Site-archief

Het sterrenbeeld

Anthonie Donker

.

In 1946 publiceerde uitgeverij Van Loghum Slaterus de bundel ‘Het Sterrenbeeld’ van dichter Anthonie Donker. De verzen die in deze bundel stonden waren allemaal geschreven in de jaren 1940 – 1942. Anthonie Donker is het pseudoniem van Nicolaas Anthonie (Nico) Donkersloot (1902 – 1965). Donkersloot was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, literair vertaler en dichter.

Anthonie Donker debuteerde als dichter in ‘De Vrije Bladen’ in de jaren twintig van de vorige eeuw. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel ‘Kruistochten’ de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel ‘Grenzen’.

In de oorlog schreef hij onder het pseudoniem Maarten de Rijk. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in het Oranjehotel (de gevangenis van Scheveningen) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.

Op https://www.dbnl.org/tekst/_str007194701_01/_str007194701_01_0062.php staat over deze bundel onder andere te lezen: Deze verzenbundel bevat vijf-en-dertig stukken, bijna alle sonnetten, in drie groepen onderverdeeld: een onverpoosd beuken, met een zachte hardnekkigheid, tegen de wanden van dit vergankelijk leven; een moeizaam vangen, in té omzich-tig bewerkte verzen, van vôôr-klanken der eeuwigheid; een nooit voltooide onthechting voor wie, vol van heimwee, het bestaan wil bereiken tussen hemel en aarde, het ‘sterrenbeeld’.

Ik koos uit ‘Het sterrenbeeld’ het gedicht ‘Het portret’.

.

Het portret

.

Ten einde raad, zal ik haar eindlijk schildren?

Herschep de ruimte, hand, met uw gebaar

Tot schets en dan tot beeltenis van haar,

Laat niet de drift der vingers weer verwilderd,

Ten einde raad zal ik haar eindlijk schildren.

.

Gewent zij zich reeds in haar eigen trekken?

O worstling om het dierbare portret

In streek na streek als booten uitgezet

Verlangend om die kustlijn te ontdekken,

Zij vindt haar weg reeds in haar eigen trekken.

.

Hoe de muziek der oogen te vertalen?

Diep genoeg ziende in dien sterrennacht,

Ontwarend waar zij altijd nog op wacht

Zie ik de engel op het voorhoofd dalen

En zal van de oogen de muziek vertalen.

.

Maar hoe zou ik de pijn der lippen stillen?

Al ’t ondervondene en het rustloos spel.

Van snelle schaduwen, daarvan zal wel

Het teeken aan den mondhoek blijven trillen,

O pijn der lippen die ik niet kan stillen.

.

Kwatrijnen en Rondeel

Dubbel-gedicht

.

Ik heb besloten dat een Dubbel-gedicht ook twee gedichten kan bevatten die in vorm een overeenkomst hebben. Nu is een kwatrijn een heel andere vorm dan een rondeel, klopt, maar het zijn beide vaste versvormen. En dus is het vandaag een Dubbel-gedicht van vaste versvormen.

Het eerste gedicht is een kwatrijn, of eigenlijk zijn drie kwatrijnen. Een kwatrijn is een gedicht of een strofe van een gedicht van vier versregels en twee rijmklanken. Het woord is afgeleid van het Franse quatrain, van quatre, voor vier. Het rijmschema is meestal a-a-b-b, maar ook a-b-a-b en andere schema’s zijn mogelijk.

De ‘Drie kwatrijnen’ zijn geschreven door Hendrik Marsman (1899 – 1940) en verschenen in ‘Verzamelde gedichten’ uit 1967. De Drie kwatrijnen stammen uit de tweede periode (1929 – 1933).

Het tweede gedicht is een rondeel. Het belangrijkste kenmerk van een rondeel is de vele herhalingen: regels 1, 4 en 7 zijn hetzelfde en regels 2 en 8 zijn hetzelfde. Daarnaast kent een rondeel een vast rijmschema: a-b-a-a-a-b-a-b.

Het gedicht ‘Rondeel’ is van dichter D.A.M. Binnendijk ( 1902 – 1984). Dick Binnendijk was docent, dichter en literatuurcriticus. Het gedicht ‘Rondeel’ verscheen in Forum, een literair tijdschrift dat verscheen tussen 1932 en 1935, en later in ‘Nieuwste Dichtkunst’ De Uilenreeks No. 1 uit 1934.

.

Drie kwatrijnen

.

Zonder weerklank

.

Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt;

ik moet verdrogen als gij mij niet drinkt;

verzwelg mij, smeek ik  maar zij drinken niet

wees mijn klankbodem, maar zij klinken niet.

.

Verbittering

.

De namen van wie eens mijn vrienden waren

werden tot as tussen mijn tanden en ik spuw ze uit.

eenzaam schijnt men te moeten zijn in deze dode landen;

het leven dooft in kaars na late nachtkaars uit.

.

Voor het inslapen

.

In deze kleine kamer vind ik soms nog vrede.

al wat daarbuiten ligt heeft voor mij afgedaan;

wat rest mij  nog, dan ‘Krieg und Frieden’ lezend,

tot mijn verwoeste dromen in te gaan?

.

Rondeel

.

Geen vrucht, hoe glanzend aan haar tak,

Kan ‘t geeslen van de buien weren

Die in de herfst ten buit begeeren

Wat voordien aan haar greep ontbrak.

.

Geen vlaag, die in den nacht opstak,

Zal de geheime gloed bezweren

Der vruchten, glanzend aan den tak,

Die alle buien wreed bezeeren.

.

Zoo geen vermeetle hand verbrak

Des harten ongeschonden zegel,

Waarmee ‘t zich hecht aan eigen regel —

Een spaart zijn onweerstaanbre knak

Geen vrucht, hoe eenzaam aan haar tak.

.

De zee

H. Marsman

.

Dichter, vertaler en literair criticus Hendrik Marsman (1899-1940) is bij de meeste mensen bekend van zijn gedicht ‘Herinnering aan Holland’ dat hij schreef in 1936 toen hij, na jaren in een expressionistische (soms futuristische) stijl poëzie had geschreven, meer realistischer en traditioneler poëzie ging schrijven. Voor zijn expressionistische periode behoorde Marsman  lange tijd tot de stroming van het vitalisme (wat zoveel betekent als levensdrift, de drang om intens, vurig en gevaarlijk te leven en als zodanig een afsplitsing was van het expressionisme). In 1940 verschijnt van Marsman de bundel ‘Tempel en kruis’. Over deze bundel schreef Arthur Lehning in ‘De vriend van mijn jeugd’:

“Zijn laatste cyclus van verzen heeft iets van het meeslepende en visionaire van zijn eerste werk, maar het is van een langere adem. Het thema is niet alleen dat van de cultuur, maar ook van zijn eigen leven, en de zin van het leven, en van zijn zelfbevestiging is nu niet meer het individu, vermetel en geïsoleerd tegenover wereld en kosmos gesteld, maar humaan en humanistisch met de stroom der cultuur verbonden.”

Uit deze sober uitgevoerde kleine bundel koos ik het wat kortere gedicht ‘De zee’.

.

De zee

.

Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
hier alleen scheert de wiekslag van het licht
de kim van het drievoudig continent
dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt
van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,
en in den dronk den geur der rozen mengt
met de extasen van den wingerdrank.
Hier golft de nacht van ’t dionysisch schip
dat van de Zuilen naar den Hellespont
en van Damascus naar den Etna zwierf;
hier de fontein die naar het zenith sprong
en regenbogen naar de kusten wierp
van de moskee, de tempel en het kruis.
Hier heeft het hart de hoge stem gehoord
waardoor Odysseus zich bekoren liet
en ’t woord dat Solon te Athene sprak;
en in de branding dezer kusten brak
de trots van Rome en van Babylon.

.

Zolang de europese wereld leeft
en, bloedend, droomt den roekelozen droom
waarin het kruishout als een wijnstok rankt,
ruist hier de bron, zweeft boven déze zee
het lichten van den creatieven geest.

.

 

Declamatorium

Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie

.

In 1979 publiceerde Standaard Uitgeverij het ‘Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie’ bijeengebracht door Teresa Van Marcke. Nu heb ik het woord declamatorium even opgezocht (dat het een afgeleidde is van declamatie was me duidelijk) en het betekent “Een dichtstuk dat bij de voordracht wordt begeleid en afgewisseld door muziek of zang” of ook wel “voordracht”. Hoe dat precies zit (het is tenslotte een geschreven bundel) blijkt uit het voorwoord. Daarin schrijft Teresa Van Marcke: “Voor dit werk ging de keuze in de eerste plaats naar het gedicht, geschikt om voor te dragen. Te hermetische poëzie werd vermeden”.

De bundel bevat een reeks aan gevestigde namen maar ook een reeks nieuwe namen (let wel: gevestigde of nieuwe namen in 1979!). “Dichters die de gevoeligheden van deze tijd en vooral van de jonge mens van nu, trachten te verwoorden”. In een aantal thema’s zoals ‘Bezinning/vragen’, ‘Vreugde/liefde/innigheid’, ‘Ontgoocheling/angst/pijn’, ‘aanklacht/eis/strijd’, ‘Reportage/verhaal’ en ‘Humor/ironie’, worden ruim 400 gedichten en dichters gepresenteerd. Zoals gezegd bekende namen (hoewel volgens het voorwoord een aantal Nederlandse dichters verstek liet gaan) maar dus ook onbekende en nieuwe dichters. Zo kan een dichter als Herman de Coninck naast een (voor mij onbekende) dichter als Albert de Longie staan en Halbo C. Kool naast Hendrik Marsman.

Ik heb uit het hoofdstuk ‘Aanklacht/eis/strijd’ gekozen voor het openingsgedicht van Paul de Bolle. Van deze dichter heb ik verder geen informatie gevonden en dit gedicht had wat mij betreft ook in het hoofdstuk ‘Humor/ironie’ kunnen staan.

.

Wanneer ik een soldaat zal zijn

dan grif ik gedichten in de kolf

van mijn geweer

en de man die dan zeggen zal

schiet

die sla ik met mijn gedichten

dood

.

Doodstrijd

H. Marsman

.

Dichter, vertaler en literair criticus Hendrik Marsman (1899 – 1940) overleed in 1940  toen de Berenice, het schip waarop hij met zijn vrouw naar Engeland vluchtte, in Het Kanaal verging, waarschijnlijk als gevolg van een torpedo van een Duitse U-boot, die een explosie veroorzaakte. Tussen 1919 en 1926 schreef hij het gedicht ‘Doodstrijd’ waar je met een beetje fantasie een voorspellende Marsman in kan lezen.

.

Doodstrijd

.

Ik lig zwaar en verminkt in een hoek van den nacht,

weerloos en blind; ik wacht

op den dood die nu eindelijk komen moet.

het paradijs is verbrand: ik proef roet,

dood, angst en bloed.

ik ben bang, ik ben bang voor den dood.

.

ik kan hem niet zien,

ik kan hem niet zien,

maar ik voel hem achter mij  staan.

hij is misschien rakelings langs mij gegaan.

hij sluipt op zwarte geruisloze voeten onzichtbaar

achter het leven aan.

.

hij is weergaloos laf:

hij valt aan in den rug;

hij durft niet recht tegenover mij te staan;

ik zou zijn schedel te pletter slaan.

ik heb nu nog, nu nog, een wild ontembaar

verlangen naar bloed.

.

Poekelen

Poëzie en kunst

.

Poëzie en kunst, het zijn twee creatieve uitingen die elkaar niet alleen goed verdragen maar waar ook vele voorbeelden van zijn. Een minder bekende vorm van een samengaan van de twee is het spel Poekelen.

Poekelen, een poëzie-kaart-spel, is ontwikkeld door Rob Schultheiss (grafisch vormgever/uitgever, liedjesschrijver en beeldend kunstenaar) en Elganan Jelsma (curator, directeur van het Huizer Museum, oprichter Gooise Kunstkring en beeldend kunstenaar). Zij vormen samen het Projectbureau Pub Art. Dit bureau organiseert projecten die te maken hebben met hedendaagse kunst. Zo hebben zij een diverse publicaties op hun naam staan, geven zij het Kunst Tijdschrift Pub Art uit en organiseren zij tentoonstellingen.Hiermee geven zij een extra stimulans aan de poëzie en de beeldende kunst. Poekelen is  een van hun projecten. Het is een spel waarbij gedichten worden voorgedragen. Het spel bestaat uit kaarten waarop gedichten staan en kaarten waarop gedichtfragmenten en illustraties staan.

Met Poekelen wordt op speelse wijze aandacht wordt besteedt aan poëzie en kunst. In het eerste deel waren gedichten en beeldende kunst opgenomen van enkel Gooise dichters (waaronder Gerard Beentjes, de dorpsdichter van Laren) en kunstenaars. In deel twee is er aandacht voor de ‘oude’ dichters: Nicolaas Beets, Guido Gezelle, Hendrik Marsman, Alice Nahon, Paul van Ostaijen, Piet Paaltjens en J.Slauerhoff. De gedichten in het spel worden gecombineerd met werken van beeldend kunstenaars.

Meer informatie is te vinden op de website van pubart: http://www.pubart.nl/ of op http://www.elganan.nl/

.

poekelen

poekelen 2

poekelen 3

poekelen 4

 

Paradise regained

H. Marsman

.

Na pas ‘Paradise Lost’ te hebben besproken op dit blog kwam van Derrel Niemeijer de tip om vandaag ‘Paradise regained’ te behandelen. Dit werk van Milton is gepubliceerd in 1671 en wordt over het algemeen gezien als een minder werk dan ‘Paradise lost. Daarom gooi ik het eens over een andere boeg en behandel ik vandaag wel degelijk ‘Paradise regained’ maar in dit geval van de dichter Hendrik Marsman (1899 – 1940). Dit gedicht werd o.a. gepubliceerd in Verzamelde gedichten uit 1995.

Wil je een zeer aardige en gedegen beschrijving lezen van dit gedicht lees dan de bespreking van Joris Lenstra op Meander klassiekers: http://klassiekegedichten.net/archief/klas052.html

.

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

een held’re, verruk-lijk-meeslepende wijs:

‘Het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

.

Marsman

 

marsman 2

Gedicht in hout

Hendrik Marsman

.

H. Marsman (1899-1940) was dichter, vertaler en literair criticus. Marsman behoorde lange tijd tot de Vitalisten. Vitalisme betekent zoveel als levensdrift, de drang om intens, vurig en gevaarlijk te leven. Met ‘vitalisme’ wordt allereerst een filosofie of levenshouding aangeduid waarin de verheerlijking van het leven om het leven centraal staat. Voor de vitalist is het hoogste doel van de mens te leven en kan boven het leven geen andere waarde worden gesteld. Het uitleven van de intuïtieve en driftmatige levensdrang is voor de vitalist de enige vorm van wijsheid.

In de jaren 30 van de vorige eeuw nam hij echter afstand van deze stroming en zijn werk werd expressionistischer en zelfs futuristisch. Marsman verafschuwde de Nederlandse bekrompenheid. Hij zei ooit: “Holland is en blijft een ellende. Wie hier op de grond stampt, zakt weg in de modder”.

Toch werd Marsman vooral bekend om zijn gedicht ‘Herinnering aan Holland’ uit 1936 wat aan het einde van de 20ste eeuw werd verkozen tot gedicht van de eeuw.

Het gedicht ‘Schaduw’ werd door J. Havermans in hout gesneden voor een uitgave die echter nooit is verschenen. In de categorie gedichten in vreemde vormen wilde ik jullie deze niet onthouden.

.

houtsnede

Met dank aan dbnl.org en wikipedia

.

Het vak van de naaister

Sonja Prins

.

Op zoek naar voorbeelden van sociaal geëngageerde poëzie kwam ik terecht bij Sonja Prins (1912 – 2009).  Sonja Prins was de dochter van de linkse non-conformist, schrijver en vertaler Apie Prins en van de vrouwenactiviste en onderwijsvernieuwster Ina Elisa Willekes Macdonald. Nog maar achttien jaar oud richtte Sonja Prins het internationale tijdschrift voor avant-gardeliteratuur Front op. Er verschenen vier nummers (1930-1931), bij de Haagse uitgeverij Servire. Prins publiceerde in 1933 haar eerste dichtbundel Proeve in strategie onder de schuilnaam Wanda Koopman. Deze modernistische bundel met sociaal geëngageerde poëzie werd lovend besproken door onder meer Hendrik Marsman en Victor van Vriesland.

.

In 1930 werd ze lid van de communistische partij en in de tweede wereldoorlog maakte ze de illegale krant Vonk. Ze werd opgepakt en naar concentratiekamp Ravensbrück gedeporteerd. Na de oorlog schreef ze in de dichtbundel Brood en rozen over haar ervaringen in het kamp. In de jaren vijftig schreef ze poëzie die verwantschap toonde met die van de vijftigers en in 1956 trad ze uit de CPN, ontgoocheld door de inval van de Sovjet Unie in Hongarije.

In de jaren 70 trok ze zich terug in de bossen bij Baarle-Nassau als kluizenaar om daar in alle rust te kunnen werken.

Uit ‘Het geschonden aangezicht'(1955) het volgende gedicht:

.

Het vak van de naaister

.

ja ik geef het afgeronde beeld

met al zijn hoeken en plooien

van deze wereld

.
ik hang haar op de stellage

en drapeer de stoffen

met de hand van een naaister

.
en terwijl ik zo bezig ben

klinkt uit de buste

een stem die mij waarschuwt

.
luister je kan nu wel plooien

maar ik was er eerder

de aarde de melkweg

.
als je mij wilt vergooien

blijft er niets over

en niets te draperen

.
met mijn oor op de buste

schrijf ik haastig

naaister van woorden

.

De kluizenaarswoning van Sonja Prins is te bezichtigen: http://www.papierentijger.org/index.php?page_id=31&style_id=0

Bron: Wikipedia en Gedichten.nl

Gedichten op vreemde plekken

Deel 2 : In het landschap

.

Dit is het gedicht ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman, op een stuk natuursteen bij de rivier met de beroemde openingszin; Denkend aan Holland/ zie ik breede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan/

Niet te verwarren met ‘Denkend aan Holland’ van dezelfde dichter maar met andere inhoud.

.

Gedicht_landschap

.

%d bloggers liken dit: