Site-archief

Gemadeliefd

Anton Ent

.

Anton Ent is het pseudoniem van Henk van der Ent (1939), een Rotterdams dichter, prozaschrijver en essayist. Op zoek naar de achtergrond van Anton Ent bleek dat we beide op de School voor Taal en Letterkunde hebben gestudeerd in Den Haag (inmiddels reeds lang geleden opgegaan in een andere opleiding). Hij was zijn werkzame leven actief in het lager onderwijs en docent Nederlands.

In 1969 debuteerde hij met de bundel ‘Hagel en sneeuw’ Eind 1993 baarde Henk van der Ent opzien door zich te onthullen als de man achter het pseudoniem Marieke Jonkman, een dichteres die sinds 1991 veel succes had met haar bundels. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in ‘Maatstaf’, ‘Liter’ en ‘Tirade’ en als Marieke Jonkman in ‘De Gids’, ‘Ons Erfdeel’, ‘Dietsche Warande en Belfort’ en ‘Hollands Maandblad’. In totaal publiceerde Ent 17 dichtbundels. Hij wil door middel van beelden, klanken en ritme bij de lezers gevoelens oproepen. Zijn poëzie vereist een leeshouding waarbij de lezer zich openstelt voor de evocatieve kracht van de taal.

In de binnenflap van de bundel ‘Hoe het licht valt’ van Anton Ent uit 2016, schrijft Jaap Goedegebuure: “Karakteristiek voor zijn poëzie is dat ze in haar mystieke gerichtheid gedurig heen en weer slingert tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling”.

Op zoek naar het laatste kwam ik uit bij beide in het bijzondere gedicht ‘Gemadeliefd’. Bijzonder omdat de dichter in dit gedicht woorden gebruikt die in het Nederlands niet bestaan maar waarbij de lezer meteen een beeld of idee heeft. Ik hou van dergelijke taalvondsten en daarom hier dit gedicht.

.

Gemadeliefd

.

Ben ik gemadeliefd om gloed te zien in spierwitte straling?

.

De lintbloemen glimlachen  om de vierentwintig fijnzinnige

richtingen van de windroos die naar haar willen verwijzen

.

Ik zou vergrast of versteend willen zijn

maar verman me

.

Ajuinvingers

Stefan Hertmans

.,

Liefdespoëzie schrijven is een vak apart. En niet eenvoudig. In een liefdesgedicht de clichés vermijden, de platgetreden paden ontwijken, de pathetiek bezweren en juist door niet te zeggen wat je wil zeggen in letterlijke bewoordingen maar in goed gekozen woorden waaruit de lezer kan opmaken wat je bedoeld; daar kunnen goede liefdesgedichten uit voortkomen.

Een dichter die heeft bewezen prachtig over de liefde te kunnen dichten is de Vlaamse dichter Stefan Hertmans.

Hertmans (1951) is schrijver, essayist en dichter. Zijn werk werd in vele talen vertaald en voor zijn werk kreeg hij veel prijzen en werd hij verschillende keren genomineerd voor belangrijke poëzieprijzen. In 2019 kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs. Daarnaast verscheen werk van hem in alle belangrijke magazines in binnen en buitenland.

In 2016 verscheen van hem bij uitgeverij de Bezige Bij de bundel ‘Een beeld van jou’ gedichten over de liefde. De gedichten uit deze bundel werden opgenomen uit ‘Muziek voor de overtocht. Verzamelde gedichten 1975-2005’ uit 2006 en ‘De val van vrije dagen’ uit 2010.

Of er een subtiel verschil is tussen liefdesgedichten en gedichten over de liefde weet ik niet maar ik maar alle aspecten van de liefde komen aan bod in deze bundel. Ik koos voor het gedicht ‘Ajuinvingers’ alleen al om de titel waarbij je meteen een beeld of een herinnering hebt en om de schoonheid van het woord ‘Ajuin’.

.

Ajuinvingers

.

Je sneed ze alsof ze leefden,

eerst dwars en dan de ringen,

maar het deed pijn daar

waar de schil je huid kon raken.

.

We moeten nu niet praten

had je nog gezegd.

Je ogen prikken maar het

stelpt de woorden niet.

.

Zelf rook ik de rode snippers,

hun sap nog in de vingers

die ik op je handen had gelegd.

.

Zo bezocht me ooit een engel,

terwijl jij koortsig sliep,

.

en op het vuur een pan

die jaren blonk van avondlicht.

.

Verlicht ons, Muze,

versnipper onze levens.

.

Omhels me, jij,

je vingers ruiken

en ze beven.

.

 

 

Van Duinkerken en Kemp

Dichters over dichters

.

Vandaag in de rubriek ‘Dichters over dichters’ de dichter Anton van Duinkerken (1903 – 1968) die het gedicht schreef ‘Voor Pierre Kemp’ de Limburgse dichter die leefde van 1886 tot 1967. Willem Asselbergs (zoals de echte naam van Anton van Duinkerken luidde) was dichter, essayist, hoogleraar, redenaar en literatuurhistoricus. In 1933 kreeg hij de C.W. van der Hoogtprijs, in 1960 de Constantijn Huygensprijs en in 1966 de P.C. Hooft-prijs.

In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1957 is het gedicht opgenomen ‘Voor Pierre Kemp’. Kemp, net als van Duinkerken afkomstig uit het zuiden van Nederland, was net als van Duinkerken een van de woordvoerders van het katholieke levensbesef (zoals zo mooi omschreven staat achterop de bundel van van Duinkerken). Het gedicht komt uit het hoofdstuk ‘In spiegel en raadsel’ uit de bundel. Uit het gedicht blijkt een grote mate van bewondering van van Duinkerken voor de dichter Kemp.

.

Voor Pierre Kemp

.

In de trein zitten, buiten kijken,

Seinwachtershuisjes zien staan,

Van binnen op klaprozen lijken,

Wie heeft dit bekwamer gedaan?

Nadoen kan ik u niet.

Ik mis die saffraangeel klanken.

Voordoen is echt niet nodig.

Dit weten maakt ieder lied

Van mij voor u overbodig

Behalve dan om u te danken.

.

Schilderij uit de schrijversgalerij van het Literatuurmuseum in Den Haag van Theo Swagemakers ( 1898 – 1994)

Zon

Ester Naomi Perquin

.

De dichter, schrijver, columnist, essayist en voormalig stadsdichter van Rotterdam (2011-2012) en Dichter des Vaderlands (2017-2019) Ester Naomi Perquin (1980) is een multi-talent. Ze debuteerde in 2007 met de bundel ‘Servetten halfstok’ die werd gevolgd in 2009 door de bundel ‘Namens de ander’, in 2012 met ‘Celinspecties’, in 2016 met ‘Jij bent de verkeerde en alle andere gedichten tot nu toe’ en in 2017 met ‘Meervoudig afwezig’.

Ze kreeg verschillende poëzieprijzen waaronder de J.C. Bloem-poëzieprijs en de Anna Blaman Prijs. Een aantal van haar gedichten verschenen op kaarten en posters bij Plint. Zo ook het gedicht ‘Zon’.

.

Zon

.

Ik sta een tijdje met mijn vriendje op de dijk.

Kijk, zegt hij: de zon zakt in de zee
en het licht zakt langzaam mee

en de schaduwen verdwijnen
en de kleuren van de dag

en als het donker wordt
dan is het avond

en is het avond
wordt het nacht.

Mooi hè, zegt hij.
En we zwijgen.

Het is mooi en
goed bedacht.

.

Koe

Dubbel-gedicht

.

Vandaag een Dubbel-gedicht over de koe. Het is mij gebleken dat dieren een graag gekozen onderwerp zijn voor poëzie en de koe is daar geen uitzondering op. Twee gedichten dus over dit prachtige dier.

Het eerste gedicht is van dichter en essayist C.O. Jellema (1936 – 2003) en is getiteld ‘Ontmoeting met een blaarkop’. Het gedicht werd gepubliceerd in ‘De Groninger blaarkop’ een uitgave van uitgeverij Kleine Uil uit 2002.

Het tweede gedicht is een veel ouder gedicht van dichter Jacob Winkler Prins (1849 – 1904), dichter, prozaschrijver, kunstschilder en zoon van Anthony Winkler Prins, naamgever en samensteller van de gelijknamige encyclopedie. Het gedicht ‘Trek-os’ komt uit ‘Verzamelde gedichten’ van de Maatschappij tot verspreiding van goede en goedkoope lectuur uit 1929.

Twee gedichten over de koe, het rund (een blaarkop en een os in dit geval) van een Gronings en een Fries dichter.

.

Ontmoeting met een blaarkop

.

Je vindt me vreemd, eng haast, blijkt uit je blik,

met zo’n geboortemasker, wit, en ogen

zo zwart omrand die jou enkel gedogen,

denk je, op afstand, want ik merk jouw schrik

.

als je je hand uitsteekt en kopschuw ik

terugdeins zelf – voor wat, voor een te hoge

verwachting? die, bij voorbaat al bedrogen,

maakt dat, uit schaamte wijs, ik weeg en wik.

.

Maar vaak, ontwaakt in ochtendschitterdauw

– ze slapen nog, de anderen, gewonen –

mijmer ik hoe me niet meer te verschonen

.

voor dat ik zo ben, me lijk te verbergen,

prins van Sneeuwwitje en haar zeven dwergen –

wat niemand aan me ziet vertel ik jou.

.

Trek-0s

.

Uit koele kalme schaduw van het bos,
Treedt langzaam-aan kopschuddend-schomlend, de os;
.
Treedt op het blinkend zandpad, dat gevlekt
Met tak- en bladeren-schauw, is overdekt
.
Van brandend zonlicht, zomer-zon-gegloor
De hele dag, van vroeg tot ’s avonds, door.
.
Hij keert naar stal en ziet het open hek…
Een korte ruk aan ’t leidzeel… Uit zijn bek
.
Valt vlokkig schuim, en eensklaps staat hij pal,
De voerman roept… Daar zijn de kindren al!
.
Ze klimmen naast hem, allen rood en ros,
Op ’t kleine bankje, naast hem met geklos.
.
Dan weer een rukje aan ’t leidzeel rond de bek
En langzaam-aan gaat ’t weer vooruit, trek, trek.

.

 

Zomergedichten

Dubbel-gedicht

.

Nu de zon weer schijnt in deze rare en ingewikkelde tijden vond ik het tijd om ook in mijn berichten wat vaker de zon te laten schijnen. Als hart onder de riem of gewoon als voorbode van betere tijden. Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over de zon.

Het eerste gedicht ‘Zomer’ is van de dichter Jos De Haes (1920 – 1974) en komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986. De Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij debuteerde in de collectieve bundel ‘Aanhef’ in 1941 met ‘De diepe wortel’, publiceerde gedichten in ‘Podium (1943 – 1944) waar hij hoofdredacteur van was, in de ‘Poëziespiegel’ en in ‘Dietsche Warande & Belfort’ waarvoor hij in 1950 recensent werd en in 1960 redactielid. Na zijn dood verscheen zijn verzameld werk in 3 delen in 1974, 1986 en 2004.

Het tweede gedicht ‘Zonlicht’ is van dichter Rogi Wieg (1962 – 2015) en komt uit de bloemlezing ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ uit 2015. Rogi Wieg was schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant. Hij debuteerde in 1981 met de bundel ‘Cis-trans’. Hij was redacteur van de literaire bladen ‘Tirade’ en ‘Maatstaf’ en hij was tussen 1986 en 1999 als poëziecriticus verbonden aan ‘Het Parool’. Wieg kreeg onder andere het Charlotte Köhler Stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverblijf’. stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’. 

.

Zomer

.

Stond op de plek een wagen

scheef in de grond ter ziele.

De zon stond hout te zagen.

Ik sliep tussen de wielen.

Ik sloeg de liefde gade

van kevers en van maden.

Tedere bakelieten

plezierden en verdrietten

elkaar met dunne vijlen,

met haken en met bijlen,

met tatertjes en sprieten

alaam van sodomieten.

.

Ik lag in hoge klaver,

de rode toppen blekten.

Ik lag in hoge klaver

met wijfjes van insecten.

.

Zonlicht

.

Veel grote mannen hadden wel

een gezin, een warm bord op

tafel, een balkon boven de zee.

Ben ik een groot man, sla dan

.

tenminste een spijker in mijn

werk die niet krom en roestig

verleden of toekomst uitbeeldt,

maar als spijker het oog

juist op de hoogte houdt

.

van wat het moet zien:

ik mis je zo, eeuwigheid,

dat ik haastig naar huis ga

uit het zonlicht om nog

.

tijd te hebben thuis te komen

uit het zonlicht.

Grootheid is het meervoud omarmen

van grammaticaal zeer ongelijke tijden.

.

 

Dichter bij Bloem

Alphen aan de Rijn

.

De dichter en essayist over poëzie J.C. Bloem (1887 – 1966) wordt sinds 2016 met een plaquette geleerd in de stad waar zijn ouders en hij zelf in zijn jeugd woonde Alphen aan de Rijn. Om precies te zijn bij de Villa Nuova aan de Oudshoornseweg. In 2016 was er wat gedoe over de plaatsing van deze plaquette omdat bekend was dat Bloem voor de oorlog lid was van de NSB en er soms nogal dubieuze ideeën op na hield. Hoewel de gemeente eerst niet wilde meewerken ging met toch akkoord om de betekenis van de dichter Bloem in de Nederlandse poëzie.

In het jaar dat het project Dichter bij Bloem van start ging werd onder andere een bord bevestigd bij de ingang van Villa Nuova en werd er een gedichtenwedstrijd uitgeschreven onder middelbare scholieren onder de ietwat vreemde titel Winning Moed. Het project liep tot 10 mei 2017, precies 130 jaar na zijn geboortedag. Op een overzichtsbord bij de Villa is nu nog een foto en informatie over dit project te lezen, evenals een aantal gedichten van Bloem.

Hieronder wat foto’s genomen door mijn broer en een gedicht van Bloem in sonnetvorm uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ derde druk uit 1968 het gedicht ‘De gelatene’.

.

De gelatene

.

Ik open ’t raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatste te beminnen.
.
Er was in ’t leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.

..

Dubbel-gedicht

Oud Eik en Duinen

.

Jaren geleden schreef ik een gedicht over de prachtige oude begraafplaats Oud Eik en Duinen. Dit gedicht werd onder andere gepubliceerd in mijn bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus’, De Oud Hagenaar, in Poëzie op Pootjes 3 en op de website van Monuta (hetbedrijf dat Oud Eik en Duinen beheerd) https://www.monuta.nl/vestiging/begraafplaats-oudeikenduinen/actueel/wouter-heiningen/ . Afgelopen weekend las ik in een editie van Maatstaf tot mijn verbazing een gedicht met dezelfde titel. In de Maatstaf nummer 1 van de veertiende jaargang (1966) staat het gedicht ‘Oud Eik en Duinen’ van dichter F.L. Bastet.

Frédéric Louis Bastet (1926 – 2008) was een Nederlandse literator, biograaf van Couperus, archeoloog, schrijver, essayist en dichter. In 1960 debuteerde hij met de poëziebundel ‘Gedichten’ en gedurende zijn leven schreef en publiceerde hij regelmatig dichtbundels. Tussen het eerste gedicht (van mij) en het tweede gedicht (van F.L. Bastet) zit ongeveer 50 jaar.

.

Oud Eik en Duinen

.

De kraaien zijn geen kraaien
meer, maar kauwen
hun zwarte werk verlicht

.

hier trekt je laatste adem
een kou doortrokken wintervacht aan
en zingt de lucht in stilte

.

de prikklok slaat nu nog eenmaal
gaten in de tijd, toch, wie er moet zijn
is aanwezig

.

hij die stof verlangt
wordt niet teleurgesteld, de grond
wordt dik belegd met ons gepeins

.

Oud Eik en Duinen

.

Geen freule draagt meer veertjes in haar staart.
Dat is voor vogeltjes die bij de berk,
nog niet gepiept, de kantjes van de zerk
aflopen waar een muskusgeur ontaardt.
.
Laan Copes leeggesnikt. Een fijnbesnaard
zonharpje speelt op paal en plantjesperk.
En Psyche (art nouveau) bekruipt een sterk
klimopgevoel terwijl zij navelstaart:
.
Vermoeden van een kelder kleine zielen,
bloedarm verdriet, een krocht archilleshielen
en menige onuitgepiozen bruid.
.
O dood, niet groter dan de paardetram,
dof als een in de trijp gesmoorde stem,
hoe beeldig teren witte rozen uit.

.

Het sterrenbeeld

Anthonie Donker

.

In 1946 publiceerde uitgeverij Van Loghum Slaterus de bundel ‘Het Sterrenbeeld’ van dichter Anthonie Donker. De verzen die in deze bundel stonden waren allemaal geschreven in de jaren 1940 – 1942. Anthonie Donker is het pseudoniem van Nicolaas Anthonie (Nico) Donkersloot (1902 – 1965). Donkersloot was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, literair vertaler en dichter.

Anthonie Donker debuteerde als dichter in ‘De Vrije Bladen’ in de jaren twintig van de vorige eeuw. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel ‘Kruistochten’ de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel ‘Grenzen’.

In de oorlog schreef hij onder het pseudoniem Maarten de Rijk. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in het Oranjehotel (de gevangenis van Scheveningen) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.

Op https://www.dbnl.org/tekst/_str007194701_01/_str007194701_01_0062.php staat over deze bundel onder andere te lezen: Deze verzenbundel bevat vijf-en-dertig stukken, bijna alle sonnetten, in drie groepen onderverdeeld: een onverpoosd beuken, met een zachte hardnekkigheid, tegen de wanden van dit vergankelijk leven; een moeizaam vangen, in té omzich-tig bewerkte verzen, van vôôr-klanken der eeuwigheid; een nooit voltooide onthechting voor wie, vol van heimwee, het bestaan wil bereiken tussen hemel en aarde, het ‘sterrenbeeld’.

Ik koos uit ‘Het sterrenbeeld’ het gedicht ‘Het portret’.

.

Het portret

.

Ten einde raad, zal ik haar eindlijk schildren?

Herschep de ruimte, hand, met uw gebaar

Tot schets en dan tot beeltenis van haar,

Laat niet de drift der vingers weer verwilderd,

Ten einde raad zal ik haar eindlijk schildren.

.

Gewent zij zich reeds in haar eigen trekken?

O worstling om het dierbare portret

In streek na streek als booten uitgezet

Verlangend om die kustlijn te ontdekken,

Zij vindt haar weg reeds in haar eigen trekken.

.

Hoe de muziek der oogen te vertalen?

Diep genoeg ziende in dien sterrennacht,

Ontwarend waar zij altijd nog op wacht

Zie ik de engel op het voorhoofd dalen

En zal van de oogen de muziek vertalen.

.

Maar hoe zou ik de pijn der lippen stillen?

Al ’t ondervondene en het rustloos spel.

Van snelle schaduwen, daarvan zal wel

Het teeken aan den mondhoek blijven trillen,

O pijn der lippen die ik niet kan stillen.

.

Eerst de hond

Dubbel-gedicht

.

Als er een thema is waarover veel gedichten zijn gemaakt (naast de dood en de liefde) dan is het wel het dier. En van alle dieren zijn er denk ik het meeste gedichten over katten, gevolgd door gedichten over honden. Voor het dubbelgedicht koos ik voor de laatste vooral omdat de twee gedichten die ik koos zo totaal verschillend zijn.

Het eerste gedicht is van Kees Stip (1913 – 2001). Onder het pseudoniem Trijntje Fop publiceerde hij vele nonsensversjes. In de bundel ‘De peperbek en andere beesten’ dat werd gepubliceerd onder zijn officiële naam C. Stip uit 1967 staan allerlei gedichten over dieren waaronder het gedicht ‘op een tekkel’.

Het tweede gedicht is van de Poolse dichter, toneelschrijver en essayist Zbigniew Herbert (1924 – 1998). Het gedicht ‘Eerst de hond’ komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999 en werd vertaald door Gerard Rasch. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is klassiek in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de trouw der dingen. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.

.

op een tekkel

.

Een tekkel volgde trouw te Dordt

een man met een reclamebord

waarop stond: PIETERS’PILLEN ZIJN

GEWELDIG TEGEN ZENUWPIJN.

het beest sprak enigszins verlegen:

‘Daar ben ik ook geweldig tegen.’

.

Eerst de hond

.

De hond zal dus als eerste gaan

daarna het varken of de ezel

in wart gras treden ze een paadje uit

en daarover schiet de eerste mens

die met ijzeren hand de druppel angst

verstikt die op zijn glazen voorhoofd zweet

.

als eerste dus de hond een brave hond

die nooit van ons is weggelopen

van een bot aardse lantaarns droomt

in zijn wervelende hok in slaap valt

zijn arme bloed raakt aan de kook verdampt

.

daarna gaan wij met een andere hond

die ons aan de lijn zal voeren

met onze witte astronautenstok

stoten wij onhandig sterren aan

niets zien we en niets horen we

we beuken op de donkere ether

en op alle golven klinkt gejank

.

al wat je mee op reis kunt nemen

door het koudvuur van de zwarte wereld –

de naam van mens de geur van appel

een noot van klank een kwart van kleur

.

heb je nodig voor de terugreis

voor het vinden van de snelste weg

wanneer de blinde hond je leidt

naar de aarde blaft als naar de maan

.

%d bloggers liken dit: