Site-archief

Circus

Jaroslav Seifert

.

Jaroslav Seifert (1901 – 1986) werd geboren in de arbeiderswijk Žižkov, een voorstad van Praag in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. Zijn eerste bundel gedichten werd gepubliceerd in 1921. Hij was lid van de Communistische Partij en redacteur van een aantal communistische kranten en tijdschriften. Aanvankelijk schreef hij vooral revolutionaire gedichten, later meer lyrische poëzie.

In maart 1929 werden hij en zes andere belangrijke schrijvers uit de Communistische Partij gegooid. Dit was omdat ze een manifest hadden ondertekend tegen Bolsjewiekse invloeden in het nieuwe leiderschap van de Communistische Partij van Tsjecho-Slowakije. Desondanks kreeg hij in 1936 de staatsprijs voor literatuur. In 1949 verliet Seifert de journalistiek en begon zichzelf uitsluitend te concentreren op literatuur.

Hij kreeg geruime tijd een publicatieverbod. Zijn gedichten circuleerden echter met veel succes ondergronds. Erkenning bleef niet uit. In 1966 kreeg hij de eretitel ‘nationaal kunstenaar’. Hij won verschillende grote prijzen voor zijn gedichten, waaronder de Nobelprijs. De jury prees de “frisheid, gevoeligheid en rijke inventiviteit” van zijn gedichten.

In 1925 verscheen de bundel ‘Op de vleugels van de TSF’ waarvan in vertaling een zestal gedichten verschenen in Raster, Nieuwe Reeks, jaargang 1997. Uit de Raster het gedicht ‘Circus’ in een vertaling van Kees Mercks.

.

Circus

.

Heden sloot voor het eerst in zijn armen
de beroemde vuurslikker John het danseresje Chloë
.
en de kleine chloë was nog maagd
.
die avond heeft voor het circus de clown Pom
om de toeschouwers te begroeten
.
een grote ballon
.
opgelaten
.
/HEDEN
VOOR HET LAATST/
.
.

Uit een sprookje

Rosa Schogt

.

Er zijn veel dichters. Heel veel. Ik ken er vele van naam en van lezen, en een klein deel persoonlijk. En elke keer weer word ik verrast wanneer ik weer een nieuwe naam ontdek (waarom ken ik deze dichter niet? Waarom nog nooit iets van deze dichter gelezen?). Dat gevoel had ik toen ik de bundel ‘Dansen te ontspringen’ van Rosa Schogt uit 2019 las. Schot is actrice, theaterwetenschapper en redacteur. En dichter dus. Volgens de gegevens op de achterflap speelt, schrijft en geeft ze poëzie- en taallessen en draagt ze haar poëzie graag en met verve voor.

In haar eerste bundel (ze publiceerde al gedichten in De Revisor en in de bundel van Ellen Deckwitz ‘Olijven moet je leren lezen’) smijt Rosa Schogt (1980) met seks, liefde, dood en theater, verfrissend, zinnelijk, helder en grappig. Ze maakt zich zorgen om dingen, maar net niet genoeg om er echt wat aan te doen. Maar dan is er altijd nog de poëzie, en dat helpt. Een beetje. Met zo’n introductie is mijn nieuwsgierigheid gewekt. En eerlijk is eerlijk, haar gedichten zijn grappig en verfrissend, soms wat anekdotisch, met verwijzingen naar haar jeugd maar altijd prettig leesbaar.

Uit de bundel ‘Dansen te ontspringen’ koos ik het gedicht ‘Uit een sprookje’.

.

Uit een sprookje

.

Hij weet niet goed meer waar vandaan,

waarheen hij kwam, er was geen grens,

er was eens maar die liep naar hier,

een kaft, een blad papier

.

Hij is de trol, gebuikt, bebaard,

hij is de sater, is de ork,

de draak, de dwerg die van je houdt,

de reus, de gnoom, de wolf

.

Hij was de hele tijd op weg

naar jou. Hij zag een man, dicht bij het eind

Die zat daar maar, keek bang, benard

Het paard smaakte zeer goed

.

Diens kroon nam hij maar mee, voor jou

Jij bent de mooiste vrouw die hij ooit zag

Gelukkig lang houdt hij je vast

Je bent van hem alleen

.

Bijgeluiden

Henk Ester

.

Ik ken inmiddels toch behoorlijk wat Rotterdamse dichters, persoonlijk of van hun werk, maar de naam Henk Ester (1952) kende ik nog niet. Tot ik zijn (eerste) bundel in handen kreeg getiteld ‘Bijgeluiden’. Op de achterflap lees ik dat Ester dichter en redacteur is (dat laatste bij de Automatiseringsgids), dat hij geografie studeerde en filosofie. Verder lees ik dat hij graag op de Maasvlakte en door de duinen zwerft (wat ik heel goed begrijp).

Inmiddels heeft Ester nog twee bundels uitgegeven; ‘E-groot is rood’ in 2016 en ‘Het vermoeden van Witten’ in 2018. In zijn debuutbundel ‘Bijgeluiden’ uit 2013 (waar hij de C. Buddingh’ prijs voor ontving) is van het voorgaande regelmatig iets terug te vinden. Zo ook in het gedicht ‘Tijd’ dat in de bundel valt onder het hoofdstukje Bijgeluiden VII (serie van 5 gedichten, dit is nummer 3).

.

Tijd

.

Als er geen getuigen zijn

.

als de straten leeg zijn tot ver voorbij de hoek

als niemand meer een tegel licht

om zijn gelijk te halen

en geen schilder meer de ruimte kleurt

als het ‘zoete zeegefluister’ zwijgt

en niemand leest

als geen componist meer pleit voor ‘klanken zonder meer’

als werkelijk niemand meer op rotsen slaat

en logica verkruimelt in graniet

.

wie schrijven dan de uren?

.

en hoelang duurt dat dan?

.

ik bedoel

die uren aan zee

als er geen getuigen zijn.

Ons te vroeg ontvallen

Antoinette Sisto

.

In de afgelopen 12,5 jaar waarin ik me, na mijn debuut als dichter met ‘Zichtbaar alleen’ actief bezig hou met poëzie, zijn er een aantal goede bekende en bevriende dichters overleden. Op te jonge leeftijd werden zij uit het leven gerukt door ziekte of hartstilstand. Dit waren geen dichters van grote naam en faam onder de Nederlandse bevolking zoals bijvoorbeeld Gerrit Komrij, Jules Deelder of Menno Wigman maar dichters die met hart en ziel aan hun poëzie werkte, bundels uitgaven, actief waren met poëzieprojecten en op podia overal in Nederland stonden.

Omdat ik vind dat deze dichters niet vergeten mogen worden zal ik hier de komende tijd gedichten van hen plaatsen. Om te beginnen met dichter Antoinette Sisto (1963 – 2017). Op 3 juli 2017 overleed zij plotseling na twee hersenbloedingen. Antoinette was naast redacteur van Meander en medewerker van de stichting Perdu, secretaris van het Departement of Communication Sciences, dichter, redacteur en vertaalster van Italiaanse dichters.

In 2013 verscheen van haar hand de bundel ‘Dichter bij de dagen’ met veel gedichten die handelden over de ziekte en dood van haar man Wally, gevolgd door ‘Iemand moet altijd gemist worden’ in 2014. Ik mocht een aantal gedichten van haar voordragen samen met wat eigen werk op de presentatie van haar laatste bundel ‘Hoe een zee een woord werd’ uit 2017. Antoinette was naast een begenadigd dichter een mooi en vriendelijk mens. Ik had het voorrecht om een aantal keer samen met haar op een podium te staan, werd door haar voor Meander geïnterviewd en nodigde haar uit om bij Ongehoord! voor te dragen.

Uit haar bundel ‘Iemand moet altijd gemist worden’ koos ik het gedicht ‘Ambacht’.

.

Ambacht

.

In het diepst van mijn hart

dacht ik voor de duizendste maal

toen ik de ven zag en haast voorbij liep

.

maar evenredig zoveel keren

dacht ik het niet

en ik struikelde over een beter beeld

.

dat ik vasthouden wilde

maar bang als ik was

met andere woorden ontweek

.

over één nacht ijs ga ik niet.

.

Dag aan dag bewerk ik

de barts in het oppervlak

het lek in de stilte

het gewicht van water en lucht.

.

Mijn geduldige handen was ik.

En was ik opnieuw

ze ontdoen zich van iets.

.

 

Herfst

W.J. van der Molen

.

In mijn boekenkast staan vele dichtbundels, bloemlezingen en verzamelbundels. Zo ook ‘Van de morgen tot morgen’ uit 1964 (tweede druk) een bloemlezing van moderne poëzie ten dienste van het onderwijs. Toen ik deze bundel uit mijn boekenkast pakte en de ondertitel las moest ik onmiddellijk denken aan een bericht dat Kila van der Starre mij toestuurde over een symposium in Utrecht op dinsdag 5 november 2019 met als thema ‘Uitgesproken poëzie: over poëzievoordracht in de klas’ waar ik gisteren nog over schreef.

In begin jaren zestig was poëzie in de schoolklas blijkbaar belangrijk genoeg dat er zelfs een bundel aan gewijd werd. In deze bundel staan gedichten van alle grote dichters. En soms kom ik een naam tegen van een dichter die ik (nog) niet ken. Zoals de dichter W.J. van de Molen (1923 -2002). Volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie https://www.nederlandsepoezie.org was Willem Johan van der Molen bevriend met Michaël Deak. Hij publiceerde met hem onder het pseudoniem Aernout van Leiden zes bloed- en bodemverzen in nr. 5/6 (mei/juni) 1944 van het door de SS gerunde tijdschrift ‘Groot Nederland’.

In 1985 verklaarde Deak daarover dat deze zes verzen dienden om vijf sonnetten met een verborgen verzetsboodschap een door de Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven poëziewedstrijd te laten winnen. Na de oorlog zouden hij en Van der Molen deze boodschap dan onthullen. Probleem is evenwel dat niemand vóór 1985 van deze wedstrijd gehoord had. De enige bron voor het bestaan van die poëziewedstrijd is Michaël Deak, die erover repte in een brief d.d. 14-08-1985 aan literair onderzoeker Frank van den Bogaard. In kranten- en tijdschriften uit 1944 is geen spoor van de wedstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat Van der Molen, een paar jaar jonger dan Deak, door deze in dit avontuur is gesleept (Bron NPE).

In 1949 publiceert van der Molen zijn bundel ‘Sous-terrain’ (1949) in de Windroos-reeks. In het tweede deel van zijn leven hield van der Molen zich vooral bezig met Haiku’s. Zo was hij vanaf 1981 redacteur van ‘Vuursteen’, het vierjaarlijkse tijdschrift van de Nederlandse en Vlaamse Haiku centra. Na zijn dood wijdde de vanuit Japan opererende World Haiku Association een internetpagina aan hem, vanwege zijn grote verdiensten op haiku-gebied:
www.worldhaiku.net/poetry/nl/wjvan.molen.htm

In ‘Van de morgen tot morgen’ is het gedicht ‘Herfst’ opgenomen. In deze, al donker wordende, dagen leek me dat wel toepasselijk.

.

Herfst

.

De herfst komt met een tondeuse van wind

en een schaar van zilveren schemerregen.

Met lakens wolken om wachtende bomen.

.

Hij legt in het lover een watergolf van tranen

Hij schudt uit flessen doorzichtig grijs

brillantine van dauw en lotions van dromen.

.

Hij snijdt met een scheermes het licht uit de hemel.

Hij knipt met een schaar het geluid uit de tijd,

met zijn vingers de as van de werkelijkheid.

.

Eddy Evenhuis

Uit de Pas

.

Ik koop en krijg veel dichtbundels. En soms zit er een bundeltje tussen dat op het eerste oog niet zo opvalt maar bij nadere bestudering ineens een klein pareltje te zijn. Ik heb er in de loop van de tijd verschillende ‘gevonden’. Nu lag boven op de stapel met dichtbundels een dichtbundel van Eddy Evenhuis. Eenvoudig vormgegeven, grijsblauwe kaft, linnen rug en alleen in kleien gouden letters de naam van de dichter en de titel ‘gedichten’. Deze kleine bundel is zorgvuldig gemaakt, genaaid en gemaakt van een kwalitatief stevige soort bijna geschept papier.

De 32 pagina tellende bundel bevat 19 gedichten. Op het titelblad blijkt het hier te gaan om de bundel ‘Uit de Pas’ uit 1943, uitgegeven door Homerus Pers. In het Colophon staat te lezen: De gedichten uit dezen bundel zijn voor een deel ontleend uit “Pan in de Stad”, een bundel in voorbereiding. “uit de Pas” werd in 1943 uitgegeven in een oplage van driehonderd genummerde exemplaren. Mijn exemplaar is genummerd 167.

Eerst dacht ik nog dat het een heruitgave was, de staat van de bundel is nog zo mooi, geen verkleuring of verstoffing. Maar het betreft hier een originele uitgave uit 1943. Op https://www.nederlandsepoezie.org lees ik dat het hier een clandestiene uitgave betreft.

Eddy Evenhuis (1920 – 2002) was journalist en dichter. Hij heeft als correspondent (De vrije Pers) ,redacteur en eindredacteur (de Leeuwarder Courant) gewerkt en bij de laatste was hij ook verantwoordelijk voor de bijlage ‘De Lyrische courant’. Ook was hij medewerker aan o.a. Criterium, Groot Nederland, Parade der profeten, De Stem, Het Woord en Maatstaf.

Ik koos uit de bundel ‘Uit de Pas’ het gedicht ‘Gif en verraad’.

.

Gif en verraad

.

Zij was een beker met een blank venijn

en gaf zich bloot aan hem, den schelen drinker,

onhandig tastend naar het glas: wat blinkt er

met meer verraad bij kaars en zonneschijn?

.

Maar door de wereld gaat een oud refrein

vol dwazen weemoed: van zwei Königskinder;

hier blijft de minnaar die of kwartjesvinder,

al zal de liefde wel dezelfde zijn.

.

De een drinkt liefde popelend en grif,

de ander aarzelend, die weer behendig,

er zijn er, die geen toon muziek verdragen,

.

er zijn er, die zelfs bruiloftsmarschen vragen,

maar wat is liefde anders dan vergif,

sneeuwwit of purper, proper of ellendig?

.

De keuze van Frankrijk in 1968

Henry Hes

.

In het kader van (bijna) vergeten dichters wil ik vandaag de dichter Henry Hes bespreken. Henry Hes, of H.Hes of ook wel H.H.J. Hes (1946) is een dichter en prozaschrijver uit Groningen. In de jaren ’60 was hij actief in de Groningse Provo beweging en Ín de jaren zeventig en tachtig was Hes betrokken bij literaire activiteiten in en rond Groningen-stad. Hij was onder meer redacteur bij de kleine uitgeverij De Zon. Henry Hes was medewerker aan onder andere ‘Krödde’ (Groninger poëzie pop) en Remco Camperts tijdschrift ‘Gedicht’.

Uit deze laatste uitgave nummer 6 uit 1975 nam ik het gedicht ‘de keuze van Frankrijk in 1968’.

.

de keuze van Frankrijk uit 1968

.

aan la frontière moetsen de spullen

uitgepakt worden, waaronder

een gave paardenschedel

gerold in een regenjas

.

afgrijzen bij de douane

om al die loszittende tanden

opluchting omdat het geen

mens was, al dat schrijfwerk

.

de verbeelding was nog niet aan de macht

de schedel werd te licht bevonden

en mij werd de ruimte keuze gelaten

.

niet naar Parijs te gaan

aan de belgische kant van de grens

te blijven of erg snel te verdwijnen

.

Einde van een cultuurperiode

50 jaar Poetry International

.

Afgelopen donderdag was de start van de 50ste editie van Poetry International in Rotterdam. Alle reden om deze week eens extra aandacht te besteden aan een aantal dichters van internationale naam en faam die in de loop van die 50 jaar optraden tijdens dit prachtige festival. in de loop van die 50 jaar zijn er verschillende keren boeken en bundels uitgegeven waarin de dichters ruimte kregen om hun poëzie te delen met de lezer. Altijd in de eigen taal en in een vertaling.

Ik wil beginnen met de dichter Erich Fried. die al in 1971 optrad tijdens Poetry International samen met 31 andere dichters uit 20 landen. De Rotterdamse dichter Jules Deelder opende toen het festival, een taak die tot 1983 aan een stadsgenoot of inwoner van het Rijnmondgebied was voorbehouden.

Erich Fried (1921 – 1988) was een Oostenrijks schrijver, dichter en essayist van Joodse afkomst. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Engeland. Hij schreef echter steeds in het Duits. In 1938 emigreerde hij naar Londen en werkte daar als arbeider, chemicus, bibliothecaris en redacteur. Fried was een geëngageerd dichter en schrijver, zo publiceerde hij in de jaren 60 twee anti-Vietnam bundels. Ook trok hij, Jood zijnde, de aandacht met zijn uitgesproken atheïstische en antizionistische opvattingen en zijn stellingname tegen Israëls Palestijnenpolitiek.

Uit de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry international’ 1970-1984  het gedicht ‘Einde van een Cultuurperiode’ of Ende einer Kulturepoche’ in een vertaling van Gerrit Kouwenaar.

.

Einde van een cultuurperiode

.

De kampcommandant

een ontwikkeld man

had zijn bekentenis

in het net geschreven

en nog een paar formuleringen

verbeterd

en hier en daar

een kwinkslag ingelast

.

Maar ze lachten niet

en hij zei ten slotte

‘Voor de humor voorzie ik

treurige tijden.’

.

Ende einer Kulturepoche

.

Der Lagerkommandant

ein gebildeter Mann

hatte sein Geständnis

ins reine geschrieben

und einige Formulerungen

noch verbessert

und da und dort

einen Schertz eingefügt

.

Aber sie lachten nicht

und er sagte zuletzt

‘Nun kommen schlechte Zeiten

für den Humor.’

.

De Poëziebus gaat weer rijden

Jens Meijen

.

De Poëziebus is een tour, in een klassieke rode bus, voor podiumdichters waar maar liefst 20 podiumdichters uit Nederland en België  in meerijden. Dit jaar rijdt de bus van 5 tot en met 11 augustus 2019 door Nederland en Vlaanderen. Onderweg treden de podiumdichters voor en verzorgen zij workshops. De bus stopt in verschillende steden op de route die binnenkort wordt bekend gemaakt op https://poeziebus.nl/

In de aanloop naar de tour zal ik een aantal van de podiumdichters aan jullie voorstellen. Vandaag de dichter Jens Meijen.

Jens Meijen (1996) is masterstudent in de Europese studies aan de KU Leuven, recensent bij Humo, kernredacteur bij Dietsche Warande en Belfort, journalist bij De Morgen, redacteur bij Greenpeace België en auteur bij de Bezige Bij. Eind dit jaar verschijnt daar zijn debuutbundel.

 

Aderlating

I. Anatomie van de adem
Teken de setting: landschap, akker, net Kroatië maar uit een ander leven. Kleine kerk daar, lang geleden gebombardeerd. Bos verderop. Wij twee schimmen.
Avond stuitert op oogvliezen.
Teken de blauwdruk labyrintijn:
Ik ben de ruïne van de handen,
knagend aan je hersenstam
De ruïne van de adem,
rafelig als zonlicht door een bladerdak
De ruïne van de daden,
Gemorst in een stoffig, gedempt universum
Gemaanlandschapt onder mijn voeten:
grijsgroen door een nachtkijker, kale bomen, witte woestijn.
We reizen waaiend.
Ik ben het egotrippend glas-in-loodraam
mors oker en rood over de vloer
er bestaan nog steeds:
cadillacdromen uit Vietnam, glitternaaimachines, zonnelikkers, vormeloze zeepaardjes
Verwijs naar relevante denkers: Baudrillard, de Beauvoir, de Baai van Biskaje,
zeeboezem zeeboezem zeeboezem zeeboezem zeeboezem
bosdij bosdij bosdij bosdij bosdij bosdij bosdij bosdij
junglenek junglenek junglenek junglenek
dit is zoals het vangen van vlinders, woorden te drogen leggen, betekenis verdampen
(maak tantrisch bewust van hoe belachelijk taal, hoe klank)
ik het kind in de herfst plak bladeren tussen een boek tot herbarium
bewaar ook mensen tweedimensioneel in encyclopedieën
de mooiste woorden zijn rozijnen,
ze kruipen als druppels azuur tropisch water achter mijn oogleden,
laten niets ontsnappen.
Bedek mijn oren met kleverig boomsap
dit dient nergens toe.
Direct en parallel een melding op mijn smartphone: volg de scheiding van Harry en Meghan via livestream.
Je stem rinkelt als de maan twijfelend om op te stijgen, oranje zeilen in de nek.
Juist, de wereld draait voort.
Je propt de schapenwolken in mijn oren. Verdoving.
(Werkt het beter als ik vooraf verraad wat ik wil doen? Is de keuze eerlijkheid of leesbaarheid?)
Opnieuw probeer ik te pauzeren,
de wereld te ontdraaien, aardkorst te appelschillen, met mijn tenen te stoppen.
Is de lucht van glas? Zoet spek?
Bosdij ruikt naar een geurkaars. Plantaardig is het ding met peren.
Dromen zijn een raadsel en het gaat als volgt
Het smelt in je hoofd en niet in je hand
Teken je omgeving, wees oprecht:
De korenbloemen aan de rand van dit veld zijn indigo, scherp, gevlekt
hun windgeruis, het meebuigen, hun zingende mensachtige stemmen
kathedralen erfenis.
Terminators en Robocops zullen de aarde redden.
Glimmende metalen tuinen, palmbomen gemaakt van lichtzwaarden,
fonteinen fluoblauw, velden vol buitenaardse gewassen; bos vol infraroodbananen.
De zon bedekt ons met gloeiende vingers. Neonroze, neonpaars.
Zoek met mij naar synthetisch Babylon.

II. Narcose
Wandeling door de Alpen, lucht blauwer dan donkerzwart,
wanneer we in de ochtend
dronken van de zachte glazen cassisvodka uit de nachtwinkel (ook in bergdorpen)
zwachtelend om onze hersenen, mistig weilandschap nu, schemervroeg,
onze stemmen als loeiende koeien naar elkaar,
mijn smartphone een klinkelbel meldt: windhoos op komst.

Op de bergtop neem je de pose aan
van een kerstboompiek, ontdekkingsreiziger, roodgloeiende edelweiss
tot je handen zich dompelen in de poel boven ons hoofd.
De wind wordt sterker; ik zie een sterrenbeeld dat lijkt op een velociraptor. Dinosauriër was het ding met veren.
Je zegt: Het internet is al bijna ons brein. Onze hivemind. Ons collectief bewustzijn. Ons geweten vol rioolwater. Duurt niet lang meer.
De wind vlecht in elkaar, huilt, heft het dal omhoog uit de bergen, een zeppelin,
een vliegdekmoederschip tot zweven gebracht.
Wanneer we in de ochtend, lucht nog cassiskleur,
onze ogen op elkaar afstemmen,
giechelende sonars
– ze bevroeden spoken –
Zwitserland gekneed uit gekleurde klei,
klimop groeit als een ladder uit de maan naar beneden.

We blazen rookringen door het bos. Onder groene lampenkappen, in de diepte het dorp. Beekjes glibberen over onze groene wanden.
Houten stammen zijn mijn polsen, spechten zijn mijn hartslag.
De windhoos heeft berken gebroken
(net zebrapoten uitgelepeld door de zwaartekracht)
onze oren uitgewassen
de huizen beneden gespikkeld met afwezigheid van dakpannen, hagelslag.
Nu klatert
de zon door het dal naar beneden.
van veel te diep uit mijn mond stromen bedonsde woorden,
gorgelend, de gruzelementen ontslipt
aan de frangipane die je mijn verhemelte noemt
die kruimelt als de klanken hier, in dit bos, de vogels die ik vermoed te zijn,
hier, het ritselen dat me doet denken aan een sluipende panter,
achter me, het geluid van klauwen die uit poten schieten.
Je gezicht: een chronologisch vijgenblad.
III. Aurora
De lucht een lila schildpadschild omkoepelt ons.
Het is elk jaar opnieuw zo: in de zomer licht je op als aardbeien op bosgrond, ruikt je haar in de nacht weer naar de maangetijden. En het zout van onderaarde.
Lig met mij op donkere plekken.

Er is een planeet net als de onze; op de juiste dagen
wanneer de banen kruisen
smelten ze samen.
Je merkt het aan de heldere aflijning van straatlampen,
het terpentijnig sijpelen van kleur,
lakmoes, proef onze pogingen
om een dierentuin te sprokkelen.

Drinken aan iets, bier of schaaldieren misschien
Een langzame rij melkvoetstappen herhaalt zich,
een mars denk ik.
Wij worden gedragen van de aarde af,
zoetwitte schapenpootjes,
kousenvoeten, limoenbomen
Zouden we ooit het Noorderlicht zien?
De wapperende snoekgroene gordijnen van de ruimte opzij schuiven?
Zouden we elkaar ooit tot stofwolken bijten?
Hoeveel natuur moet ik nog met ons vergelijken om hetzelfde te zeggen
Alleen dit licht
Dit licht is echt

Tienminutengesprek

Esther Jansma

.

Dat dichters maar zelden alleen dichter zijn mag bekend zijn, van gedichten schrijven valt nu eenmaal niet te leven (een enkele uitzondering daargelaten uiteraard). Vaak schrijven ze naast poëzie ook proza, columns of korte verhalen, liedteksten of andere teksten. Er zijn er ook die naast hun dichterlijke leven nog een andere baan hebben zoals journalist, redacteur of directeur van een bibliotheek. Esther Jansma is wat dat betreft toch een beetje een vreemde eend in de bijt. Zij is naast dichter ook prozaschrijfster en archeologe!

Ze debuteerde in 1988 met de dichtbundel ‘ Stem onder mijn bed’ waarna nog verschillende dichtbundels volgde. Voor haar werk ontving ze onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en de A. Roland Holst-penning.  Uit haar bundel ‘ Voor altijd ergens’ uit 2015 koos ik in deze vakantieperiode voor het gedicht ‘ Tienminutengesprek’.  Een grappig en schurend gedicht waarbij ik onwillekeurig moest denken aan de televisieserie de Luizenmoeder.

.

Tienminutengesprek

.

Nadat de onderwijskrachten met man en macht
op vrouwelijk zuchtend voorovergebogen begrip
simulerende wijze waren uitgewoed – en weet

dat daar woede bij zat, banieren grof rood door
het hoofd, intonaties die intenties uit koers rammen –
hadden de van schrik en noodlottige toekomsten

verstijfde tegenover de krachten op hun verzoek
aan knielage tafels neergekrompen in stoeltjes geklemde
zorgers voor hun zoon het volgende bereikt:

Een: wij gaan ons best doen omdat wij goed zijn.
Twee: over een maand weten wij of zijn leven
gaat lukken. Wij melden dat desgewenst schriftelijk.
Drie: dit is een productafspraak.

.

%d bloggers liken dit: