Site-archief

Poëzie in het alledaagse

Marktplaatspoëzie

.

Wanneer je mijn blog al wat langer en vaker leest dan weet je dat ik, naast veel aandacht voor fantastische poëzie, ook graag aandacht geef aan, wat ik de rafelranden van de poëzie noem. Een mooi voorbeeld van zo’n rafelrand is het boekje dat ik tegenkwam in de kringloopwinkel. Marktplaatspoëzie, ‘de meest ontroerende advertenties’ verzameld door Jan Hoek.

Zoals Jan het stelt: Bij het lezen van Marktplaatspoëzie word je overvallen door lachbuien, diep medelijden en tranen van ontroering. Nu kan het zijn dat Jan snel aangedaan is (de tranen, lachbuien en het medelijden bleven bij mij tenminste uit bij het lezen) maar dat er wat te genieten valt is een feit. Als je sommige advertenties bekijkt als een vorm van ready made poëzie dan begrijp je wat ik bedoel.

Ik heb er een paar geselecteerd die ik hier met je wil delen.

.

Spoed

.

wie kan ons op korte termijn helpen

meer info per mail

is echt heel dringend!!!

.

Als je je ouders niet eert…

.

Als je je ouders geen eer aandoet…

gaat het HELEMAAL MIS met je!!

…op school.. en in je privéleven…en overal!!!

Let er maar eens op.

Dit is niet zomaar een opmerking!

.

1zaam

.

wie kent het

zo eenzaam zijn, dat je jezelf een SMSje stuurt…

.

Vallen oudere vrouwen op jongere jongens?

.

Vallen oudere vrouwen op jongere jongens, of is dat een fabel?

.

Advertenties

Laat mij

Hans Andreus

.

Een paar weken geleden (14 maart) deelde ik een aankoop uit een kringloopwinkel met jullie; de Dichters Omnibus, tweede bloemlezing uit 1954. Als reactie daarop kreeg ik van Corry Nieman, een van de drijvende krachten achter http://www.schrijvenswaard.nl, dat zij deel 3 en 4 had en dat ik die wel mocht hebben. Omdat ik van de 18 edities nog 8 edities mis was ik daar, zo begrijp je, heel blij mee. Corry stuurde ze me toe en ik zal er deze week uit elk een gedicht delen.

Vandaag de derde bloemlezing uit 1957. Hier heb ik gekozen voor een gedicht van een van mijn favoriete dichters uit Nederland, Hans Andreus, die achterin dit bundeltje wordt beschreven als “behorende tot de groep van experimentele dichters” met het gedicht ‘Laat mij…’.

.

Laat mij…

.

Laat mij, laat

mij gaan waar niemand gaan wil.

De eenzame wolven, zegt men.

Geen mens meer met een zelfgeschapen ruimte,

waarin hij loopt en ademt.

Geen mens meer met zijn uitverkoren

steden, landen, zeeën.

Geen ruimte meer,

geen mens meer, nee, geen mens,

.

En geen versierde woorden.

Maar hoe lang, hoe lang, hoe lang

de onontkoombaarheid?

Het sterven in de tijd?

Het brekende woord, de weer eenzame mond?

.

Een omhelzing zonder arm

Willem Jan Otten

.

Van mijn broer kreeg ik een stapel dichtbundels die hij had verzameld bij de kringloopwinkel bij hem in de straat. Uit deze stapel zal ik de komende dagen een aantal bundels nemen en daaruit weer een gedicht. Vandaag te beginnen met de bundel ‘Paviljoenen’ van Willen Jan Otten. Deze bundel verscheen in 1991 bij uitgeverij G.A. van Oorschot en uit deze bundel koos ik puur op de titel voor het gedicht ‘Een omhelzing zonder arm’.

.

Een omhelzing zonder arm

.

Eens kwam hij laat de kamer in

en op zijn kussen daalde neer

de vlokken van een sneeuw.

Aquarisch en half dronken

daalden zij heen, het blauwe in

van een kerstmisschuddeding.

De macht die schudt ontbrak.

.

Daar werd jij toen alsnog mijn bruid,

in het schijnsel van de wekkerradio.

Jij bestond het al te hebben zijn,

streelbaar als God, Mozaïsch als

een zeepbel die een cel in drijft.

.

Die moeder

Elisabet Eybers

.

Soms kom ik in mijn boekenkast de meest vreemde boeken tegen. Nu weer een boek van Joke Forceville-van Rossum met de titel ‘Als je het mij vraagt’ uit 1983. Joke begint in haar voorwoord over de welvaart in ons land en dat deze bijna spreekwoordelijk is (!). Omdat zij veel gelezen heeft en daarbij zoveel is tegengekomen dat blij maakt, te denken geeft, helpt, troost en vragen stelt, wil ze anderen hier ook deelgenoot van maken. Er zijn dringender redenen geweest om een boek uit te geven dunkt me. Dit boek bestaat dan ook uit een enorme hoeveelheid foto’s, spreuken, verhaaltjes, korte essay-achtige stukken, overdenkingen en gedichten. Waarschijnlijk heb ik dit boek daarom ooit voor een euro gekocht bij een kringloopwinkel.

Het boek doorbladerend wilde ik het al weg doen tot ik een prachtig gedicht tegenkwam van Elisabet Eybers getiteld ‘Die moeder’. Elisabet Eybers (1915 – 2007) was een Zuid Afrikaans dichter. Ze groeide op en studeerde in Johannesburg maar vestigde zich in 1961 in Amsterdam en nam de Nederlandse nationaliteit aan. Toch bleef ze schrijven in het Afrikaans. Haar werk wordt gekenmerkt door humor, ironie en zelfspot. Als voorbeeld hiervan onderstaand gedicht uit 2006, geciteerd in haar overlijdensadvertentie:

Godsdienstigheid beweer
Die siel bly voortbestaan
Terwyl ek self begeer
Om grondig te vergaan

Ze wordt met M. Vasalis en Ida Gerhardt tot de drie grote naoorlogse dichteressen van Nederland gezien. Voor haar werk ontving ze vele prijzen waaronder drie keer de Hertzogprijs, de Herman Gorterprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs voor haar hele oeuvre. Ze publiceerde maar liefst 30 bundels poëzie in haar leven.

.

Die moeder

.

Die vreemde oorsprong van jou lewe het,

soos lig deur ’n kristal, deur my gevloei

in al die maande toe ek één was met

die stil geheim van jou verborgene groei.

.

En nou kan niks ons skei – want is jy niet

afhanklik en gebonde aan my bloed

wat met sy onbegryplike chemie

jou wonderlik gevorm het en voed?

.

En of die uur ver en vergete word,

en of die jare tussen jou en my

hul seile span, die see sy golwe stort,

of self die Dood sy somber baken steek,

nogtans sal jy aan my gebonde bly

met die onsigb’re naelstring wat nie breek.

.

n_jong_elisabeth_eybers

In ballingschap

A. Roland Holst

.

Van de kringloopwinkel dit keer een deel uit de Ooievaar reeks, nummer 16 uit 1955, ‘In ballingschap’ een keuze uit eigen werk door A. Roland Holst (1888 – 1976). In de Achteraf (dat vooraan in de bundel is opgenomen) schrijft Roland Holst:

“Mocht, niet alleen nu, maar nog na jaren, door iets van wat ik ooit schreef, een zweem van dat geluk in een ander mensch teweeg worden gebracht, dan ware mijn leven niet zonder zin geweest.”

Ik denk dat elke dichter deze gedachten wel eens heeft, in het geval van Roland Holst is deze hoop ook werkelijkheid geworden. In deze bundel verzen en proza. Ik koos voor een gedicht uit 1921 met de titel ‘De stervende’.

.

De stervende

.

Wie praat daarbuiten in zon en wind

van den ouden tuin?

De stem van een, die ik heb bemind,

kon niet lichter en lieflijker zijn.

.

En wie is de vreemde die met haar praat?

o, huiverend harte mijn,

de stem van een, dien ik heb gehaat,

kon niet schooner en donkerder zijn.

.

Moest dan alleen een droom, dien de wind verhaalt

aan het licht en het loover, zijn?

de wind gaat liggen…de avond daalt…

en het zal over zijn.

.

arh

 

Liederen van den Arbeid

Martien Beversluis

.

Soms vind ik boekjes bij tweedehands- of kringloopwinkels waar ik oprecht heel blij van word. De bundel ‘Liederen van den Arbeid’ is zo’n boekje. Geschreven door Martien Beversluis (toch geen familie van?) met bandteekening en illusrtraties van Nans Amesz, uit 1932, uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers.

Waarom ik hier zo blij van word mag duidelijk zijn, dit zijn bundels die je nooit meer ergens vindt, die vergeten zijn, weg gedaan, door hun onderwerp, taal, duidelijke signatuur (socialistisch) niet meer van deze tijd.  En juist daarom zijn ze zo leuk om te lezen en te delen.

In het voorwoord staat: “Deze verzen, verzameld onder de titel Liederen van den Arbeid, zijn door mij geschreven in het voorjaar en den zomer van 1929. Zij hebben hun ontstaan te danken aan het verzoek der V.A.R.A. om op den avond van 30 april en den morgen van 1 mei 1929 eenige liederen voor te dragen, die in overeenstemming waren met het karakter van deze socialistische wijdings-uren… Ik heb dit werk aan hen, die mij nader brachten tot het socialisme aan Greet en Ger. Zwertbroek gewijd. Blaricum 1929”.

Alleen zo’n voorwoord al plaatst deze bundel in een lang vervlogen tijdgewricht waar wij ons niets meer bij kunnen voorstellen. De illustraties zijn prachtig en passen heel goed bij de tijdsgeest van begin dertiger jaren. In de bundel worden beroepen beschreven, sommige die al reeds lange tijd niet meer bestaan (De Sleepers, de Schuthaag, Boetende vrouwen, de Dorschers) en andere die je niet meteen verwacht in een ‘socialistische’ bundel (De Sterrewacht). Na gedichten over deze beroepen aan het eind van de bundel een kleine cyclus van 8 gedichten met als titel ‘Rondom de mijnschacht’.

Daarover wellicht later meer maar nu een gedicht uit de bundel over de Bouwers.

.

De Bouwers

.

Nog waait de wind alheerschend om

de plek, waar eens het heiligdom,

het woonhuis zal verrijzen.

Wat lage muurtjes geven aan,

waar eens de wanden opwaarts gaan,

en naar den vrijen hemel staan

de palen al te wijzen.

.

Daar staan gebukt de bouwers, die

van steen op steen de symmetrie

doen groeien en ontplooien.

Die dragen steenen heen en weer,…

en zetten ze tot stapels neer.

Er komen werkers meer en meer,

om de opbouw te voltooien.

.

Dan, als de muur al hooger rijst,

gaan trap en steiger om de lijst

van dit nog wondend wonder.

De mannen dragen, last na last,

op hunne schouders opgetast,

en dreunend gaan hun stappen vast

rondom en op den vlonder.

.

Het groeit, het groeit van steen tot steen.

Gebinten buigen er door heen,

in wijs beraamd getoover.

Het klimt, het klimt van plint tot plint,

van plank naar plank naar hoog gebint.

Dan… sluit het dak de ruimte blind.

Dan waait de wind er over.

.

Het huis staat!- maar van binnen klinkt

de arbeid, die nog dagen zingt,

en wegsterft, als in droomen.

Tot, na die stilte, op een dag

het huisgezin met nieuw gezag

brengt ’s levens leed en schaterlach.

Dan is het huis volkomen.

.

Maar ginds gaat naar de vrije lucht

een nieuwe muur, een nieuw gerucht

van metselaars en sjouwers…

Voort gaat het werk van plan tot plan,

van hand tot hand, van man tot man,

als een eendrachtige opdracht van

dat kloppend koor: De Bouwers.

.

Zoo staan wij allen om die plek.

Zoo gaan wij om dit klein bestek

des Tijds, die ons voorbij glijdt.

Maar weten ons geduldig sterk,

als bouwers aan het prachtig werk,

dat opklimt naar het open zwerk,

het zwerk van onze vrijheid.

.

img_6489

 

img_6491

 

Dichters van vroeger

Van Hadewijch tot A. Roland Holst

.

Toen ik de bundel ‘Dichters van vroeger’ zag liggen bij de kringloopwinkel wist ik dat ik ‘m wilde hebben. Zo’n prachtig vormgegeven dikke bundel met zo’n 370 gedichten uit 8 eeuwen Nederlandse poëzie voor € 1,50, ik ben er blij mee. Omdat deze bloemlezing, samengesteld door Garmt Stuiveling,  zo’n groot tijdvak bestrijkt staan er vele dichters en gedichten in die ik niet ken. Sommige nauwelijks begrijpelijk (zoals ‘Alle Dinge’ uit Hadewijch), sommige in hoogdravende taal (zoals ‘Béranger’s vaarwel’ van Everhardus Johannes Potgieter) tot aan het prachtige ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot (terug te lezen op dit blog op 27 oktober 2012).

Ik koos voor het allereerste gedicht ‘Alle dinge’ uit Hadewijch en ‘Winter’ van C.S. Adama van Scheltema.

.

Alle dinge

.

Alle dinge

Zijn mi te inge,

Ik ben zo wijd:

Om een ongeschepen

Heb ik begrepen

In eeuwigen tijd.

.

Ik heb het gevaan.

Het heeft mi ontdaan

Widere dan wijd;

Mi es te inge al el;

Dat wette wel

Gi dies ook daar zijt.

.

 

Winter

.

Stiller, stiller, stiller zakken

Nacht en dagen om mij heen –

Als de sneeuw de dorre takken

Dekken zij ’t verleên.

.

Doch hun hout wacht, diep verborgen,

Menig, menig wederkeer,

En mij komt de jonge morgen

Nimmer, nimmer weer!

.

Wie gebloeid heeft en gedragen,

Houdt herdenking tot genoot –

Hij heeft God niet meer te vragen

Dan den stillen dood.

.

dvv

Van de morgen tot morgen

Bloemlezing van moderne poëzie (1964)

.

Pas geleden gekocht in een kringloopwinkel de bundel ‘Van de morgen tot de morgen’. Deze bundel is uit 1964 maar is zeer goed bewaard gebleven. Het  betreft hier een “Bloemlezing van moderne poëzie ten dienste van het onderwijs”. Kom daar nog maar eens om tegenwoordig. In deze bundel dichters geboren in het begin van de vorige eeuw, de meeste zeer bekend maar ook een aantal wat minder bekende dichters of dichters die in de vergetelheid zijn geraakt door de tijd heen.

Hans Andreus, Hans Lodeizen, Ellen Warmond, Cees Nooteboom, Leo Vroman, Huub Oosterhuis, Lucebert, Remco Campert en Simon Vinkenoog maar ook Lode Bisschop, Edith de Clerq Zubli, Nes Tergast, José Boyens en Jan Wit.

Dit keer een gedicht van een wat minder bekende dichter C.O. Jellema (1936 – 2003). Cor Onno Jellema was dichter en essayist en debuteerde in 1961 met ‘Klein Gloria en andere gedichten’. Uit deze bundel het gedicht ‘In het bos’.

., 

In het bos

.

Daar was het zo stil,

ik kon mijn stem er niet verbergen

in het rumoer van auto’s,

in de muziek van een café.

.

Er was geen omweg voor het woord

en geen geluid waarin het kon verdrinken

en weer gevonden worden

alsof het van een ander was.

.

Wanneer ik daar gezegd had wat ik zeggen wilde,

had je het onherroepelijk gehoord,

hadden wij zwijgend verder moeten lopen.

Te stil was het, ik durfde niet.

.

En toen we bijna bij de huizen waren

en ik het zeggen ging, zag je

een eekhoorn, je wees

en holde naar de boom waarin hij was geklommen.

.

Vandemorgentotmorgen

Das magazin

Literair tijdschrift

.

In de kringloopwinkel kocht ik vier exemplaren van Das Magazin of Das Mag. Dit literaire tijdschrift, volgens de website http://dasmag.nl/het grootste literaire magazine van Nederland, verschijnt vier keer per jaar. Mijn exemplaren zijn van 2012 en 2013.

In Das magazine korte verhalen, briefwisselingen, columns, foto’s, illustraties en poëzie. Uit de zomer editie van 2013 met als titel ‘Het jong’ een gedicht van Ellen Deckwitz met als titel ‘Vlies’.

.

Vlies

.

Ze zeiden dat ons hoofd niet meer is

dan een knokenkap. Een thuis

waarin het spookt.

.

Maar in de hoek lag iets. We tilden het op

en ontdeden het van zijn vlies. Het was teer nog

maar het ademde,

.

het begreep hoe we spartelden.

.

Laat onze handen maar neerdalen.

De vingers zullen zich hoe dan ook spreiden

in een majeurakkoord. Op deze polsen

.

zitten geen wonden maar stukjes weefsel

in de vorm van landen waarvan we weten

dat ze bestaan.

.

das-magazin

Fabriekswater en Het jammerhout

Karel Bralleput

.

Woensdagmiddag bij de kringloopwinkel twee prachtige bundeltjes van Karel Bralleput oftewel Simon Carmiggelt gekocht. De een uit 1955 (Het Jammerhout) en de ander uit 1957 (Fabriekswater). Allebei hebben ze wat (koffie)schade aan de onderkant in de hoek maar dat geeft niet, dat zijn lege hoeken zonder tekst.

Naast zijn Kronkels schreef Carmiggelt dus ook gedichten. Naast de bundels die ik kocht schreef hij ook nog de bundel ‘Al mijn gal’. Zijn poëzie is rijmend en humoristisch, melancholiek en grappig dramatisch.  Uit ‘Het jammerhout’ heb ik gekozen voor het gedicht ‘De actrice’.

.

De actrice

.

Toen zij haar minnaar zag verdrinken,

viel over haar geween het doek.

Wij klapten. ’t Officieel bezoek

liet tomeloze jubels klinken.

.

Dat moest. Het was een jubilé.

Twintig of dertig. ‘k Ben ’t vergeten.

Maar vele sprekers lieten daarop weten:

‘Je was heel groot, je gaat nog jaren mee.’

.

De dame, zo gevierd op deze dag

en onder bloem en tact welhaast bedolven

weende luid-op, alsof zij in de golven

opnieuw die man verdrinken zag.

.

IMG_4473

 

%d bloggers liken dit: