Site-archief

Einde

Luuk Gruwez

.

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez (1953) debuteerde in 1973 met de dichtbundel ‘Stofzuigergedichten’ waarna vele bundels volgden. De poëzie van Luuk Gruwez wordt weleens tot de neoromantiek gerekend, een stroming die als reactie op het nieuw-realisme van de jaren ’60 weer aandacht opeiste voor de grote gevoelens omtrent leven, liefde, ziekte, vergankelijkheid en dood. Luuk Gruwez voegt aan deze vorm van romantiek altijd een stuk (zelf)ironie toe. In zijn recentere werk wordt zijn poëzie verhalender en breder.

In 2015 verscheen de bundel ‘Garderobe’ een keuze uit al zijn gedichten. Poëzie uit zeven bundels is in deze bloemlezing gebundeld. Van ‘De feestelijke verliezer’ (1985, bekroond met de Dirk Martensprijs) tot ‘Lagerwal’ uit 2008. Uit deze mooie bundel koos ik het gedicht ‘Einde’ uit de ‘Feestelijke verliezer’.

.

Einde

.

Niemand zal met mij verdwijnen,

wanneer ik straks mijn einde vind.

De wereld mag na mij wel blijven,

alleen: ik ging nooit graag alleen.

.

En dat ook dan een duivenklets

nog op mijn oude dakraam ploft

waaronder vreemde lijven woelen

in liefdes melodieus rumoer,

.

of dat, al liet ik niemand na,

het ernstig loensen van een kind

met druipneus en een uilenbril

voorgoed aan mij voorbij zal gaan,

.

ik tel dit alles niet zozeer,

bedwelm al wie mijn kist wil volgen

met fleurige ontbindingswalm.

Alleen: ik ging nooit graag alleen.

.

De keuze van Frankrijk in 1968

Henry Hes

.

In het kader van (bijna) vergeten dichters wil ik vandaag de dichter Henry Hes bespreken. Henry Hes, of H.Hes of ook wel H.H.J. Hes (1946) is een dichter en prozaschrijver uit Groningen. In de jaren ’60 was hij actief in de Groningse Provo beweging en Ín de jaren zeventig en tachtig was Hes betrokken bij literaire activiteiten in en rond Groningen-stad. Hij was onder meer redacteur bij de kleine uitgeverij De Zon. Henry Hes was medewerker aan onder andere ‘Krödde’ (Groninger poëzie pop) en Remco Camperts tijdschrift ‘Gedicht’.

Uit deze laatste uitgave nummer 6 uit 1975 nam ik het gedicht ‘de keuze van Frankrijk in 1968’.

.

de keuze van Frankrijk uit 1968

.

aan la frontière moetsen de spullen

uitgepakt worden, waaronder

een gave paardenschedel

gerold in een regenjas

.

afgrijzen bij de douane

om al die loszittende tanden

opluchting omdat het geen

mens was, al dat schrijfwerk

.

de verbeelding was nog niet aan de macht

de schedel werd te licht bevonden

en mij werd de ruimte keuze gelaten

.

niet naar Parijs te gaan

aan de belgische kant van de grens

te blijven of erg snel te verdwijnen

.

Einde van een cultuurperiode

50 jaar Poetry International

.

Afgelopen donderdag was de start van de 50ste editie van Poetry International in Rotterdam. Alle reden om deze week eens extra aandacht te besteden aan een aantal dichters van internationale naam en faam die in de loop van die 50 jaar optraden tijdens dit prachtige festival. in de loop van die 50 jaar zijn er verschillende keren boeken en bundels uitgegeven waarin de dichters ruimte kregen om hun poëzie te delen met de lezer. Altijd in de eigen taal en in een vertaling.

Ik wil beginnen met de dichter Erich Fried. die al in 1971 optrad tijdens Poetry International samen met 31 andere dichters uit 20 landen. De Rotterdamse dichter Jules Deelder opende toen het festival, een taak die tot 1983 aan een stadsgenoot of inwoner van het Rijnmondgebied was voorbehouden.

Erich Fried (1921 – 1988) was een Oostenrijks schrijver, dichter en essayist van Joodse afkomst. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Engeland. Hij schreef echter steeds in het Duits. In 1938 emigreerde hij naar Londen en werkte daar als arbeider, chemicus, bibliothecaris en redacteur. Fried was een geëngageerd dichter en schrijver, zo publiceerde hij in de jaren 60 twee anti-Vietnam bundels. Ook trok hij, Jood zijnde, de aandacht met zijn uitgesproken atheïstische en antizionistische opvattingen en zijn stellingname tegen Israëls Palestijnenpolitiek.

Uit de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry international’ 1970-1984  het gedicht ‘Einde van een Cultuurperiode’ of Ende einer Kulturepoche’ in een vertaling van Gerrit Kouwenaar.

.

Einde van een cultuurperiode

.

De kampcommandant

een ontwikkeld man

had zijn bekentenis

in het net geschreven

en nog een paar formuleringen

verbeterd

en hier en daar

een kwinkslag ingelast

.

Maar ze lachten niet

en hij zei ten slotte

‘Voor de humor voorzie ik

treurige tijden.’

.

Ende einer Kulturepoche

.

Der Lagerkommandant

ein gebildeter Mann

hatte sein Geständnis

ins reine geschrieben

und einige Formulerungen

noch verbessert

und da und dort

einen Schertz eingefügt

.

Aber sie lachten nicht

und er sagte zuletzt

‘Nun kommen schlechte Zeiten

für den Humor.’

.

Het werk

Hans van de Waarsenburg

.

De bloemlezing ‘Het werk’ uitgegeven in 1980 door de Erven Thomas Rap was het vijfde deel uit een serie Thema-poëzie die door Wiel Kusters werd samengesteld. Wiel Kusters (1947) is zelf dichter en was hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. In ‘Het werk’ heeft Kusters gedichten bijeengebracht over de arbeid van dichters uit de vorige eeuw waarbij de nadruk toch wel ligt bij gedichten uit de jaren ’60 maar vooral ’70. Zoals bijvoorbeeld het gedicht ‘N.N.’ van Hans van de Waarsenburg (1943 – 2015).

In dit gedicht schetst van de Waarsenburg de gruwel van het werkeloos zijn. Eerst denk je nog dat de man misschien met pensioen is gegaan, tot je leest dat ‘de kinderen thuis komen’ en over de ‘stemmen uit de begeleiding’. Dan weet je dat hij onvrijwillig thuis zit en van de Waarsenburg schetst de keiharde realiteit en het zwart gat waarin de man dan terecht komt, waarbij de begrijpelijke houding van zijn echtgenote ook niet echt helpt in het ‘doorbrengen van zijn wat langere vakantie’. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘De dag van de witte chrysanten’ uit 1979.

.

N.N.

.

Hij stond niet meer waar hij had gestaan

Hij moest onwennig lopen in het daglicht

.

Mocht van zijn vrouw de handen niet voor

de ogen houden

.

Moest gewoon lopen, praten, dingen doen

en boodschappen

.

Niet in de weg zitten, te lang in bed liggen

en af en toe eens fluiten, wanneer

.

De kinderen uit school kwamen, dat stond

wat vrolijker

.

Er was immers niets aan de hand zeiden

de stemmen uit de begeleiding

.

Hij moest het zien als een wat langere

vakantie, hij was voorlopig vrij

.

Kon gaan en staan waar hij wilde zeiden

ze, als hij maar niet de hele dag thuis

.

Rond hing, zei ze. Hij moest toch begrijpen

dat dat voor haar ook niet leuk was

.

Ja, zeiden ze samen, hij moest eens wat

gaan doen, binnenshuis, of er buiten

.

Gewoon dus,

alsof er niets aan de hand was

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

Robin Hannelore

.

De Vlaamse dichter Robin Hannelore (1937, pseudoniem van August Obbels) is vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij kreeg in 1968 en 1977 de poëzieprijs van de provincie Antwerpen. Naast zijn auteursactiviteiten was hij tot 1997 leraar Germaanse talen in zowel Herentals als Antwerpen. Binnen zijn zeer ruime thematiek neemt Hannelore het dikwijls op voor de zwakkeren, de onderdrukten en de onmondigen. Deze voorkeur, die in zijn werk meermaals naar boven komt, kwam tot een hoogtepunt in ‘Een brief aan de koning’ (1979). In zijn veelheid van stijlen waagde hij zich enkele malen in het magisch realisme, wat hem de vriendschap opleverde met Hubert Lampo. Samen met Frans Depeuter en Walter van den Broeck was Hannelore ook medestichter van het satirisch-kritische tijdschrift ‘Heibel’, dat hij in 2007 met Depeuter opnieuw tot leven riep. Hannelore schreef zo’n 20 poëziebundels en hij debuteerde in 1958 met de poëziebundel ‘Waan en pijn’.

In 1978 verscheen in de serie ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ in de Vlaamse pockets, een bloemlezing van zijn werk onder de titel ‘Het koekoeksspog’. Wat dat precies betekent is me niet helemaal duidelijk, het Vlaams woordenboek geeft niet direct uitsluitsel, maar het lijkt een afgeleide van gespogen dat ‘heel erg gelijkend op’ betekent. Hierin gedichten uit zijn bundels uit de jaren ’60 en ’70.

De bundel begint met een ‘gedicht’ of een uitspraak van Hannelore waaruit blijkt dat hij het opneemt voor de onderdrukten en de onmondigen.

.

En kom je tenslotte toch naar de Kempen,

denk dan niet te lichtvaardig dat je

het koekkoeksspeeksel, het kikkerspog

of het lenteschuim ontdekte.

Ik loop hier namelijk in het voorjaar steeds

op, voor de voeten van, of in het gezicht van

de parvenu’s, de spekulanten, de mongoloïde politici

en de goden te spuwen.

.

Verder in de bundel blijkt dat Hanelore wel degelijk ook gedichten schrijft die minder activistisch zijn en de schoonheid van de Kempen en de natuur als onderwerp hebben zoals in het gedicht ‘Grutto Grutto Fuut Fuut’ dat nooit gebundeld werd.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

.

Ik lig hier als een driedubbele gek

Te lachen in het gras de witbol

Beroesd van tijm en koeiedrek

De schaduw van de eik zit vol

.

harig wilgeroosje en oud geluk

En gesjirp van een krekel een mus

De Kempen bulkt van de volle pluk

Halfapen toeren er rond in een bus

.

Onder dit groen orgiastisch gewelf

Op dit eeuwig wilde herdersfeest

Ben ik te gast bij de zwarte elf

.

Ik adem ril geniet als een beest

Verlaat hier tenslotte voorgoed mezelf

Nimmer is iemand zo vrij geweest.

.

Slagbaai

Alette Beaujon

.

Uit de serie ‘dichters omnibus’. Heb ik nu ook deel 6 bemachtigd. Een klein beetje waterschade maar dat mag de pret niet drukken. In dit deel uit 1959 , een geschenk van Esso Nederland n.v., staan weer een aantal dichters die ik niet ken. Een daarvan is de dichter Alette Beaujon.

Alette Clemence Beaujon, geboren op Curacao (1934 – 2001) studeerde in Chicago en Amsterdam. In de jaren ‘60 werkte Beaujon als klinisch psycholoog. Schreef poëzie in het Engels, Papiamento maar hoofdzakelijk in het Nederlands. Van haar hand verscheen een grote bundel ‘Gedichten aan de baai en elders’ en de dichtbundel ‘De schoonheid van blauw’. Daarnaast publiceerde ze poëzie in het magazine ‘Amigoe’ in de Nederlandse Antillen.

.

Slagbaai

.

Stil te zitten in de schemering

voor een huis te staren

wanneer de hemel plots

heel laag zijn kleuren offert

aan de nacht

.

Snelle Spaanse waaiers in de lucht

een dansend begin

wordt langzaam donker in de verte

en komt vreedzaam naar ons toe

in de omtrek sterft het weg

.

De gladde strekenvan de zee

slepen nog kleine stenen mee

alle beweging is moeizaam

en boeit niet meer

.

Ik kom hier elke dag

de avond zoeken

en de dag want beide

heb ik op dit strand voor het eerst gevonden

heel lang geleden

.

 

De fatale bres

Günter Kunert

.

De titel van een boek kan soms tot verwarring leiden. Neem nou de bundel ‘de fatale bres’ vertaalde hedendaagse duitse poëzie. Bij het kopen van dit bundeltje dat de dichter A. Marja als vertaler kent, dacht ik hedendaagse Duitse poëzie te gaan lezen. Totdat ik erachter kwam dat het boekje in 1962 werd uitgegeven. Hedendaags wordt op die manier ineens poëzie uit de jaren ’50 en ’60. De dichters die worden opgevoerd hebben dan ook geboorte jaren tussen 1881 en 1937. Desalniettemin staan er prachtige en goeie gedichten in. Zowel in het Duits als in het Nederlands.

Dichters waarvan ik er maar een paar van naam ken zoals Paul Celan, Ingeborg Bachmann en Peter Hamm. Een dichter die ik niet kende is Günter Kunert (of Guenter Kunert zoals hij in deze bundel wordt opgevoerd).

Kunert (1929) woonde en werkte in de DDR en was lid van de communistische partij. Toen hij in 1976 een petitie tekende omdat de partij Wolf Biermann (een collega schrijver) het lidmaatschap van de partij wilde afnemen, werd hem ook het lidmaatschap afgenomen. In 1979 kon hij door het verkrijgen van een visum naar West Duitsland reizen en daar vestigde hij zich.

Kunert wordt gezien als één van de meest veelzijdige en belangrijkste hedendaagse Duitse schrijvers. Naast poëzie schreef hij essays, autobiografisch werk, aforismen, satires, sprookjes, science fiction, speeches, reisverhalen, film scripts, en romans. Hij werd in verschillende literaire tijdschriften gepubliceerd en hij is daarnaast ook schilder en grafisch ontwerper.

Het gedicht dat uit de bundel ‘de fatale bres’ komt is getiteld ‘Wenn ihr mal kniet vor einem’ of in de vertaling van A. Marja ‘Als u knielt’.

.

Als u knielt

.

Op deze steen

heeft Willem de Veroveraar

en later Napoleon

gezeten-

ook nog Saint-Just

en twee al lang vergeten

koningen – een

de Vijfde en een

de Zestiende.

.

Maar vergeet nooit

dat de steen telkens

warm werd van een paar

levende billen.

.

En niet van een naam.

.

Wenn ihr mal kniet vor einem

.

Auf diesem Stein

sass William de Eroberer

und später Napoleon.

Es hockten Saint-Just

auf ihm und zwei längst

vergessene Könige – ein

Fünfter und ein Sechzehnter.

.

Vergesst bitte nicht,

das der Stein jeweils durch

einen lebenden Hintern

erwärmt wurde.

.

Nicht durch einen Namen.

.

Walking around

John Ashbery

.
John Lawrence Ashbery ( 1927 – 2017) was een Amerikaans avant-gardistisch dichter. Op jonge leeftijd wilde hij kunstschilder worden en van zijn elfde tot zijn vijftiende nam hij met veel enthousiasme tekenlessen. Geleidelijk verlegde hij echter zijn interesse naar de dichtkunst en begon hij poëzie te schrijven. Tijdens zijn studie aan de Harvard-universiteit raakte hij bevriend met Kenneth Koch, Barbara Epstein, James Schuyler, Frank O’Hara en Edward Gorey, met wie hij later de New York School of Poets zou vormen. In 1949 studeerde hij cum laude af op een dissertatie over W.H. Auden. Ashbery’s vroege werk werd erg beïnvloed door die zelfde Auden maar later werd zijn werk steeds modernistischer. In de jaren 60′ verkeerde hij in avant gardistische kringen hetgeen zijn werk ook beïnvloedde.
Ashbery’s werk kenmerkt zich door vrije, spontane associatie, waarbij zijn gedichten meestal nauwelijks een echt onderwerp kennen. Hij kan heel vaag en poëtisch zijn over concrete alledaagse dingen, waarbij hij regelmatig de parodie als stijlmiddel gebruikt. Een overkoepelend thema is de relatie tussen chaos en het bewuste menselijk denken en met de kunst in zijn algemeenheid.  Tijdens zijn leven werd hij meerdere keren onderscheiden en ontving hij een aantal literaire prijzen voor zijn werk waaronder de National Book Award for Poetry en in 1976 de Pulitzerprijs voor poëzie.
Uit de bundel ‘A Wave’ uit 1984 het gedicht ‘Just walking around’.
.
.
Just Walking Around 
.
What name do I have for you?
Certainly there is no name for you
In the sense that the stars have names
That somehow fit them. Just walking around,An object of curiosity to some,
But you are too preoccupied
By the secret smudge in the back of your soul
To say much and wander around,Smiling to yourself and others.
It gets to be kind of lonely
But at the same time off-putting.
Counterproductive, as you realize once againThat the longest way is the most efficient way,
The one that looped among islands, and
You always seemed to be traveling in a circle.
And now that the end is near

The segments of the trip swing open like an orange.
There is light in there and mystery and food.
Come see it.
Come not for me but it.
But if I am still there, grant that we may see each other.

.

Oervader van de Slampoëzie

Bertsolari

.

Van Paul Van Cappellen kreeg ik een tip over Fernando Aire Etxart of Xalbador (1920 – 1976). Deze Xalbador is één van de beroemdste Bertsolari van Baskenland. Een Bertsolari is vernoemd naar de Bertso.

De bertso of bertsu is een geïmproviseerd lied of rijmend vers dat wordt gezongen of gedeclameerd door de zogenaamde bertsolari. Deze  kunst dateert uit de 18e  eeuw. Hoewel ook aanwezig en in andere regio’s, wordt deze vorm van poëzie vooral in het Baskenland beoefend.

De bertsolari vormt zijn prestatie (individueel of in een duo) als een soort collectief proces samen met het publiek. Deze vorm van improvisatie is een behendigheidsspel waarin  herinneringen worden gecombineerd met de reacties van het publiek. Een soort verbaal steekspel. In die zin zou je het als een voorloper kunnen zien van de poetry slam

Xalbador was , zoals gezegd een van de beste en beroemdste. In de jaren 60 stond hij 3 keer in de top 3  van het kampioenschap van Donostia (San Sebastian) en in de jaren 70 won hij verschillende prijzen zoals de Prijs Xempelar (4 keer) en Prijs Txirristaka (3 keer). Naar aanleiding van zijn dood schreef De auteur en songwriter Xabier Lete in 1978 het gedicht/lied ‘Xalbadorren heriotzean’ (Na de dood van Xalbador), een van de bekendste gedichten/liederen van Baskenland.

.

Na de dood van Xalbador

Er was een  diepe en gevoelige vriend
veranderd door de vleugels van de poëzie
door de wormen voortgekomen uit een diep gevoel van binnen.

Een zanger die plaatsen bereisde, rillend van eenzaamheid
die geleerd had op een harde manier, woorden bescheiden te weven,
uit de onvergankelijke waarheid van zijn innerlijk.

(Refrein)
Waar ben je, waar zijn je weilanden
herder van Urepel  ?
jullie die zijn gevlucht
naar de zijkanten van de berg,
en in herinnering in het geheugen blijven. (Herhaling)

U schreef het lied van het afbreken van barrières
ernstig op zoek
naar vrijheid,  voorbij de banden en de beperkingen van het lichaam.

het transformeren van je laatste adem in de diepere,
hevige kreet van ondoorgrondelijke waarheden

die nooit kan worden uitgedrukt.

Waar ben je …

.

(zeer vrije vertaling van mijzelf)

.

Xalbadorren heriotzean

Adiskide slaat bazen Orotan Bihotz bera,
Poesiaren hegoek
Sentimentuzko bertsoek antzaldatzen zutena.

Plazetako Kantari bakardadez Josia,
Hitzen lihoa iruten
Bere barnean irauten oiñazez IKASIA, IKASIA.

(Errepika)
Nun Hago, zer larretan
Urepeleko artzaina,
Mendi hegaletan gora
Oroitzapen den gerora
Ihesetan joan hintzana. (Bis)

Hesia urraturik libratu huen kanta
Lotura guztietatik
Gorputzaren mugetatik aske senditu nahirik.

Azken hatsa huela bertsorik sakonena.
Iñoiz esan ezin Diren
Estalitako egien oihurik bortitzena, bortitzena.

Nun Hago …

.

                                                                                                                                     Foto: Juan San Martin

Paterson

Ron Padget en The New York School 

.

Op Facebook las ik in een stuk van Marja van Rossum over de film ‘Paterson’ van Jim Jarmusch. Nu staat deze film op mijn verlanglijstje van films die ik nog moet gaan zien maar na het stuk van Marja ga ik de film snel zien. In deze film draait het om een buschauffeur die poëzie gebruikt om de alledaagse routine te doorbreken. Uit het stuk van Marja begrijp ik dat poëzie wordt gebruikt van o.a. Ron Padgett zoals ook het gedicht ‘Love Poem’ hieronder. Padget maakte deel uit van de The New York School.

Critici betoogden dat het werk van The New York School een reactie was op de Confessionalist beweging in de poëzie van die tijd (de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw).  De onderwerpen van hun poëzie was vaak licht, gewelddadig of observerend, terwijl hun schrijfstijl  vaak werd omschreven als kosmopolitisch en die van wereldreizigers. De dichters schreven vaak in een directe en spontane manier die doet denken de zogenaamde ‘stroom van bewustzijn’ schrijven, vaak met behulp van levendige beelden. Ze hebben zich gebaseerd op inspiratie uit het surrealisme en de hedendaagse avant-garde kunststromingen, in het bijzonder de action painting van hun vrienden in de kunstscene van New York City zoals Jackson Pollock en Willem de Kooning.

Dichters die vaak geassocieerd worden met de The New York School zijn John Ashbery, Frank O’Hara, Kenneth Koch, James Schuyler, Barbara Guest, Ted Berrigan, Bernadette Mayer, Alice Notley, Kenward Elmslie, Frank Lima, Lewis Warsh, Tom Savage, Joseph Ceravolo en Ron Padgett.

Van de laatste het gedicht ‘Love Poem’ uit de film ‘Paterson’ (met dank aan Marja van Rossum).

 

Love Poem

.

We have plenty of matches in our house.

We keep them on hand always.

Currently our favourite brand is Ohio Blue Tip,

though we used to prefer Diamond Brand.

That was before we discovered Ohio Blue Tip matches.

They are excellently packaged, sturdy

little boxes with dark and light blue and white labels

with words lettered in the shape of a megaphone,

as if to say even louder to the world,

„Here is the most beautiful match in the world

its one-and-a-half inch soft pine stem capped

by a grainy dark purple head, so sober and furious

and stubbornly ready to burst into flame,

lighting, perhaps, the cigarette of the woman you love,

for the first time, and it was never really the same

after that. All this will we give you.”

That is what you gave me, I

become the cigarette and you the match, or I

the match and you the cigarette, blazing

with kisses that smoulder toward heaven.

.

padgett-ron-nyc

                                                                             Foto: John Tranter

paterson

%d bloggers liken dit: