Site-archief

De liefste

Louise Labé

.

In de bundel ‘de liefste’ onsterfelijke liefdesverzen uit 1990, samengesteld en vertaald door Paul Claes, staat een prachtig liefdesgedicht van Loise Labé. Deze Louise Labé (1526 – 1566) was een Frans renaissancedichter, schrijfster van amoureuze sonnetten en salonnière (deelnemer aan literaire salons, bijeenkomsten (meestal bij iemand thuis) waar verschillende schrijvers, dichters, filosofen en kunstenaars elkaar regelmatig ontmoeten om literatuur, poëzie, filosofie en soms andere (beeldende) kunsten en politiek te bespreken).

Louise Labé was samen met dichter Maurice Scève het middelpunt van een groep dichters, de Ecole de Lyon. Rond Labé verzamelden zich andere vrouwelijke dichters als Pernette du Guillet. In de bundel ‘De liefste’ staat het volgende sonnet van haar dat ik hier met jullie wil delen.

.

Kus mij, kus mij opnieuw en blijf me kussen:

Geef mij van je waanzinnigste er een,

Geef mij van je aanminnigste er een,

Ik geef er vier weer die niet zijn te blussen.

Wat klaag je? Kom, laat mij je lijden sussen,

Ik geef er jou tien andere meteen.

Wij mengen onze kussen kussen zacht dooreen

En vinden in elkaars genot intussen.

Zo vangt voor elk een dubbel leven aan.

Elk zal in zich en in zijn vriend bestaan.

Laat, Liefde, mij van deze dwaasheid dromen:

Steeds voel ik wrevel om dit kalm bestaan,

En ik ben nooit geheel en al voldaan

Indien ik uit mezelf niet los kan komen.

.

Advertenties

Ik vind geen rust

Sir Thomas Wyatt

.

Sir Thomas Wyatt (1503 – 1542) werd geboren in Kent, Engeland en was dichter maar ook ambassadeur van koning Hendrik VIII in Frankrijk en Italië.  Wyatt speelde het gevaarlijke spel van seks, geld en macht tijdens zijn verblijf in het hof van Hendrik VIII. Hij maakte zijn leven nog gevaarlijker door met de koning te strijden om de hand van Anne Boleyn. Tenslotte hadden de vijanden van Henry de gewoonte om met hun hoofden gescheiden van hun lichaam te eindigen. Wyatt was een hoveling en metgezel van Henry VIII vanaf zijn dertiende. Hij was op 17-jarige leeftijd getrouwd en kort daarna gescheiden. Sommige bronnen zeggen dat hij in 1522 de minnaar van Anne Boleyn was geworden, niet lang voordat ze voor Koning Hendrik koos.

Minstens vier gedichten van Wyatt worden verondersteld te verwijzen naar Anne, inclusief het sonnet ‘Whoso list to hunting’ waarin ze wordt voorgesteld als een hert, bejaagd door vele vrijers maar uitsluitend toebehorend aan Caesar. Wyatt werd in 1526 weggestuurd van het hof naar Frankrijk en in 1527 naar Italië, waar hij werd gevangen genomen door troepen van het Heilige Roomse Rijk. Toen Anne Boleyn uit de gratie viel bij Hendrik in 1536, werd Wyatt gevangengezet in The Tower of London, omdat hij met haar omging en bekeek hij haar executie vanuit zijn cel. In 1539 stond hij aan het hoofd van een complot om de katholieke Reginald Pole te vermoorden door vergiftiging. Tegen 1540 zat hij opnieuw in de gevangenis wegens verraad. Zijn latere minnares zou ook door Hendrik als zijn geliefde zijn genomen.

Zijn werk werd nooit gepubliceerd tijdens zijn leven, maar hij was een van de leidende dichters van de Engelse Renaissance. Tijdens zijn tijd in Italië ontdekte hij de werken van Petrarca en introduceerde hij Italiaanse modellen en poëtische vormen in Engelse verzen, waaronder het sonnet.

I find no peace

.

I find no peace, and all my war is done.
I fear and hope. I burn and freeze like ice.
I fly above the wind, yet can I not arise;
And nought I have, and all the world I season.
That loseth nor locketh holdeth me in prison
And holdeth me not—yet can I scape no wise—
Nor letteth me live nor die at my device,
And yet of death it giveth me occasion.
Without eyen I see, and without tongue I plain.
I desire to perish, and yet I ask health.
I love another, and thus I hate myself.
I feed me in sorrow and laugh in all my pain;
Likewise displeaseth me both life and death,
And my delight is causer of this strife.
.

Dichter van de maand Februari

Levi Weemoedt

.

De dichter Levi Weemoedt (1948, Vlaardingen)  studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden en heeft dertien jaar als leraar Nederlands voor de klas gestaan. Omdat hij hierin niet voldoende voldoening vond, stopte hij met lesgeven. Weemoedt is schrijver van tragi-komische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Ook was hij als medewerker verbonden aan het ‘Algemeen Dagblad’ en publiceerde hij in Renaissance dat in 1996 door Look J. Boden was opgericht. Verder was Weemoedt van 1976 tot 1979 redacteur van literair-satirisch studentenblad Propria Cures, later, in de jaren ’80 schreef hij in ‘Mare,’ het weekblad van de Rijksuniversiteit Leiden. Weemoedt debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Geduldig Lijden, een jaar later gevolgd door ‘Geen Bloemen’ en ‘Zand Erover’ (1981). Zijn werk werd in 2007 verzameld in ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’. Na 1999 werd het stil rond Weemoedt tot in 2007 de verzamelbundel ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’ werd gepubliceerd met o.a. 40 nieuwe gedichten gevolgd door  ‘Met enige vertraging’ in 2014.

Uit de bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 koos ik voor het gedicht ‘Brave soldaat van D.’ .

.

Brave soldaat van D.

.

Ik draag de hemden af van H. van Duijvenbroek:

KL-soldaat, zo laat het merkje mij weten.

Hij kwam in ’60 op, en hij verliet de troep

in ’62. Zo goed als niet versleten.

.

Van Duijvenbroek is in die twee jaar tijd

één maat gegroeid. Misschien beviel het koken

van de kazernekok. Zijn hemd bleef uit de strijd.

Er zit één gaatje in, maar dat is van het roken.

.

Op avonden dat ik te gast moet wezen

op lezingen of in de Boekenweek,

vraagt iemand soms: ‘Weemoedt, wat moet ik lézen?’

Dan zeg ik: ‘Sorry, ‘k ben een slechte bibliotheek….

.

Maar hoort u het ooit prijzen: vermijd beslist het boek

‘Oorlogsmemoires’. Door H. van Duijvenbroek.’

.

 

Weemoedts felicitatiedienst

Lévi Weemoedt

.

De in Vlaardingen geboren dichter Lévi Weemoedt (1948) is vooral bekend van zijn tragi-komische korte verhalen en gedichten. Jarenlang was Weemoedt leraar maar toen hij daar genoeg van had richtte hij zich volledig op het bestaan van schrijver.  Weemoedt was medewerker van het Algemeen Dagblad, publiceerde in het, in Vlaardingen opgezette, literair tijdschrift ‘Renaissance’ en was van 1976 tot 1979 redacteur van literair-satirisch studentenblad Propria Cures. Later, in de jaren ’80 schreef hij in “Mare,” het weekblad van de Rijksuniversiteit Leiden.

Van de hand van Weemoedt verschenen ca. 350 gedichten. Uit de bundel ‘Geen bloemen’ uit 1978 het gedicht ‘Weemoedts felicitatiedienst’.

.

Weemoedts felicitatiedienst

.

O! als je trouwt, vergeet mij niet te vragen,

en sta mij toe om tussen oom en tant’

een stukje uit mijn dagboek voor te dragen:

wat heb ik snel de lachers op mijn hand!

.

Bijvoorbeeld, 18 maart: ‘met L. geslapen!

Ze houdt van mij!! Gaat morgen weg bij Freek’.

En, 20 maart: ‘een brief van L. op tafel:

ze trouwt met F.!!.. Bruiloft over een week’

.

De mensen brullen! ‘Dagboek van een Gek!’.

gilt tante Jo, ‘hoe krijgt-ie het verzonnen!

Je zal toch maar getrouwd zijn met die L.!’

.

Dan explodeert een stilte in ’t vertrek:

een kille tocht vaart door de trouwjaponnen.

De tafelkleedjes krijgen kippevel.

.

gb

lw

Ik word als jij

Jan Pieter Guépin

.

Er zijn veel dichters. Heel veel dichters. Als je bloemlezingen bekijkt dan staan er soms dichters in van eeuwen her. Dat betekent dat het arsenaal aan dichters voor iemand die over poëzie schrijft (zoals ik) enorm is. Dat is één van de redenen dat ik, een tijd geleden alweer, begonnen ben met de rubriek (bijna) vergeten dichters. Veel van de dichters die heden te dage niet meer gelezen worden zijn namelijk nog steeds zeer goed leesbaar.

Een goed voorbeeld van zo’n (bijna) vergeten dichter is wat mij betreft J.P. Guépin (1929 – 2006). Tijdens zijn studie klassieke letteren aan de universiteit van Amsterdam was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij promoveerde op een onderwerp uit de Griekse godsdienstgeschiedenis: De tragische paradox.

Guépin was dan ook een groot pleitbezorger van de Neolatijnse poëzie, waarvan hij veel vertalingen maakte. De Neolatijnse poëzie zijn gedichten die zijn geschreven in het Latijn in de periode vanaf de renaissance.

In het gedicht’Ik word als jij’ komt deze voorliefde niet zozeer naar voren. Het gedicht komt uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1984.

.

Ik word als jij

.

‘ik word als jij, we gaan elkaar vertrouwen,

kom bij me, kijk naar mij, ik naar jou,

mijn armen om je schouders, jij de jouwe,

ik voel hoe jij, jij hoe ik van je hou.’

.

‘Ik word als jij, als we in elkaar vergroeien,

ik proef mijn zoen, jouw zoen is nu mijn zoen,

mijn hand jouw buik, jouw buik mijn hand doet gloeien,

wat ik ook doe met jou zal jij weer doen.’

.

Nu woest maar kalm, dan opgewonden klaar,

gefluister, schreeuwen, en doodstil een poosje,

heel knus als lepeltjes in een klein doosje.

.

Zo gaan we op in elkaar,

wij met zijn tweeën weten hoe dat kan:

de man wordt telkens vrouw, de vrouw wordt man.

.

guepin

The cabinet of lost and found

Wunderkammer

.

In 2009 werd door de Red Room Company voor het Sydney Writer’s Festival een project uitgevoerd onder de titel ‘The cabinet of lost and found’. Het bestond uit een curiositeitenkabinet met daarin een installatie van gedichten en objecten waar het publiek dan in kon snuffelen. In de Renaissance waren deze zogenaamde Wunderkammer al heel hip.  Destijds verzamelden mensen in hun woning op een speciale plek bijzondere en zeldzame voorwerpen om te laten zien aan bezoekers.

Binnen dit project werd studenten van de Ogilvie Highschool, hierin ondersteunt door dichter Esther Ottoway, gevraagd om een talismanachtig object uit te zoeken dat als stimulans kon zorgen voor de keuze van gedichten en objecten. Op deze manier kon elk van hen een bijzondere en persoonlijke Wunderkammer samenstellen of men kon dit in groepjes doen. Van dit project is een boek samengesteld door blurb.com

Hieronder een gedicht uit een van de Wunderkammers van  Kara Kollo-Hay.

.

My great grandmother’s ring 

.

When my mind was still unmarked,

When I stood on tip toes to reach the kitchen door,

I found the little band in a bowl of ornaments.

It caught my eye and fit my finger.

 

I wore it ‘til it meant more than it cost,

Now my mind is jam-packed

My own mother looks up at me,

The rings I wear all hold meaning,

But the little gold band I found at eight still clutches my finger,

Growing thinner and thinner by day,

Its battered surface and uneven bend carries history and time.

Four generations in a continuous circle.

As the ring turns,

It reflects us all.

.

clf1

clf2

 

cabinet_of_lost__found_20_small.jpg.500x500_q85

 

Meer info over de Red Room Company op hun website: http://redroomcompany.org/about/
%d bloggers liken dit: