Site-archief

Vuurtoren

Jana Beranová

.

Een tijd terug vond ik tussen de afgedankte boeken in het Groot Handels Gebouw in Rotterdam (onder de naam Book Central staat daar een kast waar je je oude boeken kwijt kan en, als je er wat van je gading tussen vindt, ook uit mee mag nemen) een vroege bundel van de Rotterdamse dichter en goede bekende Jana Beranová getiteld ‘Geen hemel zo hoog’ uit 1983.

Deze bundel was na enkele bibliofiele uitgaven haar eerste grote dichtbundel, die destijds al een paar jaar in voorbereiding was. Jana komt uit Tsjechoslowakije en ze leefde lang noodgedwongen ver van haar vaderland. Ze dicht, vertaald, acteert en is heel actief in het literaire leven van vooral (maar niet exclusief) Rotterdam. Van 2005 – 2007 was ze stadsdichter van Rotterdam, in 2012 was ze jurylid van de Ongehoord! gedichtenwedstrijd en in 2016 was ze één van de deelnemende dichters aan de Poëziebus.

Uit de (wel wat vergeelde maar desalniettemin gekoesterde) bundel ‘Geen hemel zo hoog’ het gedicht ‘Vuurtoren’.

.

Vuurtoren

.

Een stenen tronk grijpt naar de hemel,

arrogant en bijna ongenaakbaar

in zijn erectie.

.

Ritmisch schokkend uit zijn eikel

vloeit lichtgevend zaad

dat nooit opraakt

de weg wijzend naar

blijde verachting.

.

Machteloos en smachtend

hang je aan zijn signalen.

.

Als god hem heeft neergezet,

waarom dan schipbreuk lijden?

.

Advertenties

De moeder de vrouw

Martinus Nijhoff

.

Gisteren werd bekend gemaakt dat Murat Isik, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2018 met zijn roman ‘Wees onzichtbaar’, het Boekenweek essay 2019 zal schrijven. Het thema is ontleent aan de titel van een gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder de vrouw’. Reden genoeg voor mij om het gedicht van Nijhoff (1894 – 1953) op te zoeken en met jullie te delen.

In de bundel ‘Het mooiste gedicht’ De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen, met een inleiding van Jan Wolkers uit 2000 staat dit gedicht (naast nog een aantal gedichten van zijn hand) gepubliceerd. Vele zullen dit gedicht herkennen aan de beroemde openingsregel.

.

De moeder de vrouw

.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

.

Meisjeskamer

Anna Enquist

.

Schrijver en dichter Anna Enquist (1945) is het pseudoniem van Christa Widlund-Broer. Ze is psychoanalytica en debuteerde in 1991 met de poëziebundel ‘Soldatenliederen’. In deze bundel staat een gedicht waarvan, toen ik het las, ik zoveel herkende,  een herkenning die je bekend voorkomt wanneer je zelf een dochter of dochters hebt of hebt gehad in de leeftijd van 15 jaar. Alleen daarom al wilde ik het gedicht hier plaatsen.

.

De meisjeskamer

.

Hoe het ruikt naar lippenrood,

poederkwast. Latere handen

ten voorbeeld streelt de borstel

met stomheid het haar.

Zij is een acrobaat, hoog in

de lucht doet zij kunsten

aan de trapeze. Vijftien jaar.

Zij ademt vluchtig, houdt

zich nauwelijks vast. Negeert

in vervoering elk gevaar.

.

Wij zijn het vangzeil waar

zij zich soms achterover

in laat vallen. Wij wiegen

haar als toen, ontwricht

als zij weer opveert en ons

achterlaat. Het plotseling

ontbreken van gewicht.

Vergeefse spanning in mijn armen,

verbazing om het zelfvertrouwen,

het geluk op haar gezicht.

.

Liever lief

Lot Bouwes

.

De Rotterdamse studente en dichter Lot Bouwes (1993, Krimpen aan de IJssel) schrijft gedichten, verhalen en sprookjes. In 2016 gaf ze in eigen beheer de dichtbundel ‘Wezens’ uit. De bundel ‘Wezens’ bestaat uit 50 biografische gedichten en kleine illustraties met ieder een verborgen boodschap. De foto’s in Wezens zijn gemaakt door Hanke Arkenbout.  Op haar website  https://www.lotbo.nl  lees je hoe je aan haar bundel kan komen, over haar poëzie en hoe een gedicht op maat van haar te verkrijgen. Op haar blog http://vergetenwoorden.blogspot.com kun je gedichten van haar lezen. Zoals ook het gedicht ‘Liever lief’.

.

Liever lief

.

Ik kan je duizend brieven schrijven,
over eenzaam en verloren
over nooit meer uitverkoren
Maar ik heb me liever lief.

En ik wil slechts ademruimte.
En de dingen die we voelen
kunnen vormen wat we doen.
En we hoeven niet te denken
of de regels te verzinnen
want we zijn niet wie we waren,
niet verloren zoals toen

.

 

Dichter op verzoek

Ida Gerhardt

.

Van de lijst van dichters waarvan mijn lezers graag nog een gedicht zouden lezen, vandaag dichter Ida Gerhardt. Van Ida Gerhardt zijn zoveel prachtige gedichten te vinden maar na enig zoekwerk heb ik gekozen voor het gedicht dat begint met de eerste regel: Vergeef mij dat de schoonste nachten, uit de bundel ‘Vroege verzen’ uit 1978.

.

Vergeef mij dat de schoonste nachten
niet immer van ons beiden zijn.
Mijn vriend, het zijn zo groten machten
waardoor wij soms gescheiden zijn.

Wanneer ik in de hof mag dwalen
waar s hemels roos mij open gaat,
dan ducht ik zelfs Uw ademhalen,
Uw hart dat in het donker slaat.

Laat mij in eenzaamheid de uren
dat ik mijn diepste wet aanvaard.
Hun pracht die onverwelkt zal duren,
zij wordt alleen voor U vergaard.

.

Het eerste lied van de dame

William Butler Yeats

.

Blijkbaar maakt het lezen van Engelstalige poëzie van de ene dichter, in mij los dat ik ook poëzie van andere Engelstalige dichters ga lezen. Na de bundel van Seamus Heaney kwam ik ‘Het mooiste van William Butler Yeats’ uit 2010 tegen. In deze bundel een aantal van zijn mooiste gedichten in het Engels en in vertaling.

Zo ook het gedicht ‘The Lady’s First Song’ of vertaald naar het Nederlands door Geert van Istendael en Koen Stassijns ‘het eerste lied van de dame’. Ik heb beide hier opgenomen.

.

Het eerste lied van een dame

.

Ik draai rond,

Dom beest in een circustent

Wat ik ben, waar ik ga

Blijft onbekend.

Mijn taal geslagen

Tot één naam;

Ik ben verliefd

En dat is mijn blaam.

Mijn ziel aanbidt

Mijn zielen wondt,

Niet beter dan een beest

Laag bij de grond.

.

The lady’s first song

.

I turn round

Like a dumb beast in a show.

Neither know what I am

Nor where I go,

My language beaten

Into one name;

I am in love

And that is my shame.

What hurts the soul

My soul adores,

No better than a beast

Upon all fours.

.

Geheim

Heinrich Heine

.

In 1988 verscheen in de Tweede ronde reeks 5 de bundel ‘Denk ik aan Duitsland in de nacht’bij uitgeverij Bert Bakker. In deze bundel gedichten van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797 -1856).

Heinrich Heine was van Joodse afkomst. Hij werd geboren als Harry Heine, maar liet zich in 1825 Luthers dopen onder de naam Heinrich Heine. Een meer innerlijke band met het geloof kreeg hij echter pas toen hij aan het eind van zijn leven verlamd op zijn ziekbed in Parijs lag, waar hij sinds 1831 in zelfgekozen ballingschap woonde. Hij ligt begraven op de begraafplaats van Montmartre.

Heine behoorde tot de Romantiek en maakte vele ironische en spitsvondige gedichten die ook tegenwoordig nog mensen aanspreken. Innerlijk was Heine een tegenstrijdig mens, enerzijds voelde hij zich Duitser, anderzijds wereldburger; dezelfde soort dubbele gevoelens had hij ook ten aanzien van het jodendom en de romantiek.

In de bundel met gedichten van Heine die zijn vertaald door Marko Fondse en Peter Verstegen, staan gedichten uit zijn beroemde bundel ‘Buch der Lieder’ maar ook uit ‘Neue Gedichte’, ‘Romanzero’ en ‘Letzte Gedichte’. Ik koos voor het gedicht ‘Geheimnis’ of ‘Geheim’ uit ‘Neue Gedichte’ uit 1844.

.

Geheim

.

Wij zuchten niet, droog zijn de ogen,

Een glimlach vaak en zelfs een lach!

In niet één blik of ander teken

Komt het geheim ooit aan de dag.

.

’t Geheim dat met woordloos lijden

In ’t diepste van de ziel verbloedt;

Krampachtig blijft de mond gesloten,

Al schreeuwt het in het wild gemoed.

.

Vraag het de zuigling in zijn wiegje,

Vraag het de doden in het graf,

Misschien dat zij je wel verraden

Wat ik je nooit te kennen gaf.

.

Geheimnis

Wir seufzen nicht, das Aug’ ist trocken,
Wir lächeln oft, wir lachen gar!
In keinem Blick, in keiner Miene,
Wird das Geheimnis offenbar.

Mit seinen stummen Qualen hegt es
In unsrer Seele blut’gem Grund;
Wird es auch laut im wilden Herzen,
Krampfhaft verschlossen bleibt der Mund.

Frag du den Säugling in der Wiege,
Frag du die Toten in dem Grab,
Vielleicht daß diese dir entdecken,
Was ich dir stets verschwiegen hab.

.

Spel en drank

Eric van der Steen
.

In Helikon, tijdschrift voor poëzie, onder redactie van Ed. Hoornik, verscheen in 1940, het bundeltje ‘Cadans’ gedichten door Eric van der Steen.  Eric van der Steen was het pseudoniem van Dirk Zijlstra (1907 – 1985) dichter, schrijver en journalist. Als dichter debuteerde van der Steen in 1932 met ‘Gemengde berichten’ en zette zijn dichterlijke carrière aanvankelijk krachtig door. Zijn poëzie valt op door nuchterheid en droge humor. Veel van zijn boeken kenmerken zich door frisse, ongewone uiterlijke vormgeving. In de jaren veertig begon hij proza te publiceren. Na 1958 droogde zijn schrijfader op.

In totaal zou van der Steen 11 dichtbundels publiceren maar ook essays, aforismen en proza. Het bundeltje ‘Cadans’ bevat 25 gedichten en werd gedrukt in een oplage van 300 stuks. Uit dit mooie bundeltje het gedicht ‘Spel en drank’.

.

Spel en drank

.

Omdat geboren spelers ongelukkig zijn –

wij zullen ook op ons verlies niet snoeven,

wij spelen verder, al kreeg één de troeven,

dat is de Dood, en hij is groot, wij klein

en blind als paarden in een smalle mijn:

de droomen die wij overnacht behoeven,

zij slaan ons ’s morgens met hun blinde hoeven,

wij drinken om verdooving voor de pijn.

.

God en de goden lachen nu misschien

om deze sluwheid en dit slinkchse slooven:

de ooren om te hooren, om te zien

twee lichte oogen, maar om te gelooven

niets dan de koele, zorgelooze wijn –

maar ben ik dan een blinde en een doove?

.

Seamus Heaney

Opened Ground

.

Bij het opruimen van mijn boekenkast (of eigenlijk het steeds weer opnieuw inruimen van mijn boekenkasten in verband met het groeien van mijn poëziecollectie) kwam ik de dikke bundel ‘Opened Ground, Poems 1966 – 1996’ van de Ierse dichter Seamus Heaney (1939 – 2013) tegen. In deze bundel ook de speech die Heaney hield toen hij in 1995 de Nobel prijs voor de Literatuur accepteerde. Hij kreeg deze ‘for his works of lyrical beauty and ethical depht’.

Ik koos voor een kort maar persoonlijk en heel toegankelijk gedicht getiteld ‘The Errand’.

.

The Errand

.

‘On you go now! Run, son, like the devil

And tell your mother to try

To find me a bubble for the spirit level

And a new knot for his tie.’

.

But still he was glad, I know,, when I stood my ground,

Putting it up to him

With a smile that trumpedhis smile and his fool’s errand,

Waiting for the next move in the game.

.

The courage to be yourself

E.E. Cummings

.

Afgelopen weekend werd ik door een goede vriendin gewezen op een stuk van mijn favoriete Amerikaanse dichter E.E. Cummings over ‘de moed om jezelf te zijn’. Over wat een dichter maakt, wat een dichter is. Hoe een dichter zijn gevoel omzet in woorden en dat dat eenvoudiger klinkt dan dat het is. Op de leeftijd van 59 publiceerde een kleine Amerikaanse krant een artikel van Cummings getiteld  ‘A Poet’s Advice to Students’.

.

“A poet is somebody who feels, and who expresses his feelings through words.
This may sound easy. It isn’t.
A lot of people think or believe or know they feel — but that’s thinking or believing or knowing; not feeling. And poetry is feeling — not knowing or believing or thinking.
Almost anybody can learn to think or believe or know, but not a single human being can be taught to feel. Why? Because whenever you think or you believe or you know, you’re a lot of other people: but the moment you feel, you’re nobody-but-yourself.
To be nobody-but-yourself — in a world which is doing its best, night and day, to make you everybody else — means to fight the hardest battle which any human being can fight; and never stop fighting.
As for expressing nobody-but-yourself in words, that means working just a little harder than anybody who isn’t a poet can possibly imagine. Why? Because nothing is quite as easy as using words like somebody else. We all of us do exactly this nearly all of the time — and whenever we do it, we’re not poets.
If, at the end of your first ten or fifteen years of fighting and working and feeling, you find you’ve written one line of one poem, you’ll be very lucky indeed.
And so my advice to all young people who wish to become poets is: do something easy, like learning how to blow up the world — unless you’re not only willing, but glad, to feel and work and fight till you die.
Does that sound dismal? It isn’t.
It’s the most wonderful life on earth.
Or so I feel.”
.
En in een stuk over een artikel van mijn favoriete dichter mag een gedicht van zijn hand natuurlijk niet ontbreken, daarom uit ‘100 selected poems’ het gedicht zonder titel met de eerste zin ‘no time ago’.
.
.
no time ago
or else a life
walking in the dark
i met christ
.
jesus) my heart
flopped over
and lay still
while he passed (as
.
close as i’m to you
yes closer
made of nothing
except loneliness
.
.

e.e. cummings

%d bloggers liken dit: