Site-archief

Don Juan Lul

Lévi Weemoedt

.

Schrijver en dichter Lévi Weemoedt (1948) pseudoniem van Izaäk Jacobus van Wijk is één van die dichters die iedereen wel kent en waarvoor veel mensen een zwak hebben. Misschien komt dat door de toon in zijn gedichten, deze zijn van een ongebreidelde zelfspot en liefde voor taal die je eigenlijk verder alleen maar tegen komt bij Hans Dorrestijn en ook wel bij Midas Dekkers. Mede dankzij schrijver en columnist Özcan Akyol (1984) is er nu na jaren (de laatste bundel was van 2014) weer een nieuwe dichtbundel van Lévi Weemoedt getiteld ‘Pessimisme kun je leren’ waarin Akyol een keuze heeft gemaakt van de mooiste versjes uit het werk van deze fijne dichter.

In deze bundel veel korte geestige en treurige gedichten en het gedicht ‘Don Juan Lul’ waarvan Akyol schrijft in zijn inleiding op de bundel: “Het gedicht ‘Don Juan Lul’ tors ik al ruim een decenium ingelijst met me mee naar de verschillende huizen die ik heb bewoon. Nu hangt het pontificaal in onze woonkamer. In al zijn eenvoud schetst het een beeld van iemand die ogenschijnlijk alles al heeft opgegeven. In werkelijkheid is het de taal die hem overeind houdt.”

.

Don Juan Lul

.

‘k Kan niet lezen en niet schrijven.

‘k ben de langzaamste in vlijt.

Maar het allerdroevigst ben ik

in sociale vaardigheid.

.

Nooit kan ik iets leuks verzinnen!

Sta ik voor een mooie meid,

ach, dan schiet mij slechts te binnen

dat ik dood wil. Heel de tijd.

.

Advertenties

Proces

Dirk Kroon

.

In mijn boekenkast staat als een waar pronkjuweel de prachtige dichtbundel ‘Op de hoogte van de vogels’ van Dirk Kroon (1946). In deze ruim 600 pagina’s tellende bundel staan de verzamelde gedichten van deze Rotterdamse dichter tot en met 2016 (vanaf 1968). Een prachtige bundel want boordevol gedichten maar ook door de zorg en de kwaliteit waarmee deze verzamelde gedichten bijeen zijn gebracht en ontsloten.

Na een inleiding op het werk van Dirk Kroon door Leo van de Wetering volgen vele gedichten, een biografie, een verantwoording, een bibliografie en een index op alle gedichten. De gedichten zijn niet alleen de gedichten die in bundels verschenen maar ook elders zoals in literaire tijdschriften en dergelijke.

Iets kiezen uit zoveel moois is nooit eenvoudig. Ik heb daarom het boek ergens opengemaakt en ben gewoon gaan lezen tot ik een gedicht tegenkwam dat ik heel bijzonder vind. In dit geval is dat het gedicht ‘Proces’ geworden, een gedicht over het schrijfproces, dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Dagelijks despoot’ uit 2013.

.

Proces

.

Schrijven – het is tijdelijk

verblijven in een huis van stilte,

een doorwaakte nacht doorbrengen

en voor het ochtendgloren uitzien

naar tekens van het eerste licht.

.

Het is afgedwongen liefde

op het laatste gezicht,

het worden alles belovende ogen.

.

En dan het hoofd neerleggen

totdat bij een vreemd ontwaken

een onbeschreven leegte je vervult.

.

Het zijn uiteindelijk

de levenslange uren

dat je op de ander wacht

die als een laatste oordeel

plotseling je woorden uitspreekt.

.

 

Vrij

Jacques Perk

.

Ik kwam er achter dat ik in de duizenden blogberichten die ik in de afgelopen 12 jaar op dit blog plaatste, nog geen enkele keer iets van de dichter Jacques Perk heb geplaatst. Jacques Fabrice Herman Perk (1859 – 1881) was een belangrijke Nederlandse dichter die echter maar kort leefde. Hij overleed al op 22-jarige leeftijd door een longaandoening, na een kort ziekbed.

Zijn sonnettenkrans ‘Mathilde’ (in zijn geheel te lezen op: https://www.dbnl.org/tekst/perk003gedi04_01/ ), uitgegeven door Willem Kloos, vormde de opmaat voor de vernieuwende Beweging van De Tachtigers in de Nederlandse literatuur. Perks beeldende natuurlyriek, vooral in de vorm van het sonnet, waarin hij, onder invloed van de Engelse dichter Shelley, ingrijpende vernieuwingen toepaste, behoort tot het beste dat op dit gebied in het Nederlands is geschreven en heeft belangrijke invloed gehad op de poëzie van later tijd.

Perks Gedichten werden postuum uitgegeven door Carel Vosmaer en Willem Kloos. De hierbij gepubliceerde ‘Inleiding’ van Kloos zou de geschiedenis ingaan als het manifest van de Beweging van Tachtig; daarbij had Kloos de volgorde van Perks gedichten niet gehandhaafd en er vele eigenmachtige veranderingen in aangebracht. Garmt Stuiveling verzorgde in 1941 een ‘authentieke’ editie van de Mathildecyclus aan de hand van Perks handschriften. In 1957 gaf hij Perks ‘Verzamelde gedichten’ uit.

Jacques Perk overleed op 22 jarige leeftijd op het punt van doorbreken als dichter (door Carel Vosmaer werd hij in de Spectator zelfs met Dante vergeleken kort voor zijn dood) aan een abces aan zijn longen. Hij werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats (vak 1 nr. 19) waar ook zijn vader later is zou worden bijgezet. In La-Roche-en-Ardenne staat een herdenkingsmonument voor Jacques Perk en zijn vader Marie Adrien Perk ( die in 1882 een bundel anekdotes en legendes over deze stad publiceerde). Dit was de eerste ‘reisgids’ die verscheen over La-Roche-en-Ardenne waarna de Nederlanders in toenemende mate de stad bezochten. Dit was ook de plek waar Jacques Mathilde ontmoette waar hij zijn sonnettenkrans naar zou noemen en aan zou wijden. Uit deze sonnettenkrans het gedicht ‘Vrij’. Op bevrijdingsdag een toepasselijke titel leek me.

.

Vrij

De lauwe wind zweeft aan op loome zwingen
En spartelt door de loovers der abeelen,
Die ritselend de zonnestralen streelen,
En ’t water en zijn hellen glans bezingen.
Hoor! hoe in ’t veld de leeuweriken kweelen!
In de’ oofthof, waar de geuren ’t al doordringen,
Daar zwerven met haar mee de zwervelingen,
De vlinders, die om bloem en bezie spelen.
Mijn ziele zwerft als zij, maar kan niet vinden.
Zij ziet, hoe alles zich door iets voelt binden,
En voelt zich vrij…. De rijpe vrucht, gespleten,
Bij ’t smakken in het zand, is vrij. We ontvangen
Den dood, terwijl we ’t vrije Zijn erlangen:
Ik kan, ik kán Mathilde niet vergeten!
.
.

Andere woorden

Hans Andreus

.

Als laatste bijdrage aan de week van de Vijftigers vandaag de dichter Hans Andreus. In de prachtige bundel ‘Nieuwe griffels schone leien’ uit 1954 heeft Paul Rodenko gedichten bijeengebracht ‘van Gorter tot Lucebert, van Gezelle tot Hugo Claus. Deze bloemlezing uit de poëzie der avantgarde werd door Rodenko ook voorzien van een inleiding. Deze bundel was destijds enorm populair getuige de aantallen waarin de eerste vier drukken verschenen, namelijk 37.500 stuks. Mijn exemplaar is uit 1957 (vierde druk) van 10.000 exemplaren. Hoeveel er in totaal van gedrukt en verkocht zijn durf ik niet te zeggen maar dit soort aantallen worden heden ten dage nog maar zelden gehaald.

Deze titel verscheen in de Ooievaars reeks en H. Berserik tekende de omslag illustratie. Uiteraard staan er een aantal gedichten van Hans Andreus in deze bundel (net als alle andere Vijftigers). Het gedicht ‘omdat je niet grieks bent…’ verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De taal der dieren’ uit 1953.

.

Omdat je niet grieks bent…
.

Omdat je niet grieks bent
kunnen je ogen delfisch orakelen
hoor ik bucolische muziek
een heel hoge mondharmonica in plaats van een fluit

maar meer dan dit

men moet zo zonder gestalte zijn
om lief te kunnen hebben
zo niemand en zo bewoond door leven
duizendpootleven en halfgodbestaan
dat men kan zeggen jij met een klank van glazen bekkens

bloemkoopmannen hebben droevige gezichten
zij hebben haren van kuilgras
en ogen van magere aarde
maar zij hebben hun bossen rozen als waaiers ontvouwd
en je naam van je heupen gelezen

ik heb een dag lang de dood op handen gedragen
ik heb een dag lang de kou van alaska betast
ik heb een nacht lang een jong dier zien doodgaan
ik heb een nacht lang je ogen gezien blinkend met een
blijdschap als water

ik weet allang niet meer wie je was
een vogelroep
of de komeet van halley
of
het eiland sicilië
maar ik leefde zo dood als kamers in spiegels
luister ik rinkel als bellen

de lichtrode weerschijn van onder je borsten
begrijp ik niet
de vertraagde val van je heupen door de ruimte
begrijp ik niet
je mond en je ogen zijn onherkenbaar
maar ik bespeel je en jij noemt mij
de bank van monto carlo

men wijst mij aan ik ben in de maan de kinderen roepen
mij maanman na
maar ik vaardig proclamaties uit
in een koninklijk meervoud

wij

zijn

de spiegels

der zon

.

Ik proef iets wat bedorven is

Hekeldichten

.

Bij uitgeverij Passage worden mooie en interessante dichtbundels uitgegeven. In 2016 werd bijvoorbeeld, als onderdeel van De doos van Passage, de bundel ‘Ik proef iets wat bedorven is’ gepubliceerd. In deze fijne bundel nemen Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde ons mee in de wereld die Hekelgedichten heet. In de inleiding wordt door de heren meteen al korte metten gemaakt met de gedachte dat hekeldichten om te lachen zijn, of dat ze in de categorie Light verse zouden vallen. In de inleiding wordt uiteengezet dat hekeldichten (ook) groot, ernstig en complex kunnen zijn. De namen van de hekeldichters doen ook al zoiets vermoeden; Gerrit Achterberg, P.A. de Génestet, Jan Hanlo, Ilja leonard Pfeijffer maar ook Driek van Wissen, Hans van Willigenburg en Delphine Lecompte.

De inleiders besluiten de inleiding met de zinnen: “Geen gevaarlijker stroming in de poëzie dan het hekeldicht. Met name voor de dichter wel te verstaan. Talloos zijn de dichters die omwille van een hekeldicht in de gevangenis of of het concentratiekamp kwamen. Tegenwoordig is die kans in Nederland niet zo groot. Maar wie een hekeldicht schrijft, zeker wanneer de inzet serieus is, geeft zich werkelijk bloot.” En zo is het maar net.

De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld met titels die beginnen met ‘Tegen’ gevolgd door landen, klein leed, de liefde, een bepaald slag mensen, de wetenschap, de poëzie, God, etc etc.  Voor wie in een recalcitrante bui is of gewoon even tegen iets in het bijzonder of het leven in het algemeen is dit een heerlijke bundel om te lezen. Uit het hoofdstuk ‘Tegen de poëzie en de literaire wereld’ het gedicht ‘Hard werken’ van Joost Reichenbach

.

Hard werken

.

“dichten is hard werken”

.

zei de dichter tot zijn vrouw

“wacht dus maar niet

op mij vannacht”

.

en besteeg de trap

met een fles wijn

op weg naar de zolder

alwaar hij na drie lange teugen

deze regels optikte

zich daarna urenlang

heeft afgerukt bij

pornoplaatsjes van het internet.

.

“’t is weer mislukt”,

zei hij ’s ochtends,

.

“vanavond verder ploeteren.”

.

In andermans handen

Anna Achmatova

.

De bundel ‘In andermans handen’ bevat een (beknopt) overzicht van de gedichten van Anna Achmatova (1889 – 1966), vertaald, gekozen en ingeleid door Hans Boland. In een goed leesbare inleiding beschrijft Boland het leven van Achmatova en de ontwikkeling die haar poëzie heeft doorgemaakt in waarschijnlijk de meest roerige periode die Rusland (en later de Sovjet Unie) in haar geschiedenis kende (voor, tijdens en na de eerste en tweede wereldoorlog en de revolutie).

Met de dichters Sergej Gorodetski, Osip Mandelstam en Nikolaj Goemiljov en anderen behoorde ze tot ‘Het dichtersgilde’, een literaire groep die zich ook Acmeïsten noemden naar het Griekse woord ‘άχμή’ (akmé): hoogtepunt, bloei. Zij streefden naar een apollinische (rustige) helderheid en zetten zich af tegen de symbolisten, met hun dionysische (extatische) hang naar mystiek, gecompliceerde meerduidigheid en occultisme. In plaats van metaforen voor het hogere te gebruiken verwezen ze liever naar aardse dingen. Ze waren daarbij niet experimenteel zoals in het Futurisme, dat zich gelijktijdig als reactie op het symbolisme ontwikkelde. Hun bijeenkomsten leken op workshops waar nieuwe schrijfwijzen werden ontwikkeld. Een belangrijke techniek die Achmatova zich daarbij al vroeg eigen maakte was die van de metonymen (net als de metafoor een vorm van beeldspraak).

Het gedicht ‘Voor een geliefde’ uit haar bundel ‘Een witte vlucht’  uit 1917 is uit de periode die in de Russische literatuurgeschiedenis de ‘Zilveren eeuw van de poëzie’ wordt genoemd, een periode waarin allerlei literaire scholen ontstonden.

.

Voor een geliefde

.

Je hoeft me niets te zeggen met een duif,

Je hoeft me geen bezorgde brief te sturen,

Blaas niet in mijn gezicht met maartse wind.

Ik ben sinds gister in de Groene Hof,

Onder een schaduwdek van populieren,

Alwaar men rust voor ziel en lichaam vindt.

.

En ik kan het paleis zien hiervandaan,

Omringd door schildwachthuisjes en kazernes,

En de Chinese brug over het ijs.

Jij blijft maar steeds op de veranda staan,

Verwonderd over zoveel nieuwe sterren,

Verstijfd – je wacht al haast drie uur op mij.

.

Ik zal voorbijschieten – een schuwe wezel,

En in een boom springen – een grijze eekhoorn,

En ook zal ik een zwaan zijn, die jou roept;

Dan hoeft de bruidegom niets meer te vrezen,

Als hij moet wachten in de blauwe sneeuwstorm

Waar hij weldra zijn dode bruid ontmoet.

.

 

Waar is de eerste morgen?

Levende experimentele poëzie in Vlaanderen

.

Van een vriendin kreeg ik onder andere de bundel ‘Waar is de eerste morgen?’ een bundel uit de Ad Multosreeks van uitgeverij A. Manteau uit 1960. Een bundel over de “levende experimentele poëzie in Vlaanderen” samengesteld en ingeleid door Jan Walravens. Het leuke aan dit soort oude bundels is dat er dichters in worden opgevoerd die aan het begin staan van hun carrière of al wel bekend zijn maar inmiddels (bijna 60 jaar later) in veel gevallen al zijn overleden of waarvan nooit meer iets is vernomen. In de inleiding veel aandacht aan de groep en het literaire tijdschrift ‘Tijd en Mens’ een Vlaams vrijzinnig literair tijdschrift, opgericht in 1949 door Jan Walravens en Remy van de Kerckhove. Het verscheen voor de laatste maal in 1955. Het bestond maar vijf jaar, maar had toch veel invloed op de vernieuwing in de naoorlogse Vlaamse literatuur.

Vooral van Hugo Claus verschenen nogal wat gedichten in dit tijdschrift, hij was dan ook nauw betrokken bij ‘Tijd en Mens’, net als onder andere Louis Paul Boon, Tone Brulin, Albert Bontridder, Jef van Tuerenhout, Maurice D’Haese en Ben Cami. Behalve de eerste twee allemaal dichters die ik niet ken of kende.

In de inleiding wordt ook de verbinding gelegd met de Nederlandse moderne of experimentele poëzie, maar ook worden de verschillend benoemd. Zo was de deze beweging boven de Moerdijk volgens de inleider “jeugdiger, onstuimiger maar ook esthetischer, terwijl in Vlaanderen men meer streefde naar “bezinning en ethische bekommernis”.

In deze fijne bundel worden een groot aantal dichters die in de Tijd en Mens periode actief waren opgevoerd maar ook een aantal opvolgers die meer neigde richting de Franse surrealisten. Een groot aantal bekende namen komen voorbij zoals de genoemde Louis Paul Boon en Hugo Claus maar ook dichters die minder bekend zijn als Jaak Brouwers, Claude Korban en Ben Cami.

Ben Cami  (1920 – 2004) was een Vlaams dichter, leerkracht en goede vriend van Louis Paul Boon. Hij gebruikte in het begin van zijn carrière het pseudoniem Johan Benth. Na zijn studie Germaanse talen is Cami tot 1975 leraar aan verschillende rijksscholen. Hij was één van de oprichters van het experimentele Vlaamse tijdschrift Tijd en Mens en zat in de redactie van dit tijdschrift. In 1950 debuteerde Cami met de poëziebundel ‘In de tijd verloren’, waarna hij diverse werken uitbracht met daarin een boodschap van protest. Cami schreef overwegend poëzie, maar ook aforismen en korte verhalen.

Uit de bundel ‘Waar is de eerste morgen?’ het gedicht ‘Thuiskomst’ van Ben Cami.

.

Thuiskomst

.

In puur blauw ijs van winters licht

Vinden wegen rivieren steden

Hun plaats opnieuw in het bekend bestel.

.

Een oud man vraagt:

Wie won de oorlog, vrienden?

Het klinkt misplaatst en wreed.

.

Langs de wegen staren uit magere knapengezichten

Dezelfde ogen ons aan,

Hunkerend.

.

 

Erotiek en poëzie

Pierre Kemp

.

Pas geleden kocht ik wat kleine bundeltjes uit de jaren 50’en 60′ met onooglijke kaftjes. De inhoud vergoedt, zoals zo vaak echter veel. In het bundeltje met op de omslag slechts de letters BP (hetgeen staat voor Beeldende Poëzie zo lees ik op de titelpagina) uit 1960 gaat het over ‘De vrouw’.

Uit tal van dichtbundels bracht Adriaan Morriën een aantal gedichten samen die over de vrouw gaan. Hij leidde de bundel in en voorzag deze van bio- en bibliografische gegevens. In dit bundeltje staan naast de gedichten ook vele foto’s van vrouwen gemaakt door Herman J. Hahndiek.

Toen ik de bundel aan het lezen was bleef ik bij het gedicht ‘Verloofden’ van Pierre Kemp steken. Dit gedicht lijkt in eerste instantie een mooi klein liefdesgedicht maar toen ik het nog eens las bleek de subtiele erotiek die Kemp in dit gedicht stopte. Juist de subtiele verwijzingen naar het fysieke contact, de aarzeling van de vrouw, gevolgd door de laatste zinnen van dit gedicht maakt dat ik dit met veel overtuiging een plaats geef in mijn minirubriekje Erotiek op zondag.

.

Verloofden

.

Als hij mij een hand geeft,

kleedt hij mijn vingers uit,

Toch verlang ik zo naar dit

contact met mijn  huid.

Als hij met een vinger de split

van mijn vingers beroert, word ik rood

en voel ik mijn schoot.

Wij glimlachen, het doet ons goed.

Is het wel, als het moet?

Maar ik geef toe

en doe, en doe, en doe.

.

Geloken luiken

J.H. Leopold

.

In een kringloopwinkel vond ik een grappig, typisch jaren ’70 bundeltje. Het betreft hier ‘Geloken luiken’ van Querido uit 1976 in de serie Kort en Goed. Donkere kaft, bruingele steunkleur en verder een beetje goedkoop uitgegeven. De dichter van deze bundel, of over wie deze bundel is uitgegeven is echter J.H. Leopold, niet de eerste de beste dichter overigens.

Jan Hendrik Leopold (1865 – 1925) was een Nederlands dichter en classicus die wordt gerekend tot het symbolisme. Hij wordt door sommigen beschouwd als de belangrijkste Nederlandse dichter sinds Vondel. Zijn werk draait om de tegenstelling tussen het verlangen in een groter romantisch of metafysisch verband op te gaan en de onmogelijkheid om buiten de eigen persoonlijkheid te treden. De symbolistische dichter probeert in zijn gedichten uitzicht te bieden op een hogere wereld, een pretentie die bij Leopold niet waargemaakt wordt. Daarom wordt hij wel een ‘dissidente’ symbolist genoemd, of zelfs een modernist. Tijdens zijn leven publiceerde hij slechts enkele gedichten in tijdschriften, waarvan ‘Cheops’ ook als boekje verscheen, en twee bundels.

Geloken luiken is een bloemlezing van zijn gedichten, gekozen en ingeleid door Kees Fens. Uit dit bundeltje het gedicht ‘Regen’ mede omdat ik gisteravond door de regen fietste en doordrenkt thuis kwam.

.

Regen

.

De bui is afgedreven;

aan den gezonken horizont

trekt weg het opgestapelde, de rond-

gewelfde wolken; over is gebleven

het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen

een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

.

En hier nog aan het vensterglas

aan de bedroefde ruiten

heeft in wat nu weer buiten

van winderigs in opstand was

een druppel van den regen,

kleeft aangedrukt er tegen,

rilt in het kille licht…

.

en al de blinking en het vergezicht,

van hemel en van aarde, akkerzwart,

stralende waters, heggen, het verward

beweeg van menschen, die naar buiten komen,

ploegpaarden langs den weg, de oude boomen

voor huis en hof en over hen de glans

de daggeboort, de diepe hemeltrans

met schitterzon, wereld en ruim heelal:

het is bevat in dit klein trilkristal.

.

 

De moeder de vrouw

Martinus Nijhoff

.

Gisteren werd bekend gemaakt dat Murat Isik, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2018 met zijn roman ‘Wees onzichtbaar’, het Boekenweek essay 2019 zal schrijven. Het thema is ontleent aan de titel van een gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder de vrouw’. Reden genoeg voor mij om het gedicht van Nijhoff (1894 – 1953) op te zoeken en met jullie te delen.

In de bundel ‘Het mooiste gedicht’ De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen, met een inleiding van Jan Wolkers uit 2000 staat dit gedicht (naast nog een aantal gedichten van zijn hand) gepubliceerd. Vele zullen dit gedicht herkennen aan de beroemde openingsregel.

.

De moeder de vrouw

.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

.

%d bloggers liken dit: