Site-archief

De idioot op het dak

Tjitske Jansen

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de Leidse PoëzieNacht georganiseerd door Fields of Wonder in De Burcht in hartje Leiden. Deze Poëzienacht (of eigenlijk avond) werd door Fields of Wonder gemaakt in samenwerking met stichting INDEX Poetry en stichting Leids Literair Landschap. Op deze avond kwamen Anton Korteweg, Dorien de Wit, Wout Waanders en Tjistske Jansen voordragen en de kandidaat stadsdichters droegen een gedicht voor. Paar opvallende dingen: de twee mannelijke dichters waren geblesseerd aan hun voet (Wout Waanders droeg voor gezeten in een rolstoel en Anton Korteweg bewoog) zich voort geholpen door twee stokken, het was een heerlijke ontspannen mooie nazomeravond en de sfeer was uitstekend. Naast serieuze poëzie viel er ook regelmatig te lachen om de gedichten en de voordrachten.

De presentator van dienst kondigde Tjitske Jansen (1971) aan met een verhaal over zijn eerste ervaring met Tjitske Jansen bij Festina Lente in 2001 waar ze de finale van deze Poetry Slam won. Daar hoorde hij haar voor het eerst het gedicht ‘ De idioot op het dak’ voordragen. Hij vroeg haar of ze dat wilde voordragen (waarschijnlijk niet zei hij erbij) maar Tjitske was zeer bereid om het gedicht voor te dragen en dat was voor mij een van de hoogtepunten van de avond. Daarom uit de bundel ‘ Het moest maar eens gaan sneeuwen’  uit 2003 het gedicht ‘ De idioot op het dak’.

.

De idioot op het dak

.

Ik vroeg de jongen op mijn werk – dat bestaat uit peperoni, melanzani en carciofi in de bakjes scheppen, kip en friet en gamba’s bakken, salades maken, enzovoort, ik deed de koude kant vandaag en hij de warme – of we na het werk wat gingen drinken. Na het werk gingen we wat drinken.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen, er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog een keer aanbellen. Nog één keer. Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren. Ik wil niet dat hij mij negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Steeds als ik denk: nu laat ik de bel los, laat ik de bel niet los. Hij doet nog steeds niet open. Ik zoek waar ik beginnen kan met op het dak te klimmen. Een paar daken van zijn dak vandaan is een begin. Ik begin met op het dak te klimmen. Als ik drie daken heb gehad, ik ben er bijna,

gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannenhoofd verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief, een mannenhoofd uit een dakraam zien steken, Ik zeg: Ik ben geen inbreker, ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen.

De man geeft me geen kans verder te klimmen. Hij blijft met zijn hoofd uit het dakraam. Er gaat nog een dakraam open. Ik had nog nooit één mannenhoofd van zo dichtbij uit een dakraam zien steken, laat staan twee tegelijk. Zitten blijven! zeggen ze. Zitten blijven! Ik vraag me af of ik een strafblad krijg.

De politie is gearriveerd. Waar is hij? Hoor ik vragen. Het is een vrouw. Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden, maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

Ik klim naar binnen door het dakraam van het eerste mannenhoofd. Ik sta op een zolder. Ik zie de vrouw die godverdomme riep, ik aai de hond, ik zeg: Sorry, sorry. Ik zeg:
Ik ben geen inbreker.

Iemand vraagt me hoe ik op dat dak gekomen ben. Iemand vraagt me waarom ik dit deed. Liefdesverdriet, zeg ik. Ja, zegt een politieman, uit liefdesverdriet kun je rare dingen doen. Hoe heet je? Vraag ik hem. Ik heet Paul, zegt hij. En waar woon je?

.

 

 

De overgave

Paul Bezembinder

.

De Gelderse dichter Paul Bezembinder (1961) studeerde theoretische natuurkunde in Nijmegen. Hij is als ‘science policy advisor’ werkzaam aan de Technische Universiteit Eindhoven en is tevens een actief lid van de Poëzieclub Eindhoven.

In zijn poëzie zoekt hij in vooral klassieke vers­vormen en thema’s naar de balans tussen serieuze poëzie, pastiche en smartlap. Zijn gedichten en vertalingen Russisch-Nederlands verschenen in verschillende (online) literaire tijdschriften.

In 2018 debuteerde Bezembinder met de bundel ‘Kwatrijnen’, in 2020 verscheen de bundel ‘Gedichten’ gevolgd door de bundel ‘Parkzicht’ ( de laatste twee bij uitgeverij Leeuwenhof. Poëzie en vertalingen van Bezembinder lees je op zijn website https://paulbezembinder.nl/

In de bundel ‘Gedichten’ staat een fraai sonnet dat ik hier graag met jullie deel.

.

De overgave

.

De oude man zit in zijn atelier

en onderzoekt de vormen van zijn vak,

afwezig haast beweegt hij met ze mee,

hij volgt de wil van hout, papier en lak.

.

Ooit zocht hij een verborgen harmonie,

maar nu, zo mettertijd, heeft hij geleerd:

juist door zijn vakmanschap, zijn poëzie,

in alle rust, wordt schoonheid gecreëerd.

.

Hij is gaan luisteren, wat meer gaan zien,

het heeft hem nederig gemaakt misschien,

verstilling bracht hem zilver, zwijgen goud.

.

Hoe vaker hij tot meebewegen kwam,

hoe meer hij vond wat denken hem ontnam:

de kracht van zeggenschap en vormbehoud.

.

Plopperdeplop

Poppers plop

.

Serieuze poëzie kan soms ineens heel grappig zijn of over een onderwerp gaan dat helemaal niet serieus is. Net zo goed als minder serieuze poëzie of light verse hele zware onderwerpen als thema kan hebben. Ik moest hier aan denken toen ik in de bundel ‘ Zware pijnstillers’ uit 2012 van Rob Schouten het gedicht ‘ Poppers plop’ las. In dit gedicht worden Kabouter Plop (en nog wat cartoonachtige wezens) gecombineerd met de Oostenrijks-Britse wetenschapsfilosoof Karl Raimund Popper (1902 – 1994). Popper is bekend geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie, zijn pleidooi voor falsifieerbaarheid als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden en zijn verdediging van de ‘open samenleving’.

Door deze twee volslagen tegenpolen te combineren in en gedicht wordt je eerst op het verkeerde been gezet en vervolgens aangezet tot nadenken. Een knap gedicht.

.

Poppers plop

.

Kabouters hebben Korsakov

getuige K. Plop en de Smurfen

die er iedere dag opnieuw intrappen:

Gargamels list en Klus’ bedrog.

.

Toch zie je ze nooit excessief drinken.

Ik denk daarom dat het erfelijk is,

iets met het gen. Ik kan

het weten want ik heb het ook,

.

ik blijf maar kijken, volgens Popper

kan morgen alles anders zijn.

.

Grafgedichten

Gedichten op vreemde plekken

.

Overal kun je poëzie tegen komen, zoveel is mij wel duidelijk na inmiddels denk ik meer dan 150 berichten over gedichten op vreemde plekken. Zo ook op graven. Wat me echter opviel toen ik hier wat research naar deed was dat er op graven eigenlijk twee soorten poëzie te vinden is.

Allereerst regels of strofen van bestaande gedichten die iets zeggen over de overledenen of over de mensen die de overledenen achterlaat.

Daarnaast echter zijn er vele graven te vinden met poëtische of rijmende teksten met een sterk humoristische inslag. Ik heb er een aantal voor jullie opgezocht.

.

grafgedicht 1

grafgedicht2

grafgedicht 3

grafgedicht 5

grafgedicht4

%d bloggers liken dit: