Site-archief

Over poëzie

Cultuurindex 

.

Ten aanzien van poëzie en wat er allemaal speelt rond het uitgeven, het verkopen en het lezen van poëzie krijg ik nogal eens vragen. Deze week nog werd ik geïnterviewd door Bibliotheekblad.nl over poëzie in de bibliotheek en ook daar werden vragen gesteld over het uitlenen en het lezen van dichtbundels. Nu de Poëzieweek net achter de rug is zie je dat er wat meer interesse is in poëzie (ook bij de bibliotheek) maar het blijft toch marginaal in vergelijking met bijvoorbeeld proza. Van een lieve lezer kreeg ik een link doorgestuurd met daarin een aantal infographics die de Cultuurindex heeft gemaakt n.a.v. de Poëzieweek onder de titel ‘Gedichten en getallen’.

Een aantal zaken die hierin benoemd worden vind ik interessant. Zo is slechts 2 tot 4% van alle boeken die verkocht worden poëzie, leest 2% van de Nederlanders boven de 14 jaar tenminste één poëziebundel per maand maar verschijnen er toch maar liefst 176 gedichtenbundels per jaar gemiddeld. Dat laatste vind ik nog best een respectabel aantal al weet ik niet of daar allerlei uitgaves in eigen beheer of via self publishingsites is meegeteld.

Het aantal bloemlezingen is juist erg gedaald. Waren dat er in 2009 nog 46, in 2015 waren dat er nog maar 17! Net nu ik in het interview heb aangegeven dat je als bibliotheek juist bloemlezingen en bundels op thema zou moeten kopen omdat daar juist veel verschillende dichters in staan. Wanneer je een bloemlezing of bundel op thema leest kom je soms tot verrassende ontdekkingen (als het om nieuwe dichters gaat of dichters die je nog niet kent).

Maar liefst 97% van de Nederlanders komt weleens in aanraking met poëzie en maar liefst 70% hiervan komt door poëzie in de openbare ruimte (iets waar ik al jarenlang aandacht aan besteed maar ook straatpoezie.nl wordt (terecht) genoemd). En 9% van de Nederlanders schrijft zelf enige vorm van poëzie. De conclusie van de Cultuurindex is dan ook een terechte denk ik: Voor de meeste volwassenen Nederlanders leeft de poëzie vooral buiten het papieren boek.

Verder was ik toch een beetje teleurgesteld in het aantal stadsdichters in Nederland (54 in 393 gemeenten in 2015) maar werd ik wel weer heel vrolijk van de cijfers over de groei van de poëzieomzet rondom de poëzieweek (al liep die wel weer wat terug in 2017) en vooral blij makend was het bericht dat het aantal dichtersoptredens rond de poëzieweek al jaren een stijgende lijn laat zien (van 74 in  2014 naar 133 in 2017 en ik denk dat er in 2018 opnieuw meer zijn.

Vooral dat laatste gegeven sluit naadloos aan bij mijn pleidooi om de Poëzieweek uit te breiden naar een Maand van de poëzie. Zoals ze in de Verenigde Staten de Poetry Month hebben in april. Op die manier geef je mensen meer de mogelijkheid om een dichterspodium te bezoeken, geef je dichters de mogelijkheid om vaker hun werk voor te dragen, en komt poëzie (ook de gepubliceerde papieren poëzie) nog beter voor het voetlicht.

Om na al deze informatie toch te eindigen met een gedicht koos ik voor een gedicht over poëzie van de dichter J.C. Bloem getiteld ‘Dichterschap’ uit de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994.

.

Dichterschap

.

Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten,
voor de rechtvaardiging van een bestaaan
In ‘t slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen broode allengs verdaan?

En hierom zijn der op een doel gerichten
bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
in ‘t zicht van ‘t eind der onherkeerbre baan.

van al de dingen die ‘k droomen zocht
Erger: van alle, die ik wel vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.

.

LiteRAR

Augusta Peaux

.

Afgelopen zondag mocht ik voordragen bij LiteRAR, een podium voor muziek en poëzie in het mooie (voormalige gemeentehuis) pand waar nu de Kunstuitleen is gevestigd in Spijkenisse. Dit podium wordt sinds jaar en dag georganiseerd  door Jan Bontje. Van hem ontving ik de bundel ‘De wilgen, de velden, het water’ met poëzie van Augusta Peaux.

Augusta Guerdina Peaux (1859 – 1944) was een Nederlandse dichteres en vertaalster. Zij was van Franse afkomst (haar oudovergrootvader kwam uit Camarès, Frankrijk). Peaux publiceerde de bundels ‘Gedichten’ (1918) en ‘Nieuwe gedichten’ (1926). Als dichteres leefde zij in de schaduw van de meer bekende Tachtigers, onder wie de door haar bewonderde Hélène Swarth die haar werk apprecieerde. Peaux blonk uit in minutieuze impressionistische landschapsschilderingen waaraan zij een sombere, melancholieke ondertoon wist te geven. Hoewel een aantal van haar gedichten in bloemlezingen verschenen (onder meer Eenzaam kerkhof), heeft haar werk weinig aandacht gekregen. Ze koos bewust voor een teruggetrokken leven. Ze ligt begraven op Rustoord in Nijmegen, graf W-0222. Haar naam staat niet op het graf.

In 2011 verscheen een speciale uitgave van haar werk verzorgd door Mario Molegraaf: een gelimiteerde uitgave van 95 exemplaren op geschept papier. In  2014 verscheen er een bibliofiele uitgave van drie gedichten van haar hand ter gelegenheid van een bijeenkomst op 23 februari 2014 van ‘LiteRAR’ in Spijkenisse, waar haar 70ste sterfdag (op 23 februari 1944) werd herdacht door haar biograaf en bloemlezer Mario Molegraaf . De gedichten werden tot lied verwerkt en vertolkt door Willem, de huistroubadour, die van 22 van haar gedichten ’n lied maakte. In november 2014 verscheen een nieuwe verzamelbundel gedichten van haar, bijeengebracht door Mario Molegraaf: ‘De wilgen, de velden, het water ‘ de bundel die ik van Jan cadeau kreeg.

De dichter J.C. Bloem zei ooit over de poëzie van Augusta Peaux: “Hartstochtelijke, haast stamelende poëzie” en in het gedicht ‘Eenzaam kerkhof’ (vaste lezers weten van mijn fascinatie voor kerkhoven en zullen dus niet verrast zijn door mijn keuze voor dit gedicht) komen beide omschrijvingen heel mooi tot zijn recht.

.

Eenzaam kerkhof

.

De witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
de takken wiegen hun stille droomen
op donkere armen in sluiers van rouw,
het sleepkleed der treurende esschenbomen
raakt bloeiende grassen in avonddauw.

.
Hoog groeien de grassen, wind die ze zaaide,
wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
geen hand die ze plukte, geen zeis die ze maaide
de witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
op de hekspijlen buigen de boomen
hun donkere hoofden in krip van rouw.
Hun hangende sluiers beroeren de klachten
der witte rozen en het schemerrood
der oude daken, vele wolkengeslachten
gaan het hek over, de bloemen en den dood.

.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
sluiten de dooden van ’t leven af,
zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde
bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf.
En de wagenmenner, in ’t beeld van de sterren
ziet ernstig peinzend omlaag,
ver ligt al de aarde, een stip, zoo verre
en zijn paarden gaan zo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
en waar geen werelden meer zijn,
de steppenvlakten door van een eindeloze,
vage, onbekende hemelwoestijn.

.

 

Rotterdam

J.C. Bloem

.

In 1990 publiceerde Dr. J. de Gier bij het Boekencentrum in Den Haag, de bundel ‘Poëzie als wapen’ een overzicht met bloemlezing van gedichten rond oorlog en verzet 1940-1945. In deze bundel dus veel oorlogspoëzie waaronder het gedicht van J.C. Bloem ‘Rotterdam’.

Bloem publiceerde op 4 september 1940 in de Telegraaf dit gedicht dat vervolgens in een aantal verzamelbundels werd opgenomen. In dit gedicht beschrijft hij de stad Rotterdam na het bombardement. Een stad die ‘open ‘ligt. In dit gedicht is eerder sprake van bevreemding en bedeesdheid dan dat de dichter geschokt is door hetgeen is gebeurd. Of, zoals Bloem indirect stelt, de hemel, de zon en de natuur blijven onaangetast en ook op de puinhopen van Babylon en Nineveh is het leven doorgegaan.

De Gier schrijft in de bundel over dit gedicht: “Het lijkt niet erg aannemelijk dat velen in de harde realiteit van toen de hoge vlucht van Bloems verbeelding konden meegaan”. In retrospectief gezien, met de kennis van de stad Rotterdam van nu, is dat al veel beter te doen.

.

Rotterdam

.

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

hoe is zij wonderlijk en licht:

De huizenloze straten lopen

van niets naar niets – toch niet ontwricht.

.

De hemel straalt als nooit tevoren

op waar der eeuwen bouw verdween-

de zomer heeft geen glans verloren,

de zon scheen zoals ze altijd scheen.

.

Men gaat in innerlijke afzondring,

herdenkend hoe het is geweest,

en vindt zichzelf tot zijn verwondring

geschokt veel minder dan bedeesd.

.

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen

boven vergankelijkheid en wee:

Een herder rust thans op de puinen

van Babylon en Niniveh.

.

paw

Apollo’s reis door Nederland

Een verzameling geografische gedichten

.

In 1956 verscheen bij Nijgh & Van Ditmar in de Nimmer Dralend Reeks (nummer 56) ‘Apollo’s reis door Nederland’ een verzameling geografische gedichten samengevoegd door Laurens van der Waals. Gedichten over plaatsen, forten, duinen, sloten, weiden, molens, rivieren en dorpen. Door dichters als Aafjes, Achterberg en Marsman maar ook Jan Walch, E. den Tex en J. Jac Thomson. Ruim 140 pagina’s gedichten en poëzie over Nederland in al haar facetten.

Ook over het deel van Den haag waar ik woon staat een gedicht in de bundel, daarom mijn keuze voor dit gedicht van J.C. Bloem.

.

Scheveningen: mistige wintermiddag

.

Doodstille decemberdag,
Nevel en stilte overal.
Geen enkel geluid maakt gewag
Van een wereld van schijn en schal.

Landwaarts is het kil, maar de kust
Is zoel als een najaarsnoen,
Betogen door een rust
Als van een eeuwig seizoen.

Na de ijdele praal van feest
Schijnt het wanstaltig vertoon
Van bouwsels en plompen geest
Verheven en bijna schoon.

De zwarte brug in de zee
Reikt naar den wolkenden gloor
Van een zon, die niet blonk, en verglee’
In den zilveren mist teloor.

Wat vissers langs ‘t eenzaam strand,
En kindren, spelend op straat —
En de golven, spoelend aan land,
Het geruis, dat hen nooit verlaat.

O meisje, o jonge bruid,
Uw lippen zijn warm en rood,
Het leven dat niemand stuit,
Bloeit eens uit uw wachtenden schoot,
Gij lacht, en uw stap klinkt luid —
Maar het eind van dit al is de dood.

.

apollos-reis-door-nederland-42052209

Ons poëtisch Nederland

Poëzie en de bekende Nederlander

.

In 1987 gaf Vroom en Dreesmann een bundel uit waarin bekende Nederlanders staan met hun favoriete gedicht. In 1986 had men dit al eens gedaan met een dergelijke bundel rond vijftig Haagse politici. Omdat dat toen een succes was koos men een jaar later voor bekende Nederlanders. In deze bundel de favoriete gedichten van o.a. sportmensen (Johan Cruyff), captains of industry (Dr. A. van der Zwan) en acteurs (Nellie Freijda). De gedichten gaan van (vaak) Toon Hermans en Gerrit Achterberg tot Simon Carmiggelt en J.C. Bloem.

Het voorwoord is geschreven door de laatste grote directeur van de V&D Dr. Anton Dreesmann die, zo blijkt, een groot poëzieliefhebber te zijn geweest.

Ik heb uit deze bundel gekozen voor het gedicht ‘Televisie’ van Willem Wilmink gekozen door televisiemaker Jan Lenferink.

.

Televisie

.

men was allang vergeten dat het kon

maar het gebeurde: met een zacht gereutel

stierf de TV, het sprekend paard verbleekte

het licht werd opgestoken en de vader

aanzag zijn zoon die bij een storing werd verwekt

en zei: wat ben je oud geworden, jongen.

.

OPN

Met dank aan Catawiki voor de afbeelding

Voetbalpoëzie

Voetbal en gedichten

.

Nu het Wereldkampioenschap voetbal in Brazilië rap dichterbij komt lijkt het me een goede zaak eens een stuk te schrijven over voetbal en poëzie. Misschien staan de gedichten van de spelers die het Europees kampioenschap van 1988 wonnen nog in het geheugen of zijn er lezers van Hard Gras onder de lezers van dit blog. Hoe dan ook, er is wel wat te vertellen over voetbal en poëzie.

Om maar met het EK van 1988 te beginnen, in 1989 verscheen van de hand van Theun de Winter het boek ‘Nederland-Duitsland: Voetbalpoëzie’ met bijdragen van o.a. Hans van Breukelen, Ruud Gullit, Johnny Rep, Ruud Krol, Stanley Menzo, Jan Wouters, Wim Suurbier, Frans de Munck, Arnold Mühren, Johan Neeskens, Jan Mulder, Jules Deelder en Theo van Gogh.

.

voetbalpoezie

 

.

Ook Nico Scheepmaker publiceerde in de bundel Nederland-Duitsland (1989) een gedicht over de overwinning, met een verwijzing naar een beroemde slotregel uit een sonnet van J.C. Bloem (1887-1966): ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

.

2-1 & 1-2

De wedstrijd was het juiste spiegelbeeld
van die 2-1 in het gedoemd verleden.
Eerst werd ik in de Hel gevierendeeld,
en daarna kwam ik in de Hof van Eden.

Twee-een verliezen of met 2-1 winnen:
ontgoocheling of een waanzinnig feest.
Je kunt er maar het best niet aan beginnen,
dan is je leven wel zo kalm geweest.

Ik vond het jammer dat wij toen niet wonnen,
want winnen is het doel van elke sport.
Maar anderzijds is voetbal maar verzonnen:
geen mens die er veel menselijker door wordt.

Natuurlijk was ik blij met onze zege,
als journalist was ik zelfs dubbel blij.
Wij hadden immers iets cadeau gekregen:
kopij, kopij, o en voorgoed kopij!

.

Maar ook een dichter als Elly de Waard heeft haar liefde voor voetbal, of in dit geval voor de voetballer Pierre van Hooijdonk in een gedicht vastgelegd. Hieronder het Typoscript van het gedicht van Elly de Waard (1940), oorspronkelijk geschreven naar aanleiding van het wereldkampioenschap voetballen 1994, maar voor de gelegenheid (tijdens een uitzending van het tv programma Laat De Leeuw) aangepast voor Pierre van Hooijdonk, oktober 1999.

.

VP Elly

Maar niet alleen Oranje inspireerde dichters, ook een groot voetballer als Abe Lenstra kreeg een eigen gedicht van Rutger Kopland in het NRC van 11 juni 1994 (vandaag op de dag af 20 jaar geleden).

.

Abe

 

.

En natuurlijk mag Jules Deelder niet ontbreken. De voetballiefhebber (Sparta) onder de dichters met het gedicht over Sparta.

.

Vroeger of later
Ga je dood
Dat staat als een paal
Boven water
Zo oud als Sparta
Word je nooit

En als je gaat
Is het je tijd geweest
Dat is één ding
Dat zeker is

Zo niet
Ofter een hemel is
Maar álster één is
Dan zal je zien
Dat de Hemelpoort
– Oh brok in ons keel –
Verdacht veel weg heeft
Van Het Kasteel

.

deelder-sparta

 

Met dank aan dbnl.org

Palet

Eenvoudige poëzie uit deze eeuw

.

Vandaag uit mijn boekenkast een curieus boekje onder de titel Eenvoudige poëzie uit deze eeuw (en even voor de goede orde, dat was dus de vorige eeuw want uit 1967). Verzameld door A.C. Bosch en uitgegeven door J.B. Wolters te Groningen.

Een bloemlezing voor “ongeschoolde” lezers en daarmee worden leerlingen in de laagste drie klassen van de middelbare scholen bedoeld door meneer Bosch. De criteria bij het bijeenbrengen van de gedichten waren dan ook eenvoud en begrijpelijkheid. De gedichten komen uit het tijdvak 1900-1950.

Wie staan er dan zoal in zul je je afvragen? Nou dat zijn niet de minste: J. C. Bloem, Achterberg, Hanlo, Lucebert, A. Roland Holst, Slauerhoff, Jos Vandeloo, Leo Vroman en ga zo maar door. Me dunkt, niet de minste. En als je dan naar de inhoud kijkt, daar hoef je tegenwoordig niet meer mee aan te komen bij middelbare scholieren, snappen ze niks van. Misschien daarom is dit juist zo’n heerlijke bundel.

Als hommage aan de overleden Leo Vroman, zijn gedicht ‘Bloemen’ uit deze bundel.

.

Bloemen

.

Als alle mensen eensklaps bloemen waren

zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.

Vermagerende vliegen, dode torren

zouden blijven haken in hun haren.

Tandestokers, steelsgewijs – ontsproten,

zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,

katoenen knoppen zouden openscheuren

tot pluche harten die naar franje geuren.

.

en op de bergen zouden gipsen zuilen staan

die gipsen druiven huilen.

.

Op het water dreven bordkartonnen blaren,

de vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken

en van geur verdorden alle perken

als alle mensen eensklaps bloemen waren

.

Origineel uit: gedichten, Querido, Amsterdam

.

Palet

Afbeelding : Nederlandse Poëzie Encyclopedie

J.C. Bloem

De Dapperstraat

.

Pas nog prachtig voorgedragen door Adriaan van Dis bij De Wereld Draait Door en voor iedereen die alleen de laatste zin kent of de eerste zin van de derde strofe, hier het hele gedicht van J.C. Bloem (1887-1966).

.

De Dapperstraat

.

Natuur is voor tevredenen of legen

En dan: Wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

.

Geef mij de grauwe stedelijke wegen,

De in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, door de lucht bewegen.

.

Alles is veel voor wei niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens , toont in hun hoge staat.

.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,

Verregend op een miezerige morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

.

Bloem, J.C.

De weg naar het graf

J.C. Bloem

.

Insomnia

.
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.
.
Hoe onmachtig klinkt het schriel “te wapen”
Waar de levenswil ten strijdt mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept in haar schoot,
.
Evenals een vrouw, die een zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot
.
Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van ’t paren
Is niet minder dan de wieg het graf.

.

 

O en voorgoed voorbij

Langs graven van Nederlandse schrijvers

.

Uitgeverij de Arbeiderspers heeft een bijzonder aardig boekje uitgegeven in opdracht van het Fonds Perzik van Onsterfelijkheid (genoemd naar een roman van Jan Wolkers). Deze stichting streeft behoud, herstel en instandhouding van graven en grafmonumenten van Nederlandse schrijvers na. De  titel van dit boek: ‘O en voorgoed voorbij’. De titel komt uit een beroemde dichtregel van de dichter J.C. Bloem ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’. Deze regel staat dan ook op de grafsteen van Bloem te vinden op het kerkhof van Paasloo.

.

In dit boek worden 21 graven van beroemde Nederlandse schrijvers en dichters beschreven en behandeld. Zoals wellicht bekend ben ik een groot liefhebber van begraafplaatsen. Om hun rust maar vooral om hun cultuur historische waarde en schoonheid. Elke begraafplaats is anders, buitenlandse begraafplaatsen zijn weer anders dan Nederlandse begraafplaatsen en de cultus rond de dood en het begraven van mensen is ook overal verschillend.

.

In dit geval viel mijn oog op een gedicht van A. Roland Holst dat hij schreef over Simon Vestdijk. Vestdijk was getroffen door een depressie en daarna door de ziekte van Parkinson, het hetgeen hem nog depressiever maakte. Adriaan Roland Holst bezocht hem regelmatig thuis in Doorn en na zijn laatste bezoek schreef hij een gedicht.

.

Hij zat wat voorovergebogen

Toen hij mij voor het laatst aankeek

Ik wist niet dat twee open ogen

Zo leeg zijn konden. Ik ontweek

Zijn blik niet, kon die niet ontwijken.

Het was kort voor zijn laatste reis.

Doodstil zat hij naar mij te kijken

Uit een hel van ijs.

.

ISBN: 978 90 295 8409 8

.

 

Foto’s Werry Crone
%d bloggers liken dit: