Site-archief

Walking around

John Ashbery

.
John Lawrence Ashbery ( 1927 – 2017) was een Amerikaans avant-gardistisch dichter. Op jonge leeftijd wilde hij kunstschilder worden en van zijn elfde tot zijn vijftiende nam hij met veel enthousiasme tekenlessen. Geleidelijk verlegde hij echter zijn interesse naar de dichtkunst en begon hij poëzie te schrijven. Tijdens zijn studie aan de Harvard-universiteit raakte hij bevriend met Kenneth Koch, Barbara Epstein, James Schuyler, Frank O’Hara en Edward Gorey, met wie hij later de New York School of Poets zou vormen. In 1949 studeerde hij cum laude af op een dissertatie over W.H. Auden. Ashbery’s vroege werk werd erg beïnvloed door die zelfde Auden maar later werd zijn werk steeds modernistischer. In de jaren 60′ verkeerde hij in avant gardistische kringen hetgeen zijn werk ook beïnvloedde.
Ashbery’s werk kenmerkt zich door vrije, spontane associatie, waarbij zijn gedichten meestal nauwelijks een echt onderwerp kennen. Hij kan heel vaag en poëtisch zijn over concrete alledaagse dingen, waarbij hij regelmatig de parodie als stijlmiddel gebruikt. Een overkoepelend thema is de relatie tussen chaos en het bewuste menselijk denken en met de kunst in zijn algemeenheid.  Tijdens zijn leven werd hij meerdere keren onderscheiden en ontving hij een aantal literaire prijzen voor zijn werk waaronder de National Book Award for Poetry en in 1976 de Pulitzerprijs voor poëzie.
Uit de bundel ‘A Wave’ uit 1984 het gedicht ‘Just walking around’.
.
.
Just Walking Around 
.
What name do I have for you?
Certainly there is no name for you
In the sense that the stars have names
That somehow fit them. Just walking around,An object of curiosity to some,
But you are too preoccupied
By the secret smudge in the back of your soul
To say much and wander around,Smiling to yourself and others.
It gets to be kind of lonely
But at the same time off-putting.
Counterproductive, as you realize once againThat the longest way is the most efficient way,
The one that looped among islands, and
You always seemed to be traveling in a circle.
And now that the end is near

The segments of the trip swing open like an orange.
There is light in there and mystery and food.
Come see it.
Come not for me but it.
But if I am still there, grant that we may see each other.

.
Advertenties

Klankgedicht

Hugo Ball en The Talking Heads

.

In het bijzonder boeiende boek ‘Made in Europe’  van Pieter Steinz uit 2014, lees ik een stuk over het klankgedicht van Hugo Ball dat later op muziek gezet is door The Talking Heads. Nu heb ik de muziek van The Talking Heads altijd erg gewaardeerd en dus ging ik op zoek, naar het gedicht van Ball en naar de muziek van The Talking Heads. Het Dadaïstische klankgedicht van Hugo Ball ‘Gadji Beri Bimba’ uit 1916 is in 1979 omgewerkt naar het nummer ‘I Zimbra’ van The Talking Heads van hun LP ‘Fear of Music’. Hugo Ball vertolkte dit klankgedicht in Cabaret Voltaire in Zurich.

Om beide te kunnen vergelijken hier de tekst van Ball uit 1916 (en zijn outfit waarin hij destijds dit gedicht voordroeg) en de clip van The Talking Heads. Wil je meer over deze boeiende persoon lezen en het nummer ‘I Zimba’ ga dan naar https://dadarockt.wordpress.com/2013/01/21/cabaret-voltaire-talking-heads/

.

Gadji Beri Bimba

.

Gadji beri bimba clandridi

Lauli lonni cadori gadjam

A bim beri glassala glandride

E glassala tuffm i zimbra

.

Bim blassa galassasa zimbrabim

Blassa glallassasa zimbrabim

.

A bim beri glassala grandid

E glassala tuffm i zimbra

.

Gadji beri bimba glandridi

Lauli lonni cadora gadjam

A bim beri glassasa glandrid

E glassala tuffm i zimbra

 

 

.

.

Straatkunst

Wan bon

.

R. Dobru (1935-1983) is het pseudoniem van vakbondslid en activist Robin Ravales, die zich zowel binnen als buiten de poëzie verzet heeft tegen de sociaal-maatschappelijke problemen in zijn land Suriname en de koloniale overheersing van de Nederlandse staat. Vlak voor zijn dood heeft hij ook nog in de regering van Suriname gezeten als Minister van Cultuur, in welke hoedanigheid hij zich inzette voor de politieke en culturele eenwording van Suriname.
Zijn poëzie kenmerkt zich door een sterke betrokkenheid bij het lot van de Surinamers en het lijden van hen die sociaal achtergesteld waren. Als dichter verwoordde en voedde hij vanaf de jaren zestig het steeds sterker wordende nationalisme en verlangen naar onafhankelijkheid van zijn volk. Het gedicht ‘Eén boom’  of ‘Wan bon’ is een van de bekendste voor-beelden van de behoefte om saamhorigheid te creëren in een tijd waarin de roep om vrijheid steeds luider wordt. De metaforiek is eenvoudig en geeft weinig ruimte voor misverstanden. Dobru stierf op achten-veertigjarige leeftijd aan de gevolgen van suikerziekte.

Het gedicht is in Suriname op het gebouw van het Welzijns Instituut Nickerie (Wingroep) aangebracht maar ook in Rotterdam West op het Virulyplein op de gevel van een huizenblok. De kunst is van kunstenaar Carlos Blaaker (1961). Het gedicht (in het Surinaams en het Nederlands) gaat als volgt:

.

Wan bon 

Wan bon
someni wiwiri
wan bon.

Wan liba
someni kriki
ale e go na wan se

Wan ede
someni prakseri
prakseri pe wan bun mus’ de

Wan Gado
someni fasi fu anbegi
ma wan Papa

Wan Sranan
someni wiwiri
someni skin
someni tongo

Wan pipel

.

Eén boom

.
Eén boom
zovele bladeren
één boom.

Eén rivier
zovele kreken
alle stromen naar één zee

Eén hoofd
zovele gedachten
gedachten waar een goede tussen moet zitten

Eén God
zoveel manieren om te aanbidden
maar één enkele Vader

Eén Suriname
zoveel soorten haar
zovele huidskleuren
zoveel talen

Eén volk

.

Dichter op verzoek

Deel 6: Harry Man

.

Van Odile Schmidt kreeg ik onder andere de vraag om aandacht te besteden in Dichter op verzoek, aan de dichter Harry Man, omdat “haar jonge gezelschap zo weg was van hem”. Geen beter reden lijkt me dan deze.

Hoewel ik dacht dat Harry Man wellicht een Nederlandse dichter was blijkt hij uit het Verenigd Koninkrijk te komen. Daar wordt Man (1982) gezien als een jonge, eigenzinnige dichter die de grenzen van papier en podium, wetenschap en kunst op intrigerende wijze aftast.

Begonnen als spoken word dichter debuteerde hij in 2014 met ‘Lift’ waarmee hij meteen al de prestigieuze (want langst bestaande) Struga Award won. Deze prijs wordt vergeven in Macedonië.

Harry Man was Clarissa Luard Wordsworth Trust Poet in Residence in 2016 en in 2016 Hawthornden Fellow. In 2016 was hij ook nog TOAST dichter. TOAST Poetry help dichters de stap te zetten van een debuut naar een inbedding van hun werk door ze een podium te bieden en door financiële middelen te vergaren. https://toastpoetry.com/

Zijn meest recente ‘pamphlet’ zoals hij ze zelf noemt, is ‘Finders Keepers’ dat handelt over bedreigde diersoorten op de Engelse eilanden. Hij heeft dit samen gemaakt met de kunstenaar Sophie Gainsley. Man’s poëzie  werd al in vele talen vertaald.

Het gedicht ‘Ultrasound’ werd gepubliceerd in Popshot Magazine in 2012.

.

Ultrasound

.

The white artery of your spine
hovers beneath a butterfly’s ghost;

wings budding into flight
twice a second, heartbeat by heartbeat.

The isthmus of your foot kicks in the fluid –
the pressure of the sensor is ticklish.

With the end of his biro the doctor
circles your magnified hand gloved in light

and this shimmer, this afterthought of air
in the trees is the breath of your mother.

Night-blind you will fumble back
to its anthem through the clicks

of your hardening head.
This song, secret as a light switch,

is how your breathing will be.
The warmth of my wrist on your belly;

your pulse and mine in time –
the first of your strengths is to be loved.

.

Papa Says It Won’t Hurt Us

De allereerste readymade

.

“Wat is het verschil tussen een ketchup label, en een gedicht?” Dat is wat dichter Ivor Unsk zich in 1915 afvroeg. De Russische immigrant Unsk, een  onbekende dichter en drinkgezel van Marcel Duchamp,  was degene die de oorspronkelijke readymade bedacht.

Toch werd deze vorm van readymade poëzie destijds niet geaccepteerd door de literaire wereld. Hoe fanatiek en luidruchtig en met argumenten, Unsk deze nieuwe vorm van poëzie ook verdedigde. De ondertekening van een gedicht door de dichter, de plaatsing in een literair tijdschrift, de bijbehorende aandacht van de lezer, dat maakt dat de de poëzie zich nestelt in de geest.

“Reclames voor schoensmeer, sigaretten, of revolvers zijn een naadloze weerspiegeling van de industriële massaproductie en moderniteit bevat een alledaagse waarheid die de dichter, gebogen over zijn typemachine, nooit kan benaderen. De titel van een gedicht kan niet concurreren met een krantenkop in de aandacht van de geest van de moderne mens.” Zo stelde Ivor Unsk in 1915.

Hoewel Marcel Duchamps beroemd werd met zijn readymade kunst kun je stellen dat Unsk in feite de grondlegger was van deze vorm van kunst (en dus ook poëzie). Toen het gedicht ‘Papa says it won’t hurt us’ werd gepubliceerd in ‘The Southwest Review’ werd het met de grond gelijk gemaakt door de critici.

De ironie wil dat Unsk in 1916 werd dood geschoten door een Iver Johnson revolver na een mislukte inbraak (hij had gok- en drankschulden) waardoor dit het enige gedicht is dat er van Unsk bekend is.

Hieronder de oorspronkelijke advertentie van Iver Johnson revolvers en de readymade die Unsk daarvan maakte.

.

Op de dag (vandaag) dat in de Volkskrant een heel artikel verschijnt over het porceleinen urinoir van Marcel Duchamps (en waar dat ding gebleven is) post ik dit stuk (dat ik begin van deze week al schreef (toeval bestaat niet). Hoewel het oorspronkelijke Amerikaanse artikel heel echt leek, blijkt dit een geval van  ‘alternative facts’, of een hoax. De auteur van dit artikel over Ivor Unsk blijkt Eric Kuns en het is dus allemaal bedacht. Desalniettemin vind ik het een mooi (bedacht) verhaal en als readymade zeker niet slecht!

Nieuw gedicht

ZomerExpo

.

ZomerExpo is de grootste kunsttentoonstelling in een Nederlands museum via open inschrijving en anonieme keuze. In 2017 in de Fundatie met het thema Water. Iedereen kon meedoen want de inschrijvingstermijn is inmiddels verlopen. Aanwezig bij de dag van het tonen van de kunstwerken aan de jury schreef ik het volgende gedicht.

.

Zomerexpo

 

Wat kunst is of

kunst mag heten, de tachtig mensen voor haar

denken het  te weten.

 

Zorgvuldig dragen haar familie en vrienden

de schatten (in haar ogen) richting het

verplichte,  maar daardoor niet minder

gewenst fotomoment.

 

Dan het  zwarte  gordijn,

het zwarte gat daarin, ze moet loslaten,

onzekerheid wint het tijdelijk van vertrouwen.

 

Loslaten vindt ze minder erg

dan het daaraan overgeleverd zijn.

In een te kort moment  gevolgd door een

absoluut en onverbiddelijk  ‘helaas’.

.

paviljoen De Witte

Gedichten in de buitenruimte

.

Een tijdje geleden ben ik benaderd door Kila van der Starre om bijdragen te leveren aan http://www.straatpoezie.nl, een PhD-onderzoek van deze student aan de Universiteit van Utrecht. Doel is om alle gedichten in de openbare ruimte in kaart te brengen in Nederland en Vlaanderen. Omdat ik via mijn rubrieken Gedichten op vreemde plekken en Gedichten in de openbare ruimte al veel voorbeelden heb verzameld was het bijna logisch dat ze ook bij mij terecht kwam. Deze week werd ik door John Jansen van Galen van ‘Met het oog op morgen’ op radio 1 (de poëzierubriek) gebeld met de vraag of ik wist of er ooit onderzoek gedaan was naar poëzie in de buitenruimte?

Voor zover ik weet is dat niet het geval, veel voorbeelden zijn plaatselijk en in hun soort redelijk uniek. Vaak zijn het voorbeelden van stadsdichters ter verfraaiing van de buitenruimte en maar een enkele keer gaat het om, wat Kila noemt, canonieke gedichten, gedichten die in het collectief geheugen van de Nederlander (en Vlaming) zitten.

Tweede kerstdag was ik in Beelden aan zee, een museum op de duinrand van Scheveningen met beeldhouwwerk (en een tentoonstelling van  Picasso) dat voor een deel onder paviljoen De Witte is gesitueerd. Op 18 november 1827, de verjaardag van koningin Wilhelmina van Pruisen, namen koning Willem I en zijn vrouw namen met feestelijk vertoon een strandpaviljoen in gebruik dat de koning speciaal voor haar had laten bouwen. Zij leed aan slapeloosheid, en men hoopte dat veelvuldig verblijf aan zee hierin verbetering zou brengen.

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw waren de exploitatiekosten van het paviljoen sterk opgelopen. De eigenaar, Littéraire Sociëteit De Witte, zocht daarom naar andere inkomstenbronnen. Op 17 september 1990 keurde de algemene ledenvergadering van Sociëteit de Witte een plan voor een beeldenmuseum in het pand goed. In 1994 werd museum Beelden aan zee door koningin Beatrix geopend.

Aan de Pellenaerstraat kant van het paviljoen is ‘De Transparant’ een glazen afscheiding tussen straat en paviljoen van 65 meter lang. Op zestien panelen staan stukken tekst en gedichten over kunst, glas en de zee/het strand.

Hieronder een paar voorbeelden met gedichten van Jan Wolkers, Leo Vroman en Gerrit Kouwenaar.

.

g1

g4

g5

Met dank aan http://www.denhaag.wiki/index.php/cultuur/monumenten/278-paviljoen-von-wied

Red poem

Rives Granade

.

Kunstenaar Rives Granade uitv het plaatsje Mobile in Alabama in de Verenigde Staten exposeerde afgelopen jaar met, wat hij noemt, poetically charged architectural fusions. Omdat ik graag de grens tussen poëzie en kunst verken viel mijn oog op één van de schilderijen die deze tentoonstelling bevatte (de tentoonstelling was tot december 2015). Het betreft hier het schilderij ‘Red Poem’.

Hoewel Red Poem geen gedicht is, volgens mij is het zelfs geen tekst of taal, deed het me erg herinneren aan eerdere kunstwerken van kunstenaars die zich lieten inspireren door poëzie.

Zo ook Rives Granade.  De schilderijen in deze tentoonstelling hebben allemaal een tekstueel element, een soort graffiti met een poëtische referentie. Dit slaat terug op Rives’ filosofie over het maken van kunst, het creëren van ruimte en het definiëren van kleur.

Veel van de werken in Red Poem zijn een middenweg tussen taal, architectuur en beeldhouwkunst. Het uitgangspunt voor deze werken was het lezen van poëzie. Rives schrijft ook poëzie, zijn dichtbundel komt in het voorjaar van 2016 uit.

.

redpoem2

redpoem1

redpoem3

 

 

 

Poetry Anywhere

David Julius Caesar Salad

.

Poëzie Anywhere is een mobiel-poëzie-performance-kunst project waarin gepersonaliseerde getypte gedichten direct worden gemaakt in ruil voor een donatie.

De dichter van dienst, David Julius Caesar Salad leende dit concept van de dichter Lynn Gentry (San Franciosco), in 2010. Gentry schonk hem een turquoise Olivetti typemachine en moedigde hem aan om zijn gesproken woord obsessie te kanaliseren in een getypte gedichten. David Julius Caesar Salad werd verliefd op het samenstellen van poëzie onder druk en het delen van vaak intense momenten met volslagen vreemden op straat.

Hij begon in Ann Arbor, Michigan, elk weekend op een boerenmarkt. Al snel maakte hij deel uit van een groep straat dichters die in de Verenigde Staten deze vorm van poëzie bedrijven. Sindsdien reisde hij naar New York,  Spanje, Bulgarije en Los Angeles.

Zijn belangrijkste drijfveren bij het uitvoeren van de Poëzie Anywhere zijn puur voor de menselijke interactie en onvoorspelbare ervaringen. De meeste gedichten die hij zo schrijft gaan over in andere handen en verdwijnen daarmee uit het zicht. Dit is voor David een voorwaarde: “Ik heb liever geen kopie of een foto van mijn gedichten om te behouden, omdat dit voelt als afstand nemen van het moment’.

.

Gelukkig zijn er wel een paar voorbeelden gedeeld door de ontvangers van deze spontane gedichten. Hieronder zie je een paar voorbeelden. Meer informatie over Poetry Anywhere lees je op http://poetryanywhere.com

PA1

PA2

Het denken en het meisje

Maria Barnas

.

De Nederlandse schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas (1973) gebruikt tekst en beeld zowel in haar geschreven als haar beeldende werk. Voor haar poëziedebuut ‘Twee zonnen’ uit 2003 ontving ze de C. Buddingh’ prijs,  in 2009 de J.C. Bloemprijs voor haar bundel ‘er staat een stad op’ en in 2014 voor ‘Jaja de oerknal’ de Anna Bijns Prijs.

Maria Barnas is medeoprichter (met Maxine Kopsa en Germaine Kruip) van uitgeverij ‘Missing books’ die als kunstproject boeken publiceert die niet eerder zijn herdrukt. Ze schrijft over kunst en literatuur in onder andere De Groene Amsterdammer, De Gids, Vrij Nederland en ze was columnist bij het NRC Handelsblad.

Uit haar bundel ‘Jaja de oerknal’ uit 2013 het gedicht ‘het denken en het meisje’.

.

Het denken en het meisje

Weilanden en huizen verglijden in mijn ooghoek
terwijl ik me probeer te concentreren op het meisje
dat tegenover me zit. Er past veel in een ooghoek.
Een huis dat ik herken een sloot een koe en zelfs

het grazen en verloren turen van het dier dat de nek
strekt gespannen van een onbekend geluid.
Of wacht het strammer op een teken?
Dieren vermenigvuldigen zich aan de rand.

Schikken zich in dit verzakkende moerasland
met stuitende huizen waarin ik stuk voor stuk
heb gewoond. Het meisje klemt een boek

dat doorsneden van de hersenen toont op schoot.
Ze omcirkelt kwabben en ventrikels en ontleedt
dat ik aan haar kan denken en denken.

.

MB

 

%d bloggers liken dit: