Site-archief

Funeraire poëzie

Als toen nu is

.
Terwijl ik op zoek was naar iets heel anders kwam ik min of meer per ongeluk terecht op de website https://ifthenisnow.eu/nl
If then is now is een platform op internet waar onze gedeelde culturele erfenis en geschiedenis actief met elkaar te beleven en te verrijken is, grensoverschrijdend want voor Nederland en België. Door het verleden (then) met het heden (now) te verbinden, biedt if then is now een inspirerende belevenis die je kijk op de wereld veranderd.  Op deze website vind je verhalen, belevenissen en achtergronden van Nederlandse, Belgische en Europese cultuurhistorische locaties, personen, en gebeurtenissen.
.
Tot zover de wervende tekst op de website. Waar het voor mij echt interessant werd was de pagina over funeraire poëzie of gedichten op grafstenen. In een bijzonder aardig artikel schrijft Jessyca de Wit over versierde grafstenen, kaders, en de literaire waarde van poëzie op grafstenen. Zo schrijft ze dat specifiek in het Noorden van Nederland (met name in Groningen) het aanbrengen van poëzie op grafstenen een traditie was in de negentiende eeuw. De reden die ze hiervoor aandraagt is dat deze provincie achterbleef in de ontwikkeling in verhouding tot andere provincies in Nederland. In de negentiende eeuw leefde men in de provincie Groningen nog in een standensamenleving. Waar voorheen de rijken in de kerk begraven werden, werden nu welgestelde boeren op het kerkhof begraven met alle égards inclusief versierde en van veel symboliek en teksten voorziene grafzerken.
.
Theologen, predikanten, artsen en juristen (klassiek geschoolden) zouden behulpzaam zijn geweest bij het kiezen of samenstellen van een grafdicht, aangezien een deel van de overgeleverde gedichten lijkt te zijn vertaald vanuit het Latijn. Dat niet alle grafzerkpoëzie hetzelfde is blijkt uit haar uiteenzetting van de kaders. Dat zijn er vier te weten: het kader met algemene en minder religieuze grafdichten, het kader met algemeen christelijke grafpoëzie, een kader met grafdichten waarin direct verwezen wordt naar de Bijbel en een kader met grafpoëzie die we kunnen duiden als uiting van het orthodox protestantisme.
.
Hieronder een aantal voorbeelden van deze 19e eeuwse grafzerkpoëzie.
.
Lieve moeder!
rust in vrede,
in des aardrijks
kouden schoot.
Eenmaal rijst een
nieuwen dag weer
En het leven
uit den dood
.
.
Afgemat door
Lichaamskwalen
Uitgeteerd door
Ziekte en pijn
Moet ik in deez’
grafkuil dalen
en een prooi
der wormen zijn
.
Advertenties

De Zeehond

Jos De Haes

.

Via Facebook kreeg ik van Bout Vercnocke een tip over de Vlaamse dichter Jos De Haes (1920 – 1974). De Haes was behalve dichter ook essayist en radiomaker. Hij publiceerde gedichten in het tijdschrift ‘Podium’ (1943-1944), waarvan hij hoofdredacteur was. Hij ontmoette er Frank Meyland, Anton van Wilderode, Hubert Van Herreweghen, en Christine D’Haen.

Daarna publiceerde hij in ‘Poëziespiegel’ waar hij Paul De Rijck, Hubert Van Herreweghen, André Demedts en Albert Westerlinck ontmoette. In 1950 werd hij recensent bij ‘Dietsche Warande en Belfort’ en werd in 1960 redactielid.

In 1961 werd hij diensthoofd van de literaire en dramatische uitzendingen van de BRT en werkte hij aan het programma ‘Vergeet niet te lezen’.  Hij publiceerde 4 dichtbundels en gedichten in verzamelbundels. Hij ontving onder andere voor zijn werk de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse  provincies, de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie en Guido Gezelle-prijs van de Koninklijke Vlaamse Academie.

Het gedicht ‘De Zeehond’ komt uit de cyclus ‘De Pool’ in de bundel ‘Gedaanten’ van 1954. De gedichten uit die cyclus zitten vol symboliek. Zo ook ‘De Zeehond’ waarin, kort gesteld, de mens vecht tegen de dood met de moed der wanhoop, als een zeehond die onder de ijskorst zwemt maar uiteindelijk toch het ademwak, het leven vindt.

De YouTube opname van Jo De Meyere komt uit een tv-uitzending van rond 1970.

.

De Zeehond

.

Het is te vinden in ’t ademwak

het ijsgat met de smalle schacht,

waardoor ik aan het oppervlak,

liggend in reukzout en koud water,

leven zuig uit sneeuwlichte nacht.

.

IJspegels brekend met mijn tand

zoek ik in ’t licht der sneeuw rondom

en vind haar Engel aan de rand

de vogel keizerpinguin staat er,

een kegel als Haar wijsheid stom

en als Haar eeuwig willen strak

.

Het is te vinden in ’t ademwak,

longpijp in ’t rustigste der vlezen,

diep ademhalen en genezen.

.

De-Haes-0

Tuin van Eros

Jan Engelman

.

De dichter, kunst- en cultuurcriticus en essayist Jan Engelman (1900 – 1972) is voornamelijk bekend geworden vanwege zijn gedicht ‘Vera Janacopoulos’, dat volgens sommigen een typisch voorbeeld is van poésie pure waarbij de schone klank en de symboliek hiervan belangrijker zijn dan de betekenis.

Simon Vestdijk heeft in zijn studies over poëzie, ‘De glanzende kiemcel’ uit 1942,  aannemelijk gemaakt dat gedichten als ‘Vera Janacopoulos’ niet alleen gebaseerd zijn op klanken, maar dat de betekenissen van de afzonderlijke woorden wel degelijk bijdragen aan de poëtische sfeer van het gedicht. Het gedicht werd na verschijnen in een tijdschrift meteen beroemd, en door sommigen wat belachelijk gevonden, of zelfs het “einde der poëzie” zoals door de hoogleraar Nederlands, Nico Donkersloot.

Engelman was zowel om zijn opvattingen en gedichten als vanwege zijn persoonlijke leven omstreden in het literaire leven van vóór de Tweede Wereldoorlog. Hij zou er een losse seksuele moraal op nahouden, hoewel hij zich hierover nooit expliciet heeft uitgelaten. Toch kreeg Engelman in zijn actieve jaren als dichter verschillende literaire prijzen zoals de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre in 1954.

.

Uit zijn bundel ‘Tuin van Eros’ uit 1932 het gedicht ‘Vera Janacopoulos’ met de bekende openingszin “Ambrosia, wat vloeit mij aan?”.

.

Vera Janacopoulos

Cantilene

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

.

ENGELMAN

tuin van eros

Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl

Son-net

Christine D’haen

.

Christine D’haen (1923 – 2009) was een Vlaams dichter die in 1948 debuteerde in Dietse Warande en Belfort en in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hoewel ze zichzelf als agnost zag speelde het katholieke milieu waarin ze opgroeide en leefde een grote rol in haar werk.

In 1958 verscheen haar dichtbundel ‘Gedichten 1946-1958’. Deze gedichten bezitten een klassiek vormschema dat nogal opvallend was in de tijd van de Vijftigers , die er een veel uitbundigere stijl op na hielden. Haar gedreven poëtisch werk kenmerkt zich door een retorisch taalgebruik met beladen symboliek, een poëtisch-technische begaafdheid, een enorme taalrijkdom, een ongeziene verbeeldingskracht en een zintuiglijke geladenheid. Meermaals komen er verwijzingen terug naar de Griekse mythologie. Om het de lezer wat makkelijker te maken, voegde ze veelal voetnoten toe.

Christine D’haen was tot haar dood actief en kreeg tijdens haar leven verschillende literaire prijzen zoals de Prijs van de stad Gent, De Anna Bijnsprijs der Nederlandse letteren en De grote prijs der Nederlandse letteren.

Uit haar bundel ‘Merencolie’ uit 1993 het gedicht ‘Son-net’.

Son-net

Klimmend naar ’t zenit zoekt zij die haar licht
in ’t lichaam stort, blind van gestolde glans,
met bevende transgressie naar zijn trans,
doch voelt door bijstere nacht zijn blik gericht

op zijn in zich verzengd eigen gezicht
weerkaatsend hun oorspronkelijk dubbelnaakt,
of ’t oog gesperd de waterspiegel raakt
waar de beminde knaap verdronken ligt,

dan duikt hij naar haar schimmige tweeling-vacht,
of splijt hij met zijn vlijm gesloten schacht,
met gouden tong likkend een duister gras

ondersteboven in een woudmoeras,
of daar in zilveren ketenen gekneld
met goud bespat verzonken vrouwenspeld.

.

D'haen

merencolie

Met dank aan Wikipedia
%d bloggers liken dit: