Site-archief

Idee voor de Poëzieweek

Oproep tot het maken van krijtpoëzie

.

Nu de Poëzieweek (28 januari tot en met 3 februari) ook al deels in het water lijkt te gaan vallen door de lockdown, heb ik een idee. Ik heb het idee niet zelf bedacht want ik las erover op de website van de bibliotheek van Pima County https://www.library.pima.gov/blogs/post/poetry-in-the-wild/.

Op deze website in een bericht uit 2017 staat informatie over een project van de Urban Poetry Pollinators over poëzie in het wild. Eigenlijk bedenk ik nu, me sluit dit heel goed aan bij bijvoorbeeld straatpoëzie en gedichten op vreemde plekken, ware het niet dat de poëzie in dit project van vluchtige aard is. Elizabeth Salper van de Urban Poetry Pollinators kreeg het idee omdat ze zulke mooie herinneringen had aan de tijd dat ze haar gedichten met krijt op stoepen schreef. De reacties van de mensen die haar gedichten lazen op straat waren de reden om dit project ‘Poetry in the wild’ te starten.

Er werd door de UPP bekendheid gegeven aan dit project en er was een instagrampagina waar je een foto van je gekrijtte gedicht naar toe kon sturen. Bibliotheken adopteerde dit project en onder het motto Chalk it UPP! werd dit project een succes.

Mijn idee is dan ook om dichters van Nederland op te roepen om in de Poëzieweek een gedicht naar eigen keuze (van jezelf, van een ander, een klassiek gedicht, een nieuw gedicht, kort of lang, alles mag) op een stoep of straat te krijten, hier een foto van te maken en deze aan mij te mailen (woutervanheiningen@yahoo.com). Ik zal al deze foto’s plaatsen op het Instagram account @krijtpoezie2021

Op die manier kan de Poëzieweek toch nog (meer) een actief tintje (op bescheiden schaal) krijgen.

.

.

.

The Mersey Sound

Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten

.

In 1967 publiceerde Penguin Books ‘The Mersey Sound’ nummer 10 in The modern poets series. In deze bundel stonden zo’n 100 gedichten van de Liverpoolse dichters Adrian Henri (1932-2000), Roger McGough (1937) en Brain Patten (1946). Van deze bundel zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht, meer dan van welke bloemlezing in het Verenigd Koninkrijk ooit. In 2009 werd in het Victoria Gallery and Museum een tentoonstelling georganiseerd over deze drie dichters en hun kunst. In dat zelfde jaar werd door de universiteit van Liverpool werk aangekocht uit de erven van Adrian Henri, om maar aan te geven hoe belangrijk deze drie dichters zijn (geweest) voor Liverpool en het tijdsgewricht waarin deze bloemlezing werd gepubliceerd.

Liverpool was in de jaren ’60 een brandpunt van de popcultuur. De Liverpool-dichters werkten in een omgeving waar kunst, muziek en literatuur nauw met elkaar verbonden waren. In de gids die bij de tentoonstelling werd gemaakt werd het als volgt omschreven: “Zoals veel jongeren in het Groot-Brittannië van de jaren zestig, werden de Liverpool Poets sterk beïnvloed door de hippie subcultuur van de Verenigde Staten. Jonge Amerikanen kregen lang haar, leefden samen, beoefenden gratis seks en drugsgebruik en woonden massale openlucht muziekconcerten bij. De oorlog in Vietnam, raciale onrust en de druk om zich te conformeren frustreerden hen. ‘Vrede’ en ‘liefde’ waren hun slogans. De dichters uit Liverpool schreven uitgebreid over het onderwerp liefde. Ze onderzoeken de vele vormen van liefde, van korte ontmoetingen en verlangen tot duurzame relaties en verliefdheid. De dichters gebruikten liefde ook als thema voor uitvoeringen, waarbij ze ten minste drie ‘Lovenights’ ensceneerden in het Everyman Theatre. Bij het onderzoeken en uiten van deze fundamentele menselijke emotie probeerden ze hun poëzie voor iedereen toegankelijk te maken. De zomer van 1967 werd uitgeroepen tot de Summer of Love, vernoemd naar een massabijeenkomst in het Golden Gate Park, in San Francisco.”

Het is volgens mij dan ook geen toeval dat het nummer ‘All you need is love’ van de Beatles (geschreven door John Lennon) in dat jaar uit kwam. Dichter Adrian Henri schreef het gedicht ‘Love is…’ dat in ‘The Mersey Sound’ is opgenomen.

.

Love is…

.

Love is…
Love is feeling cold in the back of vans
Love is a fanclub with only two fans
Love is walking holding paintstained hands
Love is

.

Love is fish and chips on winter nights
Love is blankets full of strange delights
Love is when you don’t put out the light
Love is

.

Love is the presents in Christmas shops
Love is when you’re feeling Top of the Pops
Love is what happens when the music stops
Love is

.

Love is white panties lying all forlorn
Love is pink nightdresses still slightly warm
Love is when you have to leave at dawn
Love is

.

Love is you and love is me
Love is a prison and love is free
Love’s what’s there when you are away from me
Love is…

.

Gedicht over Stalin

Osip Mandelstam

.

In mijn vorige bijdrage over de bundel ‘Gezanten uit Alexandrië, schreef ik al dat ik zou terugkomen op een gedicht van de Russische dichter Osip Mandelstam dat hij schreef over de dictator Joseph Stalin in 1933. Mandelstam droeg dit gedicht in hem vertrouwde kringen voor maar die vertrouwde kringen bleken minder vertrouwd dan hij had gehoopt. Hij werd gearresteerd, opgesloten en weer vrijgelaten op persoonlijke voordracht van Stalin. Hij zwierf daarna met zijn vrouw vier jaar door de Sovjet Unie, opgejaagd en rechteloos zonder enig uitzicht om aan die situatie te ontsnappen of een echt pardon van de leider. In 1938 werd hij uiteindelijk alsnog opgepakt door de geheime politie en naar Siberië vervoerd waar hij vermoord werd.

Het gedicht ‘Stalin’ is in de bundel opgenomen en en vertaald door Nadjezdja Mandelstam zijn vrouw. Na Osips tweede arrestatie en overlijden in een doorvoerkamp in 1938 leidde Nadjezdja Mandelstam een zwervend bestaan om arrestatie te voorkomen, waarbij ze regelmatig van adres en baan wisselde. Ze zag het als haar levenstaak de poëzie van Osip te bewaren voor het nageslacht. Ze leerde daarvoor het oeuvre van haar man uit haar hoofd.

Meer informatie over Mandelstam en zijn poëzie is hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/07/12/het-ene-isme-is-het-andere-isme-niet/  te lezen.

In 1970 verscheen in Engeland het boek ‘Hope against hope’ met de memoires van Nadjezdja Mandelstam van haar leven met Osip. In dit boek staat de oorspronkelijke vertaling van haar hand dat je hieronder kunt lezen. In het Engels en voor de die hards in het Russisch.

.

(Stalin)

.

We live. We are not sure our land is under us.
Ten feet away, no one hears us.

.

But wherever there’s even a half-conversation,
we remember the Kremlin’s mountaineer.

.

His thick fingers are fat as worms,
his words reliable as ten-pound weights.

.

His boot tops shine,
his cockroach mustache is laughing.

.

About him, the great, his thin-necked, drained advisors.
He plays with them. He is happy with half-men around him.

.

They make touching and funny animal sounds.
He alone talks Russian.

.

One after another, his sentences hit like horseshoes! He
pounds them out. He always hits the nail, the balls.

.

After each death, he is like a Georgian tribesman,
putting a raspberry in his mouth

.

Мы живем, под собою не чуя страны …

.

Мы живем, под собою не чуя страны,
Наши речи за десять шагов не слышны,
А где хватит на полразговорца,
Там припомнят кремлевского горца.
Его толстые пальцы, как черви, жирны,
И слова, как пудовые гири, верны,
Тараканьи смеются смезтся гюлеся смезтся смезтся гюезся гюесся гюеяся
гири верны.

.

А вокруг него сброд тонкошеих вождей,
Он играет услугами полулюдей.
Кто свистит, кто мяучит, кто хнычет,
Он один лишь бабачит en тычет.
Как подкову, дарит за указом указ –
Кому в пах, кому в лоб, кому в бровь, кому в глаз.
Что ни казнь у него – то малина
И ирокая грудь осетина.

.

Gezanten uit Alexandrië

Poëtische vignetten van macht en gezag

.

In een tijd waarin machthebbers zich gedragen als potentaten en lak hebben aan democratische waarden (die ze ook vaak helemaal niet onderschrijven) kwam de bundel ‘Gezanten uit Alexandrië, Poëtische vignetten van macht en gezag als een klein geschenk uit de hemel vallen. Niet letterlijk uiteraard, ik kocht het in een kringloopwinkel enige tijd geleden en was er nog niet aan toe gekomen het te lezen.

In deze bundel uit 1972, ingeleid en samengesteld door Co de Koning staan verzen en gedichten van dichters die “over tastbare machten handelt, en iets over de realiteit van alledag te zeggen heeft”. De gedichten in deze bundel komen van dichters van over de hele wereld en zijn gegroepeerd in toon en stemming: sceptisch en ironisch, fel honend in protest of bijtend satirisch. Uitzondering, volgens de Koning, zijn de gedichten van de Russische dichters wier gedichten “zijn geschreven in een toestand van onvrijheid , zoalniet onderdrukking”. Zoals het gedicht ‘De zwarte kat’ van Bulat Okudzava uit 1931 en het gedicht ‘Stalin’ van Osip Mandelstam waar ik nog een aparte berichten aan ga wijden.

Wat de samensteller opviel was dat hij voor het vinden van één gedicht gericht tegen de machthebbers er soms enkele honderden moest lezen om zo’n gedicht te vinden. Toen ik begon met mijn rubriek Dichters in verzet, had ik een zelfde ervaring. Dichters die met hun poëzie zich afzetten tegen de machthebbers zijn er niet veel en moet je met een vergrootglas zoeken. Nu en dus in 1972 ook al.

De Koning schrijft hierover in zijn inleiding: “Dichters zijn kennelijk eerder of dieper geroerd door persoonlijke emoties en gewaarwordingen, dan door de koelere abstracties over de machtsverdeling in de maatschappij waarin zij leven. Als er over macht geschreven wordt, heeft dit vaak een sterk persoonlijke component: een vader-zoon conflict, een ontslag uit een klerkenbaantje, een botsing met de gevestigde macht.

Daarnaast valt het de Koning op dat geen historisch bekende gevallen van dialoog tussen dichter en machthebber zijn aan te wijzen. “De machthebber hult zich in zwijgen… Vermoedelijk leest de machthebber geen gedichten”.

Uit deze bundel dus een gedicht en wel van de dichter A.P. Herbert uit 1940 (het verscheen in het humoristische en satirische tijdschrift Punch) getiteld ‘Hitler’s Birthday’.

.

Hitler’s Birthday

april 21, 1940

.

God moves in a mysterious way;

The devil still must have his fun:

And it is not for us to say

Why you have lived to 51.

But this new candle on the cake

Should be the last they light for you

God will not make the same mistake;

The devil soon must have his due.

(And recollect, you little fake, Napoleon

died at 52.)

.

Melancholie

Ode aan de melancholie

.

Op de website https://interestingliterature.com/2017/03/10-of-the-best-john-keats-poems-everyone-should-read/ staat een top 10 van de beste gedichten van John Keats (1795 – 1828). nu is een top 10 van beste gedichten samenstellen van een dichter die maar zo kort geleefd heeft minder moeilijk dan van een dichter met een omvangrijk oeuvre maar Keats is een speciaal geval. Vandaag de dag behoren de gedichten en brieven van Keats tot de meest populaire en geanalyseerde teksten uit de Engelse literatuur. Zijn werk verscheen binnen drie jaar (1816 – 1819). Met name zijn odes zijn wereldberoemd. Niet voor niets staan op nummer 1 en 2 in deze top tien twee odes (beide uit 1819).

Ik koos, voor de lengte (Ode on Melancholy is de kortste ode die Keats schreef) en leesbaarheid en voor de sensuele beelden waar Keats bekend om is voor ‘Ode on Melancholy’ dat op nummer twee in de top 10 staat.

.

Ode on Melancholy

.

No, no, go not to Lethe, neither twist
       Wolf’s-bane, tight-rooted, for its poisonous wine;
Nor suffer thy pale forehead to be kiss’d
       By nightshade, ruby grape of Proserpine;
               Make not your rosary of yew-berries,
       Nor let the beetle, nor the death-moth be
               Your mournful Psyche, nor the downy owl
A partner in your sorrow’s mysteries;
       For shade to shade will come too drowsily,
               And drown the wakeful anguish of the soul.
.
But when the melancholy fit shall fall
       Sudden from heaven like a weeping cloud,
That fosters the droop-headed flowers all,
       And hides the green hill in an April shroud;
Then glut thy sorrow on a morning rose,
       Or on the rainbow of the salt sand-wave,
               Or on the wealth of globed peonies;
Or if thy mistress some rich anger shows,
       Emprison her soft hand, and let her rave,
               And feed deep, deep upon her peerless eyes.
.
She dwells with Beauty—Beauty that must die;
       And Joy, whose hand is ever at his lips
Bidding adieu; and aching Pleasure nigh,
       Turning to poison while the bee-mouth sips:
Ay, in the very temple of Delight
       Veil’d Melancholy has her sovran shrine,
               Though seen of none save him whose strenuous tongue
       Can burst Joy’s grape against his palate fine;
His soul shalt taste the sadness of her might,
               And be among her cloudy trophies hung.
.
                                                                                                                              Melancholy (William Blake)

Twee vliegen

Charles Bukowski

.

Ik was wat aan het browsen op de fijne website https://allpoetry.com/ waar je gratis lid van kunt worden. Een website vol poëzie van nu maar ook met een heerlijk archief aan klassiekers. Daar ronddolend kwam ik, zoals vaker, uit bij de poëzie van Charles Bukowski (1920 – 1994), een van mijn all time favoriete dichters (zeker in het Engels taalgebied). Een groot aantal gedichten kende ik al die ik daar las maar deze, ‘2 flies’ nog niet. De zin ‘I suffer insects’ is zo veelzeggend voor Bukowsky, die uit de kleine dingen in het leven iets groots en betekenisvols kan maken. Daarom hier het gedicht ‘2 Flies’.

.

2 Flies

.

The flies are angry bits of life;
why are they so angry?
it seems they want more,
it seems almost as if they
are angry
that they are flies;
it is not my fault;
I sit in the room
with them
and they taunt me
with their agony;
it is as if they were
loose chunks of soul
left out of somewhere;
I try to read a paper
but they will not let me
be;
one seems to go in half-circles
high along the wall,
throwing a miserable sound
upon my head;
the other one, the smaller one
stays near and teases my hand,
saying nothing,
rising, dropping
crawling near;
what god puts these
lost things upon me?
other men suffer dictates of
empire, tragic love…
I suffer
insects…
I wave at the little one
which only seems to revive
his impulse to challenge:
he circles swifter,
nearer, even making
a fly-sound,
and one above
catching a sense of the new
whirling, he too, in excitement,
speeds his flight,
drops down suddenly
in a cuff of noise
and they join
in circling my hand,
strumming the base
of the lampshade
until some man-thing
in me
will take no more
unholiness
and I strike
with the rolled-up-paper –
missing! –
striking,
striking,
they break in discord,
some message lost between them,
and I get the big one
first, and he kicks on his back
flicking his legs
like an angry whore,
and I come down again
with my paper club
and he is a smear
of fly-ugliness;
the little one circles high
now, quiet and swift,
almost invisible;
he does not come near
my hand again;
he is tamed and
inaccessible; I leave
him be, he leaves me
be;
the paper, of course,
is ruined;
something has happened,
something has soiled my
day,
sometimes it does not
take man
or a woman,
only something alive;
I sit and watch
the small one;
we are woven together
in the air
and the living;
it is late
for both of us.

.

Stem van alarm, stem van vuur

Basil Smith

.

In de bundel ‘Stem van alarm stem van vuur’ uit 1981 staat geëngageerde poëzie uit Latijns Amerika, Afrika en Azië. De bundel werd uitgegeven door Het Wereldvenster,. de NOVIB en het NCOS in Brussel. In de bundel staat een keur van dichters uit deze drie werelddelen. Vele namen zijn voor mij volledig onbekend en af en toe staat er een naam tussen die ik herken of ken. Zo staan Frank Martinus Arion, Anton de Kom, Carlos Drum,mond de Andrade en Pablo Neruda in de bundel maar van de Afrikaanse dichters en Aziatische dichters zijn vrijwel alle namen mij vreemd.

Tussen de Caraïbische dichters staat de naam van de Jamaicaanse dichter Basil Smith. Van hem is het gedicht ‘Mijn erfenis’ opgenomen in een vertaling van Jan Boelens. Op zoek naar meer informatie kom ik niet veel verder dan dat van hem gedichten zijn opgenomen in het literaire magazine ‘Savacou’ . Dit ‘Journal of the Caribbean Artists Movement’ was een tijdschrift voor literatuur, nieuwe verhalen en ideeën dat in 1970 werd opgericht als een kleine coöperatieve onderneming, geleid door Edward Kamau Brathwaite, op de Mona-campus van de University of the West Indies, Jamaica. In editie 3/4 van 1970/1971 zijn drie gedichten van Smith opgenomen.

In een andere bloemlezing ‘Aftermath: An anthology of poems in English from Africa, Asia, and the Caribbean’ is het gedicht ‘Tom Tom opgenomen evenals in het magazine ‘Black World’ uit 1973. Maar in ‘Stem van alarm stem van vuur’ staat dus het gedicht ‘Mijn erfenis’ zonder enige verwijzing.

.

Mijn erfenis

.

Mijn erfenis van van de nacht,

van stro-droge hutten,

van beschilderde gezichten,

en van trommels.

.

In mijn herinnering zijn

droge bergtoppen,

groene velden en bomen

die nooit vergrijzen of sterven

.

Daarom word ik niet begrepen,

gehaat om mijn dikke lippen

en mijn herinnering aan trommels.

.

Barack Obama

Pop

.

Deze week werd het eerste deel van de memoires van oud president van de Verenigde Staten, Barack Obama gepresenteerd getiteld ‘A Promised Land’. Woensdagavond was een bijzonder interview met Obama door schrijver Tommy Wieringa te zien bij Nieuwsuur en in het programma Op1, later die avond, werd over dat interview en het boek nagepraat. In die napraat werd terloops door Tommy Wieringa gemeld dat Obama niet alleen veel leest maar dat hij ook schrijver is en gedichten heeft geschreven. Tsja, dan weet je als lezer van dit Blog inmiddels genoeg. Daar wil ik dan meer over en van weten.

Op zoek naar de poëzie van Barack Obama kwam ik op de website van The New York Times terecht op een pagina uit 2008. Daar staat het volgende te lezen:

“Hieronder volgen twee gedichten van Barack Obama die werden gepubliceerd in het voorjaarsnummer van 1981 van ‘Feast’, een literair tijdschrift voor studenten van 51 pagina’s dat zichzelf omschreef als ‘een halfjaarlijks tijdschrift met korte poëzie en fictie verzameld door de Occidental College-gemeenschap’. Volgens een woordvoerder van de universiteit wordt het tijdschrift niet meer gepubliceerd. Twee gedichten waarvan ik het eerste (en wat mij betreft beste) gedicht hier plaats. Wil je meer lezen dan kun je hier terecht https://www.nytimes.com/2008/05/18/us/politics/18poems.html?ref=oembed

.

Pop

.

Sitting in his seat, a seat broad and broken
In, sprinkled with ashes
Pop switches channels, takes another
Shot of Seagrams, neat, and asks
What to do with me, a green young man
Who fails to consider the
Flim and flam of the world, since
Things have been easy for me;
I stare hard at his face, a stare
That deflects off his brow;
I’m sure he’s unaware of his
Dark, watery eyes, that
Glance in different directions,
And his slow, unwelcome twitches,
Fail to pass.
I listen, nod,
Listen, open, till I cling to his pale,
Beige T-shirt, yelling,
Yelling in his ears, that hang
With heavy lobes, but he’s still telling
His joke, so I ask why
He’s so unhappy, to which he replies…
But I don’t care anymore, cause
He took too damn long, and from
Under my seat, I pull out the
Mirror I’ve been saving; I’m laughing,
Laughing loud, the blood rushing from his face
To mine, as he grows small,
A spot in my brain, something
That may be squeezed out, like a
Watermelon seed between
Two fingers.
Pop takes another shot, neat,
Points out the same amber
Stain on his shorts that I’ve got on mine, and
Makes me smell his smell, coming
From me; he switches channels, recites an old poem
He wrote before his mother died,
Stands, shouts, and asks
For a hug, as I shrink, my
Arms barely reaching around
His thick, oily neck, and his broad back; ’cause
I see my face, framed within
Pop’s black-framed glasses
And know he’s laughing too.

.

E.E. Cummings

De Tweede Ronde

 

Ik ben een groot liefhebber van de poëzie van de Amerikaanse dichter E.E. Cummings (1894 – 1962). En hoewel ik het Engels uitstekend beheers is een vertaling van zijn poëzie toch erg prettig om te lezen. In het literaire tijdschrift De Tweede Ronde, jaargang 2, nummer 1 uit 1981 stonden een aantal gedichten van Cummings in vertaling van Peter Verstegen. De Tweede Ronde was een Nederlands literair tijdschrift met ruime aandacht voor vertalingen en verscheen tussen 1981 en 2010. Genoeg reden om hier een gedicht, dat is genomen uit ‘Eight Harvest Poets’ (1917) in vertaling en in het Engels, met jullie te delen.

 

.

‘k zal het veld inwaden
tot mijn dijen baden in brandende bloemen
Ik neem de zon in mijn mond
en spring de rijpe lucht in
Levend
met ogen dicht
om op het donker te botsen
in de slapende rondingen van mijn lijf
Zullen soepel volleerde vingers ingaan
met kuisheld van zee-meisjes
Zal ‘k het mysterie voleinden
van mijn vlees
Ik zal opstaan
Na duizend jaar
bloemen
zoenen
En mijn tanden zetten in het zilver van de maan
.
*
i will wade out
till my thighs are steeped in burning flowers
I will take the sun in my mouth
and leap into the ripe air
Alive
with closed eyes
to dash against darkness
in the sleeping curves of my body
Shall enter fingers of smooth mastery
with chasteness of sea-girls
Will i complete the mystery
of my flesh
I will rise
After a thousand years
lipping
flowers
And set my teeth in the silver of the moon
.
.

 

Die meisjes van de schaduwkant

Helen Dunmore

.

De Britse Helen Dunmore (1952-2017) was dichter, schrijfster van romans, korte verhalen en kinderboeken. Ze studeerde Engels aan de Universiteit van York en woonde twee jaar lang in Finland. Ze was naast haar schrijver- en dichterschap werkzaam als docent. Ze was ‘Fellow of the Royal Society of Literature’ (FRSL) en ze won met haar werk verschillende prijzen zoals de Orange Prize in 1996 en de National Poetry Competition in 2010. Daarnaast werden dichtbundels van haar hand genomineerd voor de T.S. Eliot Prize en de MAN Booker Prize.

In de verzamelbundel ‘Liefde kon maar beter naamloos zijn’ Honderdvijftig dichteressen voor Amnesty International is een gedicht van haar opgenomen dat speciaal voor deze bundel werd vertaald uit het Engels. Door wie is niet bekend. Het Engelse origineel verscheen in Penguin Modern Poets uit 1997. Het gedicht is getiteld ‘Die meisjes van de schaduwkant’.

.

Die meisjes van de schaduwkant

.

Die lommermeisjes aan de groene kant van de straat,

die verre van groene meisjes die in de schaduw blijven,

die lommermeisjes in mysterieuze kleren

met labels die half zichtbaar worden

als het crèmewitte pand van hun jasje openzwaait,

die mesijes die schoppen tegen de plooiflappen

van hun crèmewitte kleren met kersenrode panden,

.

die aanstormende meisjes

die met parelmoeren paraplu’s zwaaien

zo stijf als tulpen in de knop

van een gewetenloze straatverkoper,

die meisjes in crèmewitte en kersenrode kleren

waarop de minste afdruk achterblijft,

die meisjes met hun eennaamsafspraken

die uit de zon lopen.

.

%d bloggers liken dit: