Site-archief

Dada gedichten op verzoek

Hans Arp en Hugo Ball

.

In het kader van mijn oproep om dichters op verzoek aan mij te melden heb ik heel veel reacties gekregen (waarvoor mijn grote dank). Een aantal dichters werd genoemd dat al een dichter van de maand was geweest of waar ik al vaker aandacht aan besteed maar ik kreeg ook volop namen van nieuwe dichters, dichters die ik (nog) niet zo goed ken, en ook verrassende namen. Omdat het er zoveel zijn zal ik me niet tot de zondagen in april beperken maar al eerder ‘dichters en gedichten op verzoek’ gaan plaatsen.

Zo kreeg ik van Ariel Alvarez een aantal namen van dichters door waaronder de Dadadichters Hugo Bal (1886 – 1927) en Jean (Hans) Arp (1886 – 1966).

Hugo Ball was een Zurichs Dadaïst en initiatiefnemer van Cabaret Voltaire, een klein zaaltje in Zürich, dat ruimte bood aan hooguit 35 tot 50 mensen. Elke avond voerden Ball en zijn dadaïstische vrienden een programma op waarin ze de burger opschrikten met nonsensicale teksten en simultane gedichten. Hugo Ball maakte veelal klankgedichten. Het eerste, uit 1916, had als titel ‘Karawane’ en bestaat uitsluitend uit niet bestaande woorden. De voordracht van dit gedicht schijnt geleken te hebben op een religieus ritueel en Ball moest tijdens het declameren van dit loze gedicht ineens terugdenken aan zijn katholieke jeugd en aan de lamentaties bij een requiem. Hoe klinkt dat? Luister hier: https://web.archive.org/web/20080220231205/http://epc.buffalo.edu/sound/mp3/sp/ball_hugo/ball_various.mp3

Jean of Hans Arp was een Duits-Frans beeldhouwer, schilder en dichter. Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de moderne kunst en was een van de voormannen van de dada-beweging. Ook was Arp actief als sieraadontwerper.  In 1916 richtte hij in Zürich samen met Hugo Ball, Tristan Tzara, Richard Hülsenbeck en Marcel Janco de Dada-beweging op, waarbij ook Sophie Taeuber betrokken was. Arp is vooral bekend door zijn beeldhouwwerken en sculpturen. Hij staat vooral bekend om zijn kenmerkende abstract-biomorfische stijl. In 1931 brak hij met het surrealisme om een andere groep te vormen, Abstraction-Création, die het periodiek ‘Transition’ uitgaf. Gedurende de 30 jaren tot het eind van zijn leven ging hij ook door met het schrijven van essays en poëzie.

Advertenties

Light verse

Jan Boerstoel

.

Nu november is aangebroken, de wintertijd is ingegaan en de dagen korter lijken dan ooit na een lange zomer is het volgens mij tijd voor wat luchtigheid, wat speelsheid, wat gekkigheid zo u wil. Daarom de komende zondagen voorbeelden van light verse. Wikipedia geeft als definitie van light verse:

Light verse is een benaming voor die gedichten die een wat lichtere, meer speelse toon hebben. Drs. P ontwierp er de Nederlandse term plezierdichten voor. De vorm kan velerlei zijn (sonnet, ballade, kwatrijn, ollekebolleke, en vele andere, kijk hiervoor ook vooral onder de categorie Versvormen). In light verse staat het spelen met taal en versvormen centraal, de vorm wordt gethematiseerd; het is voornamelijk het onderwerp dat licht is. Plezierdichten of light verse is overigens nog wat anders dan nonsenspoëzie. Onder nonsenspoëzie verstaat men gedichten waarin humoristische fantasie wordt bedreven, vol niet-bestaande woorden en andere dwaasheden. De bedoeling van nonsenspoëzie is te amuseren, waar light verse gaat over het op een intelligente manier versterken door taalacrobatiek en vormvastheid van een niet-nonsensicale inhoud.

In het Nederlands taalgebied zijn vele plezierdichters, de bekendste is natuurlijk Drs. P. maar ook Willem Wilmink, Ivo de Wijs, Driek van Wissen, Inge Boulonois en Kees Stip zijn bekend door de lichte en speelse toon van hun gedichten.

Ook Jan Boerstoel kun je onder deze categorie scharen. Boerstoel (1944) is schrijver en dichter, onder andere van van vele liedjes voor cabaret. Zijn gedichten zijn vaak wat melancholisch maar hebben vaak een humoristische ondertoon. Zo ook het gedicht ‘Futen’ uit ‘Een beetje wees’ uit 1990.

.

Futen

.

De futen zijn weer druk met nest- en waterbouw

in de Da Costagracht: bladeren, kleine takken,

maar ook papier, verroeste waslijn, plastic zakken,

een echte stadsfuut kijkt allang niet meer zo nauw.

.

En ik sta voor mijn raam en zie hun zwoegen aan

en denk aan al die ruziënde grachtgenoten:

eenden en meeuwen en aan grote vuilnisboten,

ik maak me ongerust of dat wel goed kan gaan.

.

Maar futen kunnen daar niet overstuur van raken,

als zij van rotzooi, op zijn fuuts, iets prachtigs maken.

.

%d bloggers liken dit: