Site-archief

Kosmologie

Annemarie Estor

.

We leven in een rare tijd, het is een uitspraak die je eigenlijk niet meer kan doen, te platgetreden, te vaak en teveel gebruikt om naar de huidige stand van zaken in de wereld te verwijzen. Dat ga ik dan ook niet doen maar het heeft me wel aan het denken gezet over hoe wij als mensen leven, wat we aanrichten op de planeet (ik heb me niet voor niks aangesloten bij de klimaatdichters) en hoe we over ons bestaan denken.

Deze gedachten kwamen bij mij boven toen ik het gedicht ‘Kosmologie’ las van Annemarie Estor (1973). Het gedicht staat in haar bundel ‘De bruidsvlucht’ uit 2020 waarover Jozef Deleu schreef: ‘Feestelijke gedichten, gekleurd door het vitalisme en het onheil van de tijd.’  En juist de combinatie van vitaliteit en onheil las ik in dit gedicht. Twee termen die juist ook goed bij deze tijd passen.

De eerste twee zinnen van het gedicht zijn meteen heel treffend vind ik, juist door de manier waarop de dichter hier aangeeft hoe klein en nietig we eigenlijk zijn, welke gedachte in de rest van het gedicht nog wordt versterkt. Kortom een gedicht van nu waarin de mens treffend wordt beschreven in twee kleine zinnen: Wij loensen om ons heen / als poppen met knopenogen.

.

Kosmologie

.

Het universum is een fles Beaujolais
met onderin een paysage,
wat schaapjes en gras,
gestippelde paarden in een grot,
en wij op de péage langs een dorp,
in deze nacht, zoevend langs de bijna-tijd,
de mogelijkheid tot vuurwerk,
manden vol ambachten,
keukens met koperen pannen,
en op de fles hebben de goden
aangeschoten sterrenbeelden gedoodled.

.

Wij loensen om ons heen
als poppen met knopenogen
naar al die fijnzinnige tekeningen,
al hun betekenissen,
naar heel die braamkleurige kosmos
waarin de werelddelen worden vertekend
door flashende bollingen, dolle groothoeken
façon de Venise uit Constantinopel
en we zien ongelukken passeren, trollen grijnzen,
ratten hopen, we vangen zelfs glimpen op
van vrijages op campings,
van de wellustige namen van dorpen,
van Afrodites jarretelles
en van haar werkelijke leeftijd.

.

Autoloze zondag

Peter Theunynck

.

Ik schreef al eerder over Peter Theunynck https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/10/10/canadezen/, een voor mij nog steeds relatief onbekende Vlaamse dichter (1960) uit Antwerpen. En dat ga ik vandaag weer doen want toen ik in de vuistdikke bundel ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ of ‘Het nieuw Groot Verzenboek’ samengesteld door Jozef Deleu, weer eens ter hand nam en het gedicht ‘Vader’ van Peter Theunynck las bleven mijn ogen even hangen bij het begin van de vierde strofe; Het is de eerste autoloze zondag.

Ik herinner mij die eerste autoloze zondag nog goed, niet zozeer de datum (ik heb het opgezocht het was 4 november 1973) maar hoe het was. De stilte op straat, het rolschaatsen op de A12 bij Zoetermeer, het opschrikken als je toch ergens een auto hoorde en de vrijheid die ik voelde dat alles mogelijk was op straat op die dag.

Eerlijk gezegd dacht ik dat de autoloze zondagen in de jaren zeventig van de vorige eeuw de eerste in de geschiedenis waren maar wat blijkt; In 1939 (wegens de mobilisatie en het benzinetekort), 1946 (opnieuw benzine schaarste) en in 1956-1957 (na de Suezcrisis) waren er ook al autoloze (zon-)dagen.

In het gedicht tipt Theunynck heel even die dag aan en ik ben meteen weer terug op die eerste zondag in november. Dat is wat goede poëzie vermag. Daarom alleen al deel ik dit gedicht vandaag op dit blog.

.

Vader

.

Soms droom ik u terug

te zien wanneer de trein

langsheen uw landerijen raast.

.

U waant zich grijs en oud,

de hand aan het alaam,

gewapend tegen het voorbijgaan.

.

U zoekt de stal, de schapen

wilt u binnen halen. Geen poot,

geen steen is blijven staan.

.

Het is de eerste autoloze zondag

van het jaar. De ochtend hangt

zijn lakens in de boomgaard.

.

En ik verlies u zoals altijd

uit het oog, terwijl u toch

mijn aderen doorstroomt.

.

Alaam: gereedschap of mannelijke geslachtsdelen

De lage landen

Heidi Koren

.

Pas geleden kreeg ik het tijdschrift ‘de lage landen’ in handen, een lijvig boekwerk dat de traditie voortzet van het tijdschrift ‘Ons erfdeel’ dat verscheen van 1957 tot 2019. De lage landen is een uitgave van Ons Erfdeel vzw. en biedt kwalitatieve informatie en reflectie over de culturele en maatschappelijke ontwikkelingen in de lage landen (Nederland en België dus). Daarnaast bouwt Ons Erfdeel bruggen, wereldwijd, tussen mensen die geïnteresseerd zijn in de cultuur van de lage landen.

Kortom een mooi streven van een mooie vzw en, misschien nog wel belangrijker, dat doen ze o.a. middels een zeer fraai uitgegeven en vormgegeven tijdschrift. Bijna 200 pagina’s met inhoudelijk zeer interessante artikelen en, zoals het een tijdschrift betaamt dat spreekt van cultuur, is er ook ruimte voor literatuur en poëzie. Tweemaal per jaar bloemleest Jozef Deleu, hoofdredacteur  van het poëzietijdschrift  ‘het Liegend Konijn’ vier gedichten uit recent verschenen bundels in ‘de lage landen’.

Ook in het november nummer van 2020 (de 63ste jaargang) heeft hij dit gedaan en ik lees gedichten van Anna Enquist, Jacques Hamelink, Mahlu Mertens en Heidi Koren. En het gedicht van Heidi Koren pakte me, misschien omdat ik pas geleden nog schreef op dit blog over ‘oude handen’ in een gedicht van Edward van de Vendel https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/11/30/oude-handen/ . Zet deze twee gedichten naast elkaar en je hebt een Dubbel-gedicht over het ouder worden van handen. Het gedicht van Heidi Koren komt uit de bundel ‘Wie dit leest is gek’ uit 2020.

.

Handen

.

Ik kan me mijn handen nog goed herinneren zoals ze waren

toen ze nog de handen waren van een jonge vrouw.

Nu heb ik die handen niet meer.

.

De handen van mijn moeder liggen in mijn schoot. Ik kijk naar ze.

Soms pak ik met de ene het vel van de andere op en

tel de seconden

dat het rechtop blijft staan voor het weer gaat liggen.

.

Mijn moeders handen aaiden soms over mijn gezicht.

Ze pakten me in mijn nek als de heuvel te stijl was of

mijn beentjes te moe.

Dat doen deze handen niet.

.

Die doen wat mijn handen altijd al deden.

In mijn schoot liggen.

Tikken op het toetsenbord.

Over het gezicht van mijn kind aaien.

Haar hand pakken.

.

Met mijn moeder in mijn eigen staan.

Nooit begrijp ik hoe dat kan.

.

Groei

Remco Ekkers

.

Op de website van Remco Ekkers (1941) http://home.planet.nl/~ekker036/ blijkt dat hij niet alleen dichter en prozaïst is maar ook essayist en interviewer. Op zijn website zijn tal van interviews met dichters te lezen evenals veel nieuwe gedichten. Ekkers studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Groningen, doceerde letterkunde aan de Noordelijke Hogeschool en de Rijksuniversiteit Groningen. Vanaf 1999 werkt hij als deeltijdletterkundige. Hoewel hij in 1965 debuteerde in De Nieuw Clercke, een literair/satirisch maandblad dat verscheen van 1975 t/m 1977, publiceerde hij zijn eerste poëziebundel pas in 1979 getiteld ‘Buurman’.

Naast meer dan tien gedichtenbundels publiceerde Ekkers proza en kinderboeken. Daarnaast maakte hij deel uit van verschillende literaire vakjury’s op het gebied van poëzie en kinderliteratuur. Remco Ekkers publiceert op Tzum kritieken op proza en poëzie en gaf dertig jaar lang leiding aan een poëzie-leesclub in Groningen. Een zeer veelzijdig en literair man dus. In 1991 verscheen van hem de dichtbundel ‘Het gras vergeten’ en daarin staat het onderstaande gedicht ‘Groei’. Ik nam het gedicht over uit ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ het Nieuw Groot Verzenboek, samengesteld door Jozef Deleu.

.

Groei

.

Zoals de herinnering aan vorm

in mijn hand zich langzaam

aanpast aan je borst

groei ik weg van hoe je was

.

omdat we gemaakt zijn van tijd

en alleen kunnen vervallen

uiteenvallen, zoals het glas

in scherven, nooit terug

.

maar ik maak jou

zoals jij mij laat groeien

mijn hand zijn verlangen

geeft naar hoe je bent.

.

 

Het liegend konijn

Serge van Duijnhoven

.

Het Liegend Konijn is een tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu. Twee keer per jaar – in april en oktober – brengt het blad een gevarieerd beeld van onze actuele Nederlandstalige poëzie. Het bevat uitsluitend nieuwe, niet eerder gepubliceerde gedichten: uit het nest geroofd, zoals op de website van het tijdschrift te lezen is. Het eerste nummer verscheen in 2003 en elke uitgave is eigenlijk een gedichtenbundel op zich maar dan met gedichten van verschillende dichters. Mooi uitgegeven door Van Haewyck, Leuven & Meulenhoff leest elk exemplaar heel prettig. Je kunt een abonnement nemen op dit tijdschrift (€ 35,- per jaar) of de nummers los kopen (€ 17,50). Met gemiddeld 150 pagina’s is dat een hele mooie prijs voor zoveel poëzie.

Uit het oktober exemplaar van 2005 (jaargang 3 nummer 2) koos ik voor een gedicht van Serge van Duijnhoven. Serge ken ik al heel lang (van lezen) en wat minder lang (van correspondentie). Zo schreef ik in 2014 nog een recensie van zijn bijzondere bundel en cd ‘Vuurproef’ https://woutervanheiningen.wordpress.com/2014/02/24/dichters-dansen-niet-2/

Uit Het Liegend Konijn koos ik voor zijn gedicht ‘Paragoniet’ (een mineraal met een parelachtige gloed).

.

Paragoniet

.

Er is te weinig weinig. De vergevingsgezindheid

van het niets waarin wij, als we eveneens

niets zouden zijn, zouden passen.

.

Begraaf mijn lot in het stof.

Begraaf mijn lot in perceptie.

Begraaf mijn lot in de handen

.

van een vadsige God

die handelt in de Liefde per opbod:

de aandelenzwendel van Eros.

.

‘Funny how dreams can die…’ zingt Astrud Gilberto

in eem van haar bossanova cantates.

Maar het tegenovergestelde is juist opmerkelijk:

.

‘Funny how dreams can survive…’

De onverbeterlijke neiging van de mens

om te willen geloven in illusies, tegen beter weten in.

.

We zijn aan verschillende onverzoenbare machten

ten prooi. Niets komt terecht. Niets is terecht.

En wat je verdient heeft er niets mee te maken.

.

Poëten in het parlement

Vlaanderen & Co

.

In 2002 bestond het Vlaams parlement dertig jaar en naar aanleiding van dit jubileum én de opening van het Huis van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers, organiseerde het Vlaams parlement een poëziefeest. Vierentwintig dichters lazen voor uit eigen werk. En er werd een bundel uitgegeven met daarin gedichten van deze vierentwintig dichters.

De dichters kwamen uit alle hoeken en gaten van de wereld waar het Nederlands (of een dialect van het Nederlands) gesproken wordt: 10 Vlamingen, 8 Nederlanders, 1 Antilliaan, 1 Surinamer, 1 Zuid Afrikaan en ook 2 Franstalige Belgen en een Duitstalige Belg. Verrassende namen ook (voor mij dan) zoals Frank Martinus Arion (ik kende hem niet als dichter), Shrinivási (Suriname) en William Cliff (een Franstalige dichter).

De bundel is samengesteld door Jozef Deleu en van elke dichter zijn zo’n vijf gedichten opgenomen. Van de Frans- en Duitstalige gedichten ook de Nederlandse vertalingen.

Misschien is dit voor het Nederlandse Parlement ook een goed idee, laat alle parlementariërs hun favoriete gedicht kiezen en bundel deze. Voor dit moment doen we het met dit mooie initiatief uit Vlaanderen. Ik koos voor een gedicht van Gwij Mandelinck (1937).

Mandelinck (pseudoniem van Guido Haerynck) richtte in 1980 de Poëziezomers van Watou op die hij artistiek leidde tot 2008 samen met zijn echtgenote Agnes Hondekyn.

.

Beschuldigde

.

Ben ik vermengd met wolvenbloed,

kwam de stem van het gebroed in mij terecht?

Niet dat ik ben beducht voor averij

al zwakte mijn duim de schokken af

.

van deuren in het waaigat dichtgeklapt,

al zijn er messen aan te slijpen op mijn

onbehouwen kant. Een hand ligt in

de richting van mijn haar. Verbijt

.

jij straks de vinger die mij heeft beticht?

.

Vrouw

Jozef Deleu

.

De Vlaamse schrijver en dichter Jozef Deleu (1937) ziet in zijn poëzie als in zijn proza  de mens continu geprangd tussen heden, verleden en toekomst. Het besef van de tijdelijkheid van alle leven verleent aan zijn werk een sterk melancholisch karakter. Deleu stelde naast zijn werk als schrijver en dichter ook verschillende bloemlezingen samen zoals ‘Het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood’.

In een bloemlezing van Christine D’haen met de titel ‘Ik ben genoemd Meisje en Vrouw’ 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige letterkunde uit 1980, staat dan weer een gedicht van Deleu met als titel ‘Vrouw’. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘De stilte groeit’ uit 1974.

.

Vrouw

.

Van ieder woord

ben jij de pit

de harde korrel

in de bolle druif

het zachte vlees

van de amandel.

.

Je bent plantaardig

ring op ring

vormen zich de kringen

woord op woord

wordt harde hoorn.

.

Met de seizoenen

dubbel-zinnig

blauwe zomer

rode winter.

.

Mals en eetbaar

hard en bitter

pure pit.

.

Zó ben jij

van mij.

.

Zo ben ik.

.

jozef-deleu

%d bloggers liken dit: