Site-archief

Moeders en roken

Dubbel-gedicht

.

Toen ik in de bundel uit 1999 ‘Familie duurt een mensenleven lang’ De honderd mooiste Nederlandstalige gedichten over vaders, moeders, dochters en zonen, samengesteld en ingeleid door Menno Wigman, het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg las, deed het me denken aan een gedicht dat ik ooit las van Nannie Kuiper. Na enig zoeken (waar vind je die tussen zovele andere bundels) kwam ik hem tegen. Het betreft hier de bundel ‘Ik heb alleen maar oog voor jou’ een bundel gedichten voor jongeren en volwassenen.

Opvallend genoeg hebben beide gedichten niet 1 maar 2 overeenkomsten. Ze gaan beide over een moeder en beide over roken. Het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg is genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1991 en het gedicht ‘wat is ze kwaad’ van Nannie Kuiper is uit 1997.

.

Moeder

.

Ik zat met moeder aan de haard. zij breide

en ik deed niets dan sigaretten roken.

Ze zei; Jongen, je moet niet zoveel roken;

Je moet er vanaf morgen mee uitscheiden.

.

Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;

horende hoe het zachtjes in mij schreide,

omdat het niet kon worden uitgesproken,

wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.

.

wat is ze kwaad

.

wat is ze kwaad

mijn moeder

nu ze net

ontdekt heeft

dat ik peuken rook

in bed

.

en in haar handen

ligt mijn nachtrust

tussen al die

stukjes sigaret.

.

Edwin Fagel

Het extatische landschap in

.

In 2018 verscheen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam de bundel ‘Het extatische landschap in’ van Edwin Fagel (1973). Fagel is dichter en journalist.  Hij studeerde Nederlands en was hoofdredacteur van ‘Awater’, redacteur van ‘de Recensent’ en medewerker aan onder andere ‘Bunker Hill’, ‘Lava’, ‘Meander’, ‘Tirade’ en ‘Tzum’. Fagel debuteerde in 2007 met de bundel ‘In uw afwezigheid’ en ‘Het extatische landschap in’is zijn 4e bundel. In deze bundel staat de vrouwelijke godheid centraal, in lyrische, mystieke gedichten. Hans Franse schreef daarover in zijn Meander recensie: “Het is een indrukwekkende bundel die mij doet denken aan de oerfunctie van de poëzie, de bezwering, waardoor de mysticus dichterbij de Godheid, in welke vorm dan ook, komt en de eenwording bereikt. De gedichten lijken mantra’s, de herhaling brengt de lezer er toe dieper te graven. Wat Gerrit Achterberg dichtte: ’nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt’ , lijkt hier gerealiseerd. Een bundel die de herhaling hanteert om, als in minimal music, het hoofd leeg te maken om plaats te maken voor de vrouwelijke God.”

Uit de bundel koos ik voor het gedicht ‘koningin’.

.

koningin

.

vastgebonden lig je & geblinddoekt

& alle mannen zingen

.

sanctus sanctus

.

ze dragen allemaal dezelfde naam

& ze lopen allemaal als ik

.

zingend rond je bed

& ze zingen sanctus

.

ik zet mijn mes

ik zet mijn mes in het vlees van je zij

.

(vinger in de wond)

.

dan storten alle mannen

zich zingend op je rillende lijf

scheuren ze je lichaam open

.

je lippen liggen

in een gelukzalige lach

.

sanctus zingen we

& we zijn voldaan

& we zijn gelukkig

.

Glas

Voorbij de laatste stad

.

Van sommige dichtbundels heb ik meerdere exemplaren. Dat komt aan de ene kant doordat ze heruitgegeven worden met een totaal andere kaft of omdat ik ze cadeau krijg. De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ van Gerrit Achterberg (1905 -1962) heb ik drie maal in mijn kast staan. Zowel een eerste druk uit 1955 als twee derde drukken uit 1962. Hoewel allebei als Ooievaar pocket uitgegeven prefereer ik de eerste druk met de geel/blauw/zwarte omslag. De achterflap van de derde druk is dan wel weer aardig, daar is een foto van Paul Rodenko (samensteller en inleider van deze bloemlezing) met Gerrit Achterberg afgedrukt. Twee heren in pak, met stropdas, de een een pijp in de hand (Rodenko) en de ander een sigaret (Achterberg).

De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ staat vol prachtige, soms intellectuele en soms moeilijk te doorgronden poëzie (Achterberg werd tot een exponent van de Experimentele Poëzie gerekend die rond 1950 op kwam in Nederland) maar is altijd heel leesbaar. Zoals in het gedicht ‘Glas’

.

Glas

.

Ik ben van zoveel glas,

dat elke harde stem

een steen is en een barst.

Ik moet u spiegelen

zo breekbaar ver,

dat gij gaat wiegelen

voor ik u her-

over als ster,

en weer versmelt tot schuim en dras,

om in dit zingen op te gaan,

een zeepbel, groot; langzaam.

.

Kind

Dubbel-gedicht

.

Opnieuw een Dubbel-gedicht en dit keer over het kind. De meeste gedichten over kinderen zijn, valt me op, nogal sentimenteel of juist vanuit het kind geschreven en daardoor spelend in de verleden tijd.  In de twee gedichten die ik over het kind bij elkaar heb gezocht gaat het over het opgroeiende kind, in het gedicht ‘Toen ik een kleine jongen was’ van de dichter J.C. Noordstar uit de bundel ‘De zwanen en andere gedichten’ uit 1967 (2e druk), en over de innerlijke wereld van een kind in het gedicht ‘Kind’ van Gerrit Achterberg uit zijn ‘Verzamelde gedichten’ uit 1980 (mijn exemplaar).

De dichter J.C. Noordstar (1907 – 1987) is minder bekend dan Gerrit Achterberg. J.C. Noordstar was het pseudoniem van prof. dr. Arnold Jan Pieter Tammes. Hij debuteerde met ‘De zwanen en andere gedichten in 1930 waarna al snel de bundel ‘Het pierement’ verscheen (ook in 1930) dat hij samen schreef met Halbo C. Kool, N.E.M. Pareau en Herman Poort. Hierna schreef hij nog samen met N.E.M. Pareau de bundel ‘Argos en Arcadia’ (poëzie en proza) en daar bleef het bij voor wat betreft de bijdrage van Noordstar aan de literatuur.

.

Toen ik een kleine jongen was

.

Toen ik een kleine jongen was

ging ik ’s avonds liggen tussen de koude lakens.

Mijn bed was groot en wijd als de wereldzee,

daar lag ik lekker als een opgerolde slak.

Maar later werd mijn lichaam groter en harder,

en wanneer ik nu mijn benen strek

dan slaat mijn harde hoofd tegen de planken.

O, ja wanneer je groter wordt

stoot je je hoofd tegen de beddeplank.

.

Kind

.

Terwijl we het niet laten blijken

dat werelden in ons bezwijken,

kijkt het kind ons aan.

.

Hij weet er alles van

en vindt vanzelf een naam,

bewaard binnen zijn koninkrijken,

.

en vangt met ons het spelen aan

als zijnsgelijke.

.

Een gans heelal is eeuwig voor zolang.

.

Guur en nat

Gerrit Achterberg

.

Ik hoor regelmatig allerlei mensen hun liefde uiten voor de herfst en het weer dat daarbij hoort. Ik heb dat helemaal niet. Geef mij maar de lente en de zomer. Ik zie vooral natte en gure dagen, die te laat op gang komen en te vroeg sluiten. Het lijkt alsof het donker ons wil verstikken, ik zou er poëtisch van worden.

Gelukkig hebben al vele dichters dat voor mij gedaan, zoals de dichter Gerrit Achterberg (1905 – 1962). Van mijn broer kreeg ik ‘Verzamelde gedichten’ uit 1984 met zijn volledige oeuvre. In deze bundel staat ook het gedicht ‘November’ en toen ik het las wist ik meteen; dat ga ik delen.

Achterberg laat in dit gedicht doorklinken wat ik voel bij november, alleen hij betrekt er nog allerlei droefmakende en ongemakkelijke zaken bij en voegt aan de weersomstandigheden onderwerpen toe als verwijdering, dood, verschraling en kou. Een dergelijk gedicht moet toch ook de meest fervente herfstweerliefhebber van gedachten doen veranderen.

.

November

.

De nederige dagen van november

zijn weer gekomen. grijze als een emmer

.

tevreden met het licht dat minderde

op de gezichten van de kinderen.

.

De wereld heeft derde dimensie over.

Stakerig staan de bomen zonder lover.

.

Door iedereen van ver te onderkennen,

moeten wij aan het nieuwe platwals wennen

.

en lopen groot voorbij de kale heg.

De fietsen rijden hoog over de weg.

.

Vermindering gaat zienderogen door.

De eerste kouwe handen komen voor.

.

Geslachte varkens hangen te besterven;

ontnuchteren de paarse boerenerven.

.

De protestante dagen van november

dragen geen heiligen op de kalender.

.

Een rij weesjongens met gelijke trekken.

In ’t lege land opengebleven hekken.

.

Weduwen, terend op een schraal pensioen.

Gemeentewoningen die weinig doen.

.

Toon van november knalt het jagersschot.

Verder en verder valt een deur in ’t slot.

.

Eerlijke kerken houden voor ’t gewas

dankstonden achter dun, armoedig glas.

.

Alles wordt enkeling. Een eigen graf

wacht op het kerkhof zijn bewoner af.

.

Huizen verwijderen zich van elkaar.

Wij kijken in de gaten van het jaar.

.

Uitzicht genoeg

Marjoleine de Vos

.

Vandaag uit mijn boekenkast de bundel ‘Uitzicht genoeg’ van dichter Marjoleine de Vos (1957). De Vos studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en schreef in 1985 haar doctoraalscriptie over dichter Gerrit Achterberg. Wat opvallend is aan haar carrière is dat ze vooral als jurylid van vele jury’s actief is  zoals de Zilveren en Gouden Griffeljury (ze schreef zelf ook kinderboeken) maar ook voor de Herman Gorter-prijs, de P.C. Hooft-prijs, de A. Roland Holst-penning en de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

Ze schrijft ook een column voor het opinieweekblad VolZin. In 2000 verscheen haar eerste poëziebundel ‘Zeehond graag’, in 2003 gevolgd door ‘Kat van sneeuw’. ‘Zeehond graag’ werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002. In het voorjaar van 2008 verscheen haar bundel ‘Het waait’. De bundel ‘Uitzicht genoeg’ is uit 2013 en een succes gezien het feit dat ik een vierde druk heb (binnen één jaar).

Uit deze bundel het gedicht ‘Kringloop’, een gedicht over de kringloop van het leven maar voor mij ook omdat ik daar zo graag kom in kringloopwinkels (en veel van de bundels in mijn boekenkast daar vandaan komen).

.

Kringloop

.

En steeds is alles op zijn mooist: van start

in volle bloei tot rood en krachtig kaal.

Er huist geen groot schandaal in leven

dat verdwijnen moet om nog onwennig

op te staan in een herschreven vorm.

We spreken over ons bestaan, we lachen

willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier

heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid

tot flierefluiten voor wie wil.

.

Ik proef iets wat bedorven is

Hekeldichten

.

Bij uitgeverij Passage worden mooie en interessante dichtbundels uitgegeven. In 2016 werd bijvoorbeeld, als onderdeel van De doos van Passage, de bundel ‘Ik proef iets wat bedorven is’ gepubliceerd. In deze fijne bundel nemen Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde ons mee in de wereld die Hekelgedichten heet. In de inleiding wordt door de heren meteen al korte metten gemaakt met de gedachte dat hekeldichten om te lachen zijn, of dat ze in de categorie Light verse zouden vallen. In de inleiding wordt uiteengezet dat hekeldichten (ook) groot, ernstig en complex kunnen zijn. De namen van de hekeldichters doen ook al zoiets vermoeden; Gerrit Achterberg, P.A. de Génestet, Jan Hanlo, Ilja leonard Pfeijffer maar ook Driek van Wissen, Hans van Willigenburg en Delphine Lecompte.

De inleiders besluiten de inleiding met de zinnen: “Geen gevaarlijker stroming in de poëzie dan het hekeldicht. Met name voor de dichter wel te verstaan. Talloos zijn de dichters die omwille van een hekeldicht in de gevangenis of of het concentratiekamp kwamen. Tegenwoordig is die kans in Nederland niet zo groot. Maar wie een hekeldicht schrijft, zeker wanneer de inzet serieus is, geeft zich werkelijk bloot.” En zo is het maar net.

De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld met titels die beginnen met ‘Tegen’ gevolgd door landen, klein leed, de liefde, een bepaald slag mensen, de wetenschap, de poëzie, God, etc etc.  Voor wie in een recalcitrante bui is of gewoon even tegen iets in het bijzonder of het leven in het algemeen is dit een heerlijke bundel om te lezen. Uit het hoofdstuk ‘Tegen de poëzie en de literaire wereld’ het gedicht ‘Hard werken’ van Joost Reichenbach

.

Hard werken

.

“dichten is hard werken”

.

zei de dichter tot zijn vrouw

“wacht dus maar niet

op mij vannacht”

.

en besteeg de trap

met een fles wijn

op weg naar de zolder

alwaar hij na drie lange teugen

deze regels optikte

zich daarna urenlang

heeft afgerukt bij

pornoplaatsjes van het internet.

.

“’t is weer mislukt”,

zei hij ’s ochtends,

.

“vanavond verder ploeteren.”

.

Makelaar

Gerrit Achterberg

.

In 1988 kwam de bundel ‘Verzamelde gedichten’ van Gerrit Achterberg uit. En omdat een gedicht van Achterberg altijd kan wilde ik daar vandaag een gedicht uit plaatsen. het is het gedicht ‘Makelaar’ geworden. Ik herken in dit gedicht hoe het maar al te vaak gaat, je bent op weg naar iets of iemand, je ziet en ervaart dingen, hoort mensen en maakt dingen mee die zich vast zetten in je hoofd. Terwijl je op weg bent vormen zich de eerste zinnen en wanneer je dan op je bestemming bent aangekomen is het tijd om deze zinnen op te schrijven en te bewaren. Soms is het een gedicht, een andere keer een aanzet of slechts flarden.

.

Makelaar

.

De ochtend maakt de schemering bezonnen.

Najaden keren ijlings naar de bronnen.

Voetstappen buitenshuis  weerklinken licht.

Verzen, gedeeltelijk in hun coconnen,

zoeken aanknopingspunt en tegenwicht.

.

De meester gaat al met een nieuw gezicht

het raam voorbij. Hij heeft het overwonnen,

wat hier nog voor de helft ligt ingesponnen.

Melkslijter en besteller doen hun plicht.

.

Gedicht en dag schommelen om elkander

en beide willen dat ik mee verander.

Ik heb geen tijd of woord meer te verliezen

bij deze wedijver en pak mijn biezen;

hol naar de halte. Op het hoofdkantoor

tik ik het vers tussen de regels door.

.

Stof zijn wij

Brein en poëzie

.

Voor de bundel ‘Stof zijn wij, brein en poëzie’ zochten Rutger Kopland en Neerlandicus Reinier Spreen gedichten bijeen waarin hersenen en hersenfuncties een rol spelen. Rutger Kopland (pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker) die als hoogleraar biologische psychiatrie, hoofd was van een afdeling waarin onderzoek wordt gedaan naar de relatie tussen hersenen en gedrag, was de juiste dichter om deze bundel met Reinier Spreen samen te stellen.

De gedichten in dit bundeltje, dat werd uitgegeven in 2002 door Vergouw Publishing, getuigen van het besef dat het brein een wonderbaarlijke stoffelijke machinerie is, die ons met onszelf en met de wereld om ons heen verbindt.

In deze bundel staan 25 gedichten van dichters als o.a. Leo Vroman, Wiel Kusters, J. Bernlef, M. Vasalis, Gerrit Kouwenaar en Gerrit Achterberg. Het gedicht dat ik koos is van Willem van Toorn, is getiteld ‘Geheugen’en verscheen eerder in ‘Gedichten 1960 – 1997’ uit 2001.

.

Geheugen

.

Hoe je bestaat in mijn hoofd:

op filmpjes van oude tijd

in lussen opgehoopt.

Beelden verstild, maar bereid

.

tot leven te komen zodra

licht van verlangen of spijt

door kristallen schijnt.

Een straat. We kijken je na.

Deur waar je achter verdwijnt.

.

Of: haast onzichtbaar klein

diep in een landschap bewaard,

deel van een ansichtkaart

uit een ontroerd domein

kennelijk. Wie je heeft gespaard

in dat boordevol hoofd van mij

moet wel haast ik zijn.

.

Waar dit je bijna raakt

loopt de film op zijn eind.

.

2 Muzen

Boekenweekgeschenk

.

In 1955 werd in het kader van de Boekenweek het bundeltje ‘2 Muzen’ uitgebracht als boekenweekgeschenk. Een verzameling van Nederlandse gedichten handelend over muziek, uitgezocht door Jan Engelman en Wouter Paap. In de inleiding bij dit boekje staat:

Dit bundeltje wordt de wereld ingezonden in de hoop, dat de jeugdige muziekminnaars er de schoonheid van de dichtkunst door op het spoor mogen komen, en dat de poëzieminnaars er iets van de mysterieuze werking der muziek uit zullen leren kennen. De omgang met dit zusterpaar: dichtkunst en muziek, kan het leven van kunstgevoelige naturen in dubbele zin verrijken.

Tegenwoordig zou een dergelijke bundel waarschijnlijk gevuld zijn met de cross over tussen rap muziek en poëzie. Toen ging het vooral om klassieke muziek zoals in het gedicht ‘Eine kleine Nachtmusik’ van Gerrit Achterberg, oorspronkelijk verschenen in de bundel ‘Cryptogamen’ uit 1946.

.

Eine kleine Nachtmusik

Terwijl hij onder den vleugel sliep
alsof geen morgen hem meer riep,
begonnen zacht op ‘t wit en zwart
van ‘t doodstil glanzend mechaniek
de snelle maten van het lied
dat in zichzelf verdronken sliep,
dat in zichzelf verzonken zag
naar wie het riep
met klare, jubelende kracht.

Haastig en diep gelukkig schiep
Mozart zijn kleine nachtmuziek.

.

%d bloggers liken dit: