Site-archief

Poëzie uit het Koninkrijk

Tsjead Bruinja

.

Op woensdag 23 november vindt er in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een bijzondere poëziemiddag plaats met voormalig dichter des vaderlands Tsjead Bruinja (1974). Op deze middag, die toegankelijk voor iedereen (aanmelden kan hier, onderaan de pagina) zal Bruinja zijn bundel ‘De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie 101 gedichten uit het koninkrijk van 1945 tot nu’, presenteren. In zijn periode als dichter des vaderlands (2019-2020) deed hij onderzoek (vooral in de collectie van de KB) naar de volle breedte van de poëzie in het Koninkrijk Nederland, dus ook naar poëzie in andere talen en dialecten.

Toen ik hier voor het eerst van hoorde moest ik meteen denken aan de bundel ‘Minnezinne in moerstaal’ van Ria Westerhuis en Delia Bremer uit 2019 waarin de dames 49 dichters (en dus 49 gedichten) verzamelden in vele dialecten en talen, van Utregs, Limburgs, Drents tot plat Haags, Achterhoeks, Deventers, Vlaams, Suid-Afrikaans en Schleswig-Holsteins.

Bruinja gaat alleen weer een stuk verder want hij verzamelde poëzie vanuit alle windstreken maar ook van dichters wier wortels niet in Nederland liggen maar in landen als Irak, Iran, Amerika, Suriname, de Antillen, Aruba, Indonesië etc. Hiermee streeft hij naar een veel inclusiever verhaal over de poëzie in Nederland.

Op de presentatie gaat Arno Kuipers, collectiespecialist van de KB, in gesprek met Tsead Bruinja over zijn speurtochten in de KB en zullen de dichters Nina Werkman, Lamia Makaddam, Frans Budé en Raj Mohan voordragen.

Om alvast in de stemming te komen hier een gedicht van Lamia Makaddam (1971) uit haar bundel ‘Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf’ dat in 2020 verscheen getiteld ‘Kamerplanten’.

.

Kamerplanten

 

Ik koop geen kamerplanten meer.
Ze gaan altijd dood en daar erger ik me aan.
Ik verzorg ze zoals ik een kind zou verzorgen.
Liggen ze er slapjes bij dan geef ik ze een beetje water.
In oorlogstijd verplaats ik ze van hoek naar hoek
en geef ze nog wat water.
Wanneer een blad naar de tuin van de buren dwarrelt
geef ik ze nog meer water.
En wanneer een van de kinderen laat thuiskomt
houd ik de planten onder stromend water.
En een keer liet ik ze een week lang in bad liggen
omdat mijn man ging slapen zonder mij een kus te geven.

.

Het onkruid in onze borst

.

De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.

.

 

Advertentie

De herenfiets spreekt

Judith Herzberg

.

In 1996 verschijnt de bundel ‘Wat zij wilden schilderen’ van Judith Herzberg (1934). Op de website van de Koninklijke Bibliotheek lees ik over deze bundel: In het titelgedicht ‘Wat zij wilde schilderen’ verwoordt Herzberg haar poëtica:

Zij schildert wat zij niet kan eten
niet kan bezitten niet beschrijven.
Zij schildert wat niet stil blijft
zitten niet gelijk blijft niet
verandert.

Herzberg probeert in haar poëzie vaak dingen te ‘schilderen’, hierboven in letterlijke zin, die in een beweging even stil worden gezet.” Lezend in de bundel herken ik regelmatig dat ‘schilderen’ met woorden, het in een gedicht vatten van een schilderachtig tafereel. Zo ook in het gedicht ‘De herenfiets spreekt’. In dit gedicht spreekt een oude herenfiets tot ons, je ziet hem staan, roestig, leunend tegen een brug, vergeten. En dan de vraag aan de Madame om haar wiel. Een gedicht als een schilderijtje.

.

De herenfiets spreekt

.

‘Madame, mijn spaken zijn gekraakt

sinds ik hier sta, mijn zadel raakte

kaal, mijn stuur lijkt nog wel stevig

maar ik sta aan de brug geleund voor eeuwig.

.

Daarom, Madame, wil ik u vragen

het roesten samen te verdragen

want ook het slot dat in mij knijpt

grijpt ons dan beide tegelijk.

.

Mijn bel begint zelfs te verruwen

laten wij samen zijn en huwen

hier is mijn wiel, Madame, en daar het Uwe

wil toch voorgoed het Uwe naast het mijne duwen.’

.

 

 

 

 

 

De Titaan

Literaire krant

 

Enige tijd geleden was ik in de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek tussen afspraken in, en dan mag ik altijd graag even een stop maken bij de kast met literaire- en poëzietijdschriften. Ze hebben daar een ruim aanbod (alleen MUGzine ontbreekt nog maar daar wordt aan gewerkt) en die keer lag daar een krant met de naam ‘De Titaan’. Ik kende de krant niet dus was eigenlijk meteen al nieuwsgierig. In januari 2014 verscheen het eerste nummer van literair tijdschrift De Titaan. De Titaan is een krant van twaalf pagina’s vol literatuur en was initiatief van de Tilburgse schrijver Martijn Neggers.

Het was een initiatief want het nummer dat ik las was het laatste nummer dat was verschenen. Boven der namen van de redactieleden stond ‘Na vier jaargangen houdt de Titaan op te bestaan. En ook de website titaan.nu bleek al uit de lucht. Wat ik erg leuk vond waren, behalve de verkoopleus: ”s Lands literairste visverpakking’, de vele gedichten die in de krant waren opgenomen.

De Titaan had een aantal vaste rubrieken. Op de voorpagina van ieder nummer stond een ZKV (zeer kort verhaal), in ieder nummer stond een essay over een schrijver die niemand meer kent en in elke editie stond een paginagrote cartoon. Ook introduceerde De Titaan in 2015 een nieuw genre: de zelfrecensie. In die rubriek recenseerde een beroemde schrijver zijn/haar eigen boek.

De redactie bestond (ten tijde van het laatste nummer winter 2017/2018) uit Anneroos Goosen (1987), Andrew Cartwright (1966), Lukas Meijsen (1986), Martijn Neggers (1987) en Bart Smout (1983).  De laatste versie van De Titaan, editie 15/16 was gevuld met ‘The greatest hits’. Toch jammer dat deze krant niet meer bestaat. Uit de laatste editie komt het gedicht ‘Als je hard duwt past alles’ van Roos Vlogman (uit #5).

.

Als je hard duwt past alles

.

Seks is niets anders dan het verschuiven van huid,

vlees dat zachtjes uitdijt.

We zijn te ver uitgedijd, denk ik.

.

Ik lig al minutenlang te proberen in elkaar te passen

en jij ligt daar op mij, te proberen je in mij te passen.

Als we doorzetten, komen we er wel.

.

Ik moet denken aan de jongen met de glutenallergie.

Bij een kijkoperatie werd er een slangetje met een camera in zijn keel geduwd.

Hij had het zich anders voorgesteld.

.

Van de haptonoom moet ik alles opschrijven wat goed gaat.

In gedachten schrijf ik: ik ben naakt en dat is goed zo.

.

Ik stap uit bed en zie mijn tenen.

De nagels zijn in halve maantjes geknipt.

,

Geruisloos verdwenen

Mark Deckers

.

Bibliotheekcollega en schrijver Mark Deckers (1971) werkt als bestuurssecretaris bij Rijnbrink (Provinciale Ondersteunings Instelling voor Overijssel en Gelderland). Bij archiefonderzoek stuitte hij op een bibliotheekmedewerker die in de oorlog uit haar functie was gezet omdat ze Joods was. Dit stimuleerde hem om op zoek te gaan naar meer Joodse bibliotheekmedewerkers die ditzelfde lot trof. In zijn boek ‘Geruisloos verdwenen uit de bibliotheekgeschiedenis’ het lot van de Joodse bibliotheekmedewerkers, beschrijft hij de levens van 11 van hen. Verhalen over pijnlijk ontslag of in de knop gebroken levens. Maar ook verhalen over het overleven van meerdere kampen of door moedig onderduiken. Verhalen over levens die bijna onder het stof leken te verdwijnen maar die het waard zijn om opnieuw in het licht te zetten. Het boek verscheen deze maand (april) bij Walburg Pers.

Lezend in dit boek kwam ik het verhaal van Dora Belinfante uit Zeist tegen. Bij haar bleef ik plakken omdat zij met haar familie als kind letterlijk bij mij om de hoek woonde in Den Haag. Het verhaal van haar ontslag bij de bibliotheek Zeist, deportatie naar kamp Westerbork en Theresienstadt en vervolgens Zwitserland om daarna weer naar Nederland terug te keren als overlevende van de oorlog is geïllustreerd met een aantal gedichten van Dora Belinfante die zij tijdens deze periode schreef.

Het boek leest als een spannend boek van een trieste geschiedenis. De levensverhalen van de 11 Joodse bibliotheekmedewerkers mag dan een klein detail zijn uit 5 verschrikkelijke oorlogsjaren, het is goed en mooi dat ze zijn opgeschreven en bewaard zijn door Mark.

Uit het boek een gedicht van Dora getiteld ‘Basel 23.7.’45.’

.

Basel 23.7.’45.

.

Wij zitten op de grens van toekomst en verleden

Met de herinneringen aan de Geneefse dagen.

’t Verblijf te Basel vormt een merkwaardig heden

Van weerzien, wachten, staan en dragen.

Alleen het rustig samenzijn bij ’t eten

Geeft ons gelegenheid ons te bezinnen

Op het verleden, dat wij niet vergeten,

En op het leven, dat zal gaan beginnen.

.

Heidi und Peter

Elma van Haren

.
De Koninklijke Bibliotheek is de nationale bibliotheek van Nederland, gevestigd in Den Haag. Zij verzamelt alles wat in en over Nederland verschijnt, van middeleeuwse literatuur tot aan publicaties van vandaag. Zo’n 7 miljoen publicaties zijn in de magazijnen opgeslagen, boeken, kranten en tijdschriften, alles bij elkaar zo’n 115 kilometer aan boekenplanken. De Koninklijke Bibliotheek biedt daarnaast ook veel digitale diensten, zoals de landelijke online Bibliotheek (met e-books en luisterboeken) en Delpher (miljoenen gedigitaliseerde pagina’s). En wat ze ook biedt is een website met een apart stuk over poëzie. Op deze pagina’s is een schat aan informatie te vinden over dichters, poëzie en achtergrondinformatie uit verleden en heden.
Onder de knop moderne Nederlandse dichters zijn uitgebreide dossiers te vinden van meer dan 50 moderne dichters. Dat deze pagina steeds aan verandering onder hevig is blijkt voor mij bijvoorbeeld uit het gegeven dat een succesvol dichter als Marieke Lucas Rijneveld nog niet is toegevoegd. Dat geschreven hebbende kan ik deze website alleen maar van harte aanraden. Een schat aan informatie is hier ontsloten.
In de lijst met moderne Nederlandse dichters ook de naam van Elma van Haren (1954). De laatste en enige keer dat ik over haar schreef is alweer 4 jaar geleden. Alle reden dus om weer iets van haar werk te plaatsen. In dit geval het bijzonder aardige gedicht over Heidi en Peter, in dit geval vanuit de persoon van Peter geschreven, waarin Elma de traditionele rollen eens helemaal omdraait. Het gedicht werd gepubliceerd in Tirade jaargang 46 uit 2002.
.
Hallo Heidi

.
Ik hoorde van je hernia en dacht toen:

kom, ik schrijf je!

Bloeit mijn hortensia aan jou nog blauw?

Weet je nog, hoe wij herfst

in ons herbarium plakten?

.

En hoe heerlijk het schapen hoeden was

om bij noodweer te gaan schuilen

in de herdershut, waar we de eerste kus…

door één boshutkus werd het onze geheime kusboshut,

ach hoe dan ook…

.

Toen jij huppelend de hort op ging,

snikte, hikte ik zo heftig,

dat mijn hond een gat de lucht in schrok.

Kapot! Kapot!

Ik huilde hele bange dagen.

.

O liefje, waarom werd jouw hart zo zwaar, zo zwart.

Het mijne is gebroken.

Voor altijd zit ik aan je vast.

Ik voel mijn bloed nog koken,

want hoe hard ook je hart, des te zachter

waren je hemelse handen.

.

voor eeuwig je Peter
.

Het nieuwe doen

Paul van Capelleveen

.

De Nijmeegse dichter Paul van Capelleveen was enige jaren tegelijkertijd verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek en aan het Museum Meermanno, beide in Den Haag. Hij is auteur van een reeks boeken en artikelen, met name over boekgeschiedenis. Hij publiceerde ook essays en gedichten die deels in beperkte oplagen zijn verschenen. In 1992 werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs met zijn poëziedebuut ‘Altijd commentaar’ (winnaar werd Anna Enquist dat jaar met ‘Soldatenliederen’).

In 2004 verscheen van zijn hand de bundel ‘Laatste metamorfosen’ bij uitgeverij Meulenhoff. Op de achterflap van de bundel wordt hij omschreven als “de messenwerper van de Nederlandse poëzie, zijn dolken treffen zijn lieftallige assistente, de Muze, altijd recht in het hart. Zijn verrassende en expliciete regels zijn opgestapeld als muzikale variaties op een thema, vermomd als definitie of nieuwsfeit. Alles lijkt te berusten op de travestie van de vraag: wat wil de lezer? De lezer wordt voortdurend uit zijn tent gelokt en uitgedaagd om weerwoord te geven.”

Volgens mij heeft hier een copywriter met een reclameachtergrond zichzelf overtroffen in overdrive maar leesbaar is de bundel zeker. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het nieuwe doen’.

.

Het nieuwe doen

.

Lees een gedicht, desnoods van mij.

Schrijf zomerbrieven. Evenaar

de poolnacht van een schone lei.

Niet, niet doen.

Voel je knoken,

doe wat je wilt – ik doe het ook.

Verwijder dagelijks smeerboel.

Niet, niet doen.

Maak je op voor de grote trek.

Doe je te goed aan het nieuwe jaar.

.

Leegstand

Esther Jansma

.

Ik was op de website van de KB (Koninklijke Bibliotheek) wat aan het rondstruinen in de sectie Nederlandse Poëzie en daarbinnen weer in de afdeling Moderne Nederlandse dichters (het blijft een bibliotheek) en daar kwam ik bij Esther Jansma een term tegen die ik nog niet kende: dendrochronologe. De definitie die ik vond is: Dendrochronologie of jaarringonderzoek is de wetenschapsdiscipline die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen.

Esther Jansma (1958) is dan ook naast dichter en schrijfster van proza ook archeologe. In 1988 debuteerde Jansma met de bundel ‘Onder mijn bed’ waarna nog 11 dichtbundels (sommige met vertalingen) van haar hand zouden verschijnen waaronder haar laatste bundel ‘Reizen naar het einde van de honger’ uit 2020.

In 2015 verscheen de bloemlezing ‘Voor altijd ergens’ met een keuze uit haar gedichten en in die bloemlezing staat het gedicht ‘Leegstand’. Ik vind het altijd bijzonder om te merken dat ik bij gedichten blijf hangen in bundels die een losse of wat vastere referentie hebben met gedichten die ik zelf schreef. In dit geval aan het gedicht met dezelfde titel die hier te lezen is https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/12/04/beeldgedichten-2/ . Het gedicht van Jansma verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Hier is de tijd’ uit 1998.

.

Leegstand

.

De manier is steeds anders, een vuist

balt zich en valt, uit het water lekt langzaam

de kanker van schimmels, maar daarna

is altijd hetzelfde weg: samenhang,

.

de glans van gebruik. Hier staat geen wand

zichzelf te betekenen, geen raam speelt

voor spiegel, geen hoek is nog recht.

Nutteloosheid is de schoonheid van verval en later

.

wil ik ook zo zijn, zo vanzelf

door leeftijd als gras overgroeid

scheef zitten in mijn stoel

en daar heel goed in zijn.

.

 

Blogs over Nederlandse poëzie

Koninklijke Bibliotheek

.

Op de website van de Koninklijke Bibliotheek (KB) de nationale bibliotheek van Nederland, is heel veel informatie te vinden over werkelijk heel veel verschillende onderwerpen die te maken hebben met Literatuur. Zo ook over poëzie. Behalve een pagina met een enorme hoeveelheid informatie over moderne Nederlandse dichters https://www.kb.nl/themas/nederlandse-poezie/moderne-nederlandse-dichters die ik graag mag raadplegen, is er op de website van de KB ook een hele fijne pagina met blogs over Nederlandse poëzie https://www.kb.nl/blogs/nederlandse-poezie .

Vijf pagina’s met blogs van Gerrit Komrij, Jan Bos en Arno Kuipers over de meest uiteenlopende onderwerpen. Van blogs over De Beatrijs (13e eeuw) en Mariken van Nieuwmeghen (1608) tot blogs over de Podcast van Ester Naomi Perquin en Marc van Oostendorp ‘Publieke werken’ en het experimentele ‘stamelgedicht’  Jossie van Jan Hanlo (1912-1969).

In de keuze van Komrij (zoals zijn bijdragen getiteld zijn) kwam ik een gedicht tegen van een dichter die ik niet kende, namelijk Peter Jaspers. Deze Peter Jaspers was het pseudoniem van de vrouwelijke dichter Petronella Buzing (1918 – 1964) en Komrij schrijft over haar: Nooit van gehoord! Nooit zelfs maar horen noemen! En toch, een fijne dichter, jaren vijftig of niet.

Uit de bundel kindergedichten ‘Met rozerood en zonnehoed’ het gedicht ‘Ik wou zo graag’.

.

Ik wou zo graag

.

Ik wou zo graag een toverpen
voor Nederlandse taal.
De woorden, die ik echt niet ken,
verbeterde de toverpen,
onzichtbaar, allemaal.

.

Ik wou zo graag een rubber vel,
het zwembad is zo lang,
dan dreef ik eindelijk es wèl,
gewoon maar op m’n rubbervel
en was ik niet meer bang.

.

Ik wou zo graag een wonderpil.
Dan kon ik voor de klas
de beurten maken die ik wil,
omdat ik door de wonderpil
niet meer verlegen was.

.

Ik wou zo graag met een feeënstaf
naar aardrijkskunde gaan,
dan wist ik er genoeg van af,
dan wees ik met de feeënstaf
de goeie stippen aan.

.

Ik wou zo graag, ik wou zo graag,
gebeurde het nou maar,
het hoeft niet eens meteen vandaag,
maar morgen dan, ik wou zo graag.
Waar woont de tovenaar?

.

Zeer zeker mijn geliefde

Dichters van morgen

.

Toen ik begin jaren ’80 mijn opleiding volgde aan de P.A. Tiele Academie in Den Haag, was een van mijn docenten (Nederlandse Letterkunde) Han Foppe (1939). Hij was toen onder andere actief in de jury van de prijzen van de Jan Campert-Stichting (1980 – 1997). Ik herinner me dat wij als studenten werden uitgenodigd om bij de uitreiking te zijn in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. Han Foppe was een man met een groot hart voor de Nederlandse Literatuur. Door hem en zijn enthousiasmerende manier van lesgeven ben ik ‘Bougainville’ van F. Springer (prachtig boek) en ‘Mijn naam is Garrigue’ van Henk Romijn Meijer gaan lezen.

Wat schetst mijn verbazing (en toch ook weer niet helemaal) toen ik zijn naam tegen kwam in de (gedigitaliseerde) bundel ‘Dichters van morgen’ van Ad den Besten. Een bloemlezing uit de poëzie van jonge dichters uit 1958 op https://www.dbnl.org/tekst/best004dich01_01/best004dich01_01.pdf . Han Foppe (toen 19 jaar en leerling van een Kweekschool) had meegedaan aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957 en had het geschopt tot (1 van de drie) eervolle vermelding(en), dit naast de drie prijswinnaars (waarvan ik geen enkele naam ken).

Ad den Besten schrijft in het voorwoord dat veel gedichten en manuscripten hem als uitgever werden toegestuurd maar dat hij evenzovele moest terug sturen. Hij merkt ook op dat “de meeste uitgevers zagen kennelijk meer heil in – begrijpelijkerwijs- het werk van bepaalde ‘arrivé’s’ of – onbegrijpelijkerwijs- de produkten van allerlei nulliteiten”. In die zin is is er eigenlijk weinig veranderd sinds de jaren ’50 (behalve dan dat het in eigen beheer uitgeven van een dichtbundel tegenwoordig zoveel makkelijker en professioneler kan worden gedaan). Tegelijkertijd schrijft hij elders in zijn voorwoord:  De kans is groot dat van verschillende van deze ‘dichters van morgen’ morgen geen sterveling meer een gedicht zal vinden” en “In die zin moet de titel Dichters van morgen dan ook worden verstaan: ik heb in deze bundel plaats geboden aan een 59-tal vaak héél jonge auteurs-evenveel als er in de laatste druk van Stroomgebied staan! -, dichters wier verzen m.i. een belofte inhouden voor morgen, dichters die ik, de een meer, de ander minder, in toekomstperspektief kan zien.”

Verreweg het grootste deel van in deze bundel bijeengebrachte gedichten, kwamen tot de uitgever ( De Windroos) na een oproep tot deelname aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957, waaraan alleen dichters die op 1 januari 1958 nog geen 35 jaar waren. Han Foppe was dus één van die deelnemende dichters. Het gedicht dat een eervolle vermelding kreeg ‘Zeer zeker mijn geliefde’ kun je hieronder lezen.

.

Zeer zeker mijn geliefde

.

zeer zeker
mijn geliefde is
van zuiver hout
van notenhout uit spanje
en zij is
van een donzige grassoort
waarop het heerlijk
is te liggen
en van een soort
die men nergens meer vindt
jawel mijn geliefde
zij is geboren
uit een berkeboom
en haar vader was gras
en haar nichten zijn
van een water
waarvan men slechts kan dromen
en dan haar broeders
die grote tijgers zijn
en o mijn geliefde
haar zonen
zij moeten welhaast
de grote vogels zijn
waarvan de schetsen
nu reeds
in ons voorhoofd
zijn gegrift
en haar dochters
o haar dochters
wellicht zijn het tijgers
van gras
zijn het tijgers
van louter wilgenhout
o haar dochters
die zeer zeker
van zuiver stem
zullen zijn

.

Pamfletpoëzie

Gratis poëzie magazines

.

Een paar weken geleden was ik in Nottingham in het museum aldaar het Nottingham Contemporary. Bij de ingang naast de museumwinkel was een ruimte waar allerlei folders en pamfletten lagen. Wat me meteen opviel waren een aantal kleine boekjes, gekopieerd en geniet op A6 formaat, die allemaal poëzie als onderwerp hadden. Ze liggen daar om gratis mee te nemen en het zijn individuele initiatieven van dichters of poëzieliefhebbers. Ik moest meteen denken aan een zelfde formaat boekje dat ik tegen kwam bij de Koninklijke Bibliotheek getiteld Poetry Issues waar ik eind vorig jaar al eens over schreef https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/12/13/gevonden-gedichten/ .

In Nottingham vond ik er vier waarvan drie van de DIY Poets (de ‘Do It Yourself’ of doe het zelf dichters). Een exemplaar was van een dichter illustrator Camila Placido met de titel ‘Lovers intimate portraits’. In de drie exemplaren van DIY Poets (nummers 35, 37 en 41) staan gedichten van meerdere dichters. En onder het motto van de DIY Poets “We’re nice and we don’t always rhyme’ heb ik uit nummer 37 een grappig gedicht over Ringo Starr gekozen door de dichter Frank McMahon heel toepasselijk getiteld ‘Ringo’.

.

Ringo

.

Ringo was not like George, mystical,

He was not like John and Paul

The yin and yang of the avant garde.

Ringo seen as exotic as bingo.

Him and Maureen left the Maharishi

After a week.

The food and him did not agree.

He knew his place, did his bit.

Loose limbed and underrated,

Behind the kit.

.

%d bloggers liken dit: