Site-archief

Fatras

Versvorm

.

Er zijn zoveel verschillende versvormen, ik schreef er al vaak over, en nu kwam ik de Fatrasie of Fatras tegen. De Fatrasie en de daaruit ontstane vorm Fatras, stamt uit de 13e eeuw uit Frankrijk. Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten is deze versvorm opmerkelijk actueel te gebruiken.

Het onderwerp van de fatrasie moet onmogelijk of ondenkbaar zijn. Of anders gezegd: hoe gekker hoe beter. Doel van het gedicht is de lachlust op te wekken, te verwonderen of de lezer in verwarring te brengen. Daarnaast genieten woorden als poep, pies, kut en  lul een duidelijke voorkeur.

De Fatrasie bestaat uit elf versregels volgens het rijmschema AABAAB BABAB. De eerste zes versregels bestaan uit vijf lettergrepen, de laatste vijf uit zeven lettergrepen. De eerste keer dat de vorm gesignaleerd werd, was in de “Fatrasies d’Arras” (vandaar de naam), een uit 55 gedichten bestaand manuscript uit de 13e eeuw.

In de 14e eeuw werd het genre verder ontwikkeld en ontstond de Fatras. De eerste gebruiker van deze doorontwikkelde versvorm was Watriquet Brassenel de Couvin (omstreeks 1325). De Fatras heeft het rijmschema ABAABAABBABAB en telt dus 13 regels. Voorts valt de vorm op doordat deze wat van een rondeel heeft.

Hoewel beide vormen zijn gebaseerd op een zekere lompheid is de Fatras iets verfijnder. Een mooi voorbeeld van een Fatras komt van Frits Criens, die de Fatras en de Fatrasie een nieuw leven gaf in deze tijd.

.

Verklaring
.
We hadden onze zaken snel beklonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat
We hadden onze zaken snel beklonken
Dus ligt ze kwijlend onder me te ronken
Onwetend van haar aandeel in de daad
Door liefdespijn was ik al diep gezonken
En zij stond op een hoek naar me te lonken
Een asfaltdistel, onkruid van de straat
Ze leek op jou die mij wreed heeft versmaad
Terwijl ik je mijn jawoord had geschonken
Maar die als maagd nu naar het klooster gaat
Dus lig ik met je lookalike te bonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat

.

Verliefde versjes

Jan Rot

.

Jan Rot  (1957) is een Nederlandse zanger, componist en tekstdichter. Hij werd musicus in 1978, maar een doorbraak bleef aanvankelijk uit. Hij deed werk voor verscheidene media en theatertournees. In de jaren na 2000 werd hij vertaler van hits van anderen en van beroemde werken uit de klassieke muziek. Maar Jan Rot is ook dichter. In 2003 verscheen van hem het heerlijk amateuristische bundeltje ‘Huisje aan zee’ met als ondertitel ’29 verliefde versjes’.

Volgens een kort stukje achterin dit ‘pamflet’ dat in een oplage gedrukt werd door Okapi (Okapiboek 8) is het een loflied geschreven door Jan Rot voor B. de G. Het kostte zeven dagen. Maar zo deed Heine ’t ook want kunst laat zich niet vragen, dan gaat ze op in rook.

De rijmende versjes geven een goed beeld van de virtuoze taalvaardigheid van Jan rot zoals in gedicht nummer 23 waarin onder andere een verwijzing naar ‘ik wou dat ik twee hondjes was’.

.

23

[in driekwart]

.

Zeeuws meisje in Vrouwenpolder

Zo krabbel ik op zolder

Maar kolderrijm is meestal

Alleen de leukste thuis

.

Ik zoek bij mijn Chinezen

Maar stop al snel met lezen

Krijg veels te zin in kezen

De hand al aan het kruis

.

Mijn meisje staat de vaat te doen

Ik was net in de keuken

Ik wou dat ik mijn meisje was

Dan liet ik me nu …

Verdomd, dat is een leuke!

.

Paean

Versvorm

.

Er zijn al heel veel versvormen. Er bestaan vele klassieke versvormen, vrijere versvormen en nieuwe versvormen. Een bedenker van nieuwe versvormen was de Amerikaan Evelyn M.Watson (1886-1956). Hij bedacht onder meer de donata, de trine en de quaternion. Maar ook de Paean. Een Paean is in het Latijn een hymne of een overwinningshymne voor Apollo of een andere god.

Deze versvorm is opgebouwd uit 13 regels (4 + 3 + 3 +3) met als schema abab ccc abc ddd. Het schema dat daarbij hoort is 5 jamben, kort, 5 jamben, kort. Hoe zo’n Paean eruit ziet lees je hieronder.

.

Kort kerstverhaal
.
Het kerstkind werd in Bethlehem geboren.

Daar waren eng’len en ook herders bij.

De os en ezel waren uitverkoren:

Ze hoorden feestgezang, fluit en schalmei.

 .

De herberg vol.

Het is te dol,

Wat een gesol!

 .

Een ster kon vreemde koningen bekoren.

Ze volgde hem van verr’. Ze waren blij.

Twee reden er kameel, één op een knol.

 .

Herodus verstoord,

Plek gehoord.

Dat wordt moord!

.

Kamerlid

Versvorm

.

Op de dag van de Provinciale verkiezingen (en de waterschapsverkiezingen natuurlijk), in een tijd waarin kamerleden elkaar via YouTube zwarte maken of de pers niet willen spreken leek het mij wel een verstandig idee om het kamerlid eens van een positieve kant te belichten. De Kamerlid Versvorm is namelijk ook een versvorm en als zodanig een variant op de Schaap Veronica gedichten (een andere versvorm). In 2017 werd het Kamerlid geïntroduceerd door Hanneke van Almelo (Hendrikje de Koning)

De voorwaarden voor een Kamerlid vers zijn:

Een zevenvoetige jambe (met waar mogelijk een cesuur), een rijmschema abab, cdcd … xyxy afwisselend vrouwelijk en mannelijk rijm; afsluitend distichon met mannelijk rijm zz. Vier vaste typetjes:

  • kamerlid: man, niet kerkelijk, meent het goed, maar glad als een aal,
  • Kurt en Cor. Homo stel. Kurt heeft een Turks/moslim achtergrond en Cor PKN. Altijd solidair met elkaar en met alle minderheden
  • Babcia Baranowska. Pools voor Oma Schaap (een knipoog naar Veronica). Pools, katholiek, spreekt Nederlands met Oost Europees accent.  

Het Kamerlid wordt grotendeels in een dialoog (altijd jij) geschreven, verteld in de derde persoon, onvoltooid tegenwoordige of verleden tijd, geen aanhalingstekens. Leenwoorden hebben (in tegenstelling tot Schaapverzen) een juiste spelling.  De 1e regel begint met verzuchting of kreet van één van de personages, Kurt en Cor spreken unisono, stijl is lichtvoetig en spottend, titel begint altijd met “Het Kamerlid…” en het eindigt altijd met een exotisch hapje of drankje.

Nogal wat voorwaarden dus maar wanneer aan al deze voorwaarden wordt voldaan komt er wel vaak een heel grappig vers uit. Zoals in het onderstaande gedicht van de bedenkster duidelijk wordt.

.

Het Kamerlid gaat ook mee
.

Natuurlijk, riepen Kurt en Cor, wij gaan ook demonstreren,
want wat die mensen in het Rifgebied wordt aangedaan,
dat vinden wij niet kunnen, hoor. Dat vraagt om protesteren.
Wie heeft er zin om straks met ons mee naar Den Haag te gaan?

Ach ja, sprak Babcia Baranowska, dat zou ik wel willen.
Dan neem ik ook een kroekje mee, want kan niet staan zo veel.
Ik maak gauw loenchpakketjes klaar om chonger mee te stillen,
met brood en cham, augoerk en ei, dat glijdt zo door jouw keel.

Ze gaf het kamerlid de raad: Stop noe met nota’s schrijven
en sloit je aan bij Cor en Kurt. Die laptop, laat maar staan,
dan maak ik extra snack voor jou met kaas en wat olijven.
We gaan hoor, zeiden Kurt en Cor, dan staan we mooi vooraan.

Toen vroegen ze het kamerlid, Misschien wil jij wel spreken?
Da’s goed voor je imago als bezield politicus.
Je haar zit goed, daarover hoef je niet je hoofd te breken.
Het is een prima oefening in public speaking. Dus …?

Ik weet het niet, zei ‘t kamerlid. Ik twijfel of mijn fractie
een standpunt over deze kwestie heeft geformuleerd.
Maar ja, een demonstratie is een nobele reactie …
Kies anders voor incognito, dan kan het niet verkeerd.

Na afloop zeiden Kor en Kurt, Het was een openbaring!
Protesten zijn geweldig, zoveel lotsverbondenheid.
En samen slogans roepen … Oh, een heerlijke ervaring.
‘t Is tijd, zei ‘t kamerlid, dat ik mij van die pruik bevrijd.

Die briwats die ik kreeg, zei Babcia met een volle mond,
zijn lekker! Proeven jullie maar. Ze gaf het zakje rond.

.

Helaas dood

Janine van Elzakker

.

Wilhelmina Kuttje (met twee T) is afgelopen maandag 11 maart overleden op 73 jarige leeftijd. Dat las ik in de overlijdensadvertenties in de Volkskrant van zaterdag. Boven officiële overlijdensadvertentie stond ‘Helaas dood’ zoals je van haar radiopersonage zou verwachten. Wilhelmina Kuttje was een personage in het radioprogramma van Wim T. schippers ‘Ronflonflon avec Jacques Plafond’ dat werd uitgezonden in de jaren tachtig op radio 3 elke woensdagmiddag van 5 tot 6 uur. Ik luisterde altijd naar dit programma dat tekstueel volledig werd geschreven door Wim T. Schippers. Wilhelmina Kuttje was de vaste huisdichter van het programma en wanneer zij werd aangekondigd door Jacques plafond (Wilhelmina Kuttje met twee T) dan reageerde Jan Vos (een ander personage) steevast met: wie had er twee thee besteld?

Janine van Elzakker die de rol van Wilhelmina Kuttje speelde is dus overleden. In 1989 verschenen in de Ronflonflonreeks 4 delen (boekjes) waarvan Kuttje compleet (deel 3) er een van was. In dit bundeltje staan de gedichten van Wilhelmina genoteerd met teksten die in het radioprogramma werden uitgesproken wanneer het item aan de beurt was.

In nagedachtenis aan Janine van Elzakker, aan wie ik dus mooie herinneringen heb, hier een gedicht uit deze bundel getiteld ‘Snijbonen’ (uit haar dadaïstische verzen). In 2014 plaatste ik al eerder drie gedichten uit deze bundel zoals https://woutervanheiningen.wordpress.com/2014/07/20/kuttje-compleet/

.

Snijbonen*

(een zomervers uit de bundel Conserven)

.

Boontje, loontje, o, gewoontje dacht je

maar niet heus

Hebben wij niet winterkeus?

.

‘k Lach om de seizoenen

gewapend met een blikopening

Roetsj! Plens plens!

Mens… Even opwarmen en

verorberen maar!

Zie daar!

.

Damasten tafelkleden kliedervol

Liederlijk, fijn gesneden

Maat houden, lieveling

Begrijpt gij er iets van?

Nee, dit niet!

.

En sluit ik af dit vers

met vers gesoldeerde deksel

op vertind stalen koker

Kom maar op! Tandenstoker!

.

* Het gedicht ‘Snijbonen’ uit de bundel Conserven is een licht dadaïstisch vers, want daar wist grootmoe ook wel raad mee. Uit 1934. de ondertitel luidt: Een zomervers, en hoe wij dat nu precies moeten duiden, dat blijkt in de loop van het vers, want op het eerste gezicht zal men zeggen: Hoe nu? snijbonen uit blik? – want daar komt het tenslotte op neer- ‘is dat nu wel zo zomers? Is de zomer nu juist niet de tijd van volop verse groenten? Nu moet men niet vergeten dat juist in die tegendraadsheid in het onderhavige vers – ik heb het nog steeds over: ‘Snijbonen”- een zomervers- uit de bundel Conserven, de grote kracht, poëtische zeggingskracht, zeg maar, dat eigenlijk het totale oeuvre van mijn grootmoeder zo kenmerkend eh… kenmerkt. met andere woorden: Juist die ongerijmdheid, om het in poëtische termen te zeggen, zorgt voor de overdracht van een zeker gevoel van onbestemdheid, waar mijn grootmoeder zo in uitblonk, maar evenzeer onder gebukt ging.

.

.

 

Alle letters tellen

Beginletter Pangramkwintijn

.

Elke keer verbaas ik me weer over de hoeveelheid versvormen die er zijn en over de vindingrijkheid van mensen die nieuwe versvormen bedenken. Een van die mensen is Frits Criens. In 2016 bedacht hij de ‘Beginletter Pangramkwintrijn’ en publiceerde deze op http://www.hetvrijevers.nl/, de website voor light verse, vaste vormen, nonsenspoëzie, humorpoëzie en plezierdichten met nieuws en teksten van en voor professionals en liefhebbers.

Een pangram (Grieks: pan gramma, “alle letters”) of holo-alfabetische zin is een zin waarin alle letters van het alfabet voorkomen. De bekendste is misschien wel: The quick brown fox jumps over the lazy dog. Volgens Wikipedia bevat een volmaakt pangram elke letter (uit het alfabet) slechts eenmaal. De uitdaging is om een zo kort mogelijke zin te maken die aan deze voorwaarde voldoet. Frits Criens voegt hier aan toe, dat voor deze vorm sprake dient te zijn van een perfect beginletter-pangram waarbij de beginletters in alfabetische volgorde staan. Aan deze eis zijn de de elementen metrum en rijm toegevoegd.

Een Beginletter pangramkwintijn bestaat uit: 5 regels, rijmschema abaab en heeft als metrum 6 jamben maar een ander metrum is ook mogelijk afhankelijk van de woorden die bedacht worden (wat op zichzelf al best moeilijk is).

Hier een voorbeeld van Frits Criens zelf:

Als Bernadine, constant dwarsig, explodeert

– Flink geile heks in jeugdig kekke lingerie –

Met nichterige ophef pinnig querelleert,

Rechtstandig saluerend tweemaal urineert,

Verzucht Winet: X-benig yonidiertje… zie!

.

Onzijn / Elftal

Versvorm

.

Drs. P. ( 1919 – 2015) was in zijn eentje goed voor heel veel verschillende versvormen die hij in zijn lange leven heeft geïntroduceerd in het Nederlandse literaire landschap. In 1983 kwam hij met de versvorm Onzijn of Elftal. Deze versvorm bestaat uit 3 maal 3 plus 2 regels, het rijmschema is abc bcd cda ee en het metrum is een pentameter (een versregel die bestaat uit vijf versvoeten) maar zoals je in het gedicht hieronder leest is dit een uitgangspunt waaraan ook Drs. P. zich niet altijd even streng hield. De titel van deze versvorm verwijst naar de inhoud en het aantal regels.

.

“Let op, ik zend een bode voor je uit.

Hij zal een weg door de woestijn je banen.

‘Maak nu de paden voor de Heer gereed’”.

.

Jesaia schreef dit om het volk te manen.

Johannes was er klaar voor, slechts gekleed

In camelhaar. Hij at woestijnsprinkhanen

.

En zei: “Wie na mij komt, die staat gereed

Voor negers, blanken en ook indianen.

Hij is de bruidegom. God is de bruid!”

.

Ik doop u vast met water, onbevreesd,

Maar hij doopt u temet met Heil’ge Geest!”

.

Helix

Versvorm

.

Op Google is veel moois te vinden. Zo ook vele versvormen. Een versvorm die ik nog niet kende is de Helix. Deze vorm werd in 2002 door Soolseas bedacht. Wie of wat Soolseas is dat verteld het verhaal niet en ik ben er ook niet achter gekomen maar de vorm is alleraardigst.

Een Helix bestaat uit een aantal strofen van steeds 4 regels, waarbij de eerste drie regels steeds twee anapesten bevat (een anapest is een versvoet die bestaat uit twee onbeklemtoonde lettergrepen gevolgd door een beklemtoonde) en de vierde regel twee trocheeën (een trochee is een combinatie van een beklemtoonde en daarna een onbeklemtoonde lettergreep). Het rijmschema is aaab, cccb, dddb, etc. De eerste drie regels rijmen, de vierde regel rijmt steeds op elke andere vierde regel.

.

Sprookje   

.         

In de buurt van de stad

Zit een lelijke pad

Voor zijn huis op de mat

Stil te zonnen.

 

Hij denkt terug aan de tijd,

Was zijn schoonheid niet kwijt,

Vriendschap deeld’hij bereid

Met baronnen.

 

Tja, als prins geef je raad,

Elke dag goede daad.

Leven is als een draad

Goed gesponnen.

 

Maar die heks was niet niks,

Hij vergiste zich fiks:

Nu zit hij in de Styx.

Wat begonnen?

 

Op een meisje gewacht?

Die hem kust op zijn vacht,

Want zij  heeft vaak een macht

Onontgonnen.

 

Wordt hij dan weer een prins,

Soms wat zoet, soms wat rins?

Hij geeft zich nog geenszins

Gewonnen!   

.

Rubliw

Versvorm

.

De Rubliw (Wilbur achterstevoren) is een kleine, speelse versvorm, bedacht door de Engelsman Richard Wilbur. De naam is echter afkomstig van Lewis Turco. Het is een negenregelig, jambisch vers: achtereenvolgens monometer,dimeter, trimeter, tetrameter en dan pentameter. Daarna gaat het weer terug via tetrameter, trimeter, dimeter naar monometer.
De vorm wordt gewoonlijk gebruikt als een bericht aan iemand, of aan een groep.

Twee voorbeelden in het Engels (in het Nederlands heb ik er geen kunnen vinden maar ik hou me aanbevolen!) van Richard Wilbur en van Lewis Turco.

.

Rubliw for Lewis

Dear Lew
All hail to you,
Old formalist, who through
Your Book of Forms inform the new.
If you can name this bloody form, please do,
before it disappears from view,
For you’re the one man who
Might manage to.
Adieu.


Rubliw for Richard 

Dear Dick,
It’s quite a trick
To name the form poetic
You sent Sam Gwynn who, in the nick
Of time, included it in his panegyric
Celebrating my arthritic
Remove from the academic,
But rubliw’s a quick
Kick.

 

Van Inge Boulonois heb ik een Rubliw gekregen (waarvoor mijn grote dank) die ik hier graag met jullie deel:

.

Rijmpraktijk

.

Ik lijd

van tijd tot tijd,

het rijm vormt dan een strijd

waarbij ik driftig nagelbijt.

Maar als zich eindelijk na taaie vlijt

een gave rubliw heeft bevrijd,

rest er één zekerheid:

zo’n wapenfeit

verblijdt!

.

‘T nicotiaansche kruid

Bilderdijk

.

Velen zullen de naam van Willem Bilderdijk kennen maar maar weinigen zullen zijn werk kennen. Bilderdijk (1756 – 1831) was geschiedkundige, taalkundige, dichter en advocaat.  In 1776 bekroonde het Leidse dichtgenootschap ‘Kunst wordt door Arbeid Verkreegen’ zijn vers over de Invloed van de dichtkunst op het staetsbestuur met de gouden medaille. Zijn ambitie om zich geheel aan de dichtkunst te wijden, werd door zijn strenge vader, die arts was en later belastinginspecteur, niet gesteund. In hetzelfde jaar begon hij met tegenzin als boekhouder op het kantoor van zijn vader te werken. In 1780 kon hij, inmiddels bekend als dichter en in contact met Rhijnvis Feith, beginnen aan zijn studie rechten te Leiden. Twee jaar later rondde hij deze studie af en vestigde hij zich als advocaat te Den Haag. In 1781 zag zijn bundel met licht erotische verzen, ‘Mijn Verlustiging, met de door hem zelf geëtste vignetten, het licht.

In 1981 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker een bloemlezing uit zijn gedichten getiteld ‘Ik reikhals naar het graf’ samengesteld door Peter van Zonneveld. In deze bundel korte en langere stukken, fragmenten en gedichten.  Toen ik de bundel doorlas bleef ik hangen bij ‘T nicotiaansche kruid. In dit lange gedicht gaat Bilderdijk tekeer tegen de slechte invloed en het ‘vergift voor borst en ingewand’ de tabak. Misschien moet Bénédicte Ficq Bilderdijk als boegbeeld nemen in haar strijd tegen de tabaksindustrie.

Hier een fragment uit dit lange gedicht. De hele tekst is digitaal terug te lezen op http://www.dbnl.org/tekst/bild002dich08_01/bild002dich08_01_0023.php

.

‘T nicotiaansche kruid

.

Weg met dat stinkend stof! weg met die vuile dampen,
De lucht en ’t heldre licht van tafeltoorts en lampen
Verduistrend, d’ ademtocht verstikkend, en vergift
Voor borst en ingewand! Wat razerny van drift
Kon zoo het menschenras van zelfbesef berooven,
Om dus zich ’t leven in den boezem uit te doven?
En, Hemel, alles is aan deze dolheid vast,
En gaat op prikklingstank en walgingrook te gast!
Euroop, wat zijt ge dwaas! – Van waar toch dit gelusten
Naar ’t onkruid, naar ’t vergif van Oost- en Westerkusten?
Is ’t wonder, daar ge alom en ziekte en gift vergaârt,
Dat lichaamsplaag aan plaag ’t verzwakt gestel bezwaart?
Ja, ‘k gun u, specery der geurige Molukken,
‘k Vergun u, wierook, myrrhe uit Yemensgaard te plukken,
Verkwikkend, mits met maat genoten. – Maar venijn -?
Uw grond brengt giften voort, indien ze u noodig zijn.
’t Ontbreekt aan maankop niet of holle kervelstelen,
Indien ze noodig zijn om eenig kwaad te heelen;
Maar zeldzaam, zeldzaam ja, en minder dan men ’t denkt,
Is ’t heilzaam, wat uit d’ aart het menschlijk lichaam krenkt.
.
%d bloggers liken dit: