Site-archief

Listen Mr. Oxford Don

John Agard

.

De afgelopen weken kijk ik graag naar Tom’s Engeland op de NPO. Tom Egbers reist in dit programma door het land waar zijn moeder is geboren op zoek naar naar het Engeland van zijn jeugd (waar hij jaarlijks kwam) naar het hoe en waarom van de Brexit en vraagt hij zich af of hij Engeland wel echt kent.

In een van de afleveringen spreekt hij met John Agard (1949), een in Brits Guyana geboren dichter, kinderboekenschrijver en toneelschrijver die in de late jaren ’70 naar Engeland verhuisde met zijn partner Grace Nichols, die ook dichter is. Vanaf zijn 16e schrijft Agard poëzie en wordt hij geprezen voor zijn onderhoudende performance. Zijn bekendste gedicht is ‘Half-Caste’ waarin hij raciale omgangsvormen becommentarieert. Dit gedicht staat in Engelse scholen op de literatuurlijst voor het examen. Agard kreeg de Paul Hamlyn Award for `Poetry in 1997, de Cholmondeley Award in 2004 en de Queens Gold Medal for Poetry in 2012.

Agard gebruikt vaak zijn Caribische achtergrond en manier van spreken in zijn poëzie en performances. Dit geeft zijn gedichten iets extra’s en een stem aan zijn achtergrond. In Tom’s Engeland draagt Agard het gedicht ‘Listen Mr. Oxford Don’ voor en omdat ik zowel het gedicht als zijn voordracht prachtig vind deel ik het hier met jullie. Dit gedicht gaat over de taal, etniciteit en immigratie en Agard stelt dit aan de kaak op een subversieve en grappige manier.

.

Listen Mr. Oxford Don

.

Me not no Oxford don
me a simple immigrant
from Clapham Common
I didn’t graduate
I immigrate
.
But listen Mr Oxford don
I’m a man on de run
and a man on de run
is a dangerous one
.
I ent have no gun
I ent have no knife
but mugging de Queen’s English
is the story of my life
.
I dont need no axe
to split up yu syntax
I dont need no hammer
to mash up yu grammar
.
I warning you Mr Oxford don
I’m a wanted man
and a wanted man
is a dangerous one
.
Dem accuse me of assault
on de Oxford dictionary
imagine a concise peaceful man like me
dem want me serve time
.
for inciting rhyme to riot
but I rekking it quiet
down here in Clapham Common
.
I’m not a violent man Mr Oxford don
I only armed wit mih human breath
but human breath
is a dangerous weapon
.
So mek dem send one big word after me
I ent serving no jail sentence
I slashing suffix in self defence
I bashing future wit present tense
and if necessary
.
I making de Queen’s English accessory to my offence

.

Nicht Nancy

T.S. Eliot

.

Thomas Stearns Eliot (1888 – 1965) was een Amerikaans-Brits dichter, toneelschrijver, cultuurfilosoof en literatuurcriticus. Hij was een van de belangrijkste figuren uit de wereld van de literatuur van de 20e eeuw, een van de grootste vernieuwers van de poëzie, en kreeg in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur. In 1983 verscheen bij uitgeverij Ambo de bundel ‘T.S. Eliot / Gedichten’ een keuze uit zijn poëzie in de Engelse tekst, vertalingen en commentaren samengesteld door W. Bronzwaer met medewerking van Kees Fens en Johan Kuin.

Een doorwrocht werk over de poëzie van T.S. Eliot door W.J.M. Bronzwaer, hoogleraar algemene literatuurwetenschap in Nijmegen. En ondanks de uitgebreide teksten en verklaringen van Eliot’s werk is dit boek ook zeker de moeite waard voor de wat minder wetenschappelijk geschoolde lezer want in deze bundel staan nagenoeg alle gedichten van T.S. Eliot die in het Nederlands vertaald zijn steeds samen met de oorspronkelijke tekst in het Engels. De vertalingen voor deze bundel werden verzorgd door een aantal vertalers waaronder Bert Voeten die het gedicht ‘Cousin Nancy’ vertaalde.

In ‘Cousin Nancy’ is Nancy de vertegenwoordigster van de geëmancipeerde vrouw, jong, mondain, sportief, oppervlakkig, rebellerend tegen de tradities van haar familie en haar culturele milieu, destructief, kortom een type dat zo uit de verhalen van Scott Fitzgerald gestapt zou kunnen zijn.

.

Cousin Nancy

.

Miss Nancy Ellicott
Strode across the hills and broke them,
Rode across the hills and broke them —
The barren New England hills —
Riding to hounds
Over the cow-pasture.
.
Miss Nancy Ellicott smoked
And danced all the modern dances;
And her aunts were not quite sure how they felt about it,
But they knew that it was modern.
.
Upon the glazen shelves kept watch
Matthew and Waldo, guardians of the faith,
The army of unalterable law.
.
.
Nicht Nancy
.
Miss Nancy Ellicott
Schreed de heuvels over en bedwong ze,
Reed de heuvels over en bedwong ze –
De dorre Nieuw Engeland-heuvels –
Op vossejacht
Over de koeiewei.
.
Miss Nancy rookte en danste
Al de moderne dansen;
En haar tantes wisten niet goed wat ervan te denken,
Maar zij wisten dat het modern was.
.
Op de glanzende boekenplank hielden
Matthew en Waldo de wacht,
Geloofsbeschermers, het leger,
Van de onwrikbare wet.
.

Eerst de hond

Dubbel-gedicht

.

Als er een thema is waarover veel gedichten zijn gemaakt (naast de dood en de liefde) dan is het wel het dier. En van alle dieren zijn er denk ik het meeste gedichten over katten, gevolgd door gedichten over honden. Voor het dubbelgedicht koos ik voor de laatste vooral omdat de twee gedichten die ik koos zo totaal verschillend zijn.

Het eerste gedicht is van Kees Stip (1913 – 2001). Onder het pseudoniem Trijntje Fop publiceerde hij vele nonsensversjes. In de bundel ‘De peperbek en andere beesten’ dat werd gepubliceerd onder zijn officiële naam C. Stip uit 1967 staan allerlei gedichten over dieren waaronder het gedicht ‘op een tekkel’.

Het tweede gedicht is van de Poolse dichter, toneelschrijver en essayist Zbigniew Herbert (1924 – 1998). Het gedicht ‘Eerst de hond’ komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999 en werd vertaald door Gerard Rasch. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is klassiek in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de trouw der dingen. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.

.

op een tekkel

.

Een tekkel volgde trouw te Dordt

een man met een reclamebord

waarop stond: PIETERS’PILLEN ZIJN

GEWELDIG TEGEN ZENUWPIJN.

het beest sprak enigszins verlegen:

‘Daar ben ik ook geweldig tegen.’

.

Eerst de hond

.

De hond zal dus als eerste gaan

daarna het varken of de ezel

in wart gras treden ze een paadje uit

en daarover schiet de eerste mens

die met ijzeren hand de druppel angst

verstikt die op zijn glazen voorhoofd zweet

.

als eerste dus de hond een brave hond

die nooit van ons is weggelopen

van een bot aardse lantaarns droomt

in zijn wervelende hok in slaap valt

zijn arme bloed raakt aan de kook verdampt

.

daarna gaan wij met een andere hond

die ons aan de lijn zal voeren

met onze witte astronautenstok

stoten wij onhandig sterren aan

niets zien we en niets horen we

we beuken op de donkere ether

en op alle golven klinkt gejank

.

al wat je mee op reis kunt nemen

door het koudvuur van de zwarte wereld –

de naam van mens de geur van appel

een noot van klank een kwart van kleur

.

heb je nodig voor de terugreis

voor het vinden van de snelste weg

wanneer de blinde hond je leidt

naar de aarde blaft als naar de maan

.

Bukowski en King

Omdat het kan

.

Zo nu en dan heb ik zin om gewoon een gedicht te plaatsen zonder verdere aanwijsbare reden. Zo’n gedicht is, valt me op, vaak van Charles Bukowski, een van mijn favoriete Amerikaanse dichters. Dit gedicht ‘The shower’  Komt ook voor in de documentaire ‘Born into this’ uit 2003 van regisseur John Dullahan. In die documentaire voegt hij de naam Linda toe in het gedicht tijdens een voordracht.

Het betreft hier Linda King, beeldhouwer, toneelschrijver en dichter waarmee Bukowski in het begin van de jaren ‘70 een jarenlange relatie mee had.

.

The shower

.

we like to shower afterwards
(I like the water hotter than she)
and her face is always soft and peaceful
and she’ll watch me first
spread the soap over my balls
lift the balls
squeeze them,
then wash the cock:
“hey, this thing is still hard!”
then get all the hair down there,-
the belly, the back, the neck, the legs,
I grin grin grin,
and then I wash her. . .
first the cunt, I
stand behind her, my cock in the cheeks of her ass
I gently soap up the cunt hairs,
wash there with a soothing motion,
I linger perhaps longer than necessary,
then I get the backs of the legs, the ass,
the back, the neck, I turn her, kiss her,
soap up the breasts, get them and the belly, the neck,
the fronts of the legs, the ankles, the feet,
and then the cunt, once more, for luck. . .
another kiss, and she gets out first,
toweling, sometimes singing while I stay in
turn the water on hotter
feeling the good times of love’s miracle
I then get out. . .
it is usually mid-afternoon and quiet,
and getting dressed we talk about what else
there might be to do,
but being together solves most of it
for as long as those things stay solved
in the history of women and
man, it’s different for each-
for me, it’s splendid enough to remember
past the memories of pain and defeat and unhappiness:
when you take it away
do it slowly and easily
make it as if I were dying in my sleep instead of in
my life, amen.

Partir c’est mourir un peu

Edmond Haraucourt

.

Iedereen kent de uitdrukking ‘Partir c’est mourir un peu’ of in goed Nederlands ‘Weggaan is een beetje sterven’. Wat ik me nooit had gerealiseerd was dat deze uitdrukking uit een gedicht komt. Uit het gedicht ‘Rondel de l’adieu’ van de Franse dichter Edmond Haraucourt (1856 – 1941). Edmond Haraucourt was naast dichter ook schrijver, componist, journalist, toneelschrijver en curator van de Franse musea.

‘Rondel de l’adieu werd voor het eerst gepubliceerd in Seoel in 1890. Francesco Paolo Tosti maakte er in 1902 een lied van. Ton Oosterhuis tekende voor de Nederlandse vertaling die verscheen in ‘3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten’ uit 2005.

.

Rondeel van het afscheid

.

Weggaan is een beetje sterven,

sterven aan wat men bemint.

Je laat iets na van wat je vindt,

altijd weer, op alle erven.

.

Spijt zal steeds een eed bederven,

een vers verwaaiend in de wind;

weggaan is een beetje sterven.

.

En men gaat; het lijkt wel zwerven.

Tot het afscheid echt begint

kunnen vrienden, vrouw en kind

van elk afscheid iets verwerven.

Weggaan is een beetje sterven…

.

Rondel de l’adieu

.

Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime :
On laisse un peu de soi-même
En toute heure et dans tout lieu.
.
C’est toujours le deuil d’un vœu,
Le dernier vers d’un poème ;
Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime.
.
Et l’on part, et c’est un jeu,
Et jusqu’à l’adieu suprême
C’est son âme que l’on sème,
Que l’on sème à chaque adieu :
Partir, c’est mourir un peu…

.

Daarna

Robert Browning

.

Soms kom je een dichtbundeltje tegen waarvan je op het eerste gezicht denk dat het niet veel is. Als zo’n bundeltje dan een mooie suède kaft heeft met een fraai ingedrukt ornament met opliggende letters dan word ik al nieuwsgieriger. Blijkbaar was het destijds (je ziet meteen dat het een oud bundeltje is) de moeite waard om de bundel van een mooi vormgegeven en van duurder materiaal gemaakt kaft te geven. Precies dat gebeurde me ergens in Engeland.

Toen ik de bundel opende kwam de binnenzijde ook nog eens met een aquarel van een heel Engels landschap en de achterflap met een aquarel van een zeegezicht. Op de volgende bladzijde met kroontjespen geschreven: D.M.S.S. – Christmas Competitions 1912, Muriel Fell. VIa Prize. Blijkbaar was dit bundeltje een zesde prijs bij een kerst wedstrijd.  ( DMSS betekent dat het een secundairy school is, voortgezet onderwijs dus en VIa slaat op haar klas, met dank aan Jaap). De gedichten in deze bundel zijn van de beroemde dichter Robert Browning.

Browning (1812 – 1889) was een Engels dichter en toneelschrijver. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijke schrijvers uit het victoriaanse tijdperk (dat duurde van 1937 tot 1901 en een tijdperk van grote voorspoed was in Groot-Brittannië). Browning was getrouwd met de dichteres Elizabeth Barrett die lange tijd belangrijker en bekender was dan Browning. Na haar overlijden kwam er meer erkenning en waardering voor zijn werk.

Uit de bundel ‘Poems of R. Browning’ koos ik voor het gedicht ‘After’ dat volgens Reverand Edward Frederick Hoernlé (rector of st. James die de selectie en de uitleg deed bij de gedichten in deze bundel) vooral gaat over het vinden van de waarheid. Want in ‘After’ vind de hoofdpersoon zich niet geconfronteerd met passie (zoals in het ander gedicht dat bij ‘After’ hoort en ‘Before’ als titel heeft) maar met de feiten.

.

After

.

Take the cloak from his face, and at first
Let the corpse do its worst!

How he lies in his rights of a man!
Death has done all death can.
And, absorbed in the new life he leads,
He recks not, he heeds
Nor his wrong nor my vengeance; both strike
On his senses alike,
And are lost in the solemn and strange
Surprise of the change.
Ha, what avails death to erase
His offence, my disgrace?
I would we were boys as of old
In the field, by the fold:
His outrage, God’s patience, man’s scorn
Were so easily borne!

I stand here now, he lies in his place:
Cover the face!

.

Om buiten te zingen

Hugo von Hofmannsthal

.

De Oostenrijkse dichter Hugo von Hofmannsthal (1874 – 1929) kende ik niet (ik ken eigenlijk geen Oostenrijkse dichters behalve Erich Fried en Ernst Jandl) maar toen ik in de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen tegen kwam was ik aangenaam verrast. Het simpele feit dat Paul Claes deze dichter met een gedicht heeft opgenomen zegt wel iets. In ‘De liefste’ zijn de allergrootsten van de wereldliteratuur vertegenwoordigd.

Hugo von Hofmannsthal was een laatromantisch dichter en toneelschrijver. Al moet gezegd dat hij eigenlijk vooral een toneelschrijver was. Deze eenvoudige omschrijving doet hem echter te kort. Hugo von Hofmannsthal was bijzonder productief; vele van zijn plannen zijn evenwel onafgewerkt gebleven. Hij gaf naast vele toneelwerken ook meerdere verzamelbanden met redevoeringen en verhandelingen uit. In de jaren twintig gaf hij lezingen over de kunst en het cultuurleven: hij aardde niet in de modernistische, formele kunststromingen zoals het dadaïsme en verlangde naar een meer conservatieve kunst, waarin de mens zijn geest ontwikkelt en door middel van de kunst tot wijsheid komt.

Ondanks zijn hang naar een meer conservatieve kunst, blijkt uit het gedicht dat is opgenomen in ‘de liefste’ een moderne en vrije geest.

.

Om buiten te zingen

.

De liefste sprak: ‘Ik weerhoud je niet,

Je hebt me niets gezworen.

Men moet de mensen niet weerhouden,

Ze zijn niet tot trouw geboren.

.

Kies je eigen weg, mijn vriend,

Bewonder land na land,

En rust in vele bedden uit.

Neem vele vrouwen bij de hand.

.

En als de wijn te zuur is,

Drink dan malvezij,

En als mijn mond je zoeter is,

Kom dan terug naar mij!’

.

Im Gruenen zu singen

.

Die Liebste sprach: ‘Ich halt dich nicht,

Du hast mir nichts geschworn.

Die Menschen soll man halten nicht,

Sind nicht zur Treu geborn.

.

Zieh deine Strassen hin, mein Freund,

Beschau dir Land um Land,

In vielen Betten ruh dich aus,

Viel frauen nimm bei der Hand.

.

Wo dir der Wein zu sauer ist,

Da trink du Malvasier,

Und wenn mein mund dir süsser ist,

So komm nur wieder zu mir!.

.

Berijmd verzet

W.A. Wagener

.

De Rotterdamse Willem Adriaan Wagener (1901 – 1968) was kunstcriticus, schrijver, kunstredacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en toneelregisseur. Daarnaast schreef hij ook gedichten. In de Poëzieweek deel ik gedichten over het thema ‘Vrijheid’ en in de bundel ‘Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad’ staan gedichten uit de jaren 1933 – 1945. Jaren waarin verzetspoëzie vaak het verlangen naar vrijheid uitdrukte, het verzet tegen de bezetter en de hoop dat men eens weer in vrijheid leven kon.

W.A. Wagener schreef verzetspoëzie tijdens de bezetting onder het pseudoniem Willem van Schieland in de clandestien uitgegeven bundel ‘Verkort front’ uit 1944 en uitgegeven in ‘s-Gravenhage. Daarmee was zijn rol als dichter gespeeld. Het zou bij deze éénmalige uitgave blijven. In de andere kunsten zou hij, na de oorlog een bekende naam worden in Rotterdam en daarbuiten.

.

Berijmd verzet

.

Vertreden volk, volhard niet in uw zwijgen,

Smeed uit uw fiere taal een bajonet

En wil daaraan, in naam van recht en wet

De leugenleer van de gehate rijgen.

.

Doorboor ’t bedrog, verscheur het duistre dreigen

En baan u, strijdend met berijmd verzet,

Met vlijmend puntdicht of gevijld sonnet,

De weg, die uit dit smartendal zal stijgen.

.

Een volk, dat slechts van zwijgen weet, en buigen,

Offert zich op ’t altaar van de tiran.

Vrijheid en recht verwerft een volk eerst dan

Wanneer ’t van vrijheidswil weet te getuigen.

.

Merk toch hoe sterk uw zelfbewustzijn wordt

Als ’t vrijheidslied zich in rijmen stort.

.

Babylon

Zbigniew Herbert

.

De Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924 – 1998) was behalve dichter ook toneelschrijver en essayist. Herbert verwerkte in zijn poëzie regelmatig ervaringen uit de oorlog of hij grijpt terug op de klassieke geschiedenis. Lijden, geweld, onderdrukking, verzet, de menselijke waardigheid en de noodzaak van de waarheid te getuigen zijn belangrijke thema’s in zijn werk. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is ‘klassiek’ in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de ‘trouw der dingen’. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.

T. van Deel schreef ooit in Trouw over het werk van Herbert: “Het is moeilijk over Herberts poëzie in analytische zin te schrijven. De ontroering en de zwiepers die zijn gedichten teweegbrengen, zijn slecht over te dragen. Het is de toon die hier de aangrijpende muziek maakt “. Zijn werk is in vrijwel alle Europese talen vertaald en is herhaaldelijk bekroond met belangrijke nationale en internationale literaire prijzen. Uit de bundel ‘Rapport uit een belegerde stad ; gedichten’ dat in 1994 door De Bezige Bij werd uitgegeven, het gedicht ‘Babylon’.

.

Babylon

.

Toen ik na jaren in Babylon terugkwam was alles veranderd

de meisjes die ik had bemind de nummers van de metrolijnen

ik wachtte bij de telefoon de sirenes zwegen hardnekkig

.

troost door de kunst dus – Petrus Christus’portret van een jonge

dame

werd steeds platter had zijn vleugels gevouwen voor de slaap

de lichten van de ondergang en van de stad naderden elkaar

,

het festival van de Apocalyps fakkels een valse Sibylle

vergaf de dronken menigten aanhangers van de overvloed

het vertrapte lichaam Gods werd meegesleurd in triomf en in stof

.

zo voltrekt zich het wereldeinde overladen Etruskische tafels

in wijnbevlekte hemden zich onbewust van hun lot vieren ze feest

tot slot komen de barbaren om de slagader door te snijden

.

ik heb je niet de dood toegewenst stad zeker niet zo’n dood

want met jou verzinken de zoete vruchten van de vrijheid

en alles moet beginnen bij de bittere kennis het gras

.

Het souper

Martinus Nijhoff

.

Op deze eerste kerstdag waarop er ongetwijfeld weer bij heel veel gezinnen en families uitgebreid gedineerd gaat worden, dacht ik dat het wel toepasselijk zou zijn om een gedicht over eten en eenzaamheid te plaatsen. Want juist op dagen als deze voelen mensen die vaak al eenzaam zijn, zich nog een tikkeltje meer eenzamer dan normaal. Ik wil iedereen dan ook een heel mooie kerst toewensen met de overweging om ook eens aan al die mensen te denken die het minder hebben, die misschien alleen zijn of weinig familie of vrienden hebben. En als het kan daar ook wat aandacht aan te besteden, door middel van een kaartje of een bezoekje.

Het gedicht dat ik hierbij heb uitgezocht is van de Haagse dichter, toneelschrijver, vertaler en essayist Martinus Nijhoff (1894 – 1953) die als taak van de poëzie zag om “iets menselijks te brengen in een ontmenselijkte, nieuwe, technologische wereld”, waarmee hij destijds zijn tijd al ver vooruit was.

.

Het souper

.

’t Werd stil aan tafel. ’t Was of wijn en brood

Werd neergeslagen uit den greep der handen.

De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden

En ’t raam sprong open door een donkren stoot.

.

Als water woelden in den nacht den landen

Onder het huis; wij voelden hoe een groot

Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de

Vaart van den tijd ons droegen naar den dood.

.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:

Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid

Dieper weerkaatst in de oogen van een ander –

.

Maar als de winden langs de daken huilen,

Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,

Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.

.

%d bloggers liken dit: