Site-archief

Gedicht bij een monument

Edu Waskowsky en Gerrit Krol

.

De Pools-Groningse kunstenaar Edu Waskowsky (1934 – 1976) werkte tijdens de laatste jaren van zijn leven aan het Joods monument in Groningen. In 1969 kreeg de beeldhouwer Waskowsky (zelf afkomstig uit een joods-Poolse familie) opdracht om het monument te maken. In het monument moest in elk geval een menora worden verwerkt. Waskowsky ontwierp zeven grote van messing gemaakte handen op sokkels voor een onregelmatig gebouwde muur, waarbij in de middelste hand een leegte in de vorm van een menora was weggespaard. Het was de bedoeling dat het beeld bij de dodenherdenking in 1970 zou worden onthuld.

Door allerlei financiële problemen, onenigheid over de productiemethode, ruzies, het overschrijden van deadlines en zelfs rechtszaken was het monument nog niet voltooid toen Waskowsky in 1976 overleed. De zevende hand was nog niet gereed. In overleg met de initiatiefnemers en nabestaanden werd besloten de zevende sokkel leeg te laten omdat Waskowsky het nooit zou hebben geaccepteerd dat iemand anders zijn werk zou beïnvloeden. Zo verklaarde hij bij leven meermaals “Mocht er iets met mij gebeuren, iedereen blijft er met zijn poten af. Ik blaas het anders nog liever zelf op!”. In 1977, zeven jaar na de oorspronkelijke opleverdatum werd het monument alsnog aan het publiek onthuld doordat de jaarlijkse stille tocht ter herdenking begon bij het monument.

Elke hand in het monument vertoont een eigen emotie. De eerste is een gebalde vuist waaruit woede spreekt. De tweede daarentegen strekt zich in geloof naar boven uit. De kandelaarvormige opening in de handpalm is de menora: de zevenarmige kandelaar die een symbool is van het joodse volk. De drie staande handen drukken vertwijfeling uit, terwijl de twee liggende handen verdriet en berusting symboliseren. De onregelmatige muur van betonblokken op de achtergrond refereert aan het afgebrokkelde jodendom door de nazi-terreur.

De Groningse dichter Gerrit Krol (1934 – 2013) schreef een gedicht bij het Joods monument. Het verscheen in de bundel ‘Vijf vingers van dezelfde hand’ uitgegeven in 1999 door uitgeverij Herik.

.

Geen lampen, maar kaarsen, zeven in aantal.
Niet de kaarsen, maar de kandelaar die ze omhoog houdt.
Niet ter ere van God, maar van het Joods Comité en de Raad van de Kunst.
Een zevenarmige kandelaar, ‘zo een als er in Tel Aviv staat.’
Geen joodse kandelaar, maar juist de afwezigheid van een kandelaar.
Zoals ook de joden aan wie het kunstwerk gewijd is afwezig zijn, dat zou passend wezen.
De vinger die op de schouder tikt.
Waarom zeven, waarom niet zes.
Omdat zes niet gelijk is aan zeven.

.

Dichterbij de polder

Buiging

.

In de Alblasserwaardse polder is men sinds 2003 bezig een literaire fietstocht vorm te geven tussen de molens, de oude boerderijen en de weilanden. Langs deze fietstocht zijn inmiddels gedichten van 12 dichters geplaatst op lage sokkels en in brons gegoten. Dichters als Ester Naomi Perquin, Marieke Rijneveld, Hester Knibbe, Willem van Toorn, Ad Zuiderent en Jana Beranová hebben gedichten geleverd voor dit mooie, door de Lions opgezette project.
De gedichten nodigen de voorbijganger uit om even stil te staan, te lezen en door de ogen van de dichter naar de omgeving te kijken. Met andere ogen dus, waardoor je vanzelf anders gaat kijken.

De Lionsclub vroeg ongeveer veertien jaar geleden aan dichter Jan Eijkelboom uit Dordrecht om het eerste gedicht te maken. Hij schreef een prachtig gedicht over een kastanjeboom aan de Zijdeweg bij Nieuw-Lekkerland. Zijn gedicht werd in 2003 onthuld. De komst van een netwerk van fietsknooppunten maakt het makkelijk om zelf een mooie route uit te stippelen langs de ‘polderpoëzie’. De meest oostelijke plaquette bevindt zich halverwege het fietspad van Ottoland naar Groot-Ammers, bij de fietsersbrug die in de volksmond ‘de Kikker’ wordt genoemd. De twee meest westelijk geplaatste gedichten zijn te vinden in het molendorp Kinderdijk.

Op de website van ‘Dichter bij de polder’ http://fietsroute.ws/index.html  kun je alle gedichten en de route nalezen. Uiteindelijk wil men maar liefst 25 gedichten laten plaatsen langs deze route.

Ik koos voor het gedicht ‘Buiging’ van Ester Naomi Perquin.

.

Buiging

.

Waren we eerder geweest dan hadden we schepen gezien
in de ronding, oude dieren, steunend op hun hulpeloos formaat.
We hadden hun buiken bestreken, hun huid van hout en pek.

We hadden touwen doorgegeven, gereedschap gedragen en
dagenlang gewerkt aan een waterdichte vaart. Nu staan we hier,
op kant noch wal. ook wij worden verleden, maar dan trager.

We hebben wereldzucht op zakformaat, antwoorden op vragen.
We bewegen langs het water met moderne blikken
en moderne dromen, gewichtsloos haast.

Wie hier nog later staat zal ons niet tegenkomen.

.

%d bloggers liken dit: