Site-archief

De eerste foto van God

Cees Nooteboom

.

Pas geleden was ik in het GEM, het museum voor actuele kunst in Den Haag en in een van de tentoonstellingen, een overzichtstentoonstelling van het werk van fotograaf Eddy Posthuma de Boer, hing een foto van hem met daarbij een gedicht. Het betrof hier het gedicht ‘De eerste foto van God’ van Cees Nooteboom.

Dit gedicht en deze foto verschenen voor het eerst in het tijdschrift Avenue, in het september nummer van 1982. Avenue was een Nederlands modetijdschrift opgericht in oktober 1965 en het heeft bestaan tot 1994. Het was een glossy, geïnspireerd op het toonaangevende Parijse modeblad Vogue. De bedenker was Joop Swart, een van de grondleggers van World Press Photo. Hij werd ook de hoofdredacteur.

Ik herinner mij de Avenue als een mooi vormgegeven, voornaam en stevig magazine waar inderdaad de fotografie belangrijk was maar waar ook ruimte was voor reportages, literatuur en poëzie. In dat magazine verscheen dus de foto van Eddy Posthuma de Boer waarbij dichter/schrijver Cees Nooteboom het gedicht ‘De eerste foto van God’ schreef.

.

De eerste foto van God

.

Zo zag ik eruit na die eerste dag
Ik alleen met mijn stenen van steen.
Ik alleen met mijn luchten van lucht.

.
Dat was de dag waarop ik nog gelukkig was,
de aarde nog woest en ledig.
Pas daarna schiep ik de bomen,
de dieren, het leger en die fotograaf.

.
Dikwijls heb ik heimwee naar de dag
waarop ik hem maakte, als allereerste.
Hij en ik, samen in mijn schepping,
ik in mijn paarse jasje tussen mijn luchten van lucht,
hij met zijn oog als een spiegel op mijn stenen van steen,

.
en verder niets.

.

Gemadeliefd

Anton Ent

.

Anton Ent is het pseudoniem van Henk van der Ent (1939), een Rotterdams dichter, prozaschrijver en essayist. Op zoek naar de achtergrond van Anton Ent bleek dat we beide op de School voor Taal en Letterkunde hebben gestudeerd in Den Haag (inmiddels reeds lang geleden opgegaan in een andere opleiding). Hij was zijn werkzame leven actief in het lager onderwijs en docent Nederlands.

In 1969 debuteerde hij met de bundel ‘Hagel en sneeuw’ Eind 1993 baarde Henk van der Ent opzien door zich te onthullen als de man achter het pseudoniem Marieke Jonkman, een dichteres die sinds 1991 veel succes had met haar bundels. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in ‘Maatstaf’, ‘Liter’ en ‘Tirade’ en als Marieke Jonkman in ‘De Gids’, ‘Ons Erfdeel’, ‘Dietsche Warande en Belfort’ en ‘Hollands Maandblad’. In totaal publiceerde Ent 17 dichtbundels. Hij wil door middel van beelden, klanken en ritme bij de lezers gevoelens oproepen. Zijn poëzie vereist een leeshouding waarbij de lezer zich openstelt voor de evocatieve kracht van de taal.

In de binnenflap van de bundel ‘Hoe het licht valt’ van Anton Ent uit 2016, schrijft Jaap Goedegebuure: “Karakteristiek voor zijn poëzie is dat ze in haar mystieke gerichtheid gedurig heen en weer slingert tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling”.

Op zoek naar het laatste kwam ik uit bij beide in het bijzondere gedicht ‘Gemadeliefd’. Bijzonder omdat de dichter in dit gedicht woorden gebruikt die in het Nederlands niet bestaan maar waarbij de lezer meteen een beeld of idee heeft. Ik hou van dergelijke taalvondsten en daarom hier dit gedicht.

.

Gemadeliefd

.

Ben ik gemadeliefd om gloed te zien in spierwitte straling?

.

De lintbloemen glimlachen  om de vierentwintig fijnzinnige

richtingen van de windroos die naar haar willen verwijzen

.

Ik zou vergrast of versteend willen zijn

maar verman me

.

Van Duinkerken en Kemp

Dichters over dichters

.

Vandaag in de rubriek ‘Dichters over dichters’ de dichter Anton van Duinkerken (1903 – 1968) die het gedicht schreef ‘Voor Pierre Kemp’ de Limburgse dichter die leefde van 1886 tot 1967. Willem Asselbergs (zoals de echte naam van Anton van Duinkerken luidde) was dichter, essayist, hoogleraar, redenaar en literatuurhistoricus. In 1933 kreeg hij de C.W. van der Hoogtprijs, in 1960 de Constantijn Huygensprijs en in 1966 de P.C. Hooft-prijs.

In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1957 is het gedicht opgenomen ‘Voor Pierre Kemp’. Kemp, net als van Duinkerken afkomstig uit het zuiden van Nederland, was net als van Duinkerken een van de woordvoerders van het katholieke levensbesef (zoals zo mooi omschreven staat achterop de bundel van van Duinkerken). Het gedicht komt uit het hoofdstuk ‘In spiegel en raadsel’ uit de bundel. Uit het gedicht blijkt een grote mate van bewondering van van Duinkerken voor de dichter Kemp.

.

Voor Pierre Kemp

.

In de trein zitten, buiten kijken,

Seinwachtershuisjes zien staan,

Van binnen op klaprozen lijken,

Wie heeft dit bekwamer gedaan?

Nadoen kan ik u niet.

Ik mis die saffraangeel klanken.

Voordoen is echt niet nodig.

Dit weten maakt ieder lied

Van mij voor u overbodig

Behalve dan om u te danken.

.

Schilderij uit de schrijversgalerij van het Literatuurmuseum in Den Haag van Theo Swagemakers ( 1898 – 1994)

Zeer zeker mijn geliefde

Dichters van morgen

.

Toen ik begin jaren ’80 mijn opleiding volgde aan de P.A. Tiele Academie in Den Haag, was een van mijn docenten (Nederlandse Letterkunde) Han Foppe (1939). Hij was toen onder andere actief in de jury van de prijzen van de Jan Campert-Stichting (1980 – 1997). Ik herinner me dat wij als studenten werden uitgenodigd om bij de uitreiking te zijn in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. Han Foppe was een man met een groot hart voor de Nederlandse Literatuur. Door hem en zijn enthousiasmerende manier van lesgeven ben ik ‘Bougainville’ van F. Springer (prachtig boek) en ‘Mijn naam is Garrigue’ van Henk Romijn Meijer gaan lezen.

Wat schetst mijn verbazing (en toch ook weer niet helemaal) toen ik zijn naam tegen kwam in de (gedigitaliseerde) bundel ‘Dichters van morgen’ van Ad den Besten. Een bloemlezing uit de poëzie van jonge dichters uit 1958 op https://www.dbnl.org/tekst/best004dich01_01/best004dich01_01.pdf . Han Foppe (toen 19 jaar en leerling van een Kweekschool) had meegedaan aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957 en had het geschopt tot (1 van de drie) eervolle vermelding(en), dit naast de drie prijswinnaars (waarvan ik geen enkele naam ken).

Ad den Besten schrijft in het voorwoord dat veel gedichten en manuscripten hem als uitgever werden toegestuurd maar dat hij evenzovele moest terug sturen. Hij merkt ook op dat “de meeste uitgevers zagen kennelijk meer heil in – begrijpelijkerwijs- het werk van bepaalde ‘arrivé’s’ of – onbegrijpelijkerwijs- de produkten van allerlei nulliteiten”. In die zin is is er eigenlijk weinig veranderd sinds de jaren ’50 (behalve dan dat het in eigen beheer uitgeven van een dichtbundel tegenwoordig zoveel makkelijker en professioneler kan worden gedaan). Tegelijkertijd schrijft hij elders in zijn voorwoord:  De kans is groot dat van verschillende van deze ‘dichters van morgen’ morgen geen sterveling meer een gedicht zal vinden” en “In die zin moet de titel Dichters van morgen dan ook worden verstaan: ik heb in deze bundel plaats geboden aan een 59-tal vaak héél jonge auteurs-evenveel als er in de laatste druk van Stroomgebied staan! -, dichters wier verzen m.i. een belofte inhouden voor morgen, dichters die ik, de een meer, de ander minder, in toekomstperspektief kan zien.”

Verreweg het grootste deel van in deze bundel bijeengebrachte gedichten, kwamen tot de uitgever ( De Windroos) na een oproep tot deelname aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957, waaraan alleen dichters die op 1 januari 1958 nog geen 35 jaar waren. Han Foppe was dus één van die deelnemende dichters. Het gedicht dat een eervolle vermelding kreeg ‘Zeer zeker mijn geliefde’ kun je hieronder lezen.

.

Zeer zeker mijn geliefde

.

zeer zeker
mijn geliefde is
van zuiver hout
van notenhout uit spanje
en zij is
van een donzige grassoort
waarop het heerlijk
is te liggen
en van een soort
die men nergens meer vindt
jawel mijn geliefde
zij is geboren
uit een berkeboom
en haar vader was gras
en haar nichten zijn
van een water
waarvan men slechts kan dromen
en dan haar broeders
die grote tijgers zijn
en o mijn geliefde
haar zonen
zij moeten welhaast
de grote vogels zijn
waarvan de schetsen
nu reeds
in ons voorhoofd
zijn gegrift
en haar dochters
o haar dochters
wellicht zijn het tijgers
van gras
zijn het tijgers
van louter wilgenhout
o haar dochters
die zeer zeker
van zuiver stem
zullen zijn

.

Drogist

En dichter

.

Schreef ik deze week al over het gedicht van Fritzi Harmsen van Beek met de titel ‘Allerzielen 2 november 1974’, vandaag alweer een aan Allerzielen gerelateerd gedicht. De afgelopen twee jaar mocht ik meedoen aan ‘Dichter bij de dood’, een initiatief van Marjon en Liesbeth en de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, op 2 november (Allerzielen). Op die dag is de begraafplaats niet alleen ’s avonds open voor publiek maar er werd door de organisatie een activiteit met dichters en muzikanten georganiseerd rond de vele bekende Nederlandse dichters, schrijvers, musici en kunstenaars die daar begraven liggen. Bekende namen als Louis Couperus, Pieter Cornelis Boutens, Menno ter Braak, Ferdinand Bordewijk, Aad Nuis en Jan Prins. Maar ook iets minder bekende name.  Zo heb ik twee jaar geleden de dichter Dop Bles in het zonnetje gezet en vorig jaar de dichter George Boswell. En mocht je nu gaan denken dat dat helemaal geen bekende Nederlanders zijn, in hun tijd waren ze dat wel degelijk. Zie hiervoor https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/10/26/tranen/ en https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/10/16/voordracht-tijdens-allerzielen/ .

Dit jaar koos ik voor de negentiende-eeuwse drogist en dichter (wat een fijne combinatie) Samuel Johannes van den Bergh (1814 – 1868) . Sam Jan van den Bergh was iemand die leefde voor zijn vak, niet alleen dat van drogist maar zeker ook dat van dichter. Hij schreef in de traditie van Tollens en richtte samen met enkele andere ondernemers in Den Haag het genootschap ‘Oefening kweekt kennis’ op. Naast eigen dichtwerk was van den Bergh ook actief als vertaler uit het Duits, Frans en Engels.

In 1851 verscheen van S.J. van den Bergh samen met J.J.L. ten Kate en illustrator Jacob van Lennep de bundel met jeugdpoëzie ‘Het nachtegaaltje’ en daaruit komt het gedicht ‘De zwaluw’.

.

De zwaluw

.
Zwaluw met uw bonte veêren,
O wat leven heb je niet!
Zeker ken je geen verdriet;
Als je langs de vaart gaat scheren,
Door je wiekjes voortgetild,
Doe je wat je ’t liefste wilt:
Niemand die u ’t minst doet vreezen,
Niemand die u dwingen mag;
O het moet regt prettig wezen
Vrij te zijn zoo dag aan dag!
.
.
Laat mijn vlugt u niet bedriegen,
Meestal, knaap, misleidt de schijn;
Wat ge u inbeeldt is niet mijn;
Fladdrend vang ik mugjes, vliegen,
En insekten telken reis;
Voor mijn jongen is het spijs.
Als ge mij zoo rond ziet zweven,
Werk ik aan mijn dagtaak blij:
Arbeid is de wet van ’t leven;
God schiep daarvan niemand vrij.
.
.
                                                                                                                          Gravure uit het Gemeentearchief Den Haag

Dubbel-gedicht

Oud Eik en Duinen

.

Jaren geleden schreef ik een gedicht over de prachtige oude begraafplaats Oud Eik en Duinen. Dit gedicht werd onder andere gepubliceerd in mijn bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus’, De Oud Hagenaar, in Poëzie op Pootjes 3 en op de website van Monuta (hetbedrijf dat Oud Eik en Duinen beheerd) https://www.monuta.nl/vestiging/begraafplaats-oudeikenduinen/actueel/wouter-heiningen/ . Afgelopen weekend las ik in een editie van Maatstaf tot mijn verbazing een gedicht met dezelfde titel. In de Maatstaf nummer 1 van de veertiende jaargang (1966) staat het gedicht ‘Oud Eik en Duinen’ van dichter F.L. Bastet.

Frédéric Louis Bastet (1926 – 2008) was een Nederlandse literator, biograaf van Couperus, archeoloog, schrijver, essayist en dichter. In 1960 debuteerde hij met de poëziebundel ‘Gedichten’ en gedurende zijn leven schreef en publiceerde hij regelmatig dichtbundels. Tussen het eerste gedicht (van mij) en het tweede gedicht (van F.L. Bastet) zit ongeveer 50 jaar.

.

Oud Eik en Duinen

.

De kraaien zijn geen kraaien
meer, maar kauwen
hun zwarte werk verlicht

.

hier trekt je laatste adem
een kou doortrokken wintervacht aan
en zingt de lucht in stilte

.

de prikklok slaat nu nog eenmaal
gaten in de tijd, toch, wie er moet zijn
is aanwezig

.

hij die stof verlangt
wordt niet teleurgesteld, de grond
wordt dik belegd met ons gepeins

.

Oud Eik en Duinen

.

Geen freule draagt meer veertjes in haar staart.
Dat is voor vogeltjes die bij de berk,
nog niet gepiept, de kantjes van de zerk
aflopen waar een muskusgeur ontaardt.
.
Laan Copes leeggesnikt. Een fijnbesnaard
zonharpje speelt op paal en plantjesperk.
En Psyche (art nouveau) bekruipt een sterk
klimopgevoel terwijl zij navelstaart:
.
Vermoeden van een kelder kleine zielen,
bloedarm verdriet, een krocht archilleshielen
en menige onuitgepiozen bruid.
.
O dood, niet groter dan de paardetram,
dof als een in de trijp gesmoorde stem,
hoe beeldig teren witte rozen uit.

.

Romantische herfst

Dichter van de maand november: Cees Nooteboom

.

Door alle drukte was ik helemaal vergeten dat november de maand van dichter/schrijver Cees Nooteboom (Den Haag, 1933) zou zijn. En hoewel het vandaag geen zondag is, de vaste dag van de dichter van de maand, wil ik hier toch een gedicht van hem plaatsen. Dit keer het gedicht ‘Romantische herfst’ uit de bundel ‘Doden zoeken een huis’ uit 1956.

In 1955 ontvangt Nooteboom een reisbeurs van ƒ2500,- van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor de uit veertien gedichten bestaande cyclus ‘kleine cantate van het voortdurend overlijden’. Later zullen deze gedichten in enigszins gewijzigde vorm worden opgenomen in zijn eerste dichtbundel, ‘De doden zoeken een huis’, waarmee hij als dichter debuteert en die in 1956 verschijnt.

.

Romantische herfst

.

schimmig vanavond jaagt die mist de velden
de maan sluipt terug in dodelijke bomen
nu is de grote rafelaar gekomen
een herfst een doodgaan een gekwelde smeekstem

.

hoor… ademend beweegt de aarde van heimwee
om mensen te bezetten met een adem van verdriet
om koeien zwaar en zwijgend in zich vast te zetten
als schepen, vastgegroeid aan het lichaam van de zee
of de dood, levend aan het gezicht van de mensen,
mééademend, méésprekend.

.

Tranen

G.H.J.E. Boswel

.

De van afkomst Engelse maar in Nederland geboren dichter George Henry James Elliot Boswel (1830 – 1874) verhuisde op jonge leeftijd naar Den Haag waar hij op 16 jarige leeftijd klerk werd aan het Ministerie van Koloniën, waar hij opklom tot referendaris. Hij was bevriend met de dichter Van Zeggelen en andere leden van het Haagsche kring ‘Oefening kweekt kennis’. Boswel was zelf ook actief in de literatuur en werd een populair Nederlands dichter.  Boswel was lid van de Maatsschappij  der Nederlandse  Letterkunde  te Leiden. In 1863 verschijnt van zijn hand de bundel ‘In een bandje’ met gedichten uit het leven gerepen waarin ook humor een belangrijke plek krijgt en in 1876 verschijnt ‘Gezamenlijke gedichten’.

Op Allerzielen (2 november) zal ik samen met een aantal andere dichters op begraafplaats Oud Eik en Duinen, in het kader van Dichter bij de dood, het onderstaande gedicht voordragen van Boswel samen met een eigen gedicht. Bezoekers kunnen een route volgen langs de dichters en de graven van bekende schrijvers en dichters die daar begraven liggen. De aanvang is 19.00 uur en de begraafplaats is gesitiueerd op Laan van Eik en Duinen 40 in Den Haag.

.

Tranen

.

Droevige ziel! die geen uitkomst meer weet,
Is uwe hope gezwicht?
God geeft u tranen tot balsem in ’t leed…
Broeder! uw lijden wordt licht!

.

Deed ge uw beminde uwe liefde verstaan,
Glipte uit haar lipjes geen woord;
Welde er van weelde in haar oogjes een traan?…
Makker! uw dageraad gloort!

.

Werd gij, verdoolde! der deugd weer getrouw;
Buigt gij boetvaardig u neer;
Biecht gij uw schuld in een traan van berouw?…
Heil u! en zondig niet meer!

.
Mij treffen marmeren tomben niet; neen,
‘k Zie ze wangunstig niet aan;
‘k Vraag aan mijn vrienden geen ijzer of steen…
‘k Wens op mijn graf maar een traan!

.

Zalig! wie immer aan ’t goed dat hij doet,
Tranen van meêlij vereent! –
Zalig! om wie ooit een lijdend gemoed
Tranen van vreugd heeft geweend!

.

Vers op vrijdag

Gedichten op de rug gelezen

.

In 2018 zetten Layla ter Horst en Elise Kriekaard ‘Vers op Vrijdag’op. Toen zij samen voor hun eindexamen zaten en in tegenstelling tot veel van hun medescholieren juist wél van de poëzielessen genoten, besloten ze hier iets mee te doen. Layla schreef ook zelf gedichten en aangemoedigd door haar vriendinnen besloot ze hier wat mee te doen. Ze wilde haar poëzie publiceren. Elise was meer van het beeld en zo werd ‘Vers op Vrijdag’ geboren op Facebook en Instagram https://www.facebook.com/versopvrijdag/ en https://www.instagram.com/versopvrijdag .Elke vrijdag wordt een nieuw gedicht geplaatst en als aandachtstrekker wordt bij elk gedicht een versregel op de blote rug van een persoon geschreven en getoond. Geschreven door Layla en met vaste en vaardige hand op een blote rug gezet door Elise.

Haagse vriendinnen van het van oorsprong Voorburgse poëzie-duo introduceerden ‘Vers op Vrijdag’ op hun school waarna de gedichten van Layla werden toegelaten als eindexamenmateriaal. ,,Ik mag straks een aantal van de gedichten van Layla analyseren”, beaamt Alexandra van Engeland die op het vwo van het Maerlant Lyceum zit in 2018.

.

Een huis in Delft

.

In een huis in Delft
wonen zij nu
Ik heb ze lang niet meer gesproken
Het is er groot, met kleine kamer

.

Waar vroeger ongewilden onderdoken
Een bad op pootjes
Een haard van goud
Op een plek als deze
Wordt men makkelijk samen oud

.

Het tempo van zijn ouder worden
Streef snel dat van haar voorbij
Nu is het huis van haar alleen

.

En als ze haar naar de liefde vragen
Dan vertelt zij over hem
Wanneer zij stof vangt
Tussen antieke meubels
En haar heupen,
waar hij zo van hield,
Vaststaan als cement
Als ze haar dan naar de liefde vragen
Vertelt zij over hem

.

Blue tits

Phoebe Hesketh

.

Afgelopen zaterdag droeg ik voor tijdens de Dag van de Roos in het Westbroekpark in Den Haag. In dit mooie park vol bomen, struiken, rozen en andere bloemen moest ik denken aan een bundel die ik ooit kreeg van Elisabeth getiteld ‘Poems for gardeners’ samengesteld door Germaine Greer uit 2003. Deze Engelse bundel (hoe kan het ook anders, een dichtbundel over tuinieren), met een collectie gedichten van de antieke oudheid tot de 21ste eeuw staat vol tuingedichten. Over specifieke bloemen en planten, over tuinieren, over bomen en zelfs over gemaaid gras. Maar ook over de dieren in de tuin, zoals de ‘Blue tit’ of Pimpelmees. Het aardige van dit boekje is dan ook nog, speciaal voor de echte natuurliefhebber, dat achterin de bundel informatie staat over het onderwerp van het gedicht. In het geval van de Blue tit over wat de Pimpelmees eet, en waar en wanneer hij nestelt.

De dichter die ‘Blue Tits’ schreef, Phoebe Hesketh (1909-2005) kwam uit Lancashire en was vooral bekend door haar gedichten over de natuur. Zij schreef in haar lange leven 17 dichtbundels.

.

Blue Tits

.

Bobbing on willow branches, blue and yellow

Acrobatic blue tits swing and sway

In careful somersault and neat gyrations

Grub-picking deftly down and bending spray.

.

Now one rebuffs an alien intruder-

Humdrum sparrow, drab among the gold-

Churrs and scolds in azure crested anger,

Scuttles down a twig in blue and bold

Defiance at this urchin gutter-haunter

Till all the blues combine against one grey:

Active whirr and flutter, feathered thunder

Of tiny wings to drive the foe away.

.

Brave blue tit, white-cheeked like a painted toy

Jerking to life from pavement-seller’s string,

Twirls round twigs, his natural trapezes,

Darts to snap a moth upon the wing.

Plumb-as-willow-catkin, primrose-breasted,

This sky-capped morsel magnifies the Spring.

.

 

%d bloggers liken dit: