Site-archief

Zeer zeker mijn geliefde

Dichters van morgen

.

Toen ik begin jaren ’80 mijn opleiding volgde aan de P.A. Tiele Academie in Den Haag, was een van mijn docenten (Nederlandse Letterkunde) Han Foppe (1939). Hij was toen onder andere actief in de jury van de prijzen van de Jan Campert-Stichting (1980 – 1997). Ik herinner me dat wij als studenten werden uitgenodigd om bij de uitreiking te zijn in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. Han Foppe was een man met een groot hart voor de Nederlandse Literatuur. Door hem en zijn enthousiasmerende manier van lesgeven ben ik ‘Bougainville’ van F. Springer (prachtig boek) en ‘Mijn naam is Garrigue’ van Henk Romijn Meijer gaan lezen.

Wat schetst mijn verbazing (en toch ook weer niet helemaal) toen ik zijn naam tegen kwam in de (gedigitaliseerde) bundel ‘Dichters van morgen’ van Ad den Besten. Een bloemlezing uit de poëzie van jonge dichters uit 1958 op https://www.dbnl.org/tekst/best004dich01_01/best004dich01_01.pdf . Han Foppe (toen 19 jaar en leerling van een Kweekschool) had meegedaan aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957 en had het geschopt tot (1 van de drie) eervolle vermelding(en), dit naast de drie prijswinnaars (waarvan ik geen enkele naam ken).

Ad den Besten schrijft in het voorwoord dat veel gedichten en manuscripten hem als uitgever werden toegestuurd maar dat hij evenzovele moest terug sturen. Hij merkt ook op dat “de meeste uitgevers zagen kennelijk meer heil in – begrijpelijkerwijs- het werk van bepaalde ‘arrivé’s’ of – onbegrijpelijkerwijs- de produkten van allerlei nulliteiten”. In die zin is is er eigenlijk weinig veranderd sinds de jaren ’50 (behalve dan dat het in eigen beheer uitgeven van een dichtbundel tegenwoordig zoveel makkelijker en professioneler kan worden gedaan). Tegelijkertijd schrijft hij elders in zijn voorwoord:  De kans is groot dat van verschillende van deze ‘dichters van morgen’ morgen geen sterveling meer een gedicht zal vinden” en “In die zin moet de titel Dichters van morgen dan ook worden verstaan: ik heb in deze bundel plaats geboden aan een 59-tal vaak héél jonge auteurs-evenveel als er in de laatste druk van Stroomgebied staan! -, dichters wier verzen m.i. een belofte inhouden voor morgen, dichters die ik, de een meer, de ander minder, in toekomstperspektief kan zien.”

Verreweg het grootste deel van in deze bundel bijeengebrachte gedichten, kwamen tot de uitgever ( De Windroos) na een oproep tot deelname aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957, waaraan alleen dichters die op 1 januari 1958 nog geen 35 jaar waren. Han Foppe was dus één van die deelnemende dichters. Het gedicht dat een eervolle vermelding kreeg ‘Zeer zeker mijn geliefde’ kun je hieronder lezen.

.

Zeer zeker mijn geliefde

.

zeer zeker
mijn geliefde is
van zuiver hout
van notenhout uit spanje
en zij is
van een donzige grassoort
waarop het heerlijk
is te liggen
en van een soort
die men nergens meer vindt
jawel mijn geliefde
zij is geboren
uit een berkeboom
en haar vader was gras
en haar nichten zijn
van een water
waarvan men slechts kan dromen
en dan haar broeders
die grote tijgers zijn
en o mijn geliefde
haar zonen
zij moeten welhaast
de grote vogels zijn
waarvan de schetsen
nu reeds
in ons voorhoofd
zijn gegrift
en haar dochters
o haar dochters
wellicht zijn het tijgers
van gras
zijn het tijgers
van louter wilgenhout
o haar dochters
die zeer zeker
van zuiver stem
zullen zijn

.

Londen roept

Brexit

.

Op de dag dat de Brexit een feit is hoor ik op de radio dat er in Groot-Brittannië onder met name de jongeren een zelfde sentiment heerst als destijds in de jaren ’80 toen Margareth Thatcher aan het bewind was. Ook toen waren het met name de jongeren die zich afzetten tegen de keuzes die gemaakt werden door de heersende politieke stroming. Dat resulteerde in dichters (o.a. Linton Kwesi Johnson), en musici (o.a. The Clash en UB40) die zich in hun teksten afzetten tegen de machthebbers.

Een van de belangrijkste nummers uit die tijd, die nu ook weer heel actueel is, is ‘London Calling’ van The Clash. Een band die punkrock maakte en die opviel door hun sterke geëngageerde teksten die met dit nummer maar ook met het album ‘Sandinista’ en later ‘Combat Rock’ duidelijk stelling nam.

De tekst van ‘London Calling’ is op dit moment nog net zo actueel onder een groot deel van de bevolking van Groot-Brittannië als het was eind jaren ’70 ten  tijde van Thatcher. Daarom hier de tekst en de videoclip op de dag van de Brexit.

.

London Calling

.
London calling to the faraway towns
Now war is declared and battle come down
London calling to the underworld
Come outta’ the cupboard, ya’ boys and girls
London calling, now don’t look to us
Phony Beatlemania has bitten the dust
London calling, see we ain’t got no swing
‘Cept for the ring of that truncheon thing
.
The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Meltdown expected, the wheat is growin’ thin
Engines stop running, but I have no fear
Cause London is drownin’, I, live by the river
.
(London calling) to the imitation zone
Forget it, brother, you can go it alone
London calling to the zombies of death
Quit holdin’ out and draw another breath
London calling and I don’t want to shout
But while we were talking I saw you noddin’ out
London calling, see we ain’t got no high
‘Cept for that one with the yellowy eyes

.The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Engines stop running, the wheat is growin’ thin
A nuclear error, but I have no fear
Cause London is drowning, I, I live by the river

The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Engines stop running, the wheat is growin’ thin
A nuclear error, but I have no fear
Cause London is drowning, I, I live by the river

Now get this

(London calling), yes, I was there, too
And ya’ know what they said? Well, some of it was true!
(London calling) at the top of the dial
And after all this, won’t you give me a smile?
(London calling)

I never felt so much alike alike alike

.

Jules Deelder (1944-2019)

Overleden

.

Kort na het groots vieren van zijn 75ste verjaardag op 24 november in zijn geboortestad Rotterdam is op 19 december 2019 dichter/schrijver/muzikant en all time favoriet dichter Jules Deelder overleden. Begin jaren ’80 ontdekte ik de poëzie van Jules Deelder en sindsdien ben ik een groot fan gebleven. Zijn bijzondere kijk op poëzie, zijn ongeëvenaarde voordrachtskunst, zijn creativiteit en voorkomen, Deelder was een fenomeen en is dat tot aan zijn overlijden gebleven.

Om zijn rijkheid aan ideeën en invallen te illustreren hier drie gedichten van zijn hand. Het gedicht ‘Dat je teweegbrengt’ (omdat dat zo van toepassing is op zijn persoon), ‘Nationaal gedicht’ (waarin zijn preoccupatie met de Duitsers en de oorlog maar weer eens mooi aan het licht kwam) uit ‘Lijf- en andere gedichten’ en ‘Ogenschijnlijk’ (een gedicht met humor en diepgang zoals zo vaak in de poëzie van Jules Deelder) uit ‘Moderne gedichten’ uit 1979.

Vijfentwintig jaar na zijn eerste optreden tijdens de beroemde poëzie avond in Carré in 1966 wijdde Bzzlletin een nummer geheel en al aan de dichter en mens Jules Deelder. Via https://www.dbnl.org/tekst/_bzz001199201_01/_bzz001199201_01.pdf is dit nummer voor iedereen te lezen. Voor wie geïnteresseerd is in de dichter en de mens Deelder een aanrader.

.

Dat je teweegbrengt

.

Dat je teweegbrengt
is van meer belang dan
wat je teweegbrengt

.

Nationaal gedicht

.

Oooooooo!
Hoe vergeefs
des doelmans hand

zich strekte
naar de bal
die één minuut

voor tijd
de Duitse doel-
lijn kruiste

Zij die vielen
rezen juichend
uit hun graf

.

Ogenschijnlijk

.

Ogenschijnlijk heeft het ene

niets te maken met het ander.

.

Ogenschijnlijk schuilt er

voordeel in een vaste baan.

.

Ogenschijnlijk zal er nog

een heleboel verand’ren.

.

Ogenschijnlijk staan de sterren

hier niet zover vandaan.

.

.

Foto: De Doelen

.

Geen man, want geen vrouw

Gerrit Krol

.

Er zijn schrijvers en dichters waarvan iedereen de naam wel kent maar waarvan, bij navraag, maar weinigen ooit een boek hebben gelezen. Dat geldt ook voor mij en in het bijzonder betreft dat schrijver, essayist en dichter Gerrit Krol (1934 – 2013). Ik dacht ooit, in de jaren ’80 wel eens een pocket van hem te hebben gelezen maar kan me niet meer herinneren welke.

Op zichzelf is dat natuurlijk helemaal niet erg, je kunt nu eenmaal niet van elke schrijver of dichter een boek lezen (hoewel er ongetwijfeld mensen zijn die hiertoe pogingen doen). In het geval van Gerrit Krol kan ik in ieder geval zeggen dat ik een dichtbundel van zijn hand heb gelezen. De bundel ‘Geen man, want geen vrouw’ kwam in 2001 uit en op de achterflap schrijft Krol:

“Sinds de succesvolle ontvangst van ‘De kleur van Groningen’ voer ik het certificaat van een hoogsteigen vorm. Die stelt mij in staat bijzonder snel en makkelijk gedichten te schrijven welke bovendien onbeperkt houdbaar zijn”, en “Het zijn krachtige, ijzersterke verzen zonder ook maar één enjambement. Geschreven in de derde persoon zouden deze balladen kunnen worden genoemd. Eerder episch dan lyrisch, zijn ze uitstekend bestand tegen de vaak zo persoonlijke gevoelens van deze tijd. Absoluut onmodieus!”

Dit schrijft hij omdat hij in de jaren daarvoor krampachtig poëzie probeerde te schrijven (na in 1976 zijn tot dan toe eerste en enige dichtbundel ‘Polaroid’ te hebben gepubliceerd) en dit maar niet lukte.

Opvallend in de gedichten in deze bundel, is de manier waarop Krol zichzelf steeds tegenspreekt, verbetert, aanpast, alsof er een tweede dichter met hem mee schrijft die als een soort redacteur samen met hem het gedicht vorm geeft. De epische (verhalende) vorm wordt hierdoor versterkt. Zoals in de gedichten ‘Roodborstje’ en ‘Geen wak’.

.

Roodborstje

.

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het ei breekt in tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.
.
Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.
.
Zijn snaveltje sterker dan het ei.
.
Sterker dan Groenland.

.

Geen wak

.

Het weiland, het voorjaar, de eerste koeien.

Geen koeien, maar pinken.

Geen voorjaar, geen riet.

.

De sloot, een blauwe lucht.

Niet het water, maar het wak.

Geen wak, maar ijs dat dunner dan glas.

.

Een eend draagt.

.

Zuidelijke gastvrouw

Maria van der Steen

.

In 1987 publiceerde uitgeverij Meulenhoff de lijvige bundel ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie’ Dichters van de twintigste eeuw (5e herziene editie), samengesteld door Hans Warren. Het aardige van verzamelbundels uit een bepaalde tijd (in dit geval de jaren 80 van de vorige eeuw, wat de titel gelijk al een vreemde bijsmaak geeft, er waren nog 13 jaar te gaan in de twintigste eeuw toen deze bundel uit kwam) is dat er dichters in zijn vertegenwoordigd waar je veel later (in dit geval ruim 30 jaar later) nooit meer iets van hoort. Samen met dichters die nu nog steeds worden gelezen vormen zij een mooi palet van de dichterscultuur in een bepaalde periode.

Lezend in deze bundel kwam ik de dichter Maria van der Steen tegen met een aantal gedichten. Maria van der Steen is het pseudoniem van Annie Pepers (1906 – 1987).  Zij debuteerde (na eerder verschillende prozawerken te hebben geschreven) in 1970 met de poëziebundel ‘Sintels rapen’ waarna nog 10 dichtbundels en een bloemlezing zouden volgen. In haar eerste dichtbundels beschrijft Maria van der Steen eenvoudige, alledaagse toestanden, waarmee zij thematisch bij haar proza aanleunt (armoede en onmenselijkheid). Later zou zij meer feministische poëzie gaan schrijven.

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Zuidelijke gastvrouw’ dat eerder verscheen in de bundel ‘Laat maar’ uit 1971.

.

Zuidelijke gastvrouw

.

zij snijdt nog brood

op de ouderwetse manier

.

zij neemt het bijna als een baby in haar armen

-zij moet een warm hart hebben- denk ik

een rilling van bijna betrapte herkenning

gaat door mij heen

.

ik word weer klein

en sta aan tafel

.

met de punt van het mes

maakt zij een kruis

van korst tot korst

.

het lemmer klieft

het grijs van golgotha

zij schijnt het niet te merken

.

ik bespied haar feller

het brood, een donkere homp nu

draait zich tussen haar borsten rond

en om haar warme wijze mond beeft

een nauw aanvaarde glimlach

als zij zegt

terwijl zij de sneden

behoedzaam op de broodschaal legt:

.

wat zijn de jaren snel gegaan

ik had je bijna niet herkend

nu ik het kind en jij de moeder bent

.

Levenslang

Jean Pierre Rawie

.

In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw was dichter Jean Pierre Rawie (1951) één van de toonaangevende dichters in Nederland (en Vlaanderen). Zijn bundels verkochten beter dan menig roman. Ik herinner mij een avond in de bibliotheek van Wateringen waarop Rawie zou vertellen en voordragen en waar bijna 80 mensen aanwezig waren. Voor een dichter een meer dan respectabel aantal. Vooral zijn bundel ‘Een onmogelijk geluk’ uit 1992 was een enorm groot (verkoop)succes.

Tussen 2001 en 2012 was het erg stil rond Jean Pierre Rawie. In die periode verscheen alleen ‘Verzamelde verzen’ (2004). Na 2012 kwamen er weer met enige regelmaat bundels uit van zijn hand. Te beginnen in 2012 met de bundel ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’. Uit deze bundel het gedicht ‘Levenslang’ over verwachtingen die niet uitkomen.

.

Levenslang

.

De dronken dagen, doorgehaalde nachten

(wij konden niet kapot in onze jeugd),

de herdersuren waar ons geen van heugt,

de gouden tijd die wij oneindig achtten.

.

Toch waren wij ten prooi aan de gedachte

dat wat voor ons was weggelegd niet deugt;

wij hebben ons een leven lang verheugd

op iets wat levenslang op zich liet wachten.

.

Straks zijn wij oud, en met doorgroefd gelaat,

bedroefd en moe, en met de dood voor ogen,

vertrouwd met hoe het in de wereld gaat,

.

maar met behoud, naar buiten onbewogen,

van het vooruitzicht waar ons hart voor slaat,

dat wij daar tot het laatst naar haken mogen.

.

 

Beweeg als een strateeg

Een recensie

.

Bij uitgeverij Bunker verscheen afgelopen maand alweer de tweede bundel sinds de oprichting, dit keer de bundel ‘Beweeg als een strateeg’ van Rik van Boeckel. Dit keer onder redactie en ingeleid door dichter Joz Knoop. De bundel is netjes uitgegeven met opnieuw een intrigerende cover. Naast een dichtbundel krijg je voor de aanschafprijs ook nog eens een cd erbij met daarop met gedichten waarop Rik zichzelf begeleidt (zoals hij tijdens voordrachten zichzelf vaak begeleidt met zijn djembé). In dit geval echter heeft hij op een aantal tracks ook andere muzikanten ingeschakeld zoals bijvoorbeeld een gitarist en iemand die de  synthesizer bespeelt.

Hoewel dit een heel aardige extra is, die prima bij Rik zijn poëzie past, wil ik me hier toch beperken tot zijn poëzie op papier. Rik is al vele jaren lang actief als dichter, in de jaren ’80 van de vorige eeuw genoot hij al bekendheid als popdichter. Zijn werk is nog steeds muzikaal en zijn gedichten liggen dicht tegen de meer muzikale vormen van poëzie aan zoals rap en liedkunst. De bundel is in feite in drieën opgedeeld (of in vieren zoals je wilt als je de cd als het vierde deel wil zien).  Drie hoofdstukken met de titels ‘Bij eb en vloed’,  ‘In de waterwei’ en ‘Van Parijs naar het ritme van Rap, Rock en Jazz’.

In de gedichten uit het eerste hoofdstuk lees ik steeds een soort onderhuidse waarschuwing, een achterdocht ten opzichte van het leven en de medemens met wel steeds een klein lichtpuntje, maar de teneur is er één van loslaten, vergeten en aanvaarden.  “als de zon maan is geworden / zijn er geen wolken om onder te schuilen’  en ‘de cel dat wordt jouw huis / met de kat, de rat en de muis / dat gebeurt met een ieder / die denkt een mens te zijn’ . Maar dan is daar toch de muziek die licht schijnt in de poëzie van Rik. Een zomerdans, een jazzy nachtegaal en ‘streelzachte klanken / van afgestreepte pianotoetsen’. Uiteindelijk wordt dit hoofdstuk toch weer in een overpeinzing afgesloten in het gedicht dat zijn titel leende aan dit hoofdstuk ‘wat geschreven wordt / gaat aan de tijd voorbij’.

In het hoofdstuk ‘In de waterwei’ lijkt er ineens een andere Rik aanwezig met gedichten die verhalen over de reizen die hij maakte, de plaatsen die hij bezocht: Ibiza, Kaapverdië, Lissabon, Cuba, Berlijn, Fatima. De gedichten in dit deel ademen een liefde voor de natuur, de omgeving en de mensen die de dichter ontmoet. Stuk voor stuk verhalende gedichten over plaatsen waar de dichter heel graag was, en ook in deze gedichten komt de muziek regelmatig terug. Veel zingen maar ook fluiten en dansen. Boven de gedichten staat een klein kaartje van het land met de plaatsaanduiding waar het gedicht plaatsvindt en onder de gedichten een verklaring van de ‘vreemde’ woorden die gebruikt zijn, wat ik heel charmant vind.

Het derde hoofdstuk ‘Van Parijs naar het ritme van Rap, Rock en Jazz’ 1983 – 2017′ zijn losse gedichten waar ik niet meteen een gezamenlijkheid in kan vinden of het moet het ‘popgedicht’ zijn. Gedichten waarin een heel duidelijke muzikaliteit en ritme zit. Over grote steden (deze gedichten zijn echt anders van opzet dan de gedichten over de steden in het hoofdstuk hiervoor) over reizen, mode en jazz. Ik vermoed dan ook dat de keuze op deze gedichten is gevallen (uit 34 jaar oeuvre) door hun vorm en muzikaliteit. In ieder geval doen ze de dichter Rik van Boeckel eer aan. In de verschillende hoofdstukken (en de cd) toont van Boeckel zich een veelzijdig, nieuwsgierig dichter, met oog voor detail en liefde voor zijn omgeving en de muziek.

.

De dagen voorbij

.

De dagen gevangen in twee gedachten

de liefde een waterval van erotiek

de reis een lichtzinnig avontuur

dwars door het rood en geel

van de tulpenvelden

.

torpedo’s van geluk

legden weken van verdriet

in een symbiotisch bed

.

jij zei dat mijn ogen

een gedicht konden liplezen

.

De taal is het voertuig van de geest

Driek van Wissen

.

In het eind van de jaren ’80, begin jaren ’90 van de vorige eeuw was voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943 – 2010) regelmatig te zien en te horen bij het radio- en televisieprogramma Binnenlandse zaken van de TROS. In de rubriek ‘Kritiek van Driek’ liet hij op onnavolgbare en creatief-humoristische wijze zien hoe bijzonder de Nederlandse taal is met de openingszin: De taal is het voertuig van de geest, maar ons Nederlands is wel een krakende wagen geworden. Waarna hij een onderdeel van de taal behandelde (bijvoorbeeld de trappen van vergelijking, de verbindings-s, maar ook werkwoorden als zoeken, vinden, plaatsen en zetten) en liet zien hoe ongelofelijk inconsequent onze taal eigenlijk is.

Ik herinner mij dat ik altijd uitkeek naar dit item, Driek met zijn semi voorname voorkomen (ik denk dat het de strik was), met zijn specifieke manier van praten en dictie deed mij altijd (glim) lachen om onze taal. Later toen hij dichter des vaderlands wilde worden heeft hij slim gebruik gemaakt van zijn populariteit uit die tijd. In januari 2005 werd hij tijdens ‘De avond van het gedicht’ gekozen tot Dichter des Vaderlands, als opvolger van Gerrit Komrij en de Dichter des Vaderlands ad interim Simon Vinkenoog. Zijn uitverkiezing werd voorafgegaan door een intensieve campagne, geleid door Jean Pierre Rawie, een goede vriend van van Wissen. Tijdens de campagne deelde Van Wissen balpennen uit met een gedicht erop.

In het dagelijks leven was Van Wissen van 1968 tot 2005 als docent Nederlands in Hoogezand. Hij beëindigde zijn loopbaan in het onderwijs toen hij Dichter des Vaderlands werd. Voor zijn gehele oeuvre op het gebied van het light verse kreeg de dichter in 1987 de Kees Stip Prijs van het tijdschrift De Tweede Ronde. Van Wissen publiceerde ook onder het pseudoniem Albert Zondervan, dat hij deelde met Jean Pierre Rawie. Van Wissen schreef meestal in sonnet- en snelsonnetvorm. Daarnaast bediende hij zich ook wel van dichtvormen als rondeel, limerick en ollekebolleke.

Uit zijn bundel ‘De badman heeft gelijk’ uit 1982 het gedicht ‘Anti-Fries.

.

Anti-Fries
.

Als Holland winters is getooid,
En wij van kou welhaast verrekken,
Blijkt Friesland dichtbevolkt met gekken,
Die ’s winters gekker zijn dan ooit.

De maffe koppen, strak gelooid,
Ontspannen plots in losser trekken
Terwijl zich rond de stuurse bekken
Een soortement van glimlach ontplooit.

In onverstaanbare gesprekken
Worden dan praatjes rondgestrooid,
Die ijdele verwachting wekken,

Totdat de goden, als het dooit,
De hoop der dwaze halzen nekken.
Nee, de elfstedentocht komt nooit!

.

Dichter van de maand Februari

Levi Weemoedt

.

De dichter Levi Weemoedt (1948, Vlaardingen)  studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden en heeft dertien jaar als leraar Nederlands voor de klas gestaan. Omdat hij hierin niet voldoende voldoening vond, stopte hij met lesgeven. Weemoedt is schrijver van tragi-komische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Ook was hij als medewerker verbonden aan het ‘Algemeen Dagblad’ en publiceerde hij in Renaissance dat in 1996 door Look J. Boden was opgericht. Verder was Weemoedt van 1976 tot 1979 redacteur van literair-satirisch studentenblad Propria Cures, later, in de jaren ’80 schreef hij in ‘Mare,’ het weekblad van de Rijksuniversiteit Leiden. Weemoedt debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Geduldig Lijden, een jaar later gevolgd door ‘Geen Bloemen’ en ‘Zand Erover’ (1981). Zijn werk werd in 2007 verzameld in ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’. Na 1999 werd het stil rond Weemoedt tot in 2007 de verzamelbundel ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’ werd gepubliceerd met o.a. 40 nieuwe gedichten gevolgd door  ‘Met enige vertraging’ in 2014.

Uit de bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 koos ik voor het gedicht ‘Brave soldaat van D.’ .

.

Brave soldaat van D.

.

Ik draag de hemden af van H. van Duijvenbroek:

KL-soldaat, zo laat het merkje mij weten.

Hij kwam in ’60 op, en hij verliet de troep

in ’62. Zo goed als niet versleten.

.

Van Duijvenbroek is in die twee jaar tijd

één maat gegroeid. Misschien beviel het koken

van de kazernekok. Zijn hemd bleef uit de strijd.

Er zit één gaatje in, maar dat is van het roken.

.

Op avonden dat ik te gast moet wezen

op lezingen of in de Boekenweek,

vraagt iemand soms: ‘Weemoedt, wat moet ik lézen?’

Dan zeg ik: ‘Sorry, ‘k ben een slechte bibliotheek….

.

Maar hoort u het ooit prijzen: vermijd beslist het boek

‘Oorlogsmemoires’. Door H. van Duijvenbroek.’

.

 

Een zondagochtend

Gedicht uit de jaren ’80

.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef ik mijn gedichtjes in kleine opschrijfboekjes. Deze boekjes heb ik allemaal bewaard en soms plaats ik een oud gedicht uit één van deze boekjes op dit blog. Om te laten zien waar ik vandaan kom en om mezelf eraan te herinneren dat poëzie schrijven, betere poëzie schrijven een proces is waar je nooit mee klaar bent.

Het gedicht ‘Een zondagochtend’ schreef ik na een nacht te hebben doorgebracht in een kamer waar zich ook een groot wit hoofd van gips bevond en dat was aanleiding genoeg. Hoewel nogal rommelig en soms zelfs onsamenhangend toch maar hier dit gedicht.

.

Een zondagochtend

.

Als het hoofd van gips

mij aanstaart met holle ogen

en ik jouw ogen in mijn rug voel priemen

.

Als het suizen van de muziek

de ruis in mijn hoofd overstemt

en ik dit geluid weg draai

.

Als jouw hand over mijn borst streelt

en onze adem gelijkgestemd de

warmte van de situatie symboliseert

.

Terwijl de beelden van de film

na de pauze niet overeenstemmen met

die van daarvoor en ik mijn ogen sluit

.

Is dit de waanzin van mijn verlangen

die als rust mijn problemen verdrijft?

Laat me dan genieten, lang, heel lang.

.

%d bloggers liken dit: