Site-archief

Week van de vijftigers

laatste week van februari

.

De Nederlandse poëzie heeft de laatste 150 jaar veel verschillende stromingen gekend (Tachtigers, Vijftigers, nieuw realisten, Maximalen e.d) maar één van de bekendste en misschien ook wel invloedrijkste was de beweging van de Vijftigers. De beweging van de Vijftigers werd ingezet door de dichter Lucebert zo valt te lezen op de website https://www.literatuurgeschiedenis.nl

Lucebert stuurde zijn gedichten in 1949 op aan uitgeverij De Bezige Bij. Zijn onconventionele gedichten vielen echter niet in de smaak bij de redacteur die ze moest beoordelen. Deze dacht dat ze door een krankzinnige gemaakt waren. Maandenlang hoorde Lucebert niets van de uitgeverij. In dat jaar, ten tijde van de Politionele Acties, debuteerde hij met het gedicht ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’.

Toen Lucebert in 1951 echter debuteerde met de bundel ‘triangel in de jungle’ bij uitgeverij a.a.m. stols, kwam men bij De Bezige Bij alsnog tot inkeer en in 1952 verscheen daar de bundel ‘ápocrief/de analpabetische naam…’. Hij werd hiermee de voorman van de Vijftigers.

Zijn poëzie, die zo kort daarvoor nog voor gekkenwerk was gehouden, bleef onconventioneel, maar dat nam niet weg dat steeds meer lezers hun aanvankelijke weerzin overwonnen, omdat ze begrepen dat hier een jonge dichter stem probeerde te geven aan een generatie die in de Tweede Wereldoorlog volwassen was geworden. Een generatie die vond dat het allemaal helemaal anders moest. De dichters uit deze beweging verzetten zich tegen de oude normen en waarden die na de oorlog opnieuw gekoesterd werden, ook in de kunst. Zozeer week de poëzie van de dichters van Vijftig af van wat toen de norm was, dat veel lezers aanvankelijk niet inzagen waarom dit soort werk nog poëzie of literatuur genoemd kon worden.

Naast het experimentele karakter van de gedichten gaven de Vijftigers nog een betekenis aan het woord experimenteel, namelijk die van de experience, de beleving. Het proces van het dichten was minstens zo belangrijk als het vernieuwende karakter. Daarnaast was spontaniteit een belangrijk gegeven. Juist na de tweede wereldoorlog (waarin zo duidelijk was geworden wat er gebeurd als je vastliggende constructies oplegt aan de werkelijkheid) was spontaniteit van handelen en denken van groot belang voor de Vijftigers. Zij zetten zich af tegen het rationele, zoals het denken in zwart-wit tegenstellingen (goed/slecht, geest/lichaam, goddelijk/aards) en de hiërarchie die zulke tegenstellingen aanbrengen. Ze wilden dit soort denken juist doorbreken. Voor hen stond het goddelijke niet boven het aardse, de geest niet boven het lichaam. De Vijftigers zagen de poëzie als een bevrijdende kracht voor alle levensterreinen. Hun staat niet alleen een literaire omwenteling voor ogen, maar een totale reorganisatie van het leven en het bewustzijn.

Tot de dichters van de Vijftigers worden gerekend: Lucebert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar, Hans Andreus, Remco Campert, Jan Elburg, Sybren Polet, Paul Rodenko, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog, Paul Snoek en Jan Hanlo.

Deze week extra aandacht voor de Vijftigers en hun werk uit die beginperiode van de jaren ’50. Te beginnen, uiteraard, met een gedicht van Lucebert uit de bundel ‘Triangel in de jungle’ uit 1951.

.

Strafkolonie

.

Een meer vol kettingen en rode

voetstappen nachtdruppels ebbenhouten

ogen in alle kasten

konden genezen eten en boeken

lange boeken zingen op onze lichamen

wan en langhopig lang

.

soms komt de zon zo zon-

derling hinkend als pompen

.

vaak puilt de nacht een paarse vrouw

koud op de kamer koud op de keel

.

soms is het onderling donker

.

 

Advertenties

Frederique Spigt tekent ervoor

Frans Vogel

.

In 2012 verscheen bij uitgeverij Douane een klein maar fijn bundeltje van de Rotterdamse singer/songwriter Frederique Spigt (1957) en de minstens zo Rotterdams geworden dichter, kunstenaar en collagist Frans Vogel (1935 – 2016) getiteld ‘Frederique Spigt tekent ervoor’ een mini-bloemlezing uit de gedichten van Frans Vogel. De twee waren elkaar na een optreden in de Schouwburg tegen gekomen waarop Spigt aan Vogel haar plan om tekeningen bij gedichten van Vogel te maken onthulde. Spicht, die van 1975 tot 1980 Grafisch Ontwerpen aan de Rotterdamse kunstacademie studeerde maakte vroeger al onconventioneel werk (aldus Willem van Drunen, beeldend kunstenaar) en dat paste uitstekend bij de aard van het werk van Vogel. Uit het uitgegeven werk van Vogel selecteerde zij 11 gedichten en tekende daarbij in Oost-Indische inkt 11 visuals met oog voor de woordelijke inhoud van het gedicht. Op de voorkant een ‘sticker’ in geel met de woorden ‘Must have’. Of zoals Vogel op de achterkant zegt: “met dit boekje hebbie onmiskenbaar een must have in handen”.

.

Beknopte ornti(h)opografie van Het Ouwe Noorden

.

Hier is men aardig

in de buurt:

Vinkenstraat en

(ik noem maar

een zijstraat)

Vinkendwarsstraat.

.

Op loopafstand

voor kievit die kuiert:

Rietvinkstraat.

Goed gezien.

.

Nabij gelegen (‘Rust zacht,

dappere dode Dodo!’)

op Crooswijk:

café Vogel, hoek Crooswijk-

sestraat/Linker Rottekade.

Neit al te ver van café

De Kraaienpoot, hoek Crooswijk-

seweg/Isaäc Huberstraat.

.

terwijl café Vink

weer ligt op de hoek van

Noordplein en het Zwaanshals,

op nr. 274 waarvan

(schuin tegenover Witte Zwaanhof

en Ooievaarstraat)

café De Lijster-

met die brutale beo!

.

En de korte Kipstraat?

Eervorige eeuw al gevlogen.

.

Atomenplukker

Een recensie

.

Van Irene Siekman, de drijvende zeg maar stuwende kracht achter de Poëziebus, kreeg ik de bundel ‘Atomenplukker’ toegezonden. Deze bundel van Sven de Swerts is de eerste uitgave van Uitgeverij Bunker.

Uitgeverij Bunker is een nieuwe uitgeverij die zich richt op podiumpoëzie waarbij de nadruk ligt op dichters die buiten de bestaande kaders vallen en zich ook op het podium positief onderscheiden: Ondergronds en welluidend.

Nu ken ik Sven de Swerts een beetje en ik heb hem ook op het podium bezig gezien, welluidend is zeker op hem van toepassing. Nu zul je je misschien afvragen hoe podiumpoëzie zich verhoudt tot een bundel van papier. Juist door de richting die Uitgeverij Bunker kiest (ondergronds en welluidend) is de poëzie van de dichter(s) spannend en uitdagend. Zo ook deze bundel maar daarover straks meer.

De bundel is goed uitgegeven, dat wil zeggen eigentijds, modern, goede vormgeving en de uitgever heeft zelfs in het colofon een passage opgenomen over het interpunctiegebruik. Vierentwintig gedichten waarvan maar liefst twaalf gedichten samen zijn geschreven met andere dichters. En dat zijn niet zomaar de eerste de beste: Alja Spaan, Runa Svetlikova, Nick J. Swarth, Nils Geylen, René van Densen, Elbert Gonggrijp, Walter Ligtvoet, Rik van Boeckel en John Brains.

De gedichten in de bundel zijn soms ongrijpbaar, onconventioneel, rauw in de zin dat de Swerts geen blad voor de mond neemt. Soms helpen de titels van de gedichten je bij de betekenis van het gedicht en bij andere weer voegen ze juist wat extra mysterie toe aan de tekst van het gedicht.

Het is poëzie die je moet horen, dus hardop voorlezen en luisteren. Maar ook bij herlezing komt de bedoeling van de dichter dichterbij. Titels als ‘scheldklier’, ‘atomenplukker’ en ‘exportvlees’ maken dat je nieuwsgierigheid wordt gevoed.

In de begeleidende brief schrijft de uitgever: Uitgeverij geeft graag een voorzet (eigen kwaliteitsnormen ontwikkelen) en verwelkomt ook secundaire literatuur op het gebied van de (podium)poëzie. Ik kan dat alleen maar toejuichen, er is een gat dat gevuld kan worden en als dat gebeurt door middel van dit soort uitgaven voorzie ik een mooie toekomst voor Uitgeverij Bunker.

Uit ‘Atomenplukker’ koos ik het gedicht ‘Verzamelwoede’.

.

Verzamelwoede

.

Ze heeft verzamelwoede

in elke hoek van het huis staat een man

.

Ze leest boeken als mensen uit.

Verslindt specimens zoals trainers kooien

voor monsters. Monsters van mannen

die ze het liefst als een boek vastbindt

.

– een esoterische aanslag op je liezen pleegt

.

sproetje per sproetje aaneen hecht,

ervaringen uitschilfert, je geheugen overschrijft,

je rug lief brandmerkt.

.

Ze wil meer mannen die meer muren bouwen voor nog meer mannen

tot de ruimte vol is, alles in haar omgeving rondom haar circuleert.

.

Ze degusteert boeken als woordenkrabbers

elke letter iemand die ze heeft maar nooit zal kennen.

.

En toen kwam ik Sven op 6 april tegen bij poëziepodium De Groene Fee in Breda, waar we beide zouden voordragen. We hadden het over deze recensie en hij vertelde lachend dat ik maar de helft van het gedicht had geplaatst. En inderdaad, op de volgende bladzijde ging het gedicht nog door. Het schaamrood stond mij op de kaken en daarom, hier het tweede deel dat gewoon als een achter het eerste deel gelezen dient te worden.

.

Haar hart is onbewoonbaar verklaard

een ongeschikte calamiteit van vroeger

tussen onafgewerkte droomlagen

half zand half suiker.

.

Hier ligt ze dan als aanhang van uitgekomen

dromen, een prinses in een verkeerd sprookje

een nummer op een handpalm.

.

Tot iemand anders haar bewoont

en zij vergeten in mannenresten

krijgt wat zij altijd wilde.

.

Ze is verzamelwoede

in elke hoek van het huis staat een man.

.

.

Sonnet 30

Edna St. Vincent Millay

.

Op zondag 30 augustus 2015 schreef ik op ‘Herman de Coninckzondag’ over zijn bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978. Deze bundel bestaat uit vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent. Voor deze vertaling kreeg hij de Koopalprijs in 1981. Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)  was een Amerikaans dichteres, toneelschrijfster en activiste. Voor haar prozawerk gebruikte ze het pseudoniem Nancy Boyd. Zij ontving in 1923 de Pulitzerprijs voor poëzie, voor de bundel ‘The Harp-Weaver and Other Poems waarmee ze de eerste vrouw was aan wie deze prijs werd toegekend (de Pulitzerprijs voor poëzie wordt uitgereikt sinds 1922).

Haar eerste poëziebundel ‘Renascence and Other Poems’ (1912) verscheen toen ze pas zeventien jaar oud was, en bevat een aantal opvallend volwassen gedichten, geschreven in een sterk lyrische en romantisch-beschouwende toon. Met name het titelgedicht trok sterk de aandacht, vooral ook door de publicatie in hetzelfde jaar in de bekende bloemlezing ‘The Lyric Year’. Al snel kreeg ze de naam een soort wonderkind te zijn. Haar gedichten zijn doordrongen van beelden uit de natuur en met name van het kustlandschap van haar geboortestreek Maine. Over het algemeen kennen ze een traditionele structuur: Millay maakte veel gebruik van het sonnet, een vorm die ze perfect beheerste, maar waagde zich zelden aan experimenten.

Hoewel biseksueel en bekend door haar schoonheid en onconventionele leefstijl trouwde ze in 1923 met de veel oudere en rijke Nederlander Eugene Jan Boissevain. In 1950 overleed ze na een val van een trap waarbij ze haar nek brak.

Het gedicht ‘Sonnet 30′ werd door Herman de Coninck vertaald en gepubliceerd in ‘Ter ere van de goedertieren maan’.

.

Sonnet 30

.

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

.

Sonnet 30

.

Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.

Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,

geen reddingsboei voor wie verdrinken.

Liefde is nergens voor en nergens tegen.

Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.

Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,

tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.

Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.

Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,

verslagen van pijn en kreunend om respijt,

gesard door armoe en moe van het huilen

jouw liefde voor rust zou verruilen,

of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.

Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.

.

Foto: Calr van Vechten, 1933

%d bloggers liken dit: