over kwaad

Zo diep zijn wij als mens dus al gezonken

.

Ik zeg het hier maar zo waar het op staat

Gewoonlijk praat ik vaker over drinken

Dan, denk ik, over goed en over kwaad

.

Het mag in dit verband merkwaardig klinken

Gewoonlijk praat ik vaker over drinken

Ik staar al uren naar mijn lege glas

Ik wou dat dáár een oplossing voor was
.
.

Pantoen

Lexicon van de poëzie

.

Op zoek naar een versvorm kwam ik op de website ‘Lexicon van de poëzie’ https://docplayer.nl/60991522-Lexicon-van-de-poezie.html. En hoewel vreselijk vormgegeven door alle reclame op en rond de teksten is dit toch een enorme bron van kennis over de poëzie. Ik kende het lexicon wel (ik heb de boekvorm) maar deze site is erg overzichtelijk (het feitelijke lexicon dan). Al lezend kwam ik terecht bij de Pantoen, Pantoem of Pantoum. Ethymologisch stamt de pantoum uit het Maleis (pantun is een bepaald type vierregelig gedicht). Het pantoun bestaat uit kwatrijnen. Elke strofge wordt voor de helft in de volgende herhaald en wel zo dat vers 2 en 4 van de eerste strofe fungeren als vers 1 en 3 van de tweede strofe en zo verder. In het laatste kwatrijn is de tweede regel dezelfde als vers 3 van de eerste strofe en is de slotregel gelijk aan vers 1 van de eerste strofe. Het is dus tevens een cyclisch gedicht. Het pantoen heeft enige verwantschap met het ketengedicht of de sonnettenkrans.

In Nederland gebruikte Louis Couperus deze vorm maar ook Drs. P., Hélène Swarth en Theodor Holman. Hieronder staat een gedicht van Drs. P. in de pantoun vorm getiteld ‘Op de fiets’.

.

Op de fiets

.

We zitten met z’n allen op de fiets

En rijden stoer door bossen en langs heide.

Zorgen maken doen wij ons om niets,

Integendeel, de stress gaan we vermijden!

.

We reizen stoer door bossen en langs heide,

Het drukke leven even aan de kant.

Voorzeker toch, de stress gaan we vermijden?

We bouwen met natuur een goede band.

.

Het drukke leven even aan de kant.

We gaan onze conditie flink versterken,

We bouwen met natuur een goede band,

In symbiose gaan we daaraan werken.

.

We gaan onze conditie flink verstreken,

Zorgen maken doen wij ons om niets.

In symbiose gaan wij daaraan werken

We zitten met zijn allen op de fiets.

.

Hier kunt u dingen voor uw rijwiel krijgen

Van rijwielpomp tot rijwieltasje toe

Om van wat hier nog verder ligt te zwijgen

En alles prima en goedkoop, en hoe!

.

Van rijwielpomp tot rijwieltasje toe

U zegt maar wat u zoekt, het is voorhanden

En alles prima en goedkoop, en hoe!

De mooiste zadels en de sterkste banden

.

U zegt maar wat u zoekt, het is voorhanden

Wij hebben een compleet assortiment

De mooiste zadels en de sterkste banden

Of waar u verder ook op zoek naar bent

.

Wij hebben een compleet assortiment

Van degelijke afgeprijsde lampen

Of waar u verder ook op zoek naar bent

Met schaarste hebben wij hier niet te kampen

.

Van degelijke afgeprijsde lampen

Zijn wij, zoals u zien kunt, ruim voorzien

Met schaarste hebben wij hier niet te kampen

Er zijn veel soorten bellen bovendien

.

Zijn wij, zoals u zien kunt, ruim voorzien

Van nieuwigheden en verbeteringen –

Er zijn veel soorten bellen bovendien

En vaantjes en nog veel meer leuke dingen

.

Van nieuwigheden en verbeteringen

Van alles wat er is op dit gebied

En vaantjes en nog veel meer leuke dingen

Zo’n lage prijzen vindt u nergens niet

.

Van alles wat er is op dit gebied

Om van wat hier nog verder ligt te zwijgen

Zo’n lage prijzen vindt u nergens niet

Hier kunt u dingen voor uw rijwiel krijgen

.

Sonnet

Jan Kuijper

.

In de bundel ‘De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten’ uit 1985, samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga, staan sonnetten uit de Nederlandse literatuur vanaf de 16e eeuw tot heden. Het sonnet, een van de bekendste en meest geliefde vaste versvormen wordt ook nu nog door veel dichters beoefend. In de bundel kwam ik twee sonnetten tegen van dichter Jan Kuijper.

En zoals zo vaak, wanneer ik in dit soort bloemlezingen of verzamelbundels dichters tegen kom die ik nog niet ken, was ik meteen nieuwsgierig naar Jan Kuijper (1947). Op zijn Wikipediapagina staat te lezen dat hij de door de experimentele Vijftigers verketterde dichtvorm van het sonnet in ere herstelde. Tussen 1973 en 2013 schreef hij 9 dichtbundels en van 1984 tot en met 1993 was hij redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor.

In 1980 ontving hij de Herman Gorterprijs voor de bundel ‘Oogleden’, in 1990 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Tomben’ en in 2011 de Filter-vertaalprijs voor ‘Liefdesliederen uit het Middelnederlkands van Hadewijch’.

In de genoemde bundel is hij met maar liefst drie sonnetten opgenomen, ik koos voor de grappigste ‘In de beperking’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Sonnetten’ uit 1973.

.

In de beperking

.

Er was ’s nachts iets in mijn luier beland.

’t Moest nu nog heel vroeg in de morgen zijn.

‘k Kon nu niet meer slapen; maar ‘k was nog te klein

om over het hekje van mijn ledikant

te klimmen. – Buiten, in de zonneschijn,

hield een merel boven op een gootrand

zijn mededingers zingend op afstand;

er waren grenzen aan zijn broedterrein.

.

‘k Wist niet waarom de zwarte vogel floot;

voor mij had hij een muzikaal moment,

maar dan urenlang. – Ik was wel gewend

het papier te bewerken met potlood,

maar hechtte aan zelfbeperking geen belang.

Nu had ‘k geen keus dan dan keutel en behang.

.

 

Ballade van het optipessimisme

Ernst van Altena

.

De dichter, schrijver en vertaler Ernst Rudolf van Altena (1933 -1999)  werd vooral bekend als vertaler van chansons van Jacques Brel. Hij vertaalde tijdens zijn leven meer dan 1500 chansons, van Brel maar ook van Charles Aznavour, Gilbert Bécaud en Boris Vian. Daarnaast kende ik hem van de bloemlezingen die hij samenstelde ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/05/28/van-vroeger-en-thans/) en van zijn vertalingen van de Franse dichter François Villon ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/26/gek-slecht-en-gevaarlijk-te-kennen/ ).

Toch dreigt zijn naam als dichter wat te vervagen (het lot van vrijwel alle dichters). En dat is toch jammer want Ernst van Altena was een begenadigd dichter. Zo publiceerde hij in 1970 de bundel ‘Als je erdoor bent is het water heerlijk’. In de bundel ‘Weerspiegeling’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van 1880 tot heden uit 1971 werd dan ook prompt het gedicht ‘Ballade van het optipessimisme’ uit de bundel uit 1970 opgenomen.

Toen ik dit gedicht las moest ik glimlachen. Een serieus gedicht waarin wat zwaardere onderwerpen niet geschuwd worden, in een makkelijk leesbare versvorm (rijm) met kwinkslagen maar heerlijk om tot je te nemen. Reden genoeg om het gedicht hier te delen.

.

Ballade van het optipessimisme

.

Je kunt natuurlijk in het zand gaan rusten,

je ogen sluiten… branden in de zon.

Vergeten dat op andere verre kusten

een menner staat te brallen op ’t balkon.

Die menner haalt met woorden en met daden

de ochtendkrant en zelfs de avondbladen.

En boven brandt de zon en jij beneden,

jij denkt aan al wat jong is, blond en groen.

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?

.

Je kunt natuurlijk binnen manneschouders

verliefd gaan bouwen aan een kindje blond.

Vergeten dat op dit moment veel ouders

hun blonde zoon zien weggaan naar het front.

Die zoon haalt zwartomrand de commentaren

en voor jouw zoon duurt dat misschien nog jàren.

En ach… voor het verlies maak je een tweede

en verder peinzen smoor je in een zoen…

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder?

.

Je kunt natuurlijk in een charter kruipen

en vliegen naar een zondoorstoofde staat.

Vergeten dat zo’n land lijdt aan de stuipen

van clericaal fascisme, derde graad.

De schrijvers zitten daar in kille cellen

en jij ligt op hun stranden te vervellen.

Maar Lorca is alweer zo lang geleden,

de Guardia Civil houdt z’n fatsoen.

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?

Prince

Prins zeg nou zelf, dat wij dat gisteren deden,

moeten wij dat vandaag soms niet meer doen?

Voor zonnen, vrijen, reizen is geen reden…

maar kun je het niet zònder reden doen?

.

Poëzie als stoplap

Maastricht

.

In 2019 was er door werkzaamheden aan de stadsmuur van Maastricht een groot gat ontstaan in diezelfde stadsmuur. Omdat de herstelwerkzaamheden aan de muur in de zomer van 2019 een aantal maanden kwam stil te liggen, had de gemeente besloten de bouwplaats rond het gat op te fleuren. Zo werden de zeecontainers die als stut dienen al in diverse kleuren geschilderd en werden er schotten met kijkgaten geplaatst op het Rondeel.

Of het komt omdat een rondeel zowel een deel van een vestingmuur is als een versvorm weet ik natuurlijk niet (vermoedelijk niet) maar de gemeente besloot het gat in de muur tijdelijk te bedekken met een groot geel doek met daarop een gedicht van stadsdichter Maarten van den Berg.  “Het is een vierregelig gedicht dat een tijdlijn van de locatie behelst”, aldus de dichter. “Ik denk dat poezië er voor bedoeld is om je over bepaalde dingen anders te laten denken, nieuwe inzichten te geven. Door de poezië is ineens vijf eeuwen stadsmuur bloot te komen liggen.”

Poëzie in de openbare ruimte is niet nieuw voor van den Berg, zo is zijn poëzie op de markt aan de taxistandplaats te lezen. In de stoeprand zijn de laatste vier regels te lezen van zijn gedicht ‘de ruiters van de stad’ (2006) te lezen. Aan het Vagevuur, nabij het Vrijthof is het gedicht ‘tussen de torens’ (2012) gebeiteld in twee blokken hardsteen. Aan de Beente in Heugem staat het gedicht ‘(lieve kitty,)’ (2013) op de muur van de Anne Frankschool. Op een pijler van de Noorderbrug direct aan de Maas in het Sphinxkwartier staat een blauwe dichtregel over vrijwel de gehele breedte van de brugpijler opgetekend. Op de binnenmuur in de trappenhal naar de gemeenteraadzaal aan het Mosae Forum staat een kwatrijn ‘de bomen wortelen even diep als wij’ (2015).

Het gedicht dat tijdelijk het gat in de vestingmuur bedekte is:

.

ontembaar vocht de muur tegen vijand en vuur, tot zij
koortsig bollend bezweek, keien als koppen liet rollen
haar buik waarachtig een wortelkraker bleek
en vijf eeuwen opende om de tijd opnieuw te stollen

.

Les in poëzie

Korte gedichten

.

Na een gastles op het Lyceum Rotterdam was ik opnieuw gevraagd door vriend Bart (docent Nederlands) maar nu voor een gastles aan de Montessori MAVO Rotterdam voor een brugklas. Omdat de lesuren hier 80 minuten duren (in tegenstelling tot het Lyceum waar ze 50 minuten duren) had ik mijn lesstof uitgebreid. Dit keer niet alleen een korte introductie over het korte gedicht met een uiteenzetting van de haiku, het elfje en de luule maar dit keer aangevuld met het naamgedicht of acrostichon.

Een acrostichon (ook: naamdicht of lettervers) is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen. Betreft het niet de eerste, maar de middelste letters, spreekt men ook wel van een mesostichon. Het woord acrostichon is een samenvoeging van de Griekse woorden akros (uítstekend) en stichos (rij, vers).

Misschien het de beroemdste maar niet perse bekendste naamgedicht is de tekst van het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus, waarvan de eerste letters van de coupletten in de originele spelling samen de naam ‘Willem van Nassov’ vormen. In de tijd dat het Wilhelmus werd geschreven waren de u en de v uitwisselbaar.

Dit keer een kleine klas met 12 leerlingen maar de resultaten waren opnieuw verrassend. Na soms een aarzelende start schreven alle leerlingen een gedicht (de meeste een elfje of een naamgedicht). Sommige leerlingen bleken over een goeie fantasie te beschikken. Hier een paar voorbeelden van een luule (in dit geval een klankgedicht), een naamgedicht en twee elfjes.

.

Gesprek

.

bla bla

bla bla

bla bla

bla bla

SCHREEUW

bla bla

bla bla

bla bla

SSST….

.

Lekker buiten

In de zon

Super gezellig met elkaar

Appeltaart erbij en klaar

.

Tas

op school

met de fiets

huiswerk moet je maken

zwaar

.

Potlood

schetsen maken

en dan overtrekken

uitgummen en dan klaar

kunstwerk

.

Fatras

Versvorm

.

Er zijn zoveel verschillende versvormen, ik schreef er al vaak over, en nu kwam ik de Fatrasie of Fatras tegen. De Fatrasie en de daaruit ontstane vorm Fatras, stamt uit de 13e eeuw uit Frankrijk. Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten is deze versvorm opmerkelijk actueel te gebruiken.

Het onderwerp van de fatrasie moet onmogelijk of ondenkbaar zijn. Of anders gezegd: hoe gekker hoe beter. Doel van het gedicht is de lachlust op te wekken, te verwonderen of de lezer in verwarring te brengen. Daarnaast genieten woorden als poep, pies, kut en  lul een duidelijke voorkeur.

De Fatrasie bestaat uit elf versregels volgens het rijmschema AABAAB BABAB. De eerste zes versregels bestaan uit vijf lettergrepen, de laatste vijf uit zeven lettergrepen. De eerste keer dat de vorm gesignaleerd werd, was in de “Fatrasies d’Arras” (vandaar de naam), een uit 55 gedichten bestaand manuscript uit de 13e eeuw.

In de 14e eeuw werd het genre verder ontwikkeld en ontstond de Fatras. De eerste gebruiker van deze doorontwikkelde versvorm was Watriquet Brassenel de Couvin (omstreeks 1325). De Fatras heeft het rijmschema ABAABAABBABAB en telt dus 13 regels. Voorts valt de vorm op doordat deze wat van een rondeel heeft.

Hoewel beide vormen zijn gebaseerd op een zekere lompheid is de Fatras iets verfijnder. Een mooi voorbeeld van een Fatras komt van Frits Criens, die de Fatras en de Fatrasie een nieuw leven gaf in deze tijd.

.

Verklaring
.
We hadden onze zaken snel beklonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat
We hadden onze zaken snel beklonken
Dus ligt ze kwijlend onder me te ronken
Onwetend van haar aandeel in de daad
Door liefdespijn was ik al diep gezonken
En zij stond op een hoek naar me te lonken
Een asfaltdistel, onkruid van de straat
Ze leek op jou die mij wreed heeft versmaad
Terwijl ik je mijn jawoord had geschonken
Maar die als maagd nu naar het klooster gaat
Dus lig ik met je lookalike te bonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat

.

%d bloggers liken dit: