Site-archief

Binnenhof

Lieven Rens

.

De Vlaamse dichter Lieven Rens (1925 – 1983) schreef elf dichtbundels. Hij was recensent in diverse kranten en tijdschriften, gerenommeerd wetenschapper inzake het renaissancedrama in de Nederlanden in het bijzonder de werken van Joost van den Vondel. Daarnaast was hij hoogleraar Europese en Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).

In 1948 debuteerde hij met de bundel ‘Schrikkeljaar’waarna hij tot zijn voortijdige overlijden (in 1983 overlijdt hij aan de gevolgen van een tragisch ongeval) om de paar jaar een dichtbundel publiceert.

Als dichter behoorde hij aanvankelijk tot de groep van ‘Nieuwe Stemmen’ een tijdschrift van de katholieke jongeren, waarvan hij van 1951 tot 1958 redactielid was. Zij streefden een katholiek reveil na, en gingen aldus in tegen die andere naoorlogse stroming het existentialisme, die, volgens hen, teveel nihilistisch van aard was. Ook keerden ze zich af van de experimentelen en geloofden in de kracht van de grote klassieke traditie.

Zijn dichterschap is in drie delen te beschouwen: de eerste 11 jaar dicht hij vooral over de liefde en de verwording van de westerse cultuur. In de acht jaar die daarop volgen verwoordt hij de spanning tussen het menselijk verblijf in het aardse en de hemelse bevrijdingshunker. en verinnerlijkt en vergeestelijkt hij  zijn poëzie in een reeks, landschappen, stillevens en portretten. In de laatste 7 jaar van zijn dichterschap evolueert hij naar een soort woordpoëzie, die haar eigen vorm en ritme vastlegt. Versregelbouw en woordschikking worden grilliger, associaties en referenties verruimen zijn poëtische wereld.

Voor zijn werk ontvangt hij enkele prijzen waaronder de Guido Gezelleprijs 1972-1976 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor de dichtbundel ‘Leander’.

Uit de tweede periode van zijn dichterschap stamt de bundel ‘Op gouden grond’ (1971) waaruit het gedicht ‘Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)’ is genomen.

.

Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)

De platgetreden wegen,
Het gladgeschoren gras,
Alles ligt effen als een plaat van glas.

Heel even een bewegen
Van mus en mus, en soms
Een rilling onder de geraniums.

Ik voel de wereld wegen –
Iets is op til –
Iets moet gebeuren of de tijd valt stil.

.

Advertenties

Beroemdheden met dichterlijke aspiraties

Amber Tamblyn

.

Regelmatig komt het voor dat beroemdheden dichterlijke aspiraties hebben. Op 24 december 2012 schreef ik al eens over de ‘dichtkunst’ van Charlie Sheen (o.a. Two and a half men) en Leonard Nimroy (Star Trek) en later op 1 juli 2015 over de poëzie van Britney Spears en Alicia Keys. En pas geleden nog, op 10 december, over de gedichten van Marilyn Monroe. Aan dit toch al aardige aantal wil ik de komende tijd nog wat voorbeelden toevoegen. Om te beginnen met de actrice Amber Tamblyn.

Amber Rose Tamblyn (1983) speelde als actrice in televisieseries zoals General Hospital, House en Inside Amy Schumer en in films als Spring Brakedown en 127 Hours. Toch is ze ook als dichter al redelijk bekend. Ze publiceerde een aantal zelf uitgegeven poëziebundels voordat in 2005 Simon & Schuster Children’s Publishing haar vroege gedichten (geschreven tussen haar 11de en 21ste jaar) publiceerde met de titel ‘Free Stallion’. Over dit debuut schreef Poet Laureate Lawrence Ferlinghetti: “A fine, fruitful gestation of throbbingly nascent sexuality, awakened in young new language.” In 2009 volgde de bundel ‘Bang Dito’ bij Manic D. Press. Vanaf 2011 recenseert Tamblyn poëziebundels voor het feministische BUST Magazine. In 2014 werd door Harper Collins haar derde poëziebundel uitgegeven met de titel ‘Dark Sparkler’ die over het leven en de dood van kindsteractrices gaat. 

Op de website http://www.thrushpoetryjournal.com verscheen van haar het gedicht ‘Laurel Gene’ uit ‘Dark Sparkler’ dat hieronder te lezen is.

.

Laurel Gene

.

Shave off the sheets of my songless childhood success,
expose the rotted age of me now―
My toothless breasts, my hips like a cracked Texas cow skull
hanging crooked on the butcher’s wall.

Remember what I once was.
The laurels of the Gene name.
My boom impact on the Baby Generation.
My pre-pubescent niche pizzazz.

Remember how the phone threw offers
for Little Jenny Sues into my Father’s ear.
He’d suck the bucks out of the cord like a straw into a spectrogram.
I never got a single sip.

I was his dark sparkler. A tarantula on fire.
An innocent with apple juice eyes and a brain
full of famished birds.

I used to play characters. Now I am portrayed.
As a dull domestic darling. A 30 year old 80 year old.
My husband’s office phone rescinds in silence. The only offers
are from the sink’s silverfish to kill them.

When I vacuum I think of Ingmar Bergman
fucking me from behind. I open
like the palms of Julius Cesar to a crowd.
Men used to rearrange their months to fit my seasons.

I suck a finger then the caldron in his tip.
He films my apron sticking to the sweat.
Makes this bad heart a pulse from the sky.
I am a distant explosion of myself again. A star.

Remember being a star.
This is how to die in the arms of a suburban wind,
learning how to be forgotten
over and over again.

.

 

Voedselverspilling

Ivanka de Ruijter

 

De nieuwe stadsdichter van Wageningen, Ivanka de Ruijter (1993) is afgestudeerd Neerlandica, maar studeerde ook twee jaar Autonome Beeldende Kunst aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Naast kunstenaar is ze boekhandelaar bij Boekhandel Kniphorst in Wageningen, stadsdichter (vanaf 2018) en recensent bij het literair weblog Tzum. Op haar website http://ivankaderuijter.nl/ is naast genoemde zaken ook beeldende kunst van haar hand te bekijken.

Naar aanleiding van het klimaatontbijt over voedselverspilling afgelopen juni in Wageningen schreef zij het gedicht ‘Recept van wat restte’.

.

Recept van wat restte

.

Men neme de restjes van wat werd gegeten
Overbodige paprika’s, brakke berkenboleten
Men neme een ui van net ietsje te oud
strooit met specerijen – waar de geliefde van houdt

Men neemt wirrewarwortels, bleke bleekselderij
en snijdt dan dit alles met het keukengerei
Serveer de kromkommers, als een lach in het groen
Vul naar eigen wens aan, wel liefst volgens seizoen

Oogst bij de Eng wat niet mee werd genomen

Gooi dat in de pan, laat daarna nog wat stomen.

Ruik wat, en proef dat en wrijf in uw handen

Verheug u, dek tafel, en laat niets verbranden.

Nodig iedereen uit, vergeet niet te testen
En dien dan trots op: het gerecht van wat restte

.

                                                                                                              Ivanka voor boekhandel Kniphorst in Wageningen

Abracadabra

Delphine Lecompte

.

Delphine Lecompte (1978) debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler, daarna schakelde ze over naar gedichten in haar moedertaal. Voor haar debuutbundel ‘De dieren in mij’ kreeg ze de C. Buddingh’-prijs 2010 en de Prijs Letterkunde 2011 van de Provincie West-Vlaanderen. Hierna volgde nog bundels als ‘Verzonnen prooi’ (2010), ‘Blinde gedichten’ (2012), ‘Schachten en amuletten’ (2013) en ‘De baldadige walvis’ (2014), ‘Dichter, bokser, koningsdochter’ (2015 waar ze mee genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs) en ‘Western’ uit 2017.

Delpine Lecompte verhult niets in haar poëzie, bedient zich van een poëtica zonder franjes en jongleert met taal, aldus een recensent. Oordeel zelf. Uit de bundel ‘Western’ uit 2017.

.

Abracadabra in zijn slaap

.

Een man verleidt mij met een woordspeling
Hij is een pas ontslagen kraanmachinist
We nemen de bus naar de badstad waar ik leerde vechten
Vechten, tellen, stelen, lezen, schrijven, goochelen, turnen
De andere buspassagiers zijn jong en keurig.

Ik haat keurigheid in jonge mensen
Ik haat keurigheid in oude mensen
Ik haat keurigheid
Mijn vader is keurig
Ik haat mijn vader niet, hij staat op het punt om maagkanker te krijgen.

De pas ontslagen kraanmachinist zegt: ‘Ik draag mijn moeder op handen.
Toen ze zeven was heeft ze een duiker gered.’
‘Gered waarvan?’ Vraag ik oprecht nieuwsgierig
‘Van zichzelf natuurlijk!’
We stappen uit de bus, de zee oogt oud en wellustig.

Ik hou van wellust in oude mensen
Ik hou van wellust in jonge mensen
Ik hou van wellust
Mijn moeder is wellustig
Vroeger dacht ik dat ik mijn moeder niet graag zag, nu weet ik dat ik haar aanbid.

We delen een wafel, we strelen een opblaasboot
De boot is lek, de wafel is teleurstellend
In een bunker bedrijven we de liefde
De pas ontslagen kraanmachinist klinkt als een gewonde reiger
Wanneer hij klaarkomt, het is een afknapper.

Na de seks valt hij in slaap
Hij zegt verscheidene keren ‘abracadabra’ in zijn slaap
Dat vind ik grappig.

.

Inktallergie

Bas Belleman

.

Bas Belleman (1978) is dichter, journalist, columnist en recensent voor onder andere Awater en Trouw. Zijn debuutbundel ‘Nu nog volop ventilatoren’ (2003), verschenen in Komrij’s Sandwich-reeks, werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs.

Uit zijn debuutbundel het gedicht ‘Inktallergie’.

.

Inktallergie

.

zachte nagels, de allerzachtste nagels

zachte tanden, de allerzachtste tanden

.

ik ben een mens maar dat zijn er wel

meer en het zijn er te veel

ik heb nauwelijks recht van spreken

.

verwacht niet mijn teksten met een beitel

in de muur ik heb een ergonomisch toetsenbord

anti-RSI de allerzachtste geruisloze toetsen

.

ik heb een inktallergie en een laserprinter

.

BB

NNV

Couveuse

Paul Gellings

.

Voormalig stadsdichter van Zwolle, gemeenteraadslid, docent  Franse Taal- en Letterkunde, vertaler, schrijver en dichter. Paul Gellings (1953) is een veelzijdig man. In 1976 debuteerde hij met de poëziebundel ‘Tragiek van een jonge haan’ waarna nog 5 poëziebundels volgde alsmede een aantal romans.

Gellings publiceert met enige regelmaat gedichten, novellen en artikelen in literaire tijdschriften als ‘De Gids’, ‘Bzzletin’, ‘Hollands Maandblad en ‘Tirade’. Ook is hij werkzaam als recensent bij ‘De Stentor’ en het ‘Nieuw Israëlietisch Weekblad’.

Zijn bundel ‘Het oog van de egel’ werd in 1991 genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs en in 2012 werd hij, door het Franse ministerie van Cultuur benoemd tot Chevalier dans l’Ordre des Palmes Académiques (Ridder in de Orde der Academische Palmen) voor zijn inzet voor de Franse Taal- en Letterkunde.

Uit de bundel ‘Antiek fluweel’ uit 1997 het gedicht ‘Couveuse’.

.

Couveuse

.

Kijk hoe stil ze worden bij de luier

die het klein karkas omvat, zoals de

scherf van een eierschaal het beetje

leven dat de avond niet zal halen.

.

De telefoon eruit, gordijnen dicht,

zo groot en zo onwerkelijk hun huis

vandaag. Kijk hoe stil ze zijn nu,

niet ontwaken uit hun boze droom.

.

Erheen, steeds maar weer erheen;

in kijken schuilt nog altijd wat

beweging en in traanvocht hoop.

.

Kijken – en vooral niets zeggen,

want in het woord loert gevaar:

is het gezegd, dan is het waar.

.

Gellings

SONY DSC

Foto: Pieter Gellings

Congregation

Parneshia Jones

.

Over de dichter Parneshia Jones schrijft recensente Ellen Hagan: “ze is een vloeiende, gestage golf , ze is het coole Chicago vermengd met de het late en langzame  kruipen van de zondagochtend in New Orleans. Ze is een wereld van een vrouw, een Renaissance moderne priesteres van de planeet aarde”.  Parneshia Jones groeide op in de openbare bibliotheek van Evanston, Illinois, en de keuken van haar moeder. Het lezen en schrijven werden voor haar een tweede natuur.

Na haar studie ging ze aan het werk als marketing assistent voor de Northwestern University Press. De laatste twaalf jaar werkte ze voor schrijvers van Pullitzerprijzen, Nobelprijzen en winnaars van de Academy Award. Hierdoor en door het feit dat ze veel ervaring heeft opgedaan met auteurs vanuit de hele wereld op het gebied van poëzie, fictie, theater, voordrachtskunst, literatuur en filosofie, maken dat ze een zeer brede kijk heeft gekregen op het geschreven woord. Dit is ook van grote invloed geweest op haar eigen werk.

Zo schreef ze veel over zwarte vrouwelijke auteurs, maar met name haar debuutbundel ‘Vessel : poems’ werd zeer goed ontvangen en kreeg meerdere prijzen. Uit deze bundel het gedicht ‘Congregation’.

.

Congregation

.

Weir, Mississippi, 1984

Sara Ross,
Great and Grand-mother of all
rooted things waits on the family porch.
We make our way back to her beginnings.

Six daughters gather space and time
in a small kitchen.
Recipes as old as the cauldron
and aprons wrap around these daughters;
keepers of cast iron and collective

Lard sizzles a sermon from the stove,
frying uncle’s morning catch
into gold-plated, cornmeal catfish.
Biscuits bigger than a grown man’s fist
center the Chantilly laced table of yams,
black eyed peas over rice and pineapple,
pointing upside down cake.

The fields, soaked with breeze and sun,
move across my legs like Sara’s hands.
Chartreuse colored waters, hide and seek
in watermelon patches, dim my ache for Chicago.

Peach and pear ornaments
hang from Sara’s trees. Jelly jars tinted
with homemade whiskey,
guitar stringing uncles who never left
the porch, still dream of being famous
country singers.

Toothpick, tipped hats and sunset
linger as four generations come from
four corners to eat, pray, fuss and laugh
themselves into stories of a kinfolk,
at a country soiree, down in the delta.

.

vessel

parneshia

Waarom doe ik dit?

Persoonlijk bericht

.

Op de blog van Bouke Vlierhuis, voorheen recensent (hij recenseerde o.a. mijn bundel ‘Zoals in maart de wind graven beroert’) en dichter, tegenwoordig contentmarketeer, las ik een heel aardig bericht waarin hij bij zichzelf te rade gaat over het hoe en waarom van het schrijven van Blogberichten. Wat er nu eigenlijk in zo’n bericht staat en of dat wel zo interessant is voor u, de lezer. Of zoals hij het stelt: ‘Als je passie voelt voor wat je doet, dan komt die vanzelf naar voren als je jezelf de ruimte geeft om eens vrijelijk na te denken over je vak en over andere dingen.’

Dit zette mij aan het denken en daarom vandaag iets meer over mij, dit blog en het hoe en waarom. Uiteraard afgesloten met een gedicht (ik kan het toch niet laten).

Vanaf jonge leeftijd schrijf ik gedichten. Ik herinner mij nog heel goed dat ik mijn eerste gedichtje schreef ( ergens op dit blog in de categorie Gedichten van voor 2008 te vinden) en toen heel enthousiast werd van het feit dat je een heel verhaal in een aantal zinnen kon vertellen door simpelweg je woorden goed te kiezen en je fantasie de ruimte te geven.

Vanaf dat moment heb ik altijd gedichten geschreven. Terug kijkend zijn deze gedichten vaak heel slecht en vooral de rijmdwang die ik mezelf toen onbewust oplegde droeg daar in grote mate aan bij. Maar door de jaren heen merkte ik ook dat mijn ‘stijl’  van dichten meer vorm kreeg en de gedichten beter.

Door een toeval kreeg ik de uitnodiging om gedichten te schrijven bij foto’s van kunstenaar/fotograaf Ruben Philipsen. Deze foto’s en gedichten resulteerden uiteindelijk in de uitgave van mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen’  bij uitgeverij De Brouwerij, eind 2007.

Even daarvoor, oktober 2007, ben ik begonnen met (de voorloper van) dit blog op web-log.nl

In eerste instantie om bekendheid te geven aan het feit dat van mij een bundel was uitgegeven. Toen dit echter een feit was realiseerde ik me dat hierover schrijven op een blog wel erg beperkt was. Door opnieuw een toeval kreeg ik een foto onder ogen van een gedicht op de muur van een wc en daarmee begon eigenlijk de uitbreiding van mijn blog. Ik begon met de categorie Gedichten op vreemde plekken.

Toen zag ik dat het schrijven over poëzie eigenlijk ook heel erg leuk was om te doen. Ik las steeds meer poëzie, begon steeds vaker voor te dragen, deed aan wedstrijden mee en er werden her en der gedichten van me gepubliceerd.

Nu, 8 jaar verder, kan ik me een leven zonder poëzie en het schrijven over poëzie niet meer voorstellen. Het heeft me veel gebracht. Er gaat geen dag voorbij of ik lees over dichters, poëzie of gedichten. Om me heen, in kranten, tijdschriften, tv en internet heb ik een open oog voor poëzie. Valt me iets op dan noteer ik dat om er later over te schrijven.

in de loop der jaren ben ik steeds meer te weten gekomen over poëzie, over stijlen, stromingen, dichters, organisaties en ga zo maar door. En die kennis delen is wat ik eigenlijk nog het leukste van allemaal vind. Dat en gedichten schrijven. Dat zal ik de rest van mijn leven blijven doen, want de gedachte die ik in mijn tienerjaren had over de kracht van een gedicht, is in al die jaren niet veranderd.

Mijn vaste lezers wil ik bedanken voor hun likes, hun commentaren, reacties en hun enthousiasme, inmiddels heb ik 300 volgers op dit blog. Ik schrijf rustig door. Heb je suggesties of vragen of zomaar een opmerking dan ben en blijf je van harte welkom.

Zoals gezegd een gedicht tot slot.

Uit mijn tweede bundel, die ik samen met Alja Spaan publiceerde,  ‘Je hebt me gemaakt met je kus’ het gedicht ‘Ik wil je’.

.

Ik wil je

.

Ik wil je hals verkennen

mijn lippen op je huid

de vroege lenteregen

zo dauwzacht in je haar

.

mijn verzen wil ik lispelen

in zacht rijmende woorden

golvend rond je borsten

egaal gevormd en rond

.

mijn handen wil ik vlijen

in een hart rondom je middel

voor altijd naadloos passend

als liefde in mijn hoofd

.

mijn tanden wil ik zetten

in je warme, kruidige spijzen

ik hap je af, plaag je met

mijn dorstlessende mond

,

jouw adem wil ik slikken

je lippen als ontbijt

me steeds intens verheugen

op al wat je belooft

.

je-kus

Regelafbreking

Jannah Loontjens

.

Vanmorgen las ik in het boekenkatern van de Volkskrant een recensie van Dat ben jij toch van dichter Jannah Loontjens. De recensent Erik Menkveld haalt hierbij een paar regels aan “Ik. Hier in bed, naast mijn / geliefde, zijn slapend gezicht vlakbij” en schrijft daar dan tussen haakjes achter ‘Let op de prachtige regelafbreking’.

Nu weet ik hoe belangrijk regelafbrekingen kunnen zijn in de poëzie, door het laten vallen van een korte stilte kun je de woorden voorafgaand en volgend op de stilte extra lading meegeven. Het komt voor dat, wanneer ik een gedicht voordraag, ik merk dat ik andere stiltes laat vallen dan dat ik zelf in de tekst heb aangebracht. Als iemand anders de tekst van datzelfde gedicht zou lezen zou dat kunnen leiden tot een ander begrip van het gedicht.

Hoe belangrijk regelafbrekingen zijn bleek vorig jaar bij de beoordeling van gedichten voor de Nationale Turing Gedichtenwedstrijd. Een groot aantal gedichten was ter beoordeling aangeboden aan de (voor) jury waarbij de regelafbrekingen verdwenen waren. het was alsof er in sommige gevallen geen poëzie was ingezonden maar een kort stuk proza. Deze gedichten waren dan ook onverminderd niet door naar een volgende ronde.

Terug naar Jannah Loontjens. Toen ik de regels uit haar gedicht las in de recensie moest ik een paar keer lezen voor ik begreep waarom de recensent deze regelafbreking zo “prachtig” vond. Laat maar eens een wat langere stilte vallen na ‘mijn’ en spreek dan geliefde extra sterk uit. De combinatie met ‘zijn slapend gezicht vlakbij’ geeft deze regels dan ineens iets extra’s.

Soms moet je poëzie herlezen of hardop lezen om de schoonheid ervan te begrijpen.

.

dat

Zoet en fruitig versus Zuur en bitter

Of: een recensie van een recensie

De afgelopen week bekeek ik het nieuwe tv programma ‘De nieuwe Rembrandt’ samen met mijn vrouw en dochter. In dit programma worden door 3 ‘experts’ kunstwerken beoordeeld op hun ‘Rembrandtfactor’. Mijn dochter werd al snel opstandig van de opstelling en de air van de ‘experts’.  Zo was er een groot wit kruis met daarop een kruisbeeld waaraan een koordje hing. Als je daar aan trok klonk een kinderliedje. De kunstenaar vertelde daar over dat het een aanklacht was tegen het kindermisbruik in de kerk. Duidelijk.

Toen het kunstwerk binnen werd gebracht voor de ‘experts’ werd er lacherig over gedaan, er werd dan nog net aan het touwtje getrokken maar het kunstwerk werd weggezet als niet ter zake doende. Mijn dochter vond dat heel onrechtvaardig. Waarom mag zo’n kunstenaar niet vertellen wat het idee is achter zo’n kunstwerk? Ik verdedigde toen nog het besluit van de programmamakers door te zeggen dat een kunstwerk als uniek werk een eigen zeggenschap moet hebben en dat in een museum ook niet bij elk kunstwerk wordt uitgelegd wat de kunstenaar er mee bedoeld heeft.

Later bedacht ik, na het lezen van een tv recensie in de Volkskrant, dat er wel degelijk iets mankeerde aan dit programma. Er werd door de ‘experts’ niet serieus nagedacht over de aangeboden kunstwerken. Een blik op het werk en men had zijn mening klaar. Niet nadenken of doordenken over wat er werd aangeboden, wat de diepere laag zou kunnen zijn. Ongetwijfeld om de vaart in het programma te houden. Terwijl er ook een kunstwerk werd binnengebracht dat al goed werd bevonden op basis van de naam van de kunstenaar. Deze was bij één van de ‘experts’ bekend en de twee andere volgde dociel zijn mening en vonden het werk ook meteen heel erg goed.

Waarom schrijf ik dit?

Ik moest hieraan denken toen ik gisteren door een goede vriend opmerkzaam werd gemaakt van het feit dat er een recensie van mijn laatste bundel was verschenen op Meander. Ene Kees G. te A. had zich aan mijn boek gezet op een manier die bij mijn vriend het stoom uit zijn oren deed komen. “Wat denkt die overjarige elitaire hippie wel. Naar mannetje met zijn paardenstaartje.”, hij had inmiddels op internet informatie ingewonnen over de schrijver van het ‘zure, naargeestige stuk’

Ik heb de recensie gelezen had daar de volgende gedachten bij.

Kees G. beweert van alles maar geeft geen voorbeelden.  Niets prikkelt, alles is saai en als voorbeelden geeft hij dan korte stukjes van soms maar een paar woorden. Uit de context getrokken zonder verder commentaar waarom dat dan blijkbaar saai of monotoon-brommerig zou zijn.  Als dieptepunt wordt het enige rijmende gedicht aangehaald. Pijnlijk noemt Kees G. het. Waarom Kees? Waarom is dit pijnlijk? Geef daar duiding aan, neem je werk als recensent serieus.

Laat ons neuken Nora, je windt me op
want alleen jij kunt je lippen zo tuiten
als ik streel over het vlees aan je kuiten
kom schat, nog een keer, hoppa-hoppa-hop

O, maar nu begrijp ik het zal je zeggen.  Maar is dat zo? Dit is een strofe uit een gedicht van Kees G. Een strofe uit een gedicht waarmee hij een prijs heeft gewonnen. Wederom, zo uit de context getrokken zou je kunnen zeggen: lekker vulgair met een kinderlijk rijmpje aan het einde (quote bevriende dichter).

‘Als je poëzie serieus neemt, dan is er maar een maatstaf, de hoogste.’ Schrijft Kees G.  Is dat zo Kees?

In de afgelopen jaren ben ik verschillende keren door dichters en aankomende dichters  benaderd en gevraagd om commentaar te geven op hun gedichten. Dat heb ik altijd met nuance gedaan, niet alleen maar de zwakke punten benoemen maar vooral de sterke kanten benadrukken, stimuleren, enthousiasmeren. Een paar van deze mensen zijn inmiddels zelfs door Meander geïnterviewd en als talenten bestempeld. Wat ik maar wil zeggen is dat de beschrijving van Kees G. een zeer eenzijdig beeld schept van de werkelijkheid.  Ik heb mijn bundel er even bij gepakt (en je kunt dit verifiëren door mijn blog te lezen) en wat blijkt: 3 gedichten uit de bundel hebben de eerste prijs gewonnen in poëziewedstrijden waaronder die van de LAZ en de SLAU, 4 gedichten zijn genomineerd in poëziewedstrijden of waren laureaat gedichten en maar liefst 15 gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften, magazines en op literaire en /of poëziewebsites op het internet.

Tientallen mensen vonden mijn gedichten blijkbaar goed of goed genoeg. Wie zou er dan gelijk hebben, al die mensen en de inmiddels honderden mensen die mijn bundels hebben aangeschaft of Kees G. ‘Een zwetende schilferige zestiger’ (quote bevriend dichter)?

De kwalificaties van mijn vriend hebben allemaal door mijn hoofd gespeeld, de eerste keer dat ik de recensie las, daar ben ik heel eerlijk over, als je integriteit en je rechtvaardigheidsgevoel wordt aangetast verval je snel in vileine termen. Ik ben de eerste die zal erkennen dat niet al mijn gedichten even goed zijn, dat ik wel eens in de val van het cliché trap of dat mijn poëzie soms wel erg abstract is (dat is ook zo). Tegelijkertijd weet ik dat veel mensen van mijn gedichten genieten en dat ze mijn poëzie waarderen. De mening van 1 mens kan daar niets aan veranderen.

Ik hoop met bovenstaand stuk een eerlijk tegengeluid te hebben gegeven. En Meander? Meander stond een aantal jaar geleden te boek als licht elitair en nogal negatief in haar besprekingen van ‘minder bekende dichters’. De afgelopen jaren is daarin verandering in gekomen en ik beschouw de recensie van Kees G. dan ook maar als een incidentele terugval. Ik ben niet voor niets pas geleden Vriend van Meander geworden. Ik zal dat ook blijven, want in tegenstelling tot Kees G. hou ik wel van poëzie en al haar beoefenaren.

Dat wilde ik kwijt.

Wil je de recensie met eigen ogen lezen? Dat kan op: http://meandermagazine.net/wp/2012/04/in-het-wangslijm/

%d bloggers liken dit: