Site-archief

Niet te geloven

Het literair anekdotenboek

.

Pas geleden kocht ik in een kringloopwinkel ‘Het literair anekdotenboek’ samengesteld door John Müller en in 1988 uitgegeven door de Bijenkorf. Dit is nu precies het soort boeken waar ik van hou; boeken met weetjes, anekdotes, feitjes en lijsten. En deze dan in het bijzonder want ze gaan over literaire anekdoten. Het boek bevat veel informatie over schrijvers, dichters, maar ook over thema’s als brieven, kritieken, onderzoeken, prijzen, roddels, schandalen, zinspelingen en ga zo maar door.

Uiteraard heb ik een voorkeur wat betreft alle informatie die over dichters of de poëzie gaat en ik word niet teleurgesteld. Zo staat er een anekdote in onder het weinig zeggende trefwoord ‘matras’. In de jaren zestig van de vorige eeuw zond de AVRO-televisie Literaire ontmoetingen uit. In mei 1964 besloot de AVRO-directie het programma te laten vervallen, omdat de programmamakers (Remco Campert, H.A. Gomperts, Hans Keller -op 19 december 2019 overleden- en Con Nicolai) weigerden het fragment te schrappen waarin Remco Campert een eigen gedicht ‘Niet te geloven’ voorlas.

De AVRO maakte ernstig bezwaar tegen het woord ‘naaide’  in de derde strofe, en liet de programmamakers weten dat men niet op hun honorarium hoefde te rekenen als dit woord niet werd aangepast (verwijderd of vervangen door een woord dat kennelijk wel door de AVRO werd goedgekeurd). Remco Campert zei in een commentaar op deze eis: “Ik begrijp het niet, het gedicht heb ik in 1960 geschreven (en verscheen in de bundel ‘Dit gebeurde overal’ in 1962) en ik heb nooit aan enige weerstanden gedacht. Volgens mij waren de kuisheidsbezwaren tegen woorden als deze – die toch ook een wezenlijke functie hebben – wel doorbroken. Het gaat mij niet om het woord zelf, maar het is in het gedicht gewoon op zijn plaats. Nee, er was echt geen compromis mogelijk.”

Veel kranten hadden het er ook moeilijk mee, zo beschreef het Algemeen Dagblad ‘naaide’ als ‘zes letters, samen vormend een werkwoord dat veel wordt aangetroffen op schuttingen en in de moderne literatuur’, het Algemeen Handelsblad noemde het gewoon ‘het vieze woord’ en de Volkskrant beschreef het als ‘een handeling waar wij het voortbestaan van de wereld aan te danken hebben’. Vreemd genoeg drukte de ‘Friese Koerier’, de Leeuwarder Courant’ en ook ‘Trouw’ (de krant die de eerste decennia na de tweede wereldoorlog een blad voor de gereformeerde kerken in Nederland was) het gedicht gewoon af.

Wanneer je het gedicht nu leest vraag je je af waarom er zo’n ophef was destijds over dit gedicht en zo’n woord. Het geeft maar weer eens aan hoe de moraal is veranderd en welke vrijheid er tegenwoordig is om te schrijven wat men wil.

.

Niet te geloven

.

Niet te geloven
dat ik knaap nog
een vers schreef over de
zilverwitheid van een berkestam

.

en om mij heen
grootse dronkenschap
van de bevrijding:
het water was wishky geworden.

.

Alles zoop en naaide
heel Europa was één groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.

.

En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.

.

 

Satie

Henk Romijn Meijer

.

Het gebeurt me nog wel eens. lezend in een dichtbundel (meestal een verzamelbundel) dat ik een gedicht tegen kom van een dichter die ik alleen als schrijver van romans of verhalen, of als columnist ken. Meestal betreft het hier éénmalige gedichten en heeft de schrijver in kwestie nooit een dichtbundel uitgebracht. En soms word ik verrast zoals in het geval van schrijver, taalkundige, vertaler en essayist Henk Romijn Meijer.

Henk Romijn Meijer (1929-2008) ken ik als schrijver vanaf 1983, toen een docent Nederlandse Letterkunde aan de P.A. Tiele Academie, waar ik mijn opleiding deed, ons studenten wees op Romijn Meijers roman ‘Mijn naam is Carrigue’. Henk Romijn Meijer brak in dat jaar door naar het grote publiek met deze roman, een boek dat een nieuw genre in de Nederlandse literatuur zou inluiden: de faction. Het is naar vorm en stijl een psychologische roman, naar intrige een thriller, maar gebaseerd op ware feiten.

Toen ik in de bundel ‘De vier jaargetijden’ een gedicht van zijn hand tegen kwam was ik dan ook verrast. Op zoek naar zijn oeuvre kwam ik via Wikipedia een enorme lijst van romans, verhalen, novelles en kritieken tegen én één poëziebundel uit 1986, getiteld ‘Resten van jou’. Destijds uitgegeven in een oplage van 750 stuks, voorafgegaan in een speciale druk van 250 exemplaren als relatiegeschenk in 1985.

Uit deze bundel is in ‘De vier jaargetijden’ een keuze uit poëzie over klassieke muziek uit 1991 het gedicht ‘Satie’ opgenomen.

.

Satie

.

De spotzieke lentevogel

klauwt aan zijn vingers vast.

.

nu zijn er bijna uitgesproken woorden

die aarzelen, dan wemelen als sneeuw,

dan dichtvallen als ogen, verschrikt verlegen.

.

eenzaamheid glimpt als de weerschijn

van een kaarslantaarn, bescheiden

en voorzichtig klinkt de eenzaamheid.

.

Voordracht tijdens Allerzielen

Dop Bles

.

Op vrijdag 2 november aanstaande wordt op Begraafplaats Oud Eik en Duinen voor de derde keer ‘Dichter bij de Dood’ georganiseerd. Vanaf 18.30 kunnen bezoekers aan deze prachtige oude begraafplaats gratis genieten van dichters en muzikanten. Ook ik zal hier voordragen. Elke dichter adopteert een bekende schrijver of dichter die hier begraven ligt. Ik heb voor een minder bekende dichter gekozen namelijk de dichter Dop Bles. Van hem zal ik een gedicht voordragen en van mijzelf een gedicht over de dood. De ingang van Oud Eik en Duinen bevind zich aan de Laan van eik en Duinen 40 in Den Haag.

Adolf Bles, Nederlands dichter en (toneel)schrijver (1883 – 1940) was een leerling van de dichter J.H. Leopold. Hij werd boekhandelaar en schreef kritieken en scheppend proza onder verschillende pseudoniemen: A. Dolfers, J.Th. Ring en R. Buci. Onder de naam Ronselaar Brevier publiceerde hij een reeks stijlparodieën onder de titel ‘Schrijven zoals’ (1915). Eerder debuteerde hij onder het pseudoniem Ina de Wilde met de roman Mijn dagboek (1905).
Met zijn poëzie behoorde Bles tot de humanitair-expressionisten. Hij was bevriend met de schilder Mondriaan die hem in contact bracht met De Stijl. Voor De Stem schreef hij toneelkritieken. Hij heeft ook zelf toneel geschreven: Levensdrang(1916) en Narcose (1921). Tijdens een verblijf in Parijs schreef hij modernistische gedichten, gebundeld in Parijsche verzen (1923). Uit deze bundel het gedicht ‘Een verdoolde’.

.

Een verdoolde

.
Nu is zij dood – –
ze was van mij,
ze leefde jaren aan mijn zij
en kende nauwelijks mijn taal;
haar leven was een vreemd verhaal.
Zij kwam een avond met een lach
en bleef ook na de eerste dag;
zij is mij met een lach verschenen,
na vele tranen ging zij henen;
ik gaf haar meer dan kleed en brood…
Nu is zij dood!

Nu is zij dood – –
haar kleine hart
kan niet meer zeggen wat het mart,
en beide ogen zijn gedoofd;
‘k heb in hun gloed heel lang geloofd;
haar lippen zijn van klank ontdaan,
nu zij voor goed is heen gegaan.
Zo sluipend stil is zij verdwenen;
zij ging voor altijd van mij henen
het leven in, dat flonk’ring bood…
Nu is zij dood!
.

Négligé

Willem Frederik Hermans

.

Een van Nederlands grootste romanschrijvers, Willem Frederik Hermans (1921 – 1995) schreef behalve romans ook novellen, verhalen, poëzie, toneelstukken en scenario’s, alsmede essays, kritieken en polemieken. Sterker nog, Hermans debuteerde in 1944 als dichter met de bundel ‘Kussen door een rag van woorden’. Toch beperkte zijn poëzie uitgaven zich tot de jaren veertig van de vorige eeuw. Daarna werd er nog wel herdrukt en verzameld werk uitgegeven maar lag zijn focus duidelijk niet op het schrijven van poëzie.

In 1982 verscheen bij De Bezige Bij de bundel ‘Overgebleven gedichten’, een herdruk van de gelijknamige bundel uit 1968. De gedichten in deze bundel zijn een strenge selectie uit de twee bundels die Hermans in het begin van zijn literaire loopbaan schreef, aangevuld met ongepubliceerde verzen en de vertalingen van 7 gedichten.

Uit deze bundel een liefdesgedicht met in de titel één van de mooiste woorden die uit het Frans in het Nederlands is overgenomen ‘Samenzijn in négligé’.

.

Samenzijn in négligé

.

Zij stond voor haar toilettafel,

Een driedelige toilettafel,

Een toilettafel met drie spiegels.

.

Zij kamde haar haar.

En ik stond achter haar.

Zij plukte uit haar kam een rafel.

.

En zo lichtgevend was zij,

Dat ik, toen ik mij omdraaide naar de wand

(De toilettafel – zij – ik – de wand),

Zag een driedubbele schaduw van haar hand.

.

Drie lichtende vlinders; ik ontweek ze schuw,

Ik ontweek ze, ik, driedubbele schaduw.

.

kaptafel

Liedje voor de pijn

Jan Willem Otten

.

Schrijver/dichter Jan Willem Otten heeft een veelzijdig oeuvre opgebouwd van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays. In 1973 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Een zwaluw vol zaagsel’ waarna hij nog elf dichtbundels publiceerde. Van 1989 tot 1996 was hij redacteur van ‘Tirade’.

Voor zijn poëzie ontving hij de Reina Prinsen Geerligsprijs, de Herman Gorterprijs en de Jan Campertprijs. Uit zijn bundel ‘Eerdere gedichten’ uit 2000 het gedicht ‘Liedje voor de pijn’.

.

Liedje voor de pijn

.

Een mevrouw loopt door de gang

met in een zilveren kom haar plas.

.

Zij zingt in zich zelf

van de pijn van vannacht

zo waaiend verwoestend

dat zij zich moest krimpen

tot iets van niks, tot pluisje

drijvend op die wind.

.

Het woei niet weg

het woei niet mee

is niet verpletterd

maar bestaat nog steeds

ook nu de pijnwind ligt.

.

Straks wordt zij zwaar

en bang voor nieuwe wind

voor splijten als een eik.

.

Maar hedenmorgen is zij

vederlicht. O bleef ik zo,

voor altijd zonder wil,

.

zingt de mevrouw op onze gang.

Haar zilveren kom spoelt zij nu om.

.

eerdere gedichten

%d bloggers liken dit: