Site-archief

De drang om niemand af te maken

Een recensie

.

Begin van dit jaar publiceerde uitgeverij Opwenteling de bundel ‘de drang om niemand af te maken’ van Anouk Smies (1975). Deze Rotterdamse dichter debuteerde in 2013 met de bundel ‘Citaten van een roofdier’ en inmiddels is dit alweer haar 4e bundel. Op de omslag van deze sober maar verder mooi vormgegeven bundel staat de titel van links naar rechts en en daarnaast in spiegelschrift nogmaals. De letter is wat klein maar de naam van de auteur staat rechtsboven duidelijk vermeld.

Voor deze bundel interviewde Anouk Smies een oorlogsveteraan, medewerkers van het Huis voor Klokkenluiders en een sekteverlater. De bundel begint met een citaat van Jean de Boisson: “Men kan de mensen verdelen in twee grote groepen: zij die zich door hun gevoel laten bedriegen, en zij die zich door hun verstand laten  misleiden”. Zonder op de conclusie vooruit te lopen kun je je afvragen of beide niet twee kanten van dezelfde medaille zijn. En je kan je afvragen bij welke van deze twee groepen de geïnterviewden ( in het geval van het Huis van Klokkenluiders; de klokkenluiders zelf) behoren.

De bundel bestaat uit 4 hoofdstukken: Oorlogsveteraan, Klokkenluider, Dichter en Tijdsgeest wat bij mij meteen de vraag deed rijzen waar de sekteverlater was gebleven. Maar daarover later meer.

In het eerste hoofdstuk, de oorlogsveteraan. In dit hoofdstuk is de oorlog alom aanwezig. In vaak hallucinerende taal en beelden brengt Smies de oorlog dichtbij, soms tussen droom en werkelijkheid dan weer in alledaagse dingen. De herinneringen van de oorlog liggen steeds vlak onder de oppervlakte en kunnen (en worden) elk moment zichtbaar en invoelbaar. Zoals in het gedicht ‘zwart’.

.

Stel jezelf nu de vraag of je op durft te kijken

Als je opkijkt zul je nooit in je leven meer een kleur omschrijven

Je zult je niet afvragen of dat een groot verlies is

Het verlies is al uitbesteed

.

In deze gedichten spreekt een oorlogsveteraan die de smerigheid, het geweld, de ontsporing en de zinloosheid van de oorlog aan den lijve heeft ondervonden. De zinnen zijn indringend en de situaties soms moeilijk voor te stellen.

In het tweede hoofdstuk de klokkenluiders. Een iets ander beeld, dit hoofdstuk is iets minder opgebouwd uit traumatische gebeurtenissen en gewelddadigheid. Hier worden meer processen beschreven, mechanismen, het deel uitmaken van een groep zonder er verantwoordelijk voor te zijn. Toch is in deze gedichten een zekere mate van traumaverwerking aan de orde. Het besef van de eigen daden die (achteraf bezien) niet goed waren. De wisseling tussen het toen (de actieve deelname) naar het nu ( de actieve schaamte). Daar hebben de gedichten in het eerste hoofdstuk en het tweede hoofdstuk iets gemeen. In de situatie het besef dat er iets niet klopt, dat er zaken gebeuren waar je deel van uitmaakt maar waar je het eigenlijk niet mee eens bent, geen deel van wil uitmaken.

In dit hoofdstuk is er sprake van beeldspraak, metaforen en raadselachtige zinnen waar je toch de achterliggende gedachte van begrijpt: En legt de betrokkene zijn ogen in een bakje / terwijl hij tekent voor akkoord  (uit het gedicht ‘Genade’). Het bewustzijn van de eigen daden, de twijfel aan die daden en het dan toch uitvoeren. De beschrijving van de innerlijke strijd en worsteling is steeds aanwezig. Het woordgebruik is veelzeggend: mythes, alfamannetje, mietjes, kuddedieren, buigzaamheid;  woorden die extra betekenis geven aan de worsteling van de hoofdpersonen, de klokkenluiders.

In het hoofdstuk ‘dichter’ is er ruimte voor lucht en vrijheid, voor introspectie op het eigen leven en werk als dichter. Ogenschijnlijk staat dit hoofdstuk los van de eerste twee terwijl in de taal de verbintenissen heel duidelijk zijn. Ook hier is ruimte voor de twijfel, het kwaad, de zinloosheid van onderdelen van het bestaan.

In het laatste hoofdstuk ‘tijdsgeest’ komt dan toch nog de sekteverlater aan het woord. Een Jehova’s getuige in het gedicht ‘Het hart der Jehova’s is verraderlijk en nietsontziend. In een staccato opgeschreven gedicht wordt in niet mis te verstane bewoordingen een dwingende, valse en onderdrukkende religie gefileerd. En dan valt er iets op zijn plaats, ook hier het terugkijken, de boosheid over wat was, het adresseren van het eigen falen, het domweg (op)volgen van wat anderen vinden of zeggen. Hier manifesteert dit verbindende thema van deze bundel zich.

In het gedicht dat volgt op het Jehova gedicht ‘herkenning’ komt een stukje van de oplossing naar voren, meteen in de eerste strofe:

.

Ik ben een meestervervalser

Succes blijft een keuze

waaruit voortvloeit dat

ik in een quantumspong mijn ware zelf kan zijn

.

En dan is er aan het einde van de bundel het gedicht ‘De zee hoopt’.

.

De zee hoopt

.

Ik houd van het strand

op de dagen dat het me aan Duinkerke doet denken

.

Een vlakte zou niet gezellig mogen zijn

Geen dagopvang voor afval of plezier

.

Geen agenda vol natte gele strookjes

.

Het is gezond

om je verwachtingen

niet op zandophopingen te projecteren

.

Het is goed

om in de naakte natuur

de dagelijkse sleur

als Tell Sell uit te zetten

.

Kijk ik ontkleed me

en wacht tot de wind

van mijn borsten clusterbommen snijdt

.

Tot mijn buikholte

de lever strikt van zijn verslavingen scheidt

.

De zee hoopt

op het geweld dat ik kan zijn

.

En met deze toch troostrijke en positieve woorden leg ik de bundel opzij. Een volwassen bundel vol bijzondere en schurende poëzie, die onderwerpen aansnijdt die niet altijd leuk zijn of hoopvol, maar die een stem geven aan hen die hun verleden met zich meetorsen maar een richting zoeken, een uitweg, een verklaring en toch ook hopen op een betere toekomst. Koop, leen of lees deze bundel, in bijzondere taal neemt Anouk Smies je mee in een wereld die je waarschijnlijk niet kent of niet eerder zo bezag.

.

Flamingo’s

De lenige liefde

.

In 1969 debuteert Herman de Coninck met de dichtbundel ‘De lenige liefde’. Tot op de dag van vandaag lezen vele mensen deze bundel opnieuw en opnieuw, door de schoonheid van de gedichten, de liefde die uit zijn gedichten straalt en de optimistische sfeer die de bundel uit ademt. Omdat er nog altijd mensen zijn die Herman de Coninck en zijn werk niet of niet zo goed kennen daarom een gedicht uit deze bundel.

.

Flamingo’s

.

Ze zijn er bijna niet

zoals heel slanke vrouwen

na heel licht verdriet.

Met hun poten als met een dun pincet

pikken ze preuts hun tenen

uit het water op, o, ze

zijn zo rose

als gedachten van een maniërist.

Ze zijn vraagtekens achter al ons weten

en zo fraai dat we even

niet meer om een antwoord geven.

.

%d bloggers liken dit: