Site-archief

Oude handen

Edward van de Vendel

.

Afgelopen zaterdag was er bij de Taalstaat op radio 1 bij Frits Spits een Vlaamse psychiater Jan Raes (gelijk de oud wielrenner) in het programma. Hij was daar om te praten over een Vlaams initiatief ‘Het lezerscollectief’ https://lezerscollectief.be/ . In het kort is het lezerscollectief: samen verhalen en gedichten lezen, daarmee mensen verbinden en hen sterker en weerbaarder maken. Dat is de filosofie van Het Lezerscollectief, een netwerk van leesbegeleiders in Vlaanderen, dat leesbijeenkomsten organiseert voor mensen die moeilijk toegang hebben tot literatuur, onder meer gevangenen, mensen met psychische problemen en mensen in armoede.

Psychiater Jan Raes was in de Taalstaat om hierover te praten en als voorbeeld van een gelaagd stuk tekst (want dat leest men, gelaagde teksten zodat elke deelnemer er persoonlijke problemen of trauma’s aan kan verbinden) las Raes het gedicht ‘Oude handen’ van Edward van de Vendel voor. Nu zei zijn naam me niet meteen iets dus ik ben eens gaan zoeken en wat blijkt? Edward van de Vendel (1964) is een zeer gevierd schrijver en vertaler van kinder- en jeugdboeken. Hij ontving voor zijn werk talloze prijzen en onderscheidingen en zijn werk is vertaald in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans, Noors, Deens, Chinees, Portugees en Georgisch. Maar hij schrijft ook poëzie voor volwassenen.

Het gedicht dat in de radiouitzending werd voorgelezen komt uit de bundel ‘Aanhalingstekens’ uit 2000. Het gedicht ‘Oude handen’ gaat over gestorven ouders die alleen in de herinnering aanwezig zijn.

.

Oude handen

.

Als ik oud ben wil ik oude handen

die, als op de reliëfkaart

van een basisschool

hun gebergte, hun rivieren tonen. – Verre landen

waar ik in kan wonen.

Ervaren aderen,

vingers met verhalen.

Handen

die ergens waren;

op schouders, om een hart,

in andere handen.

Aan relings, zwaaiend,

aaiend langs de wanden

van een huis ver van hun huis.

Handen wil ik

vol geschiedenis

en aardrijkskunde:

Reizigers, na vele avonturen

veilig thuis.

.

Gedichten uit de Goelag

Varlam Sjalamov

.

De Russische schrijver en dichter Varlam Tichonovitsj Sjalamov  (1907 – 1982) werd geboren als zoon van een Russisch-orthodox priester en een lerares. Hij studeerde rechten in Moskou, was overtuigd tegenstander van het Stalin regime en sympathiseerde in die tijd met de linkse oppositie  geleid door Leo Trotski. In 1929 werd hij in een illegale drukkerij gearresteerd en voor drie jaar verbannen naar de Goelag. Na zijn terugkomst naar Moskou werkte hij van 1934 tot 1937 als journalist.

In 1937 werd hij in het kader van de grote zuivering opnieuw gearresteerd vanwege trotskisme en Sjalamov bracht na een nieuwe veroordeling zeventien jaar door in de kampen des doods van Kolyma in Siberië. In 1953 werd hem toegestaan terug te keren naar Europees Rusland. In 1956 werd hij onder Chroesjtsjov gerehabiliteerd. Vanaf 1957 verschenen van zijn eerste gedichten. Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens wanneer hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat hij maar vindt: papieren zakken, kaftpapier etc.  Die aantekeningen werkt hij later uit. Naast zijn gedichten schrijft hij vooral korte verhalen, maar al snel kwamen zijn herinneringen aan de Goelag niet meer door de censuur (ze circuleerden in de jaren zestig alleen in Samizdat-uitgaven). Hoewel Sjalamov vooral bekend is door zijn laconieke en compacte kampverhalen is zijn poëzie ook zeker de moeite waard.

Hieronder het gedicht ‘De camee’  waarin een duidelijke verwijzing naar zijn  tijd in de kampen en hoe hij die heeft doorstaan, in een vertaling van Marja Wiebes en Margriet Berg uit ‘Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden’ uit 2000.

.

De camee

.

In ’t hellend vlak van berg en tijd

Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.

.

Betrouwbaarder dan een penseel

Zijn immers beitel en houweel.

.

In ’t land van mannen en van ijs,

Van vroege rimpels en vroeg grijs,

.

Heb ik dit vrouwelijk gelaat

Geschapen als een wanhoopsdaad.

.

Ik heb de rots met jouw portret,

Toen in een ring van sneeuw gezet,

.

En wolken om de ring gedaan

Om niet van weemoed te vergaan.

.

Langste liefdesgedicht

Marína

.

Afgelopen week keek ik op televisie naar het programma ‘De Gevaarlijkste wegen’ waarin cabaretier Edson da Graça en oud prof-wielrenner Michael Boogerd door (de binnenlanden van) Slowakije rijden. Op hun trip kwamen ze door het stadje Banská Štiavnica en daar is de Love Bank gevestigd. In eerste instantie had ik (net als de twee mannen) een heel verkeerd beeld en idee wat de ‘Love Bank’ was. Maar al snel werd dat duidelijk.

In 1844 startte dichter Andrej Sládkovič ( 1820 – 1872) met het schrijven van het gedicht ‘Marína’ toen hem duidelijk werd dat de liefde van zijn leven ging trouwen met een ander. Hij en Marína werden op 14 jarige leeftijd op elkaar verliefd. Hij was een arme student die haar bijles gaf in het comfortabele huis van haar ouders. Ze werd zijn muze, maar helaas  moest ze van haar ouders trouwen met een rijke peperkoekenmaker.  Het gedicht was klaar in de zomer van 1846, bijna een jaar na de trouwerij van Marína. Het gedicht bestaat uit 291 stanzas en 2910 regels met maar liefst 100.000 karakters. Maar liefst 173 jaar lang is het het langste liefdesgedicht ter wereld geweest. Het is zelfs officieel geregistreerd als wereldrecord bij ‘The World Record Academy’ de grootste organisatie van gecertificeerde wereldrecords ter wereld. Het gedicht ‘Marína’ werd vertaald in het Duits, het Pools en het Frans.

De ‘Love Bank’ in Banská Štiavnica, waar Andrej zijn gedicht schreef is een echte bank met kluisjes, 100.000 kluisjes. Ieder ‘kluisje’ bevat 1 letter van het gedicht. Zo’n kluisje is eigenlijk een soort doosje of een klein boekje met op de rug een letter uit het gedicht (om je een idee te geven van hoeveel ‘kluisjes’ er zijn). Je kan dit kluisje kopen voor 1 jaar en dit kost dan €50, of voor de rest van je leven en dan kost hij €100. Je kan hier dan iets inschrijven of in doen wat met jou en de liefde te maken heeft. Mensen van over de hele wereld hebben kluisjes gekocht en gevuld met persoonlijke notities, voorwerpen, foto’s of herinneringen.

Een stukje uit dit langste liefdesgedicht:

.

Marina van mij! Dus, zo zijn we
als de goddelijke vlam,
als de bloemen op de koude grond,
als de edelstenen;
de sterren vallen, we vallen ook.
De bloemen verwelken, we verwelken ook
en een vast bedrag voor de juwelendoos:
Maar toch de sterren schitterden,
en een mooi leven de bloemen hadden,
een diamant in de borst zal nooit sterven!
.
.

Judy Carati

Gedachtengedichten

.

Judy Carati ken ik al langer, ik zag en stond met haar op poëziepodia waar zij, zichzelf begeleidend op gitaar, liedjes zong en gedichten voordroeg. En dat is precies wat ze doet in de bundel/CD ‘Gedachtengedichten’.

De bundel is opgedragen aan Cecilia en wordt voorafgegaan door een tekst die de Russische dichter Boris Ryzji (1974-2001) schreef in 2000 aan de, door hem bewonderde dichter Aleksandr Koesjner dat verscheen als voorwoord in ‘Rotterdam Dagboek’ uit 2006. Dit stukje gaat over zijn bezoek aan onder andere Delft en ik denk dat Judy dit in haar bundel heeft opgenomen omdat een aantal van haar gedichten Delft als onderwerp hebben.

De bundel is in eigen beheer uitgegeven en ziet er heel fraai uit. Op mooi stevig papier zijn de gedichten afgedrukt. De omslag in rood en blauw met een kleine foto van Judy op de kaft en achterin de CD met haar liedjes. Hoewel er ongetwijfeld iets valt te zeggen over haar liedjes beperk ik me tot de gedichten omdat ik daar iets zinnigs over kan zeggen.

Maar voor ik daar iets over schrijf moet me iets van het hart. De bundel heeft een mooie opmaak met een rustige bladspiegel maar wordt, en dat vind ik echt jammer, vaak verstoord door allerlei ‘extra’ informatie over gedicht, onderwerp, verwijzingen naar een andere bundel of de CD of over het feit dat een gedicht voor een speciale gelegenheid is geschreven.
Had er iemand meegelezen of was er enige vorm van redactie geweest dan had dit ‘opgelost’ kunnen worden door deze informatie achterin de bundel apart per pagina weer te geven. Bij het gedicht ‘Stille schuilplaats’ is dit maar liefst een halve pagina in een klein( erg klein) lettertype. Ook achterop de bundel staat heel veel informatie. Het lijkt alsof Judy alles wat ze ook maar kwijt wilde een plekje heeft gegeven in deze bundel en dat doet, in mijn ogen, de bundel een beetje tekort.

 

Over de gedichten schrijft Judy: ze bevatten persoonlijke elementen, ze zijn hier echter niet altijd 1 op 1 terug te voeren. De teksten zijn veelal ontstaan vanuit observaties en gedachten ( wat de titel verklaart). Dat wat je in het dagelijks leven meemaakt.

Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Herinneringen’:

 

Nog volop in het heden

fiets ik van Delft naar Rotterdam

de lucht kleurt rood, ik volg het water

in de verte het kerkje

 

De gedichten zijn duidelijk, beschrijvend, zonder al teveel ingewikkelde poëtische diepgang. Ze schilderen een plaatje waarin je al lezend mee kan gaan. Aan de dingen die ze ziet en beschrijft wordt een emotie meegegeven (berusting, woede, verdriet, verwondering) met name in het hoofdstuk dat dezelfde titel draagt als de bundel.

in het hoofdstuk ‘Fietsend van Delft naar Rotterdam’ vooral gedichten over Delft en in het gedicht ‘Blikken scheidsmuur’ over de dichter Poot ook een verwijzing naar Schipluiden en Abtswoude.

In ‘Aankondiging van de herfst’ tenslotte een aantal gedichten van wat algemenere aard maar steeds met een duidelijke ik en verwijzingen naar ervaringen en herinneringen.

Mijn conclusie na lezing is dat deze bundel een soort van ego document is van Judy, dat er mooie zinnen in staan en teveel informatie. Desalniettemin voor liefhebbers van dit genre van poëzie, het meer persoonlijke en verinnerlijkte, zeker te genieten.

 

ik wil eindigen met het gedicht dat als ‘Nagedicht’ is opgenomen en daarom niet lijkt te passen bij een van de hoofdstukken getiteld ‘Ontwortelen’.

.

Ontwortelen

.

Bij het water zien de bomen zichzelf

rimpelend, vervormd

in stilte luidruchtig

.

ik wilde wortel schieten

bladeren krijgen en blijven staan

maar de wind waaide mij voorbij de hemel

.

zo verder reizen

ga weg, maar zet je voeten niet in de grond

ga weg, maar krijg geen vleugels in de lucht

.

probeer te drijven op het water

en zie: je komt weer terug

.

Een kleed dat ooit een paard is geweest

Fantoommerrie

.

Hoewel ik de tweede dichtbundel van Marieke Lucas Rijneveld al een tijdje heb liggen was ik nog niet in de gelegenheid er eens voor te gaan zitten en het te lezen. Ik had al wel een paar gedichten gelezen en was al snel tot de conclusie gekomen dat dit weer typisch ‘Rijneveld’ poëzie was; verrassend, ongrijpbaar soms, vol beelden en metaforen. Afgelopen week de bundel eens goed gelezen en ik werd niet teleurgesteld. Heel af en toe deden de lange, pagina vullende gedichten zonder witregels, me denken aan de poëzie van Nyk de Vries maar alleen qua vorm, niet qua inhoud.

Marieke Lucas gaat in ‘Fantoommerrie’ verder waar ze in ‘Kalfsvlies was gebleven, schrijvend vanuit haar leven, haar herinneringen (ongetwijfeld aangevuld vanuit haar grote fantasie) en haar gedachten.  Ik koos voor het titelgedicht dat ik met jullie wilde delen. In dit gedicht komt voor mij ineens Marieke Lucas van nu naar voren waar in veel van de andere gedichten de Marieke Lucas van vroeger aan het woord is.

.

Fantoommerrie

.

‘Bedplassen is hetzelfde als voor je beurt praten omdat er zoveel te

vertellen valt. Vannacht was ze weer de fantoommerrie met een doffe

vacht, niemand die de moeite had genomen haar zo te kleden dat ze beter

.

overeenkwam. Er werd gefluisterd dat je nooit dichter bij iemand kon komen

dan zo, en ze dacht aan de manen die ze waren vergeten op te plakken, ezeltje-

prikje en geblinddoekt voor iedereen, ze was gewoon een houten blok zonder

.

kop of staart. Muziek stond op, iets met dansen aan zee en don’t speak en het

ritme maar niet kunnen ontkomen. Hoe de hand die haar lief was haar benen

uit elkaar schoof in de vorm van een gevarendriehoek waarvan de reflectors

.

het niet meer deden, uitroepteken. Haar colabuik werd verward met vlinders,

ooit iemand zich in een vlinder zien verslikken om daarna te twijfelen over

het evenwicht tussen koolzuurgas en koolzuur, hoe instabiel het hart wordt

.

na de eerste keer langdurig openstaan? In de stallen van haar hoofd briesen

de merries doodleuk en op straat wordt er gesjoemeld met het daglicht, nog

even dit donker, nog even een slotlied. Wanneer ze ontwaakt ligt ze op haar

.

buik op haar matras als een kleed dat ooit een paard is geweest.

.

Indische poëzie

Tj. A. de Haan

.

In de boekhandel kwam ik de bundel ‘Album van de Indische poëzie tegen, een bloemlezing samengesteld door Bert Paasman en Peter van Zonneveld. Dichters en poëzie uit en over voormalig Nederlands Indië zijn bij mij eigenlijk niet zo bekend. In deze bundel wordt aan de hand van een aantal thema’s (taal, cultuur, dagelijks leven, reis, aankomst, historische personen,Japanse bezetting, revolutie, heimwee, herinneringen) de geschiedenis van ons land met Indië geschetst. In deze bloemlezing krijgt de beeldvorming van Indië, vanaf de VOC-tijd tot heden, gestalte in gedichten, liedjes, cabaretteksten en in allerhande rijmende verzen. Bijna alle bekende Nederlandse dichters, ook van wie je dat niet zou verwachten, hebben iets over Indië geschreven. Naast een aantal bekende namen van dichters zoals Bilderdijk, Slauerhoff, Vestdijk, Lucebert, Cola Debrot, Drs. P., Willem Wilmink en liedtekstdichters (Ernst Jansz, Wieteke van Dort) ook namen van dichters die ik niet ken zoals Tj. A. de Haan.

Bij deze bundel is ook een CD bijgesloten waarop Willem Nijholt een selectie van 44 gedichten voordraagt. Een bijzonder fraai vormgegeven boek met een zorgvuldige bronvermelding.

Van de dichter Tj. A. de Haan heb ik geen informatie kunnen vinden, de Minangkabau uit de titel is een etnische groep die leeft op West Sumatra.

.

Minangkabau

.

Dit land is anders dan de andere landen.

Hier woont de geest nog, uit het bergenwoud.

Hier bruist het water onder steile wanden,

De sawahs, teer en groen, tussen het hout.

.

Een bruidegom zal zijn bruid gaan trouwen.

De kleuren, zwart en rood en goud.

Een volk gaat verder aan de toekomst bouwen.

Een volk, zo jong en toch zo trots en oud.

.

De nacht zal hier de dag omarmen

Fèl als een beek, die van de bergen stort.

Een graf zal liggen onder kokospalmen.

Oók van de bruid, die nú verkoren wordt.

.

tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid

Een recensie

.

Bij uitgeverij In de Knipscheer is de nieuwe bundel van dichter, schrijver, organisator (Alkmaar Anders, Reuring), redacteur en voorzitter van Meander Alja Spaan verschenen getiteld ‘Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid’. Hoewel de officiële presentatie op 10 november is (in Grand café Koekenbier, daar waar Alja Reuring organiseert, om 16.00 uur) heb ik de bundel al gekregen en gelezen. De bundel heeft weer een titel die typisch is voor het werk van Alja. Zo publiceerde zij eerder ‘De hand de beweging laten maken’ in 2012 en ‘Misschien moet alles eerst op tekening hersteld’ uit 2017. De titel van haar nieuwe bundel is’Tegen het vergeten en de behoedzaamheid’. In de titel alleen herbergt zich de persoon van Alja, hoewel ik vind dat de behoedzaamheid  minder bij haar persoon past. Maar daarover later meer.

De bundel is bijzonder netjes verzorgd met op de binnenflap wat biografische gegevens en op de achterkant een stuk duiding van de bundel. Opnieuw is de bundel opgedragen aan W. en ze bevat 69 gedichten in 4 hoofdstukken met de titels ‘het vergeten’, ‘tegen’, ‘de behoedzaamheid’en ‘voor’. Een selectie van gedichten rond de liefde, die eerder allemaal op haar blog  op https://aljaspaan.nl/ te lezen waren (en zijn).

Ik ken de poëzie van Alja heel goed, al jaren volg ik haar blog, publiceerde samen met haar de bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus’ ook al over de liefde en in elk gedicht herken ik, of denk ik Alja te herkennen. Dat maakt het soms moeilijk voor me om de gedichten te lezen en te interpreteren, omdat ik geneigd ben een gedicht aan een persoon of een gebeurtenis of tijdsvlak te koppelen. Wanneer ik dat loslaat en haar poëzie als woorden en zinnen tot me neem valt op dat Alja een heel zintuiglijk dichter is. In deze bundel zal je geen afstandelijke gedichten vinden, en hoewel redelijk vormvast (de meeste gedichten bestaan uit 14 regels, een paar uit 21 regels) bij Alja geen rijm of vormvastheid in versvormen. Haar gedichten lijken vloeibaar, in één keer opgetekend door de dichter, vanuit haar hoofd en haar hart.

In sommige gedichten herken ik beelden die ze tekent in woorden; de spleten in de houten vloer waarin zich iets verbergt, de (zwarte) jurk, het zweet op haar lichaam. Alja stelt zich in haar poëzie bloot aan de lezer zonder dat je precies te weten komt in welke hoedanigheid of in welke omstandigheid het gedicht zich precies afspeelt. Van de behoedzaamheid in de titel lees ik niet veel terug, hier is een dichter aan het woord die zichzelf de vrije ruimte geeft en gunt.

In de gedichten zijn er herkenningspunten; op een boot, bij haar ouders thuis, in de slaapkamer, maar de hij of de jij/je figuur wisselt van identiteit, dan weer de vader, dan weer de man, de vriend, de minnaar, het loopt door elkaar heen zonder verwarrend te zijn. Of zoals op de achterflap valt te lezen: “De gedichten nemen ons mee op sleeptouw en al lezende genieten we van het ritme, de klanken en de inhoud, om vervolgens ons eigen verhaal er naast te leggen”. En altijd is Alja aanwezig, als verteller, als alwetende beschouwer en regelmatig ook als onderwerp van haar gedicht. Zoals in het gedicht ‘als ik een dier was zou ik bijten en scheurend trekken’.

.

als ik een dier was zou ik bijtend en scheurend trekken

.

Er gebeuren wel ergere dingen. Ruiken hoe de zomer is en

haar niet kunnen vasthouden, voelen hoe

.

teveel kou blijvend in je botten huist, hoe je bewegingen trager

worden naarmate rondom je de geluiden

.

aanzwellen, opzwellen, als een te heet dik lijf in de zon dat sist

en puft en zich onwelvoeglijk draait. Je ziet

.

al haar delen. Ruiken hoe zijn geur het pand verlaat, tergend

langzaam bijna zoals zijn lakens van je

.

afgleden, zijn sporen droogden, zijn haren dood tegen de koele

badkamertegels, hoe zichzelf zijn is binnen die

.

doordringende aanwezigheid van derden. Ruiken hoe het oude

huis binnen deze muren past, haar kunst, haar

.

zweet, haar openheid, haar recept, het wierook van de offeranden

maar haar veiligheid nooit meer te voelen.

.

Zoals ook dit gedicht zich bijna laat lezen als een lange zin met bijzinnen, zo zijn veel van de gedichten in deze bundel opgebouwd. Ik merkte bij het lezen dat ik de tekst voorlas, om de cadans, het ritme van de zinnen beter tot zijn recht te laten komen. Al met al is dit opnieuw een bundel van Alja die zeer de moeite waard is, die uitnodigt om te lezen en te herlezen. Misschien niet een bundel om in één ruk uit te lezen maar zeker een bundel om gedoseerd tot je te nemen.

.

Laura

Erotiek op zondag

.

Op verzoek nog wat langer erotische gedichten op zondag. Vandaag het gedicht ‘Laura’ van Menno Wigman (1966-2018) uit zijn debuutbundel ‘Zomers stinken alle steden’ uit 1997. In dit gedicht geen expliciete termen of daden maar de herinnering aan die daden, aan haar (Laura), kortom een erotisch gedicht dat veel maar ook weer niet alles aan de verbeelding overlaat.

.

Laura

.

Gelukkig, ze is weg. Nu zal ze

helemaal en meer nog dan ze denkt

de mijne zijn. Nu zal ze nogmaals,

naakt en vol en onbeschaamd,

voor mijn gesloten ogen staan.

.

En zwanger van haar geuren speel ik

snel haar glimlach af en spits

me op haar gulle dijen, haar huid

sneeuwt zachtjes op mijn witte doek,

ze krijgt al stem, ze fleemt,

ze vloekt, en dan, de laatste still,

vang ik haar schoot en sneeuw haar uit.

.

Gelukkig, ze is weg. Maar ik

ik ben haar hond, ik kwispel als

zij komt. Meer nog dan ze denkt.

.

 

 

Knipoog

Elma van Haren

.

Dichter en beeldend kunstenaar Elma van Haren (1954) studeerde aan de kunstacademie in Den Bosch en vertrok daarna naar Amsterdam. Tegenwoordig woont en werkt ze in België.
Ze debuteerde in 1988 met de bundel ‘De reis naar het welkom geheten’, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie (het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt). In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel ‘Grondstewardess’. Het gedicht ‘Het schitterende’ uit de bundel ‘Eskimoteren’ werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Naast haar dichtwerk schreef ze voor het literaire tijdschrift  De Revisor.
Van Harens poëzie kenmerkt zich door los rijm en een eigenzinnige typografie, alsof impressies en fragmenten op willekeurige wijze met elkaar verbonden zijn. Haar poëzie vormt zich uit haar voortdurende en onbegrensde verbazing over de dagelijkse realiteit, welke worden vermengd met associaties en herinneringen, die, eenmaal op schrift gezet, weer hun eigen associaties genereren. Haar poëzie is vaak verhalend opgebouwd waardoor de vrije vorm gekozen kan worden en elk gedicht weer anders van opzet is.

Uit  haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’ uit 1988 het gedicht ‘Knipoog’.

.

Knipoog

.

Buiten mist. Het ratelen van de wielen
verhult alle geluid hierbinnen.
Ik kan niets meer horen.
Blikken ontwijken me, naamborden ontglippen me.
Op goed geluk moet ik er straks uit.

Het is er weer, dit stollen,
na langdurig het hoofd te hoog
te hebben gedragen.
In mijn bagage,

mijn dagboek,
ontvleesd verleden, een herbarium vol bladskelet.
Ik blader.
Zo was het in een paar woorden.
Geklost als kant, wit gezouten,
dit tenminste
blijft!

De trein stopt.
Ik bezichtig een bekende touristenplaats.
Een bord zegt ‘Bezoek onze grotten!’
Ik volg de pijlen en word welkom geheten
in scherp verlichte,
haast kraakheldere catacomben,
waarin opeen gepakt is,
waarin tot aan het plafond toe
opgestapeld is.

.

                                                                                                                                                                                          Foto: Astrid Dewaele

De muze en Europa

Venezia

.

In 1963 was het Boekenweekgeschenk de poëzieverzamelbundel ‘de muze en europa’. Een deel uit de serie van ‘de muze’. Mijn exemplaar is uit de kringloopwinkel en de tijd na verschijnen nogal beschadigd. Op de voorkant zit een rode vlek en de titelpagina is eruit gescheurd. Toch ben ik blij met dit bundeltje. In deze bundel poëzie van dichters over (plaatsen in) Europa. Gedichten van bekende dichters en gedichten van (mij) onbekende dichters zoals het gedicht ‘Venezia’ van Jan van Nijlen. Jan van Nijlen (1884 – 1965) was een Vlaams dichter maar vreemd genoeg werd zijn werk in Nederland meer gewaardeerd dan in België.

De motieven in zijn poëzie zijn ontleend aan het vliedende leven: herinneringen aan de jeugd, geluksverlangen, berusting in het onvermijdelijke leed, aanvaarding van de ouderdom en de naderende dood. In 1955 kreeg hij toch nog de eer die hem in België toe kwam, hij ontving de Belgische Staatsprijs ter bekroning van zijn schrijversloopbaan en in 1963 kreeg hij de Contstantijn Huygens-prijs.

Uit de bundel ‘de muze en europa’ het gedicht (oorspronkelijk verschenen in ‘Verzamelde gedichten, Te laat voor de wereld’) ‘Venezia’.

.

Venezia

.

Nu is de laatste straal van de zon geweken,

En in den hemel zijn de kleuren broos, Zoodat de zuiderwind, die ademloos

Erlangs wuift, schuchter doet verbleken

.

Het laaiend rood tot bijna blauwend roos

Dat geelgroen is waar ’t in de zee gaat breken.

Nu is ’t het uur dat elke ziel zich koos

Om, op het water dat zoo luid kan spreken,

.

Te varen in de schaduw der paleizen,

Wanneer met dieper kleur de zomernacht

Het laatste blauw des hemels gaat vergrijzen,

.

En neerdaalt van het zwartbevolkte oosten,

Dat lichtend niet zoo innige schoonheid bracht,

Volmaakte goedheid die bijna kan troosten.

.

%d bloggers liken dit: