Site-archief

Climax

Opklimmend in de verdrukking

.

In maar vooral vlak na de tweede wereldoorlog verschenen nogal wat bundeltjes met gedichten over de verschrikkingen van de oorlog, het verzet en wat de oorlog met de mensen deed. Ik heb via een kringloopwinkel weer een bijzonder exemplaar kunnen bemachtigen met de veel zeggende titel ‘Climax, opklimmend in de verdrukking’ uit 1945. De bundel werd gepubliceerd door Rayon Barendrecht L.O. (Landelijke Organisatie)

In de inleiding staat: “Alle (gedichten), zonder uitzondering, zijn gemaakt in een tijd van duistere bezetting, door leden van het illegale front, waarvan er verschillende gevallen zijn op het veld van eer, terwijl anderen de publicatie van hun geschrift hebben mogen beleven. Ook de verdere voorbereidingen, om het werk in druk te doen verschijnen, moesten in alle stilte en met de grootste voorzichtigheid getroffen worden, zij het dan ook, dat de Dageraad der Bevrijding begon te gloren. Nu staat de bundel in het volle Licht der Vrijheid. De baten ervan vloeien in de kas, die gesticht is, om de nagelaten betrekkingen te ondersteunen van hen, die het kostbaarste, wat zij bezaten, veil hebben gegeven voor hun Vaderland.”

Nog voor de inleiding staat een foto van koningin Wilhelmina met daaronder 13 mei 1940. Gevolgd door een gedicht van, de op dat moment inmiddels overleden, Ds. W.L. Welter.

.

Neen, ’t was geen vlucht die U deed gaan

Maar volgen, waar God riep:

‘k vraag niet wat in U is doorstaan,

Een strijd hoe zwaar, hoe diep.

.

Wij knielen naast en met U neer,

Tot God de blik, de hand,

Geef Neerland aan Oranje weer,

Oranje aan Nederland.

.

En kome dan wat komen mag,

W’aanbidden, zwijgen stil.

De nacht zij zwart, omfloerst de dag,

Geschiedde Heer , Uw wil!

.

Verder in de bundel gedichten over die eerste maand van de oorlog, over de Jodenvervolging, het vastzetten en fusilleren van verzetsstrijders en over hoe Nederland herrijst na de 5 jaren duisternis. Maar ook gedichten (het grootste deel anoniem overigens) van strijd en hoop zoals het gedicht ‘Het hoofd omhoog’.

.

Het hoofd omhoog

.

Het hoofd omhoog, al schrijnt Uw hart

van al die nameloze smart……

Al wordt g’ook dodens-toe gesard

dan nog dien wreden beul getart,

Zij zullen ons niet krijgen!

.

Het hoofd omhoog, ook als het bloedt,

Omhoog naar God, die u behoedt,

En martelaarsbloed gedijen doet!

Het hoofd omhoog, met fiere moed;

Zij zullen ons niet krijgen!

.

 

 

Oorlogsstad

Rotterdam 1940 – 1945

.

Ik was afgelopen weekend in Antwerpen en daar, in een winkeltje met tweedehandsboeken vond ik een kleine schat. Een eerste, en voor zover ik kan nagaan enige, druk van het bundeltje ‘Oorlogskind, kwatrijnen, Rotterdam 1940 – 1945 van P.J.G. Huincks. Uitgegeven door Hollandia in Baarn in 1945 en nog in een bijzonder goede staat.
Het bundeltje heeft een slappe kaft en bevat 86 pagina’s met op iedere pagina een kwatrijn naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog en dan speciaal poëzie die gaat over de vernietiging en wederopbouw van Rotterdam.
.
De bundel begint met het volgende kwatrijn:
.
Wat wij aanschouwen, is geen epos waard.
’t Rouwzwart, ’t bloedrood, tijds grauw, puinwitje kaart
der stad, ’t werd tot een mozaïek kwatrijnen.
Voor later wordt het heldendicht bewaard.
.
Daarna volgen vier kwatrijnen onder de titel ’10 mei 1940′ gevolgd door 77 kwatrijnen onder de titel ’14 mei 1940′ die allemaal gaan over de oorlog in Rotterdam beginnend bij het bombardement op Rotterdam. Van die 77 kwatrijnen hier twee voorbeelden.
.
Een luchtvloot toonden ze fraai kringende,
met angst en vuur een zege dwingende.
De stad ging feilloos branden tot een weg
van vuur. Ze trokken binnen. Zingende!
.
De Hunnenstorm heeft straten kaal geslaagd,
de winterkou alleeën afgezaagd.
Het adelijk geboomte viel ten offer.
En ’t rattengrauw heeft ’t siergroen afgeknaagd.
.

Londen roept

Brexit

.

Op de dag dat de Brexit een feit is hoor ik op de radio dat er in Groot-Brittannië onder met name de jongeren een zelfde sentiment heerst als destijds in de jaren ’80 toen Margareth Thatcher aan het bewind was. Ook toen waren het met name de jongeren die zich afzetten tegen de keuzes die gemaakt werden door de heersende politieke stroming. Dat resulteerde in dichters (o.a. Linton Kwesi Johnson), en musici (o.a. The Clash en UB40) die zich in hun teksten afzetten tegen de machthebbers.

Een van de belangrijkste nummers uit die tijd, die nu ook weer heel actueel is, is ‘London Calling’ van The Clash. Een band die punkrock maakte en die opviel door hun sterke geëngageerde teksten die met dit nummer maar ook met het album ‘Sandinista’ en later ‘Combat Rock’ duidelijk stelling nam.

De tekst van ‘London Calling’ is op dit moment nog net zo actueel onder een groot deel van de bevolking van Groot-Brittannië als het was eind jaren ’70 ten  tijde van Thatcher. Daarom hier de tekst en de videoclip op de dag van de Brexit.

.

London Calling

.
London calling to the faraway towns
Now war is declared and battle come down
London calling to the underworld
Come outta’ the cupboard, ya’ boys and girls
London calling, now don’t look to us
Phony Beatlemania has bitten the dust
London calling, see we ain’t got no swing
‘Cept for the ring of that truncheon thing
.
The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Meltdown expected, the wheat is growin’ thin
Engines stop running, but I have no fear
Cause London is drownin’, I, live by the river
.
(London calling) to the imitation zone
Forget it, brother, you can go it alone
London calling to the zombies of death
Quit holdin’ out and draw another breath
London calling and I don’t want to shout
But while we were talking I saw you noddin’ out
London calling, see we ain’t got no high
‘Cept for that one with the yellowy eyes

.The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Engines stop running, the wheat is growin’ thin
A nuclear error, but I have no fear
Cause London is drowning, I, I live by the river

The ice age is coming, the sun’s zoomin’ in
Engines stop running, the wheat is growin’ thin
A nuclear error, but I have no fear
Cause London is drowning, I, I live by the river

Now get this

(London calling), yes, I was there, too
And ya’ know what they said? Well, some of it was true!
(London calling) at the top of the dial
And after all this, won’t you give me a smile?
(London calling)

I never felt so much alike alike alike

.

Oorlog en vrede

Dubbelgedicht

.

Ik wilde een dubbelgedicht wijden aan herdenken, aan de oorlog en het verzet of aan de overledenen en terwijl ik aan het lezen was in allerlei bundels op zoek naar geschikte gedichten kwam ik twee gedichten tegen die in mijn ogen aan elkaar gekoppeld konden worden. Vanuit de oorlog naar de vrede en hoe we daarna met de overlevering aan de oorlog omgaan. Juist ook omdat in deze tijd herdacht wordt Auschwitz 75 jaar geleden bevrijd werd door het Rode leger en de discussie over hoe en of we kunnen blijven herdenken als de ooggetuigen en overlevenden van de oorlog er straks niet meer zijn.

Het eerste gedicht is van Martinus Nijhoff (1894 – 1935) en verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Vormen’ uit 1924. Wellicht is dit Nijhoff’s belangrijkste bundel. Hij schetst in deze bundel een beeld van de moderne mens in zijn verscheurdheid: zowel religieus verlangend, als zinnelijk en levensmoe. De wereld wordt ervaren als een chaos en de dichter tracht in zijn verzen deze te ordenen. Het gedicht dat ik koos is getiteld ‘Soldatenkerstmis’.

Het tweede gedicht is van Ed. Hoornik (1910 – 1970) en verscheen oorspronkelijk in De Gids (1965) en is getiteld ‘Tot de doden’. Reeds voor de oorlog waarschuwde Ed. Hoornik tegen het nazisme, onder meer met het gedicht ‘Pogrom’, met de slotregel “het is maar tien uur sporen naar Berlijn”. Door zijn verzet moest hij in de oorlog onderduiken, werd gearresteerd en werd via Kamp Vught in 1944 overgebracht naar concentratiekamp Dachau. Dit verblijf in Dachau heeft zijn verdere leven getekend. In de bundel ‘Ex Tenebris’ schrteef hij hier onder andere over: “wie daarin opgenomen is geweest, zal de dood tot zijn dood met zich meedragen”.

.

Soldatenkerstmis

.

Zij dorsten niet te zingen in de tent

Zoolang het kindje op den trommel sliep.

Toen hief er één zijn glas omhoog en riep:

“Hoera voor ’t kind! Hoera voor ’t regiment!”

.

Het heele kamp drong om de tent te hoop,

En al die lachende oogen werden week

Als ’t kind om groote vingers greep, of keek

Naar ’t blinken van een afgesneden knoop.

.

Eén brengt een bloem, een ander voert een geit

Nabij, waarop een jongen schrijlings rijdt –

Hoor, het is Kerstmis! Hoor de klokken beven –

.

God gaf een kinderhart aan den soldaat

En heeft, ontroerd, toen het verweerd gelaat

Met bijl en beitel uit ruw hout gedreven.

.

Tot de doden

.

Wij kunnen U niet meer bereiken
Wij komen een zintuig te kort
Wij leggen ons neer bij feiten
Dat gij minder en minder wordt

.

De enkele keren dat ge
In dromen nog ons verschijnt
Wordt ge al ijler en ijler
Tot ge voor altijd verdwijnt

.

Straten houden uw namen
Voor heden en morgen in stand
Maar onze kinderen brengen
Ze niet meer met u in verband

.

Het land ligt nog net als het toen lag
Van polder tot polder te kijk
De mensen die er in wonen
Blijven zichzelve gelijk

.

Maar éénmaal per jaar is de stilte
Tot de hemel toe van u vervuld
En belijden wij zonder woorden
Onze dankbaarheid, onze schuld

.

Begin van het einde van een regime

Ion Monoran

.

Op 16 december 1989 was het dertig jaar geleden, dat de revolutie tegen Ceaușesc ontketend werd in Timisoara, Roemenie. Ik herinner me dit nog goed, ik had in die periode een boek gelezen over het bizarre regime van Ceaușesc. Via collega dichter Serge van Duijnhoven ontving ik informatie over de dichter die de val van het Ceaușesc regime in gang zette. Uit een bericht op zijn website https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/ : Een moedige dissidente dichter genaamd Ion Monoran, had de euvele moed een trolleybus te kapen. En met zijn verzen op te roepen op te staan tegen het “Genie van de Karpaten” en diens misdadige ultra-communistische regime. Binnen een dag leidde de pop-up opstand van Monoran tot veertig doden die voor de kathedraal van Timisoara werden neergeschoten door de Securitate en een dag later verbrand op last van Elena Ceaușesc in Boekarest. De rest is geschiedenis.

Ion Monoran (1953–1993) werd geboren in het dorp Petroman in Timis, Roemenië. Hij was journalist, dichter en uitgever. Zijn eerste gedichten werden in 1976 gepubliceerd in het tijdschrift Forum studenţesc. Hij gaf les in de literaire kring ‘Pavel Dan’ van het Studenten Cultuurhuis in Timişoara en hij werkte samen met en publiceerde in de literaire tijdschriften Orizont, Amfiteatru, Echinox en Luceafărul. Geen van zijn boeken zijn tijdens zijn leven gepubliceerd. Monoran was een icoon onder de Boheemse kunstenaars van Timişoara en werd een culturele held na de revolutie. Zijn prijzen zijn onder andere de Orizont-tijdschrift Poëzieprijs (1987), de Nichita Stănescu-prijs voor hedendaagse poëzie (1987), de prijs voor literaire creatie (Satu Mare, 1987) en de Literaire Unie Debuutprijs. Voor zijn werk, Locus periucundus, werd hij geëerd door de gemeente Timișoara door hem ereburger te maken.

Na zijn dood werd Monoran pas gepubliceerd in een poëziebundel. Deze bundel ‘Locus Periucundus’ bevat gedichten uit de periode 1975-1989. Deze biografische poëzie geeft de impulsieve, abrupte en vaak tegenstrijdige teksten van Monoran de ervaring van een ‘vrije geest’. Uit deze bundel het gedicht ‘Locus Periucundus (1)’ (wat zoveel betekent als (tweede) Kamer voor meineed in het Latijn). In een vertaling van Marius Surleac en Marc Vincenz.

..

Locus Periucundus (I)

.

Before
becoming a village
this cluster of ruins
gently sloped beneath the trees, beneath bending
boughs, so that from place to place
fragments of wall peer out of the foliage,
a clutter of refuse
collapses into silence,
interrupted only by the murmur of countless
flowing streams
on winding narrow streets
and by the chatter of villagers
or the wide-eyed, ignorant
shepherds
menacingly dangling their clubs
above the hill’s crest,
behind their herds,
and among the brambles and blackberries
that impede the ewes’ ascent.

.

It is essential
to venture up there
amid the vineyards dull and bright,
to admire the hills
bombarded with rural echoes,
and to roam the dung-speckled grasslands
to reach
these Loci Periucundi
as Pliny would say—
places infused with the mysterious
presence of spirits
which give you an unsettling feeling
even when they are spelled out on paper,
not to mention to encounter them here
frightening and cheerful,
throbbing
in a slow affected ostentation
on the muddy footpaths shaded by thickets
from which curious news arrives
in light and shadow,
sweetened by bird song
or muffled by a profusion
of serpentine creeper vines
winding through trees.

.

Time
perfected
this green daedal country
dominated
by the language of birds and flowers,
a country prepared to take back its fauns and satyrs
concealed in the rocks
overgrown with ferns and wild roses—
as if designed in mad disarray
by a frivolous gardener
and in chaotic succession,
as if especially intended for lovers
seeking a hidden place for love.

.

In these places,
ruling for millennia,
hawk, bat, or cuckoo
have fulfilled their roles as augurs,
as angels and archangels, but now
hang as simple decorations
or as red penalty cards,
torn apart by weather and neglect.
.
Despite
the urgency of this beautiful,
almost Rousseauian spontaneity,
churches still loom
abundantly
in the oppressive religiosity
of the peasants
who, notwithstanding their kindness and courtesy,
are more renowned
for the quality of their wines and brandy
than any worship of saints
or their practice of the Mysteries
dedicated to Zamolxis or Dionysus.
.
The peasants are simple,
a living material
of farmers or miners or shepherds
and live their lives in these villages
built from these high walls and rubble—
rather more medieval than ancient.
And only my imagination
helps me see them
dissolve into the dream-light of an antiquity
that swarms everywhere,
reviving from these stones
with uncertain meaning,
the great towers of an almighty
Dacian stronghold,
which, in their long-lasting wanderings,
the Romans besieged.

.

Geen tweede Troje

Jean Pierre Rawie

.

Ik lees de laatste tijd veel over drugs, over dat drugs ons land in een wurggreep houdt, dat Myanmar de grootste drugsleverancier van de wereld is (Synthetische drugs), dat de pillen industrie Nederland vervuild (drugsafval) en ga zo maar door. Steeds meer ook gaat het over oplossingen en feitelijk is de beste oplossing dat niemand ooit meer drugs zou gebruiken. Een utopie, ik weet het maar het besef bij de gebruikers dat door het gebruik deze verwoestende industrie draaiende blijft, zou wat meer door mogen dringen. En dan heb ik het nog niet over de verwoestende effecten van langdurig drugsgebruik op lijf en leden (rottend gebit, schade aan hersenen en hart en ga zo maar door).

Ik moest, na een bericht over dit laatste, denken aan een gedicht van Jean Pierre Rawie uit de bundel ‘Oude gedichten’ uit 1990, een sonnet getiteld ‘No second Troy’.

.

No second Troy

.

Ik heb een vrouw bemind. die best

een tweede Troje zou verdienen,

en die door drank en heroïne

onder mijn ogen werd verpest.

.

Tot ziekbed kromp het liefdesnest,

en ik zou zachtjes willen grienen,

omdat alleen dit clandestiene

sonnetje van ons tweeën rest.

.

Zo’n veertien regeltjes waarmee je

een tipje van de sluier licht,

wat zout om in de wond te wrijven.

.

Wat zijn dat toch voor waanideeën,

dat je, verdomd, in een gedicht

‘de dingen van je af kunt schrijven’?

.

Let America Be America Again

Langston Hughes

.

Over Langston Hughes (1902 – 1967) schreef ik al eerder maar ik werd opnieuw op een gedicht van hem opmerkzaam gemaakt toen ik in ‘Waarom Amerikanen niet lopen’ een passage over dit betreffende gedicht las. In dit geval gaat het om het gedicht ‘Let America Be America Again’. Zoals Arjen van Veelen in zijn boek schrijft, lijkt dit wat op de term die Trump gebruikt (make America great again) maar in dit geval gaat het om een heel ander onderwerp. Dit gedicht, geschreven in 1935, gaat over de Amerikaanse droom, dat deze droom nooit heeft bestaan voor de Amerikaan uit de lower-class, zwart, wit of gekeurd. En over de vrijheid en gelijkheid waar elke immigrant in de VS ooit op heeft gehoopt maar nooit heeft gekregen. De Verenigde staten staat voor een land waar alles mogelijk is, maar hebzucht en corruptie beletten gewone mensen vooruit te komen. Het gedicht is een contrast tussen wat Amerika hoopt te zijn en wat Hughes en anderen hebben meegemaakt

.

Let America Be America Again

.

Let America be America again.
Let it be the dream it used to be.
Let it be the pioneer on the plain
Seeking a home where he himself is free.

.
(America never was America to me.)

.
Let America be the dream the dreamers dreamed —
Let it be that great strong land of love
Where never kings connive nor tyrants scheme
That any man be crushed by one above.

.
(It never was America to me.)

.
O, let my land be a land where Liberty
Is crowned with no false patriotic wreath,
But opportunity is real, and life is free,
Equality is in the air we breathe.

.
(There’s never been equality for me,

.
Nor freedom in this “homeland of the free.”)
Say, who are you that mumbles in the dark?

.
And who are you that draws your veil across the stars?
I am the poor white, fooled and pushed apart,

.
I am the Negro bearing slavery’s scars.
I am the red man driven from the land,
I am the immigrant clutching the hope I seek —
And finding only the same old stupid plan
Of dog eat dog, of mighty crush the weak.

.
I am the young man, full of strength and hope,
Tangled in that ancient endless chain
Of profit, power, gain, of grab the land!
Of grab the gold! Of grab the ways of satisfying need!
Of work the men! Of take the pay!
Of owning everything for one’s own greed!

.
I am the farmer, bondsman to the soil.
I am the worker sold to the machine.
I am the Negro, servant to you all.
I am the people, humble, hungry, mean —
Hungry yet today despite the dream.
Beaten yet today–O, Pioneers!
I am the man who never got ahead,
The poorest worker bartered through the years.

.
Yet I’m the one who dreamt our basic dream
In the Old World while still a serf of kings,
Who dreamt a dream so strong, so brave, so true,
That even yet its mighty daring sings

In every brick and stone, in every furrow turned
That’s made America the land it has become.
O, I’m the man who sailed those early seas
In search of what I meant to be my home —
For I’m the one who left dark Ireland’s shore,
And Poland’s plain, and England’s grassy lea,
And torn from Black Africa’s strand I came
To build a “homeland of the free.”

.
The free?

.
Who said the free? Not me?
Surely not me? The millions on relief today?
The millions shot down when we strike?
The millions who have nothing for our pay?
For all the dreams we’ve dreamed
And all the songs we’ve sung
And all the hopes we’ve held
And all the flags we’ve hung,
The millions who have nothing for our pay —
Except the dream that’s almost dead today.

.
O, let America be America again —
The land that never has been yet —
And yet must be–the land where every man is free.
The land that’s mine — the poor man’s, Indian’s,
Negro’s, ME —
Who made America,
Whose sweat and blood, whose faith and pain,
Whose hand at the foundry, whose plow in the rain,
Must bring back our mighty dream again.

.
Sure, call me any ugly name you choose —
The steel of freedom does not stain.
From those who live like leeches on the people’s lives,
We must take back our land again,

America!

.
O, yes,
I say it plain,
America never was America to me,
And yet I swear this oath —
America will be!

.
Out of the rack and ruin of our gangster death,
The rape and rot of graft, and stealth, and lies,
We, the people, must redeem
The land, the mines, the plants, the rivers.
The mountains and the endless plain —
All, all the stretch of these great green states —
And make America again!

.

Met meningen schrijf je geen goed gedicht

Remco Campert 

.

Op de dag dat er in het Volkskrant Magazine een groot interview verschijnt met dichter/schrijver Remco Campert (1929) plaatst de Belgisch-Egyptische dichter Emad Fouad een stuk op mijn Facebook tijdlijn uit de Poëziekrant van juli/augustus 2019 van Virginie Platteau. Nu zul je je misschien afvragen wat deze twee zaken met elkaar te maken hebben? In het interview met Remco Campert in het Magazine vertelt hij:

” .. Maar ik ben nooit iemand geweest met heel uitgesproken meningen, ik vind dat je daar als schrijver je eigen manier voor hebt: je schrijft vanuit hoe je naar de wereld kijkt. Daar komt het dan wel in terecht. Dat heb ik altijd gehad. Ik heb een poos geleden die gedichten geschreven over Assad en zo, ik vond dat dat moest, het ging eigenlijk vanzelf. (in de bundel ‘Open ogen’ WvH.) Maar ik moet er niet te erg in betrokken zijn, geen heilige verontwaardiging, dat werkt allemaal niet. Met meningen schrijf je geen goed gedicht. Ik vind dat het genoeg is te constateren. het oordeel moet je aan anderen overlaten. ‘

Toen ik dit las had ik twee gedachten. allereerst: En al die dichters in gebieden waar onderdrukking heerst dan, die schrijven over die onderdrukking, is daar geen goede en oprecht mooie poëzie geschreven? Lees de gedichten in mijn categorie Dichter in verzet  er op na. En mijn tweede gedachte was: ik denk dat Campert gelijk heeft. De mooiste gedichten van dichters in verzet zijn niet geschreven vanuit een heilige verontwaardiging, vanuit een activistische basis maar vanuit de wil om poëzie te schrijven over een belangrijk onderwerp, over onderdrukking, over verzet maar met ruimte voor de lezer om er zelf een mening over te hebben, en een oordeel over te kunnen vellen. Heel activistische poëzie lijdt te aan het zo belangrijk maken van het onderwerp dat het ten koste gaat van het poëtische gehalte van het gedicht.

Maar dan het artikel in de Poëziekrant van Virginie Platteau, zij schrijft onder andere: “zo wordt verwacht men van Palestijnse dichters haast automatisch dat hun poëzie een politieke lading heeft, Van zwarte artiesten in Europa is er de impliciete verwachting dat ze het over genocides zullen hebben, of over hun collectieve of individuele lijden. Eén ‘magische auteur’ moet dan als het ware een hele bevolkingsgroep en een groter verhaal representeren.”

Emad Fouad voegt hier in zijn post aan toe: “Cynisch genoeg zijn poëtische getuigenissen van lijdende vluchtelingen momenteel commercieel interessant. Ze worden soms doodgeknuffeld, van festival naar festival gehaald omdat hun verhaal zo schrijnend is. Sommige bundels worden in vertaling speciaal samengesteld ‘tot een doordachte eenheid gericht op de lage landen’, uitgevers pakken er expliciet mee uit.”.

Deze twee ‘meningen’, die van Campert en die van wat er blijkbaar tegenwoordig interessant is voor festivalorganisatoren en uitgevers liggen erg ver uiteen. Ik ben geneigd de mening van de oude meester te delen. Hoewel ik het emanciperende karakter van veel poëzie (en dat met name uit de genoemde groepen) zeker kan waarderen vind ook ik dat goede poëzie ‘vanzelf moet gaan’ zoals Campert het zo mooi omschrijft. Wanneer er te expliciet een onderwerp of probleem geadresseerd wordt gaat dit vaak ten koste van de poëtische vorm.

Dat dit ook heel goed samen kan gaan bewijst Sylvia Hubers in het gedicht ‘Gedicht voor de leiders van de wereld (ook de verkeerde) dat is opgenomen in de verzamelbundel ‘War on war’ met als ondertitel ‘gedichten geen bommen’ uit 2003, samengesteld en onder redactie van Harry Zevenbergen en Diann van Faassen.

.

Gedicht voor de leiders van de wereld

(ook de verkeerde)

.

Ontspan

Laat de gespannen spieren vieren

Ontspan

ontbal de vuist, maak de

Ogen rond, de mond verbaasd

En doe ook iets met de schouders

Ontspan

Urenlang

Ontspan de gedachten

Het strak gespan van oor tot oor

Waar cavaleriewagens rijden

Zet ze stil

Laat deze strijdwagens uit elkaar vallen

En bouw er invalidenwagens van

Ontspan

Laat armen en benen

Geen actie ondernemen

Tot zij geheel ontspannen zijn

Laat ze vallen laat ze vieren

En in je buik… bouw daar

Een vriendelijke kamer met sofa’s

Heerlijke zachte sofa’s

En ontvang daar, op die sofa’s

Iedereen die je haat

(Ontspan, Ontspan, Ontspan)

En praat dan met zijn allen

Over je moeders (je vaders)

Over je dochters (je zonen)

Over je vouwen (je mannen)

Vertel aan elkaar

Hoeveel je van hen houdt

En hoe graag je hen

Zou willen behouden

.

Dit is voor mijn lichaam

Poëtisch verzet

.

Onder de noemer ‘Dichter in verzet’ heb ik al geschreven over dichters die zich verzetten tegen overheersers, dictators, bezetters, maar ook over dichters die zich verzetten tegen een stroming in de literatuur of poëzie, dichters tegen ontbossing en ander onrecht. Maar dit keer heeft de Brusselse dichteres Astrid Haerens een bittere aanklacht tegen de onveiligheid van vrouwen op straat onder de titel “Signaal: Stop”.

De verzetsgedichten zijn op 21 mei en ook tijdens nachtelijke plakacties opgedoken in verschillende steden – Oostende, Brugge, Gent, Antwerpen, Brussel, Vilvoorde, Hasselt, Luik – op precies die plekken waar vrouwen zich ooit ongemakkelijk hebben gevoeld, of daadwerkelijk zijn belaagd, lastiggevallen, aangerand, verkracht. In steegjes, parken en parkeergarages, in de metro of aan de bushalte. Geenszins een ludieke actie, benadrukken de initiatiefnemers, wel een symbolisch protest.

De initiatiefnemers zijn de leden van de ‘Partij voor de Poëzie’ die maar een programmapunt heeft: Meer poëzie, altijd, overal.   De Partij voor de Poëzie brengt sinds een jaar of wat af en toe een gedicht in de openbaarheid, met een maatschappelijk thema en in meerdere talen. De dichters van de PvdP schrijven altijd samen en blijven anoniem. Maar dit keer dus niet. De Parij van de Poëzie liep al een tijd rond met de gedachte om aan dit onderwerp aandacht te besteden middels een aanplakactie, maar deze kwam in een stroomversnelling na de moord op Julie Van Espen, de 23 jarige studente die vermoord werd na een poging tot verkrachting.

Astrid Haerens zegt hierover “Mijn vriendinnen en ikzelf kregen allemaal al te maken met kleinere en grotere seksuele agressie. Het is hoog tijd dat we de publieke ruimte weer opeisen in plaats van bepaalde plekken te vermijden na onaangename ervaringen.” en ook: Het is niet de bedoeling om zoveel mogelijk stickers te plakken op plekken met een slechte herinnering. “Dit moet gesprekken op gang brengen, het bewustzijn aanscherpen.” Het gaat ook niet uitsluitend over vrouwen, maar over iedereen die zich bedreigd voelt. Ook thuis en op het werk. Het gedicht laat niet veel aan de verbeelding over:

.

Dit is voor mijn lichaam
dat op 12/11 werd aangeraakt
in de voetgangerslift
hardhandig zonder toestemming
schroeiende lucifers op mijn heupen
groeit wild vlees

.

 

Dodenmars voor Rotterdam

Clara Eggink

.

Op 4 mei, de dag dat we alle Nederlandse oorlogsslachtoffers herdenken (omgekomenen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en in de verschillende oorlogen nadien), wil ik stilstaan bij een dramatische gebeurtenis aan het begin van de tweede wereldoorlog waarbij tussen de 650 en 900 mensen omkwamen en meer dan 80.000 mensen dakloos werden; het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940.

De Duitsers wilde de capitulatie versnellen door Rotterdam te bombarderen. In de vroege middag van die 14e mei bestookte de Duitsers Rotterdam drie kwartier lang met een bommentapijt en veranderde de binnenstad daarmee in een vuurzee. Deze aangrijpende en schokkende gebeurtenis beschrijft dichter Clara Eggink (1906 – 1991) in haar gedicht ‘Dodenmars voor Rotterdam’, opgedragen aan Gerard Zalsman. En hoewel er dood heerst in dit gedicht en vernietiging steeds aanwezig is, spreekt zij in de derde strofe het vertrouwen uit in het herstel en de wederopbouw van de stad. In die zin had Clara Eggink een voorspellende stem.

Het gedicht van Eggink werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift ‘De Stem’ in 1940 en was getiteld ‘Doodenmarsch’ en had toen als opdracht ‘Aan G.Z.’. De Stem, een literair-cultureel tijdschrift verscheen tussen 1921 en 1941.

.

Doodenmarsch

Aan G.Z.

Ik waag mij haast niet in die straat
Waar gloeiend puin in ’t donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop,
Een schelle vlam schiet suizend op
Belichtend, als in spotternij,
De resten van wat huisgerei.
Hier vond wie daaglijks nam en gaf
Een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, hand en lust
Is even grondig uitgebluscht.
.
Ik wend mij naar den havenkant.
De schepen liggen leeggebrand,
Het water, d’eeuwenoude baan,
Voert bloed en roet naar d’oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug
Een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
Terwijl uw schim hier langs marcheert.
Links, rechts…
.
Maar als die stad weer is herbouwd
Van staal en glas en steen en hout,
Die kleine wereld is hersteld,
Bolwerk van koopwaar, zee en geld.
Als er gewerkt weer wordt op de asch
Van wie voor kort nog werkend was –
Dan zullen nog bij nieuwe maan
Uw schimmen door de straten gaan.
Links, rechts…
.
.
%d bloggers liken dit: