Site-archief

Het bloed bruist

Peter Goossens

.

De uit Dendermonde afkomstige dichter en kunstschilder Peter Goossens (1957) debuteerde in 2015 met de bundel ‘Madrigalen van strijd en liefde’. In 2017 volgde de bundel ‘Als’ en in 2020 de bundel ‘Laisser-allez’. Ik ken Peter van een optreden bij Ongehoord! en van zijn eerdere bundels Als en Banalitiet van de liefde. Nu heeft Peter opnieuw een dichtbundel gepubliceerd  met de titel ‘Het bloed bruist’.

Op het eerste gezicht is dit opnieuw een bundel waar zorg aan is besteed, mooie vormgeving, met een omslag aan de binnenzijde met een goede foto van Peter en mooi stevig papier. Er is geen opdruk op de rug, wat het terugvinden van de bundel bemoeilijkt in een boekenkast. Sla ik de bundel open dan valt me, helaas opnieuw, op dat alle gedichten gecentreerd in de bundel zijn opgenomen en dat de gedichten erg hoog op de pagina beginnen. Ik vind gecentreerde gedichten niet mooi en storend bij het lezen. Ik zie het vaker, vrijwel altijd bij in eigen beheer uitgegeven bundels maar ook uitgeverij Heimdall maakt zich er dus schuldig aan. Voor mij, en dit is mijn particuliere mening, ogen gecentreerde gedichten in een bundel niet professioneel.

Maar genoeg over de vorm, laten we naar de inhoud gaan. Tegenwoordig is het bij veel jonge (en dan vooral vrouwelijke) dichters populair om in hun poëzie een verhaaltje te vertellen. Zo’n verhaaltje hoeft geen urgentie te hebben, het kan overal over gaan (wat meestal het geval is) en dan wordt er taal- en spelenderwijs een draai aan gegeven. Bij Peter is dit geenzins het geval. De poëzie van Peter is rauw, cynisch soms en direct. Uit de gedichten spreekt een zekere teleurstelling en kritiek op de wereld om hem heen.

In zijn poëzie worden ook verhalen verteld maar op een meer prozaïsche manier, het poëtische van de taal is ondergeschikt in zijn poëzie. De lezer wordt ook regelmatig direct aangesproken; (tussen) zinnen als ‘Wat zal het’, ‘Je weet wel’, ‘U weet wel’ en ‘Maar laten we het even anders uitdrukken’ geven aan dat hier gesproken wordt met de lezer. Er is in de hele bundel een bepaalde urgentie om de lezer deelgenoot te maken, aan te spreken, te waarschuwen ook. Alsof je naast hem zit en hij tijdens een voordracht naar jouw kant opkijkt en het tegen je zegt.

De lange gedichten gaan over het leven, de dood, de maatschappij, de politiek, nachtelijke seksuele escapades en zijn soms heel expliciet (zoals in het gedicht ‘Ssssssst …’) zonder echt banaal te worden. Zoals de uitgever schrijft: “De bundel is een meer filosofische benadering over maatschappij en mens, over eenzaamheid en hoe in lelijkheid ook schoonheid zit. Er worden geen onderwerpen uit de weg gegaan.”.

Sommige keuzes begrijp ik niet helemaal, zoals het gebruik van Duitse zinnen in het gedicht ‘Der Tod ist ein Monolog’ maar de gedichten zitten vol gedachten en meningen en zijn daardoor, ondanks dat er poëtisch taal-technisch wat weinig te genieten valt, zeker de moeite waard van het lezen. Maar uitgesproken komen deze gedichten nog meer tot zijn recht. Een aantal gedichten heb ik tijdens een voordracht van Peter mogen beluisteren bij ‘De Groene Fee’ in Breda afgelopen jaar, en dan komt de poëzie van Peter pas echt tot zijn recht.

Voor mij is het op één na laatste gedicht in de bundel ‘Handen’ het meest veelzeggend over Peter de inhoud van de bundel, daarom hier dit gedicht maar dan niet gecentreerd.

.

Handen

.

Ooit waren mijn handen nog jong

onbezoedeld.

Ze streelden over lichamen

en maagdelijk witte bladen.

Ze streelden de wind

verdreven de bitterste schimmen.

Ze streelden zichzelf.

.

Het waren net keurige bloemblaadjes

verkenden de bedding

lieten ogen tranen.

Ze boden herinneringen

vervaagden stoffige spinnenwebben.

.

Op een dag werden we wakker

en leken het vreemdelingen.

Ze zagen er bezoedeld uit

rimpelig, ruw, aangeslagen, gekloofd.

.

Het zijn portretten

en ze redden zich.

Beter nog

het zijn gezegende handen.

.

Eerste gedicht

Chrétien Breukers

.

Ik lees het boek ‘Over het eerste gedicht: over het lezen van poëzie’ van Chrétien Breukers. Ik zag het boek bij de nieuwe boeken in de poëziecollectie liggen en werd vooral door de titel getrokken. Welk eerste gedicht? Dat blijken eerste gedichten te zijn uit 36 bundels van verschillende dichters.

Voordat Breukers zijn zeer lezenswaardige besprekingen van eerste gedichten begint beschrijft hij in 9 pagina’s zijn ideeën over de hedendaagse poëzie. Zeer vermakelijk want Breukers heeft een nogal uitgesproken visie op de poëzie in Nederland. Zo merkt hij op dat de verkoop van poëziebundels in Nederland (en België) de laatste 20 jaar is ingezakt en dat er steeds minder poëzie wordt gelezen. Er is volgens hem een verschuiving gaande van het lezen en doorleven van poëzie naar het ondergaan van poëzie (tijdens manifestaties e.d.). De mens van nu heeft geen tijd/zin/concentratie om poëzie op een goede manier tot zich te nemen. De poëzie heeft zijn urgentie verloren, het is verworden tot een poëzie Teletubbieland met hartverscheurend saaie toestanden.

Daarnaast vindt hij dat Gedichtendag, Gedichtenweek en de Dichter des Vaderlands terstond moeten worden afgeschaft of tenminste 5 jaar moeten verdwijnen. Gedichtendag en Gedichtenweek zorgen ervoor dat er op één moment in het jaar een overdaad aan aandacht is voor poëzie en de Dichter des Vaderlands is een vredig en gezellig instituut geworden

Volgens Breukers is de poëzie haar fundament kwijt. Heel boeiend om te lezen allemaal. Deels ben ik het wel met Breukers eens maar of zijn oplossing de redding van de poëzie in Nederland gaat worden, ik vraag het me af. Wat ik zelf merk is dat de poëzie de laatste jaren steeds meer aanwezig is. Juist door de Gedichtenweek, de Dichter des Vaderlands maar ook vooral door de podia her en der in het land, de stichtingen die zich met literaire activiteiten bezig houden, de dichterskringen, de dichtersgroepen en de vele (vaak amateur) dichters die ervoor kiezen om hun werk in eigen beheer uit te geven.

Ik ben niet van de school die vindt dat poëzie er is om een verschil te maken. Poëzie mag ook genoten worden om haar schoonheid, als troost, als motivatie. Poëzie gaat de wereld niet veranderen, ze kan er (op onderdelen) hooguit een bijdrage aan leveren. Dichters (semi-professioneel, professioneel en amateur) geven het leven van zeer veel mensen kleur. Een aantal dichters zal door de aard van hun poëzie vallen binnen de groep waarvan Breukers vindt dat zij een verschil maken en een hele grote groep zal hierbuiten vallen. Desalniettemin heb ik de inleiding met zeer veel plezier gelezen.

De manier waarop Breukers vervolgens de verschillende eerste gedichten behandeld zijn ook zeer lezenswaardig. Vaak geeft hij een bijzondere kijk op de gedichten en een enkele keer geeft hij ook eerlijk aan dat hij ook niet weet waar een gedicht precies over gaat. En zo vergaat het de lezer van poëzie ook, de ene keer begrijp je een gedicht volledig en de andere keer niet maar kun je toch genieten van dat gedicht om taalgebruik, vorm of iets anders. Een boek om te lezen kortom. Van de behandelde eerste gedichten hieronder het gedicht ‘Tsjechov’ van Erik Bindervoet.

.

Tsjechov

.

De Russische toneelschrijver Tsjechov

Woonde in Baltimore

Met een emoe die kon apporteren.

Zelf gaf hij een cursus,

Laatste hulp bij zelfdoding.

Toen ik dit bedacht zag ik

Acht flamingo’s boven de Ceintuurbaan,

Maar niemand geloofde me

En ik wilde bloemen.

.

Uit: Het spook van de vrijheid, 2010

 

 

over het eerste

 

het-spook-van-de-vrijheid---erik-bindervoet[0]

 

%d bloggers liken dit: