Site-archief

Mila Braat

Over hoe de lente zich nergens iets van aantrekt

.

Milla Braat (1998) begon op 15 jarige leeftijd met slammen en performen. Ze stond droeg voor  op het Langweiligkeitfestival, Carart, de Haagse popweek en het NK-Poetryslam. In 2009 publiceerde ze in de poëzie-verzamelbundel ‘Haags Fris’. Sinds januari 2018 maakt ze deel uit van het Haags Dichtersgilde en is ze huisdichter bij expositieruimte De Firma Van Drie te Gouda.

Milla’s poëzie is intuïtief en lieflijk. Haar schrijven is een herinnering die niet aan tijd onderhevig is. Soms gaat het over het verleden, soms over iets van ver daarvoor en zelfs de toekomst herinnert ze zich feilloos.

Sinds kort studeert ze Creative Writing aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem.

Voor meer informatie kijk je op haar website: http://www.millabraat.weebly.com

.

Over hoe de lente zich nergens iets van aantrekt

.

Dinsdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
Vanachter de heg springt de lente me tegemoet
“Hallo! Daar ben ik dan weer!” schreeuwt ze
“Verrek, daar ben je!” zeg ik
Ik klim op mijn fiets,
zij klimt op mijn rug, trekt de muts van mijn hoofd
gaat staan op mijn schouders
Mijn fiets zwalkt, ik maak mijn bochten onvoorzichtig
Ik kijk in elke winkelruit

Woensdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
ik wacht een minuut.
“Waar ben je” schreeuw ik.
ik stap op mijn fiets, trek mijn muts over mijn oren
neem de kortste weg

Donderdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Ben je daar” zeg ik meteen
“Nee, hier ben ik” schreeuwt de lente,
ze staat aan het einde van de straat
Ik spring op mijn fiets, race naar het einde van de straat
ze staat aan het einde van de volgende straat
“Kom dan!” schreeuwt ze”
’t is goed met je” schreeuw ik terug
Ik fiets terug naar huis

Vrijdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Héé! Wat fijn dat je er bent” schreeuwen honderd lentes me tegemoet
Achter elk raam, op elke grasspriet, in elke lantaarnpaal zit een lente
Met mijn fiets aan de hand wandel ik tussen de lentes door
ik groet ze allemaal, hang mijn jas over mijn stuur
ik kom oude vrienden tegen op straat
“Het is lente!” schreeuw ik tegen hen
Ik voel drie druppels, achter elkaar, op mijn neus
Ik kijk om me heen. Alle lentes zijn verdwenen
Ik stop en ren een café in, ik gooi mijn muts op de bar
Een man draait zich naar mij om en zegt
“21 maart, dán is het écht lente!”

.

Frederike Kossmann

Jonge dichters

.

Deze Haagse dichteres (1994) won in 2012 de scholenslam won met het team van Segbroek college in Den Haag. Frederike werd namens de scholenslam afgevaardigd naar de halve finale van de NK poetryslam, zeer verrassend ging zij als nummer 2 door naar de finale. In de finale van het NK eindigde ze als 6e. Verder trad ze onder andere op tijdens de museumnacht in het Nutshuis , bij Podium X, Woord op Noord, in Spijkenisse en Brielle. Tegenwoordig woont ze in Amsterdam en is ze cultureel antropoloog.

In 2013 trad ze toe tot het Haags Dichtersgilde.

.

Alle Dagen Heel Druk

.

Alle Dagen
Heel Druk
Zo heet ik
Dat staat op het dossier
ADHD 2518849

Eigenlijk
Ben ik niet zo druk
Niet van buiten
Nu niet
Nooit niet
Nooit geweest
Ik stuiter of spring niet
Ik ren en ik gil niet
Ik heb een eerst zien dan geloven
Maar er is niks te zien
Dus niemand gelooft
Probleem

Verweg onder de tafel
Willen mijn tenen friemelen
Moeten mijn benen wiebelen
Hoewel ik wil blijven zitten
Begint het spier voor spier te kriebelen
Omstebeurt
Span ik alles even aan
Om de neiging te onderdrukken
Zomaar op te staan
Te springen en te rennen en te gillen
Niemand ziet mij alles ingespannen aanspannen
Ik zit er uiterst ontspannen bij

Dat kan
Ogen zijn geen ramen
Gesloten luiken tranen
Achter tralies
Voor de allergrootste spier
Het aller friemeligste
Wiebeligste
Kriebeligste stuk spier
Daar ben ik niet de baas
Daar wordt alles gedaan
Wat ik liever laat

Mijn gedachten hebben pootjes
Staartjes hoorntjes en geniepige oogjes
Zij houden van de chaos
Zij houden mij van mijn werk
Zorgen dat ik alles vergeet
Laten me struikelen, stotteren
En lachen dan om de blauwe plek

U kent dit fenomeen van scholen
Frequent op het speelplein
Dames en heren,
Ik word gepest
In mijn hoogsteigen brein

Van de dokter
Kreeg ik pillen
Die amputeren pootjes
Maar niet voor 24 uur
Ze groeien ’s avonds weer aan
En dan staan ze me op te wachten
Nonchalant tegen de muur
Gebalde breinen vuisten
Steken uit een breinig leren jack
En er valt weinig te ontwijken
Binnen je eigen hek
Elke dag nieuwe blauwe plekken
Van binnen op dezelfde plek

Soms laat ik ze maar lopen
Ik word er leuker van
Grappig spontaan aandoenlijk
Zeggen de mensen om me heen
Maar als al die mensen weg zijn
Dan zie ik het verval
Sleutels kwijt, afspraken vergeten
Gaten in mijn broek
Geen geld dus ook geen eten

Op zich mag ik niet klagen
Mijn leven is zeker niet verkeerd
Ik ben tenslotte niet de enige
Er zijn nog minstens tweemiljoenvijfhonderdachttienduizendachthonderdnegenenveertig anderen
Die van binnenuit worden geregeerd

.

Poëziebusdichters 3

Jeroen Naaktgeboren

.

Jeroen Naaktgeboren (Rotterdam, 1977) is dichter, presentator en leerkracht. Hij won met zijn poetryrockgroep De WoordDansers in 2004 het NK Poetry Slam en eindigde daarop op het WK Poetryslam in Parijs op de tweede plaats. Hij werd januari 2007 tot de eerste officiële stadsdichter van Rotterdam benoemd en schreef het boek Poetry Slam, het festival. Kijk voor de optredens, plaatsen en data op http://www.poeziebus.nl

.

Hinkstap op de brandgrens

.

Stuka’s en Heinkels naderen boven het laagland

Daaronder de dokken, een vuilkleed over de randen

De Hef geheven met het lef van laatste overmoed

standhouden voor vrijheid die de wil van haat verzet

Straten met vaders

met armen vol moeders

met handen vol kinderen

met knuisten in een smeulend kleed

Op weg naar schuilkelders,

verstoppen in nissen,

bidden achter planken,

spanten om te klemmen,

plinten en balken

het gieren, het suizen,

de dreunende aarde

Vlammen likken en lekken met vlakke tongen

De brief keert terug zonder handtekening

Een lied van as schril en vals gezongen

De rode waas van gehaaste lichtkogels

Scherven en splinters door lijf gedrongen

Onrecht straft met het laffe geblaf van de Luftwaffe

Mijn stad scheurde haar hart voorbij met brandende longen

Ik ga door tochtgangen die tot daglicht-tunnels ontwaken

Langs getrapte blokkendozen voorbij wanden van glas

Onder torens van trots boven een plein van staal

Wachtkamers en paskamers in een glimstaal onthaal

Een stad die ver voor mij geboren

niet eens mijn sterven weten zal

Alleen in herdenken kan ik herkennen

wat mij hier bracht tot waar ik val

Hinkstap op de brandgrens

man op nu van stad tot toen

de oude tijd, de nieuwe mens

puin ontstegen wit en groen

.

%d bloggers liken dit: