Site-archief

600 meter gedicht

Henriette Faas

.

Op de een of andere manier komen de lange gedichten in de openbare ruimte deze week regelmatig langs. Schreef ik deze week al over het tunnelgedicht in Vlaardingen, in Antwerpen en het fietspadgedicht in Lissabon, vandaag voeg ik hier het wandelpadgedicht in Maassluis eraan toe.

In 2009 werd ik gevraagd om de regie te voeren over een literaire kunstopdracht van de gemeente Maassluis naar aanleiding van de bouw van de nieuwe wijk Het balkon aan de nieuwe Waterweg. Ik heb toen een aantal schrijvers en dichters gevraagd om verhalen en gedichten te schrijven geïnspireerd door de plek waar deze nieuwe wijk moest gaan verrijzen. De schrijvers waren deels geboren in Maassluis en deels niet geboren in Maassluis maar wel woonachtig en actief in Maassluis. De dichters Henriette Faas en de (te vroeg overleden) Bosnische dichter Pero Senda zorgden voor het poëziedeel.

In het boek dat werd uitgebracht (dat was de literaire opdracht) ‘Balkons scènes aan het water’ staat onder andere het gedicht ‘Maassluis’ van Henriette Faas Tevens de uitgever van mijn poëziebundels ‘Zichtbaar alleen’ en ‘Zoals de wind  in maart graven beroert’. Dit acostichron (de beginletters van elke regel vormen een woord) is nu op borden langs de Waterweg geplaatst over een lengte van 600 meter. Om de 65 meter staat er op de Koning Willem-Alexanderboulevard, een stalen plaat met een dichtregel er op. Alle borden bij elkaar vormen het gedicht over de stad. Om wandelaars nog meer met dit gedicht in aanraking te brengen, is besloten om twee informatiepalen te plaatsen.

.

Maaswater kabbelt onder
Adembenemende luchten
Avontuur op nieuwe grond
Sirene lokt sierlijk schoon
Schip glijdt over Waterweg
Landinwaarts steeds lichter
Uitzicht op een verre haven
Inzoomen op de overkant
Samenstromen

.

Advertenties

Bob Dylan

Tarantula

.

Afgelopen weekend liep ik op de pier van Scheveningen en daar had zich een boekenverzamelaar/winkeltje geïnstalleerd aan de kop op de boulevard. Uiteraard moet ik dan even kijken wat het poëzie aanbod is en dat viel niet tegen. Daar kwam ik ‘Tarantula’ van Bob Dylan tegen, een eerste Nederlandse druk uit 1972.

Nu ben ik geen fan van Dylan (sorry Alja), of eigenlijk geen fan van zijn muziek maar ik weet dat Alja Spaan een hele grote fan is van Bob Dylan dus kocht ik het boekje voor haar met in mijn achterhoofd dat ze het waarschijnlijk wel zou hebben. Maar je weet nooit. Ze had al een exemplaar.

Dat is niet erg want dit gaf me een kans om het geschreven werk van Dylan van wat dichterbij te leren kennen (de man had niet voor niks de Nobelprijs voor de literatuur gekregen tenslotte). En dat viel niet tegen.

Na een korte introductie van Dylan als artiest meldt de uitgever dat “Tarantula een fantastisch, briljant boek is, stormachtig en vol verbijsterend proza-poëzie. Ongeduldig, rusteloos en surrealistisch als alle beroemde Dylan-teksten. Door de ogen van Dylan zien we in fragmenten de Amerikaanse samenleving: mensen, plaatsen en levensstijlen in een chaotisch geheel waarvan de kern op excentrieke Dylanwijze wordt blootgelegd.” De uitgever eindigt met: Een feestelijk relikwie uit een periode die misschien voorbij lijkt maar zeker niet is vergeten.

Dat beloofde wat. Ik weet niet wat Bob Dylan had gebruikt toen hij dit schreef maar het komt me allemaal nogal psychedelisch over, het doet me erg denken aan het werk van Vaandrager; vreemd, verwarrend, heel associatief, beeldend en heel jaren zestig/zeventig (interpunctie die te pas en te onpas wel of niet wordt gebruikt), vrij van elke vorm van vorm of richting.

En toch heeft het iets boeiends, het spel met de taal, de ongewone en onverwachte wendingen , het soms volledig uitblijven van structuur of vorm waaraan je je als lezer kunt vastgrijpen. Het ene stuk (het boek bestaat zoals de uitgever al schreef uit fragmenten) is beter te behappen (ik zeg hier expres niet begrijpen) dan het andere, sommige stukken zijn net iets beter plaatsbaar in tijd en plaats dan andere.

Tussen deze stukken tekst, die soms als een brief aan iemand eindigen, staan stukken die veel van poëzie weghebben. In het fragment ‘Prelude voor het platte plektrum’ dat volgens mij gaat over de domheid van de mens, religie die alles plat slaat, het losbreken van de familie en thuis, staan een viertal tekstfragmenten die, onder elkaar geplaatst een gedicht vormen dat niet alleen min of meer begrijpelijk is maar ook zeer genietbaar.

.

‘zijn er nog vragen?’ vraagt

de instrukteur. een blond

jongetje op de eerste rij

steekt zijn vinger op en vraagt

‘hoe ver is het naar mexico?’

.

‘wie wil er iets buitengewoons worden?

vraagt de instrukteur. het slimste

kind van de klas, dat dronken op school

komt, steekt zijn vinger op en zegt

‘ik meneer. ik wil een

dollar worden meneer’

.

‘wie kan me vertellen

hoe de derde president van de

verenigde staten heette?’ een

meisje met haar rug vol inkt

steekt haar vinger op en zegt

‘ernst tobbe’

.

‘kan iemand in de klas

met het preciese uur vertellen

waarop zijn of haar vader

niet thuis is?’ vraagt de

instrukteur. iedereen laat

opeens zijn potloden vallen

en rent de deur uit-iedereen

behalve het jongetje op de

laatste rij natuurlijk, die een

bril draagt en zijn appel

meebracht

.

Voor de liefhebber van vreemde geschriften uit een periode waarin vreemd eerder gold als gangbaar dan als bijzonder is ‘Tarantula’ een boek dat dit tijdsbeeld als geen andere weergeeft. Voor Dylan fans ongetwijfeld een voorbeeld van zijn genialiteit. Voor mij boeiende literatuur vanuit de taal gezien, een introductie in wat Bob Dylan dus ook is of was. Ik zal er geen plaat van hem extra om gaan draaien maar ik snap nu beter de ‘rijkdom’ van de taal van Dylan die ik eerder alleen kende van zijn songteksten.

.

Buk nog een keer

Margreet Dolman

.

In 1986 kocht ik het boek ‘Buk nog een keer’ een vrouw klapt uit haar leven van Margreet Dolman. Behalve een aantal hilarische ‘preken’ van dominee Gremdaat en een aantal sketches is er ook een hoofdstuk getiteld ‘Haar poëzie’. Ik was dit helemaal vergeten tot ik dit boek weer eens uit mijn boekenkast haalde om er in te lezen.

De gedichten zijn soms nogal kort en banaal, soms wat langer en meer inhoudelijk maar er zitten ook zeker zeer aardige gedichten tussen. Zoals het gedicht’Ik mis je’.

.

Ik mis je

.

Ik mis zijn versluierde ogen,

zijn ruime mond,

zijn soepele tong,

zijn lichamelijk begrip,

ik mis hem,

zijn dikke reet,

koppige natuur,

strenge klok

en aarzelend gevoel.

.

Tegen de afgrond

Dirk van Bastelaere

.

Ik ruim mijn kast op. Dat is hard nodig want ik heb nog nauwelijks plaats voor mijn (nieuwe) dichtbundels. Tussen alle boeken vond ik ook nog een tijdschrift ‘Boek’ uit 2007. Waarom ik dat bewaard heb is me een raadsel, er staat hoegenaamd vrijwel niets over poëzie in behalve een klein stukje over de Week van de poëzie en de VSB poëzie prijs. Grappig om te lezen is dat de Week van de poëzie in 2007 van 21 tot en met 27 april liep (synchroon met de Poetry month in de VS) terwijl deze week inmiddels naar januari is ‘verhuisd’.

In dat stukje staan ook de genomineerde dichters waaronder Dirk van Bastelaere (1960) met zijn bundel ‘De voorbode van iets groots’.  De VSB poëzieprijs won hij niet dat jaar, wel de Jan Campert prijs. Uit een andere bundel ‘Hartswedervaren’ uit 2000 het gedicht ‘Tegen de afgrond’ waaruit duidelijk het post moderne karakter van zijn poëzie blijkt.

.

Tegen de afgrond

Dat ik je aanspreek,
stom hart,
is natuurlijk complete waanzin, je bent
een generiek gegeven uit de cultuurgeschiedenis.

Dat betekent: een sterrennevel,
drijvende paddesnoeren, een parcours d’accidents
een zon die in het zwart verkeert,
napalm, Reihung, een nevengeschikte wereld
en we schrijven entropie.

Het is een woord,
hart,
tegen de wereld. Net zo goed kan ik tegen
de afgrond gaan schreeuwen, een canyon waarlangs
op zorgvuldige plaatsen
een houten framepje werd opgesteld
met de vermelding Take Pictures Here. KODAK

.

dvb2

dvb

Jean-Bédel Bokassa

Bloemen van het kwaad

.

In de vuistdikke uitgave ‘Bloemen van het kwaad’ samengesteld en geschreven door Paul Damen, staat niet alleen heel veel zeer boeiende informatie te lezen over tal van dictators, maar ook veel van hun “poëzie”.  Jean-Bédel Bokassa (1921-1996) was één van de dictators waar ik ten tijde van zijn bewind al een fascinatie voor had. Hoe kwamen Afrikaanse leiders aan de macht, wisten ze zich tot dictator en alleenheerser te ontwikkelen en raakten ze vervolgens volledig van god los? Bokassa kwam, zoals zovele machthebbers in Afrika aan de macht door een staatsgreep te plegen. Hij benoemde zichzelf vervolgens tot president voor het leven en Keizer van Centraal Afrika (waar hadden we dat eerder gehoord?). Hij was niet alleen megalomaan maar hield er ook een schrikbewind op na (zoals veel dictators) waar dieven na twee veroordelingen een oor werd afgesneden en bij de derde veroordeling een hand.

In 1979 werd hij afgezet door paramilitairen en ging hij in Frankrijk in ballingschap waar hij leefde van al het geld dat hij tijdens zijn schrikbewind had geroofd. Uiteindelijk keerde hij terug naar, wat toen inmiddels de Centraal Afrikaanse Republiek heette en werd daar ter dood veroordeeld. Dat werd later omgezet in levenslang maar na 6 jaar kwam hij al vrij en leefde tot 1996 in de voormalige hoofdstad Bangui als vrij man.

In de gedichten die Boakssa schreef gaat het over zijn leven als staatsman en daar is duidelijk zijn visie terug te lezen op zijn invulling van die rol. Niet heel poëtisch, zijn eigen rol verkleinend en ‘het volk’ als belangrijkste naar voren schuivend maar ondertussen zijn eigen zin doen (vaak) tegen de wil van dat zelfde volk in (waar zien we dat tegenwoordig vaker!).

Over de authenticiteit van deze gedichten is inmiddels veel discussie, in een goed artikel van Bart FM Droog blijkt dat het gedicht hieronder wel erg veel lijkt op ‘Je ne suis pas un héros’ van Daniel Balavoine. Doorlezend op Internet blijken meer van de gedichten in dit boek discutabel te zijn zoals de ‘vermeende’ gedichten van Adolf Hitler. Lees het artikel hier http://www.bartfmdroog.com/droog/dd/bokassa.html Dit is het gedicht waarop Bart FM Droog doelt.

.

Ik ben helemaal geen held.

Fouten blijven me beklijven.

Geloof niet wat de kranten schrijven.

Ik ben absoluut geen held.

.

Ik ben overal en nergens niet.

Ik zie niets, terwijl ik alles merk.

Beluister niets, maar het ontgaat me niet,

dat is een staatshoofd zijn werk.

.

Je schrijft ook geen geschiedenis

zonder échte offers erin,

maar offers blijven zonder zin

als er bij het volk geen steun voor is.

.

Jean-Bedel Bokassa

Dichters en schrijvers begraafplaats

Schoonselhof in Antwerpen

.

Op 2 augustus 2012 schreef ik over het zeer aardige en mooi vormgegeven boek ‘O en voorgoed voorbij’ dat door de NBD Biblion en De Arbeiderspers werd uitgegeven in dat jaar met een overzicht van een aantal graven van Nederlandse schrijvers en dichters. Ik moest hieraan denken toen ik via een foto op de Wikipediapagina van Het Schoonselhof in Antwerpen terecht kwam.

Dit voormalige landgoed werd in 1911 door de stad Antwerpen aangekocht en ingericht als begraafplaats. Beroemde schrijvers en dichters hebben hier hun laatste rustplaats gevonden.

Hendrik Conscience, Willem Elsschot, Hubert Lampo, Herman de Coninck, Marnix Gijssen, Gust Gils, Gerard Walschap en Paul van Ostaijen liggen hier begraven. Mocht je dus nog eens een verloren uurtje hebben en je in Antwerpen bevinden dan kan ik een reisje naar Schoonselhof zeker aanbevelen.

Hieronder een aantal graven en, natuurlijk, een gedicht van Gust Gils (1924 – 2002) getiteld ‘Een minnend paar’ uit de bundel ‘Ziehier een dame’ uit 1957.

.

een minnend paar

.

een minnend paar man en meisje
identiteit onbekend
op een grijsgeregende morgen in een van de plattelandssteden
komen vreemd aan hun eind nl. zij vloeien
als twee vlakken natte waterverf in elkaar

liefde of toeval niemand weet het

stoffig en schraal als puin vindt men
de bewijsstukken (hun silhouetten) later
veel later
op een onverhuurde zolderkamer

.

graf-gg

Graf Gust Gils

hconscience_graf

Graf Hendrik Conscience

graf-gw

Graf Gerald Walschap

graf-hdc

Oude graf Herman de Coninck

wilrijk_graf_herman_de_coninck

Nieuwe grafsteen Herman de Coninck (2015)

Mont Ventoux

Jan Kal

.

De Mont Ventoux is vooral bekend onder wielerliefhebbers (als Col van de buitencategorie) en onder de lezers van het gelijknamige boek van Bert Wagendorp (dat inmiddels ook verfilmd is). Minder bekend is het gedicht met deze titel van Jan Kal.

Jan Pieter Kal (1946) is  vooral bekend van zijn vele sonnetten. Hij groeide op in Haarlem, maar verhuisde naar Amsterdam voor een studie medicijnen. Aan studeren kwam hij niet toe door een alles overheersende liefde, maar die bracht hem wel tot het schrijven van sonnetten. Jan Kal kan van weinig poëzie maken. Hij heeft een eigen spontane, weemoedige toon, waarin ook zijn humor een plaats heeft.

Kal debuteerde in 1974 met de bundel ‘Fietsen op de Mont Ventoux’ waaruit ook dit gedicht is genomen. Hij heeft inmiddels 16 bundels het licht laten zien met ‘Een dichter in mijn voorgeslacht’ uit 2015 als laatste.

.

Mont Ventoux

.

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux,

waar Tommy Simpson nog is overleden.

Onder zo tragische omstandigheden

werd hier de wereldkampioen doodmoe.

.

Op deze col zijn velen losgereden,

eerste categorie, sindsdien tabu.

Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampoo,

die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.

.

Alles is onuitsprekelijk vermoeiend,

de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg,

waarvoor ook geldt: bezint eer ge begint.

.

Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,

de top van deze kaalgeslagen berg:

ijdelheid en het najagen van de wind.

.

kaldrie

jan-kal-2-juni-2011

                                                                                                                        foto: Annet Hogenesh

 

Eneas

Publius Virgilius Maro en Joost van de Vondel

.

Van Ton Rodenburg kreeg ik de ‘Eneas’ van Publius Virgilius Maro in de vertaling van Joost van den Vondel uit 1947 met lithografieën van Dignum Dominicus Lammers. Een mooi, groot, lijvig werk van 382 pagina’s dat eigenlijk te groot is voor mijn boekenkast. En toch ben ik zeer verrukt over deze gift van Ton.

Vergilius zijn bekendste werk is de Aeneis  (of in vertaling de Eneas), het grote heldendicht waarin de grootheid van Rome, van Romes oorsprong en verleden wordt bezongen. Dit werk moest even beroemd worden als de Ilias en de Odyssee van Homerus, het heeft dan ook een gelijkaardige inhoud, maar het is kritischer geschreven.

De Aeneïs gaat over de legende van Aeneas, die de Romein voorstelt als de verre afstammelingen van de Trojanen en van het geslacht van de Iulii (=Julii), waartoe Augustus behoorde door de adoptie van Quintus, de zoon van Aeneas en kleinzoon van Venus en Jupiter. De vermenging van deze mythologie met Latijnse geschiedenis maakt dit epos tot een nationaal kunstwerk, dat vanaf zijn ontstaan tot het heden toe geldt als het mooiste gedicht in de Latijnse taal.

In de taal van Vondel wordt dit een prachtig maar niet eenvoudig werk om te lezen. En toch ben ik eraan begonnen. De taal van Vondel is archaïsch maar prachtig. En nee, niet alles wat ik lees begrijp ik meteen maar dat geeft niet, door de taal, de rijkdom aan woorden en beschrijvingen neemt de schrijver me mee in het verhaal. Wat ik verder heel bijzonder vind is hoe de taal is veranderd. Als je de tekst hardop in je hoofd leest is er niet zo gek veel veranderd maar het gebruik van d’s en t’s, van h’s en g’s waar we dat niet gewend zijn, de ae voor de e, het gebruik van de stille c, de n aan het eind van vele woorden, allemaal in onbruik geraakt. Mooi om te zien hoe taal steeds veranderd en zich aanpast aan de tijd.

Per boek staat aan het begin een korte inhoudsopgave zoals dat vroeger vaker gedaan werd. Hier de inhoud van het eerste boek. Als tekst bijna een gedicht.

.

Eneas, de godtvruchte en strijtbaere oorloghshelt,

Vervolght van Iunoos wrock, en doolende om te landen

In ’t oude Italie, vervalt, door ’t woest gewelt,

Der Siciljaensche zee, in ’t ende aen Didoos stranden.

Zijn moeder Venus wijst hem ’t onbekende padt,

Dat naer Karthago loopt: zij deckt met eene wolcke

Achates, en haer’ zoon; die vindt de nieuwe stadt,

En wint Elyzes gunst, ten troost van zijnen volcke,

Geberght, en wel onthaelt ter tafel in ’t palais,

Belust om trojes val te hooren, en hun reis.

.

img_5642

img_5643

img_5644

img_5645

 

De Pier

Mooie taal

.

In het alleraardigste boekje ‘Het lied van Den Haag’ zijn (bijna) alle liedjes die ooit bekend zijn geworden over Den Haag verzameld. Toen ik over de Pier aan het lezen was viel me bij het lied ‘de pier’ van Charles Heijnen uit 1915 op dat de taal die daarin gebruikt zo mooi en voornaam is. Poëtisch van klank en daarom uiterst geschikt om op te nemen onder de categorie poëzie in songteksten.

Uit de strofe uit het lied blijkt ook hoe voornaam de stad Den Haag en met name Scheveningen ooit was.

.

Op de pier in Scheveningen promeneert het blauwe bloed,

Sinds de banken en het windscherm is ’t leven er zoo zoet.

 

Jonkers voeren dweepgesprekjes met hun blik in ’t blauw verschiet,

Spreken af op knusse plekjes en de freule weigert niet.

 

Heel Den Haag ontmoet elkander, en ‘hm’…met ’n ander,

Vol beminnelijken zwier savoureeren ze een exquisiet pleizier.

.

het-lied-van-den-haag

pier

Japanse overlijdensgedichten

Zen Monniken

.

In Japan is het een lange traditie dat je niet alleen je testament opmaakt (meestal vlak voor) je overlijden maar ook een zogenaamd overlijdensgedicht schrijft, een zogenaamde Jisei ( 辞世 ). Deze vorm van poëzie is voortgekomen uit het Zen Boeddhisme. Een Jisei is een meestal maar niet exclusief een Haiku. Yoel Hoffmann stelde het boek ‘ Japanese Death Poems: Written by Zen Monks and the Haiku Poets on the Verge of Death’ samen.

De Jisei,  vaarwel gedichten  aan het leven, zijn niet, zoals je misschien zou denken, donkere zware gedichten. Vaak representeren ze de persoon die het gedicht schreef bij leven of hoe die persoon naar zijn/haar leven keek of juist naar de dood. Sommige overlijdensgedichten zitten vol humor of zijn juist heel hoopvol.

Hier zijn twee voorbeelden uit het boek (in het Engels en Japans).

.

Van de beroemde Haiku dichter Basho is deze Jisei

“旅に病んで 夢は枯野を かけ廻る”
 
Stricken on a journey, My dreams go wondering around, Withered fields
 
Basho wist dat hij ging sterven en dat hij niet meer thuis zou komen, hij wist echter dat zijn dromen niet zouden stoppen met rondreizen.
.
 
Moriya Sen-an schreef deze Jisei, en moet wel erg van alcohol hebben gehouden.
 
“我死なば 酒屋の瓶の 下にいけよ。せめて滴の 盛りやせんもし”
 
Burry me when I die beneath a sake barrel in a tavern. With luck, the cask will leak
.
death poems
%d bloggers liken dit: