Site-archief

Waar zal ik een naam voor je vinden

Sándor Petőfi

.

De afgelopen week was ik in Roemenië en in de bijzondere fraaie oude binnenstad van Sighișoara kwam ik het borstbeeld van Sándor Petőfi tegen. De naam kwam me bekend voor en toen ik hem opzocht bleek het hier om de nationale dichter van Hongarije te gaan. Raar zal je misschien denken, de nationale dichter van Hongarije in Roemenië, maar als je weet dat meer dan 20% van de bevolking uit etnische Hongaren bestaat die vooral in Szeklerland wonen, is dat al veel minder vreemd. In Sighișoara is bijna 20% van de inwoners van Hongaarse origine. De Hongaarse gemeenschap van Segesvár (zoals de Hongaren de stad noemen) heeft de beschikking over eigen scholen en kerken. Verder zitten er twee Hongaarse raadsleden in de gemeenteraad van de stad.

Sándor Petőfi (1823 – 1849) was een Hongaars dichter en een sleutelfiguur in de Hongaarse Revolutie van 1848. Hij werd geboren als Alexander Petrovics in een Slowaakse familie en zijn moedertaal was Slowaaks. Talloze straten in Hongaarse steden zijn naar hem vernoemd. in Boedapest alleen al zijn er 11 Petőfi-straten, 4 Petőfi-pleinen en een brug, namelijk de Petőfi hid, een van Boedapests bruggen over de Donau.

Op 15 maart 1848 droeg Petőfi op het Vörösmarty-plein zijn bekendste werk, het gedicht ‘Nemzeti dal’ (Lied van het Volk), voor aan een menigte opstandelingen. Vandaag de dag nog wordt het gedicht aangehaald in tijden van verdeeldheid of juist saamhorigheid onder het Hongaarse volk.

Maar hij schreef ook liefdesgedichten. Hans Boland vertaalde zijn liefdespoëzie en een mooi voorbeeld is het gedicht ‘Waar zal ik een naam voor je vinden’ of ‘Minek nevezzelek’ zoals de Hongaarse titel luidt.

.

Waar zal ik een naam voor je vinden

.

Waar zal ik een naam voor je vinden,
In de schemering mijmerend
Van jouw prachtige ogen, de avondster
In mijn ogen schitterend
Als zag ik ze nu voor het eerst,
In de glans van die ster,
Waarvan iedere lichtstraal
De liefde meevoert, een stroom
Die vervloeit in de zee van mijn ziel –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer jij mij plotseling aankijkt
Met een blik als een duif, zachtmoedig
En vreedzaam, alsof iedere veer
Een palmtakje meedraagt,
En zo teder wanneer je haar streelt,
Zachter dan zijde
Of de lakentjes van een wieg –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Als jouw stem klinkt, muziek
Die in de winter beluisterd
Door bladloze bomen
Groen loof laat uitbotten
En hoop zaait, dat nu
Het voorjaar gekomen is,
De lang verwachte verlosser,
Met het lied van de nachtegaal –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer mijn lippen de jouwe
Nabij voelen, een vlammende robijn,
Wanneer wij versmelten in het vuur van een kus
Als de dag met de nacht in het morgenrood,
Terwijl ik geen weet meer heb van de wereld,
Geen weet meer heb van de tijd,
Bedwelmd en verzaligd, geheimzinnig
Gezegend tot in de eeuwigheid –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Jij hebt mijn geluk gebaard en gezoogd,
Van een beeld dat de hemel bestormt
Ben jij de tovenaarsdochter,
En mijn stoutmoedigste hoop
Heb jij, oppermachtig en lichtend, vervuld.
Niets bestaat voor mijn ziel dan jij,
Een grotere schat dan de hele planeet,
Mijn heerlijkheid, schoonheid en jeugd, mijn vrouw,
Waar zal ik een naam voor je vinden?
.
.

In andermans handen

Anna Achmatova

.

De bundel ‘In andermans handen’ bevat een (beknopt) overzicht van de gedichten van Anna Achmatova (1889 – 1966), vertaald, gekozen en ingeleid door Hans Boland. In een goed leesbare inleiding beschrijft Boland het leven van Achmatova en de ontwikkeling die haar poëzie heeft doorgemaakt in waarschijnlijk de meest roerige periode die Rusland (en later de Sovjet Unie) in haar geschiedenis kende (voor, tijdens en na de eerste en tweede wereldoorlog en de revolutie).

Met de dichters Sergej Gorodetski, Osip Mandelstam en Nikolaj Goemiljov en anderen behoorde ze tot ‘Het dichtersgilde’, een literaire groep die zich ook Acmeïsten noemden naar het Griekse woord ‘άχμή’ (akmé): hoogtepunt, bloei. Zij streefden naar een apollinische (rustige) helderheid en zetten zich af tegen de symbolisten, met hun dionysische (extatische) hang naar mystiek, gecompliceerde meerduidigheid en occultisme. In plaats van metaforen voor het hogere te gebruiken verwezen ze liever naar aardse dingen. Ze waren daarbij niet experimenteel zoals in het Futurisme, dat zich gelijktijdig als reactie op het symbolisme ontwikkelde. Hun bijeenkomsten leken op workshops waar nieuwe schrijfwijzen werden ontwikkeld. Een belangrijke techniek die Achmatova zich daarbij al vroeg eigen maakte was die van de metonymen (net als de metafoor een vorm van beeldspraak).

Het gedicht ‘Voor een geliefde’ uit haar bundel ‘Een witte vlucht’  uit 1917 is uit de periode die in de Russische literatuurgeschiedenis de ‘Zilveren eeuw van de poëzie’ wordt genoemd, een periode waarin allerlei literaire scholen ontstonden.

.

Voor een geliefde

.

Je hoeft me niets te zeggen met een duif,

Je hoeft me geen bezorgde brief te sturen,

Blaas niet in mijn gezicht met maartse wind.

Ik ben sinds gister in de Groene Hof,

Onder een schaduwdek van populieren,

Alwaar men rust voor ziel en lichaam vindt.

.

En ik kan het paleis zien hiervandaan,

Omringd door schildwachthuisjes en kazernes,

En de Chinese brug over het ijs.

Jij blijft maar steeds op de veranda staan,

Verwonderd over zoveel nieuwe sterren,

Verstijfd – je wacht al haast drie uur op mij.

.

Ik zal voorbijschieten – een schuwe wezel,

En in een boom springen – een grijze eekhoorn,

En ook zal ik een zwaan zijn, die jou roept;

Dan hoeft de bruidegom niets meer te vrezen,

Als hij moet wachten in de blauwe sneeuwstorm

Waar hij weldra zijn dode bruid ontmoet.

.

 

In de avond

Aleksej Poerin

.

Geboren in Leningrad, ontwikkelde Aleksej Poerin (1955) zich na zijn studie scheikunde als dichter, essayist en literair criticus. Als dichter treedt hij in de voetsporen van Annenski, Mandelstam en Koesjner. Hij oogstte veel lof met de cyclus ‘Eurazië’uit 1995, een lyrische studie van het leven in militaire dienst. Uit ‘Optima’ uit 1997 het gedicht ‘In de avond’ in een vertaling van Hans Boland.

.

 

In de avond

.

Steek maar een ‘Herzegovina Fleur’ op, drink je cognac

om je op te warmen, kijk naar het zwarte, harige zwerk,

sneeuwhopen achter mica, al bijna tot aan het dak,

allerlei zilvergehaltes, aardewerk van elk merk.

.

Ga je dan naar de slaapzaal, trek je schapenvacht aan,

voel je een beeldje worden, tinkend, het vriest dat het kraakt,

lippen die smaken naar mint, cilinders van adem slaan

tegen de grond stuk, wat een geluid van scherven maakt.

.

In de tv met zijn melkwit scherm een viskom met ijs.

Kleumend en sidderend. Koortsdromen, Zweeds of Noors ge-ijl.

Hier vindt je dus het Walhalla – blauwogige, hitte, gehijs.

De kapitein Gordejtsjik is strontzat. Geen enkel heil.

.

Is het een wonder, zo’n rotzooitje, onder zijn gezag?

Tegen een muur breekt een fles, er wordt iemand opgejaagd.

Opvoeden kan hij ze toch genoeg, de godganse dag?

Is het misschien de monotonie van de drank, die knaagt?

.

Loop dan maar door naar het meer met de kapotte pomp

en de verwarmingsketel, adem de smerige damp;

niemand zal weglopen, in deze vorst, naar de zomp,

voel je gezond als een visje in een drabbige zwamp.

.

 

.

purin-aleksej

%d bloggers liken dit: