Site-archief

Mijn kind

Dubbel-gedicht

.

Dubbelgedichten (die gedichten die ik plaats onder deze noemer en categorie) hebben gemeen dat ze over een zelfde thema of onderwerp gaan. In het volgende geval heb ik echter gekozen voor het begin van de zin als gezamenlijkheid, of beter gezegd de eerste twee woorden: Mijn kind.

De gedichten komen van Hester Knibbe (1946) en Esther Jansma (1958). Het eerste gedicht van Hester Knibbe is getiteld ‘Demeter’ en komt uit de bundel ‘Oogsten’ uit 2016 en het tweede gedicht is van Esther Jansma en is zonder titel en komt uit de bundel ‘Altijd vandaag’ uit 1998.

.

Demeter

.

Mijn kind is zoek en telkens weer

terecht. Zij laat zich lokken naar

de duisternis, hoe vaak ik haar ook

zeg: geen god die te vertrouwen is. Ook ik

.

sliep met een god, doorbrak daarmee

het ouderlijk verbod, maar bleef met teen

en hakken op de grond: er moest een kind

gevoed, hout in de haard en

.

aren op de aarde. Mijn dochter is

geen kind meer maar een vrouw die ’s winters

niet in huis te houden is, hoe kouder

het hier wordt, hoe verder zij

.

zich van het vuur verwijdert. Maar

op het uur van dooi komt ze

terug en danst met vlugge voeten

zoete vruchten uit de aarde.

.

 *

.

Mijn kind is een rivierkei, een pauze

voortgeduwd – dat klotsend holle

van steen op steen – door water.

Tot nu. Hier neergelegd.

.

En water is de tijd natuurlijk,

zacht massief waaronder slijt

wat weerstand biedt, stil ligt.

.

Verdriet: een lange, lange val naar zee.

.

Sijo

Koreaanse versvorm

.

Ik heb op dit blog al vaak over allerlei verschillende vormen van verzen geschreven. de een met nog exotischer klinkende naam dan de ander. Van de Katja en de Pantoem tot de Fatras, de Helix en het elftal. Heel veel van deze voorbeelden komen van de website https://sites.google.com/site/versvormen .

En ik heb nu ook een Engelstalige variant op deze pagina gevonden met maar liefst 168 vormen van verzen, je kunt ze vinden op https://www.writersdigest.com/write-better-poetry/list-of-50-poetic-forms-for-poets  . Het aardige van deze pagina vind ik de internationale insteek, niet alleen de westerse versvormen maar juist ook versvormen uit Maleisië, Japan, Bangladesh, Vietnam en Iran.

Een bijzondere vorm is de Koreaanse Sijo. Geen eenvoudige versvorm want er liggen nogal wat regels aan deze vorm ten grondslag:

 

Het vers is 3 regels lang, met gemiddeld 14-16 lettergrepen per regel (voor een gedicht in totaal 44-46 lettergrepen). Dat betekent per regel het volgende aantal lettergrepen:

  • Regel 1: 3-4-4-4
  • Regel 2: 3-4-4-4
  • Regel 3: 3-5-4-3

Daarnaast zijn de volgende regels van toepassing:

Regel 1 introduceert de situatie of het thema van het gedicht.

Regel 2 ontwikkelt het thema met meer detail of een “verandering” in argument.

Regel 3 presenteert een “twist” en conclusie.

Maar er zijn nog een paar regels die in acht moeten worden genomen:

Sijo zijn bedoeld als liedjes, dus deze vorm is meer lyrisch.

Gedichten kunnen diepgaand, humoristisch, metafysisch en persoonlijk zijn.

Elke regel moet ergens in het midden een pauze (of pauze) hebben.

De eerste helft van de laatste regel maakt gebruik van een “twist” van betekenis, geluid of een ander poëtisch middel.

De Koreanen maken het zich niet gemakkelijk.

Op de website wordt een voorbeeld, in het Engels gegeven dat aan alle regels voldoet.

.

Orbit

.

I tell her we’re always alone, but she says we’re together
the same as the moon spins with the earth around the sun.
If they weren’t together, she tells me, we would not be alive.

Robert Lee Brewer

.

I Will Write a Poem Too

.

Up above the shimmering sea, Two or three seagulls are hovering.
Rolling, wheeling, they write a poem.  I do not know the alphabet they use.
On the broad expanse of sky,  I will write a poem too.

Yi Unsang (1903 – 1982)

.

Wiegelend hoofd

De liefde zingt in verzen

.

De Uilenreeks, een literaire boekenreeks uitgegeven tussen 1934 en 1947 door uitgeverij Bigot & Van Rossum bestaat uit 52 delen. Allemaal prachtig uitgegeven boekjes met de grafisch heel mooie omslagen (met in elkaar passende uiltjes zoals je ze van Escher zou verwachten). Veel van de deeltjes zijn samengesteld door C.J. Kelk en Halbo C. Kool.

Ik heb inmiddels verschillende delen in mijn bezit en daar zijn er pas weer een aantal aan toegevoegd. Bijvoorbeeld deel 43 met als titel ‘De liefde zingt in verzen’ uit 1941.

Uit deze bundel met liefdespoëzie voor ‘minnende harten’ koos ik voor een gedicht van de symbolistische dichter J. H. Leopold (1865 – 1925) getiteld ‘Wiegelend hoofd….’. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verzen’ uit 1920.

.

Wiegelend hoofd ….

.

Wiegelend Hoofd, zoet vrouwenhoofd,

een zuivere vrucht, een reinblank ooft,

.

zoo zal het liggen in de schalen

van mijne handen, de goudovalen,

.

dat mijne mond het proeve moge

het rustgezicht, rijp overtogen,

.

met de lippen, die zwellend openbreken,

de volzoete en met de neergestreken

.

koele oogleden en de teere âren

in de slapen, de holle als rozenblaren.

.

Tegen het krakende hek

Rutger Kopland

.

In de bundel ‘Ik heb de liefde lief’ de mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse en Vlaamse poëzie staan heel veel prachtige, ontnuchterende en romantische liefdesgedichten. Willem Wilmink, samenst4eller en inleider heeft destijds in 1993 goed werk verricht. Wat ik wel altijd jammer vind aan themabundels is dat ze zo tijdgebonden zijn. Natuurlijk heeft Wilmink zich goed ingelezen en komen de gedichten van dichters die leefden van de 15e eeuw tot nu, maar na 1993 staan er natuurlijk geen nieuwe liefdesgedichten meer in.

Als je, zoals ik, heel veel poëziebundels bezit en een groot deel daarvan zijn themabundels (bijvoorbeeld over liefdespoëzie) kom je dus regelmatig dezelfde gedichten tegen. En ik maak me toch sterk dat er ook na 1993 heel veel prachtige liefdesgedichten geschreven zijn. In ieder geval door mijzelf in de bundel XX-XY, liefdespoëzie https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/01/23/mijn-cadeau-voor-jou/ .

Ondanks bovenstaande kom ik toch nog regelmatig oudere gedichten tegen die ik niet ken en die zeer de moeite waard zijn, ook van het delen op dit blog. Zo’n gedicht is ‘Tegen het krakende hek’ van Rutger Kopland. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’ uit 1972.

.

Tegen het krakende hek

.

Zo stonden wij tegen het krakende hek,
zo buiten de wereld als paarden.

.

Het was weer aarde, gier en soir de
paris, een avond van waar en wanneer.

.

In mij kwamen vergeten regels omhoog,
zachte op nacht rijmende landerijen,

.

maar jij fluisterde: hier, hier is het
het fijnste, waar je nu bent, waar je nu

.

bent met je handen. Zo lagen we tegen
de aarde en tegen elkaar, terwijl het hek

.

kraakte tegen de opdringende paarden.

.

Writers at work

C.B. Vaandrager

.

Naast onderwerpen als de liefde en de dood is de poëzie een zeer geliefd thema voor dichters om hun gedichten aan te wijden. Op dit blog staan een aantal voorbeelden van gedichten over poëzie. En daar wil ik er vandaag nog een aan toevoegen. De dichter C.B. Vaandrager (1935 – 1992) is in Rotterdam (en daarbuiten) nog steeds een zeer gewaardeerd als dichter en peetvader van de no-nonsens generatie.  Vaandrager maakte met zijn schoolvriend Hans Sleutelaar deel uit van de redactie van het Rotterdamse literaire tijdschrift ‘Proefschrift’, dat halverwege de jaren vijftig verscheen. Later was Vaandrager met Sleutelaar, de dichter Hans Verhagen en schilder-dichter Armando redactielid van het Vlaams-Nederlandse literaire tijdschrift ‘Gard Sivik’ en het tijdschrift ‘De Nieuwe Stijl’.

In 1961 had Vaandrager zijn poëziedebuut met de bundel ‘Met andere ogen’ waarmee hij meteen naam maakte. Hij schreef een verhalenbundel en autobiografische (Rotterdamse) romans en in 1967 verscheen zijn tweede poëziebundel ‘Gedichten’. In de jaren zeventig ging het bergafwaarts met Vaandrager. Drugs en depressies beheersten zijn leven. Hij verbleef in een psychiatrische ziekenhuis of hij zwierf rond.  In 1981 werd hem de Anna Blaman Prijs van het Prins Bernhardfonds uitgereikt voor zijn gehele oeuvre. Daarna publiceerde hij nog slechts enkele dichtbundels, waaronder ‘Metalon’ (1987) en ‘Sampleton’ (1990). In 2008 verscheen ‘Made in Rotterdam’ zijn verzamelde gedichten bijeengebracht door Hans Sleutelaar en Martin Bril.

Wil je meer over C.B. Vaandrager lezen kijk dan op https://www.dbnl.org/tekst/_pas002199601_01/_pas002199601_01_0098.php

In 1981 verscheen bij De Bezige Bij de bundel ‘Totale poëzie’ waaruit het gedicht over poëzie getiteld ‘Writers at work’ staat.

.

Writers at work

.

Ik zit zo prachtig geparalyseerd

te wachten voor de ramen van een zeekasteel.

Stil als een boegbeeld.

Blad stil,

perfekt als een protese. Ik zit

.

zo prachtig geparalyseerd

te tikken met een meisje, pennemesje in mijn voorhoofd.

Ik geef schouderklopjes aan een windei.

.

Soms adem ik,

soms fluit ik,

soms ar-ti-ku-leer ik. Soms

.

beadem ik de ramen van mijn zeekasteel.

En kondenseer.

Schrijf

meer dan een moraal, meer

dan een kunstvoorwerp. Ik vier

mijn riem en denk

aan een bretel of vriendelijker buikband.

.

Mijn hart is intakt. Heb kontakt

met dat hart – weet het wel

zoals de meeuwen het wel weten, hartelijk?

snavelend

verschrikkelijk dicht bij de ramen van mijn zeekasteel.

Verrukkelijk

vergeefs. Ik

savoereer!

.

Ik schrijf zo prachtig geparalyseerd,

zwart, onbewogen,

aanhoudend (in een schietstoel) groei ik niet, vinger

in een stopkontakt. In een zee van tijd

ik prepareer.

.

De drang om niemand af te maken

Een recensie

.

Begin van dit jaar publiceerde uitgeverij Opwenteling de bundel ‘de drang om niemand af te maken’ van Anouk Smies (1975). Deze Rotterdamse dichter debuteerde in 2013 met de bundel ‘Citaten van een roofdier’ en inmiddels is dit alweer haar 4e bundel. Op de omslag van deze sober maar verder mooi vormgegeven bundel staat de titel van links naar rechts en en daarnaast in spiegelschrift nogmaals. De letter is wat klein maar de naam van de auteur staat rechtsboven duidelijk vermeld.

Voor deze bundel interviewde Anouk Smies een oorlogsveteraan, medewerkers van het Huis voor Klokkenluiders en een sekteverlater. De bundel begint met een citaat van Jean de Boisson: “Men kan de mensen verdelen in twee grote groepen: zij die zich door hun gevoel laten bedriegen, en zij die zich door hun verstand laten  misleiden”. Zonder op de conclusie vooruit te lopen kun je je afvragen of beide niet twee kanten van dezelfde medaille zijn. En je kan je afvragen bij welke van deze twee groepen de geïnterviewden ( in het geval van het Huis van Klokkenluiders; de klokkenluiders zelf) behoren.

De bundel bestaat uit 4 hoofdstukken: Oorlogsveteraan, Klokkenluider, Dichter en Tijdsgeest wat bij mij meteen de vraag deed rijzen waar de sekteverlater was gebleven. Maar daarover later meer.

In het eerste hoofdstuk, de oorlogsveteraan. In dit hoofdstuk is de oorlog alom aanwezig. In vaak hallucinerende taal en beelden brengt Smies de oorlog dichtbij, soms tussen droom en werkelijkheid dan weer in alledaagse dingen. De herinneringen van de oorlog liggen steeds vlak onder de oppervlakte en kunnen (en worden) elk moment zichtbaar en invoelbaar. Zoals in het gedicht ‘zwart’.

.

Stel jezelf nu de vraag of je op durft te kijken

Als je opkijkt zul je nooit in je leven meer een kleur omschrijven

Je zult je niet afvragen of dat een groot verlies is

Het verlies is al uitbesteed

.

In deze gedichten spreekt een oorlogsveteraan die de smerigheid, het geweld, de ontsporing en de zinloosheid van de oorlog aan den lijve heeft ondervonden. De zinnen zijn indringend en de situaties soms moeilijk voor te stellen.

In het tweede hoofdstuk de klokkenluiders. Een iets ander beeld, dit hoofdstuk is iets minder opgebouwd uit traumatische gebeurtenissen en gewelddadigheid. Hier worden meer processen beschreven, mechanismen, het deel uitmaken van een groep zonder er verantwoordelijk voor te zijn. Toch is in deze gedichten een zekere mate van traumaverwerking aan de orde. Het besef van de eigen daden die (achteraf bezien) niet goed waren. De wisseling tussen het toen (de actieve deelname) naar het nu ( de actieve schaamte). Daar hebben de gedichten in het eerste hoofdstuk en het tweede hoofdstuk iets gemeen. In de situatie het besef dat er iets niet klopt, dat er zaken gebeuren waar je deel van uitmaakt maar waar je het eigenlijk niet mee eens bent, geen deel van wil uitmaken.

In dit hoofdstuk is er sprake van beeldspraak, metaforen en raadselachtige zinnen waar je toch de achterliggende gedachte van begrijpt: En legt de betrokkene zijn ogen in een bakje / terwijl hij tekent voor akkoord  (uit het gedicht ‘Genade’). Het bewustzijn van de eigen daden, de twijfel aan die daden en het dan toch uitvoeren. De beschrijving van de innerlijke strijd en worsteling is steeds aanwezig. Het woordgebruik is veelzeggend: mythes, alfamannetje, mietjes, kuddedieren, buigzaamheid;  woorden die extra betekenis geven aan de worsteling van de hoofdpersonen, de klokkenluiders.

In het hoofdstuk ‘dichter’ is er ruimte voor lucht en vrijheid, voor introspectie op het eigen leven en werk als dichter. Ogenschijnlijk staat dit hoofdstuk los van de eerste twee terwijl in de taal de verbintenissen heel duidelijk zijn. Ook hier is ruimte voor de twijfel, het kwaad, de zinloosheid van onderdelen van het bestaan.

In het laatste hoofdstuk ‘tijdsgeest’ komt dan toch nog de sekteverlater aan het woord. Een Jehova’s getuige in het gedicht ‘Het hart der Jehova’s is verraderlijk en nietsontziend. In een staccato opgeschreven gedicht wordt in niet mis te verstane bewoordingen een dwingende, valse en onderdrukkende religie gefileerd. En dan valt er iets op zijn plaats, ook hier het terugkijken, de boosheid over wat was, het adresseren van het eigen falen, het domweg (op)volgen van wat anderen vinden of zeggen. Hier manifesteert dit verbindende thema van deze bundel zich.

In het gedicht dat volgt op het Jehova gedicht ‘herkenning’ komt een stukje van de oplossing naar voren, meteen in de eerste strofe:

.

Ik ben een meestervervalser

Succes blijft een keuze

waaruit voortvloeit dat

ik in een quantumspong mijn ware zelf kan zijn

.

En dan is er aan het einde van de bundel het gedicht ‘De zee hoopt’.

.

De zee hoopt

.

Ik houd van het strand

op de dagen dat het me aan Duinkerke doet denken

.

Een vlakte zou niet gezellig mogen zijn

Geen dagopvang voor afval of plezier

.

Geen agenda vol natte gele strookjes

.

Het is gezond

om je verwachtingen

niet op zandophopingen te projecteren

.

Het is goed

om in de naakte natuur

de dagelijkse sleur

als Tell Sell uit te zetten

.

Kijk ik ontkleed me

en wacht tot de wind

van mijn borsten clusterbommen snijdt

.

Tot mijn buikholte

de lever strikt van zijn verslavingen scheidt

.

De zee hoopt

op het geweld dat ik kan zijn

.

En met deze toch troostrijke en positieve woorden leg ik de bundel opzij. Een volwassen bundel vol bijzondere en schurende poëzie, die onderwerpen aansnijdt die niet altijd leuk zijn of hoopvol, maar die een stem geven aan hen die hun verleden met zich meetorsen maar een richting zoeken, een uitweg, een verklaring en toch ook hopen op een betere toekomst. Koop, leen of lees deze bundel, in bijzondere taal neemt Anouk Smies je mee in een wereld die je waarschijnlijk niet kent of niet eerder zo bezag.

.

Werken

Dubbelgedicht

.

Een dubbel-gedicht over werken, een baan, een carrière, ga er maar aanstaan. Toch wilde ik een twee gedichten vinden die bij deze thema’s aansluiten. En met een beetje fantasie is het gelukt. Het eerste gedicht is van de Rotterdamse dichter Jules Deelder (1944 – 2019). De titel ‘Ogenschijnlijk’ geeft nog niet veel weer tot je bij de tweede strofe bent. Het gedicht komt uit de bundel ‘Moderne gedichten’ uit 1979.

Het tweede gedicht is van een heel ander soort en geeft in de titel ‘Fin de carrière’ al weg wat de relatie tussen de twee gedichten is. Het gedicht is van de Vlaamse dichter Gust Gils (1924 – 2002) en ik nam het uit zijn bundel ‘Zanger met zuurstofmasker’ uit 1988.

.

Ogenschijnlijk

.

Ogenschijnlijk heeft het ene

niets te maken met het ander.

.

Ogenschijnlijk schuilt er

voordeel in een vaste baan.

.

Ogenschijnlijk zal er nog

een heleboel verand’ren.

.

Ogenschijnlijk staan de sterren

hier niet ver vandaan.

.

Fin de carrière

.

hij moet voor bekeken houden

de vervaarlijke jager

op grof hersenwild

.

en genoegen nemen

met het slapen van de slaap

der onschadelijken voortaan

.

na het in een al te

roekeloze bui verschieten

van zijn laatste denkpatronen

.

Light verse editie van MUGzine

#8

.

De nieuwe MUGzine, de achtste editie alweer en de derde al dit jaar die medio juni zal verschijnen, zal volledig in het teken staan van de Light verse. Light verse, ook wel plezierdichten of nonsensgedichten genoemd, is een benaming voor die gedichten die een wat lichtere, meer speelse toon hebben. Jaap van der Born schreef er een heel aardig stuk over op de, ook al prima, website Het Vrij Vers http://www.hetvrijevers.nl/index.php/over-light-verse .

Als je aan light verse denkt dan kom je al snel bij Het Vrije Vers terecht. In MUG #8 dan ook een aantal dichters die veelvuldig zijn terug te vinden op deze website: Inge Boulonois, Wim Meyles, Remko Koplamp en Frank van Pamelen. Het is dat MUGzine het leukste maar vooral ook kleinste poëziemagazine is van Nederland en Vlaanderen, anders hadden we uit een grote vijver dichters kunnen uitnodigen.

Lighgt verse dus in MUG #8, illustraties zijn dit keer van de New Yorkse kunstenaar en illustrator Karen Stolper (te volgen op Instagram @karenstolperinlunchwithlove ), natuurlijk een nieuwe Luule en een vrolijk stemmend voorwoord.

Als opwarmertje hier alvast een gedicht van één van de dichters in #8 Remko Koplamp getiteld ‘Pure shit’ van gedichten.nl

.

Pure shit

.

In mijn Bushmills verstopt zich steeds een luis
In de Bowmore word ik een worm gewaar
Mijn Famous Grouse biedt aan een mug een thuis
En in de Blair Athol logeert een haar
.
In mijn Glenlivet tref ik vliegen aan
De Lagavullin is gevuld met vuil
Een vlo komt uit mijn Convalmore vandaan
En in de Teeling houdt een neet zich schuil
.
In mijn Glenfarclas stuit ik op een nagel
Het glaasje Dhallas Dhu bevat een daas
In mijn Glen Garloch drijven korrels hagel
En in de Springbank is een spin de baas
.
Maar boven alles is het pure shit
Dat in die alcohol ook cola zit

.

 

Primo Levi en Dirk Kroon

Dubbel-gedicht

.

Twee gedichten die een zelfde thema of titel hebben, hoeven natuurlijk niet altijd van Nederlandstalige dichters te zijn. Voor een goed Dubbel-gedicht telt slechts de overeenkomst in thema of titel. Vandaar dat ik vandaag twee gedichten heb uitgekozen die qua titel en thema Wachten overeenkomstig hebben.

Het eerste gedicht is van de Joods-Italiaanse dichter, schrijver en essayist Primo Levi (1919 – 1987) en is getiteld ‘Wachten’. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Op een onzeker uur’ uit 1988 maar ik nam het over uit ‘Spiegel Internationaal’ moderne poëzie uit 21 talen uit 1988. Het gedicht is vertaald door Maarten Asscher en Reinier Speelman en Primo Levi schreef het in 1949.

Het tweede gedicht is van de Rotterdamse dichter Dirk Kroon (1946). Het gedicht is getiteld ‘Wachttijd’ en verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Dagelijkse despoot’ uit 2013. Ik nam het uit ‘Op de hoogte van de vogels’ zijn Verzamelde gedichten uit 2017.

.

Wachten

.

Dit is de tijd van bliksems zonder donder,

Dit is de tijd van niet te verstane stemmen,

Van rusteloze slaap en zinloos waken.

Gezellin, vergeet de dagen niet

Van lange gemakkelijke stilten,

Van nachtelijk toegenegen straten,

Van kalme overdenkingen,

Voordat de bladeren vallen,

Voordat de hemel betrekt,

Voordat ons opnieuw wekt,

bekend geluid, voor onze deuren,

Van met staal beslagen passen.

.

Wachttijd

.

Sta je op een tweesprong

in een uitgestorven landschap?

Kijk naar de knotwilg naast je

die na gekapt te zijn, ineens

weer uitbot of onaangeraakt

zal sterven – de takken in de lucht.

.

Wacht je met gelatenheid

de zoveelste winter af?

Bij het eerste voorjaarslicht

zal blijken of je ongemerkt

op nieuwe groei bent voorbereid.

.

Woman with blond hair an empty road. Girl waiting. Search for a new way. Hitchhiking trip. Travel, adventure. Sense of freedom, enjoy relax lifestyle. Scenic view, landscape. Explore North Norway

Gedichtendag 2021

Krijtpoëzie en meer

.

Vandaag is het Nationale Gedichtendag. En hoewel deze dag wat minder aandacht krijgt sinds de invoering van de Poëzieweek is het toch alweer de 22ste editie van de Gedichtendag die sinds 2000 bestaat. Poetry International initieerde destijds de Gedichtendag – de oorspronkelijk naam was Nationale Gedichtendag of Landelijke Gedichtendag – met het doel iedereen in Nederland de kans te geven op die dag in aanraking te komen met poëzie. Later werd ook Vlaanderen erbij betrokken, door samenwerking met Behoud de Begeerte. Sindsdien heet het evenement Gedichtendag.

Jaarlijks wordt ook een gedichtendag-bundel uitgegeven van de dichter(s) die daarvoor gevraagd worden. Namen van dichters die de bundel verzorgden zijn bijvoorbeeld Menno Wigman, Remco Campert, Toon tellegen, Hugo Claus, Mark Boog maar ook Antjie Krog. Dit jaar zijn de dichters van Gedichtendag de Vlaamse Maud Vanhauwaert en de Nederlandse dichter Rodaan Al Galidi.

Elk jaar heeft de Gedichtendag (of de Poëzieweek) een thema en dit jaar is dat (heel toepasselijk) ‘Samen’. Op de dag zelf staat het iedereen vrij om in het kader van de poëzie een activiteit te organiseren (jaarlijks zijn dar er tussen de 250 en 300). Ik heb voor dit jaar bedacht dat, nu met de lockdown er weinig mogelijkheden zijn om samen te komen, het leuk zou zijn om met krijt op stoepen, muren, pleinen en straten een gedicht met krijt te schrijven, hier een foto van te maken en deze te delen via een Instagram account @krijtpoezie2021 (mailen naar mijn emailadres woutervanheiningen@yahoo.com en dan plaats ik de foto). Inmiddels staan er al 6 voorbeelden op dit account maar er kunnen er altijd meer bij natuurlijk.

Hieronder een voorbeeld van Monique Smit met het gedicht ‘Bezit’ van Jean Pierre Rawie.

.

Bezit

.

Waar ik mijn hart aan heb verpand
in mijn verspild verleden,
het ging voorbij, het hield geen stand,
het is als zand vergleden.

.
Ik heb mij steeds het meest gehecht
aan sterfelijke zaken,
aan dingen die ik nimmer echt
tot mijn bezit kon maken.

.
Maar alles wat zo dierbaar was
dat ik het heb verloren,
is mij sinds ik het kwijt ben pas
voorgoed gaan toebehoren.

.

%d bloggers liken dit: