Site-archief

In badpak

(Bijna) vergeten dichter

.

Halbo Christiaan Kool (of H.C. Kool zoals hij bekend stond) leefde van 1907 tot 1968 en was  dichter, journalist, criticus en vertaler. Al voor zijn debuutbundel ‘De Tooverformule’ in 1930 had Kool een reputatie als Nederlands jongste dichter en is later als een literair wonderkind bestempeld. Hij heeft, ondanks de steun van H. Marsman, deze belofte echter nooit helemaal waar kunnen maken. Desalniettemin bleef Kool zijn gehele leven dichten en schrijven. Zo schreef hij 6 dichtbundels en verzorgde verschillende bloemlezingen.  Zijn werk, vooral uit de jaren dertig, is sterk geëngageerd. Ook anderszins stond zijn leven in dienst van de letterkunde. Hij was een van de samenstellers van het in 1944 illegaal verschenen ‘Vrij Nederlandsch Liedboek’. Daarnaast was hij in 1944 medeoprichter en vervolgens bestuurslid van de tot de bevrijding clandestiene uitgeverij De Bezige Bij.

H.C. Kool publiceerde onder vele (16!) pseudoniemen. Voor, tijdens en na de oorlog. Zijn mooiste pseudoniemen vind ik wel Ad Interem of Ad Interim, (ook Ad Int.) , Oom Hik, van de Plant Jr. en -C.-.

In 1968 verscheen in het Poëtisch erfdeel het gedicht ‘Roesj in badpak’ van H.C. Kool wat ook een andere kant van zijn dichterschap laat zien. In dit gedicht klinkt het verlangen door van jonge mannen naar jonge vrouwen, met wat mij betreft, de prachtige zinnen ‘hoor het lied der blinde vinken / wreed gelooid aan hare zijde’.

.

Roesj in badpak

.

Al het water van de zee

was geen roze schelpen schoner

dan de nagels harer tenen

dan de nagels harer pinken

bij het naderen van de zomer;

.

hoor het lied der blinde vinken,

wreed gekooid aan hare zijde,

ruisen in de roze schelpen

van haar schoon volmaakte oren;

,

al het water van de zee

wast geen roze schelpen schoner

dan dit graag decolleté.

.

Advertenties

Rakelings

Ria van Amelsvoort

.

Na het beëindigen van haar loopbaan als docent Frans begon Ria van Amelsvoort (1933) met het schrijven van proza en poëzie. Haar gedichten werden gepubliceerd in verschillende bloemlezingen en haar werk werd bekroond met verschillende prijzen waaronder tweemaal de Dunya Poëzieprijs. Haat taalgebruik is direct en doeltreffend. In 2010 verscheen van haar hand de bundel ‘ Rakelings’. In deze bundel komen thema’s als maatschappelijke betrokkenheid,, liefde, bezinning en aanvaarding aan de orde met name voor mensen met een verstandelijke handicap. Maar ook bespiegelingen op het moderne leven zoals in het gedicht ‘ Draadloos’.

.

Draadloos

.

als losgeslagen scheepjes

dobberen mobielen

op de mensenzee

draadloos aan de schelpen

nemen zij commando’s mee

intiem soms de gedachten

worden in de lucht gelost

.

ik mis het mij ommurende hok

waar ik ingekerfde liefde vond

als ik er te telefoneren stond

.

 

Nachtelijk gesprek

Paul Rodenko

.

Paul Rodenko ken ik vooral als samensteller en bloemlezer van allerlei bundels zoals ‘Voorbij de laatste stad’,  ‘De muze viert feest’ en ‘Nieuwe griffels, schone leien’. Paul Rodenko (1920-1976) was echter veel meer, hij was dichter, criticus, essayist en vertaler. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften Maecenas en Parade der Profeten. Zijn debuut als dichter maakte Rodenko in 1947 met zijn vertaling van Dvenatsat (De twaalf) van de Rus A. Blok (de vader van Rodenko was een Rus).

Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van de Vijftigers in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Een goed voorbeeld is zijn gedicht ‘Bommen’ dat ik mop dit blog plaatste op 15 juli 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/07/15/bommen/.

Uit de bundel ‘Orensnijder tulpensnijder’ Verzamelde gedichten uit 1975 het gedicht ‘Nachtelijk gesprek’.

.

Nachtelijk gesprek

.

We zitten moe als padden zo gedwee

in onze transparante tent

de nacht rondom is een immense zee

de woorden onze mond ontwend

zijn trage jonken op het tijloos water

.

Geen uurwerk tikt er in de nacht

geen tafel lacht

je onbeweeglijke gezicht

is van een wonderlijke naaktheid

.

Hoe lang reeds is de zin geronnen

van ons gesprek in deze tent

komt er dan nooit een end

de laatste spin heeft stil mijn tong bestegen

en is verveeld zijn grauwe web begonnen

.

Je stem heeft zich nu eindeloos verlengd

ik zie de voet slechts van een rijzig woord

je vissenmond kruipt langzaam naar mij toe

.

en wordt heel groot en onbegrijpelijk rond

.

Wij-materie

Sybren Polet

.

Van alle dichters uit de beweging van de Vijftigers ken ik Sybren Polet het minst goed. Sybren Polet (1924 – 2015) was het pseudoniem van schrijver, dichter Sybe Minnema. Polet volgde een opleiding tot leraar in Zwolle. In 1946 debuteerde hij onder zijn eigen naam met de dichtbundel ‘Genesis’. Als Sybren Polet debuteerde hij in 1949 in het literaire tijdschrift Podium, waarvan hij van 1952 tot 1965 redacteur zou zijn. De stad Amsterdam speelt er een centrale rol in zijn werk en de personages, aangeduid als Mr. Iks, Mr. X, en dergelijke, veranderen continu van gedaante. Polet schreef ook toneelstukken en kinderboeken en stelde bloemlezingen samen van poëzie en sciencefiction. Ook vertaalde hij Zweedse poëzie naar het Nederlands  Voor zijn werk ontving Polet verschillende belangrijke literaire prijzen zoals de Jan Campert-prijs voor zijn dichtbundel ‘Geboortestad’ in 1959, de Herman Gorterprijs voor zijn dichtbundel ‘Persoon/onpersoon’ in 1972 en de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre in 2003.

In 1961 verscheen van hem de dichtbundel ‘Konkrete poëzie’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Wij-materie’ waarin het experimentele karakter van de Vijftigerspoëzie heel goed tot uitdrukking komt..

.

Wij-materie

.

Ik zeg. Zeg niets. Niets zeg ik dan: Wij. Het splijt
dikwijls maar is, immers heeft een soort. gewicht
van 34.3, atoomnummer 2 : 2 protenen (jij
en ik), 2 neutronen (?) en een heel kleine neutrino.
Onder het uitzenden van een λ-deeltje
ontwikkelen wij een zo sterke erotiese warmte
—gelijk aan zes volledige echtparen in hun eerste graad
van kennismaking—dat wij materiemystici oplossen
in licht. Neutraal is de witheid
die niets omringt, niets is, niets
wil.
Geen astrofysikus zweeft voorbij. Geen supersoniese engel
ruist. –Geen adem, geen adat, geen Adam.

.

 

Amalia Rodriguez zingt

Hubert van Herreweghen

.

De Vlaamse dichter Hubert van Herreweghen (1920 -2016) wordt samen met generatiegenoten als Anton van Wilderode en Christine D’haen gezien als dichters van de bezettingsgeneratie. Hij debuteerde in de oorlog (1943) met de bundel ‘Het jaar der gedachtenis’ en in 2015, op 95 jarige leeftijd, verscheen zijn laatste bundel ‘De bulleman en de vogels’. Hij werkte als onderwijzer, journalist en bij de Vlaamse televisie. Naast dichter was van Herreweghen redacteur van enkele literaire tijdschriften, waaronder Podium (1943-1944) en vanaf 1947 van Dietsche Warande & Belfort. In dat laatste tijdschrift verschenen vrijwel al zijn gedichten. Daarnaast was hij samensteller van bloemlezingen van gedichten. Van 1965 tot 2000, 36 jaar lang, verzorgde hij voor het Davidsfonds een selectie van 50 gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften. Hubert van Herreweghen ontving tijdens zijn leven verschillende literaire prijzen waaronder de Prijs van de provincie Brabant (1945), de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie (1962) en de Prijs voor Letterkunde voor de Vlaamse Provincies voor zijn gehele oeuvre (2006).

Uit ” Vleugels’ Poëtisch Erfdeel der Nederlanden uit 1962, koos ik voor het gedicht ‘Amalia Rodriguez zingt’ vooral omdat dit bij mij een herinnering naar boven bracht aan mijn ouders die naar haar luisterde.

.

Amalia Rodriguez zingt

.

I

Hartstochtelijk uit de ellende klagen,

tegen vernedering steigerende trots,

om hemel en aarde uit te dagen

en de oneindige barmhartigheid Gods.

.

O nooit nooit in het leven te dulden

wat ons tot droeve narren verminkt,

berusten nooit, maar schelden op schulden

en klagen om wat in ’t graf verzinkt.

.

Voor de ongeborenen is er het leven,

voor levenden is er schande en dood;

en tot wij liggen in dezelfde schoot

zullen de doden geen teken geven.

.

II

Klagen zoals de tortels klagen

diep in ’t van koeren ronkend bos,

de dove echo ondervragen,

maar niets komt uit de stilte los.

.

Klagen zoals al wat geschapen

is, klaagt, en jankt en kermt,

klagen zoals de schapen blaten

totdat de slachter zich ontfermt,

.

klagen zoals de golven klagen,

schreeuwen zoals de zeemeeuw schreeuwt;

duizend gedoofde huilen dragen

zeeën en wind. De stilte geeuwt.

.

.

De enige vrouw

Bertalicia Peralta

.

De Panamese journaliste, schrijfster en dichter Bertalicia Peralta (1939 volgens de bundel, 1940 volgens andere bronnen) schrijft vaak over de positie van de vrouw, onder andere in essays maar ook in haar poëzie. Als schrijver specialiseert ze zich in poëzie en korte verhalen  en publiceert in tijdschriften, bloemlezingen en literaire supplementen in Amerika en Europa. Haar werk is vertaald in het Engels, Frans, Italiaans en Portugees. Ze is winnaar van verschillende literaire prijzen, waaronder een eervolle vermelding in de wedstrijd Ricardo Miró.

In de bundel ‘Zo’n gelukkige dag, dichters voor Amnesty International’ uit 2005, samengesteld door Daan Bronkhorst, staat het gedicht ‘De enige vrouw’ van haar hand in een vertaling van Koosje Verhaar.

.

De enige vrouw

.

De enige vrouw die kan bestaan

is zij die weet dat nu de zon over haar leven gaat schijnen

.

zij die geen tranen stort maar pijltjes uitstrooit

om haar territorium af te bakenen

.

zij die geen verzoeken doet

zij die haar mening geeft en haar hoofd optilt en met haar

lichaam zwaait

en die teder is zonder schaamte en hard zonder haat

.

zij die het alfabet van onderworpenheid heeft verleerd

en rechtop loopt

.

zij die de eenzaamheid niet vreest omdat zij alleen is

geweest

zij die de grote kreten van geweld voorbij laat gaan

.

en dat alles doet met gratie

zij die zich bevrijdt te midden van liefde

zij die bemint

.

de enige vrouw die de enige kan zijn

is zij die gepijnigd en zuiver voor zichzelf besluit

om uit haar voorgeschiedenis te stappen

.

 

Over poëzie

Cultuurindex 

.

Ten aanzien van poëzie en wat er allemaal speelt rond het uitgeven, het verkopen en het lezen van poëzie krijg ik nogal eens vragen. Deze week nog werd ik geïnterviewd door Bibliotheekblad.nl over poëzie in de bibliotheek en ook daar werden vragen gesteld over het uitlenen en het lezen van dichtbundels. Nu de Poëzieweek net achter de rug is zie je dat er wat meer interesse is in poëzie (ook bij de bibliotheek) maar het blijft toch marginaal in vergelijking met bijvoorbeeld proza. Van een lieve lezer kreeg ik een link doorgestuurd met daarin een aantal infographics die de Cultuurindex heeft gemaakt n.a.v. de Poëzieweek onder de titel ‘Gedichten en getallen’.

Een aantal zaken die hierin benoemd worden vind ik interessant. Zo is slechts 2 tot 4% van alle boeken die verkocht worden poëzie, leest 2% van de Nederlanders boven de 14 jaar tenminste één poëziebundel per maand maar verschijnen er toch maar liefst 176 gedichtenbundels per jaar gemiddeld. Dat laatste vind ik nog best een respectabel aantal al weet ik niet of daar allerlei uitgaves in eigen beheer of via self publishingsites is meegeteld.

Het aantal bloemlezingen is juist erg gedaald. Waren dat er in 2009 nog 46, in 2015 waren dat er nog maar 17! Net nu ik in het interview heb aangegeven dat je als bibliotheek juist bloemlezingen en bundels op thema zou moeten kopen omdat daar juist veel verschillende dichters in staan. Wanneer je een bloemlezing of bundel op thema leest kom je soms tot verrassende ontdekkingen (als het om nieuwe dichters gaat of dichters die je nog niet kent).

Maar liefst 97% van de Nederlanders komt weleens in aanraking met poëzie en maar liefst 70% hiervan komt door poëzie in de openbare ruimte (iets waar ik al jarenlang aandacht aan besteed maar ook straatpoezie.nl wordt (terecht) genoemd). En 9% van de Nederlanders schrijft zelf enige vorm van poëzie. De conclusie van de Cultuurindex is dan ook een terechte denk ik: Voor de meeste volwassenen Nederlanders leeft de poëzie vooral buiten het papieren boek.

Verder was ik toch een beetje teleurgesteld in het aantal stadsdichters in Nederland (54 in 393 gemeenten in 2015) maar werd ik wel weer heel vrolijk van de cijfers over de groei van de poëzieomzet rondom de poëzieweek (al liep die wel weer wat terug in 2017) en vooral blij makend was het bericht dat het aantal dichtersoptredens rond de poëzieweek al jaren een stijgende lijn laat zien (van 74 in  2014 naar 133 in 2017 en ik denk dat er in 2018 opnieuw meer zijn.

Vooral dat laatste gegeven sluit naadloos aan bij mijn pleidooi om de Poëzieweek uit te breiden naar een Maand van de poëzie. Zoals ze in de Verenigde Staten de Poetry Month hebben in april. Op die manier geef je mensen meer de mogelijkheid om een dichterspodium te bezoeken, geef je dichters de mogelijkheid om vaker hun werk voor te dragen, en komt poëzie (ook de gepubliceerde papieren poëzie) nog beter voor het voetlicht.

Om na al deze informatie toch te eindigen met een gedicht koos ik voor een gedicht over poëzie van de dichter J.C. Bloem getiteld ‘Dichterschap’ uit de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994.

.

Dichterschap

.

Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten,
voor de rechtvaardiging van een bestaaan
In ‘t slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen broode allengs verdaan?

En hierom zijn der op een doel gerichten
bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
in ‘t zicht van ‘t eind der onherkeerbre baan.

van al de dingen die ‘k droomen zocht
Erger: van alle, die ik wel vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.

.

Adieu

J.W. Schulte Nordholt

.

Jan Willem Schulte Nordholt (1920 – 1995) was een Nederlandse dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten. In 1942 werd hij gearresteerd, waarna hij zowel in Nederland als in Duitsland gevangen zat. In 1943 verscheen clandestien zijn eerste dichtbundel onder het pseudoniem W.S. Noordhout. In 1950 werd zijn eerste dichtbundel ‘Levend landschap’ onder eigen naam uitgegeven. Voor deze bundel ontving hij in 1952 de Lucy B. en C. W. van der Hoogtprijs. In 1961 ontving hij voor zijn bundel ‘Een lichaam van aarde en licht’ de ‘Poeziëprijs van de gemeente Amsterdam. Zijn werk werd ook in veel bloemlezingen opgenomen. Tegenwoordig raakt zijn naam in de vergetelheid en daarom in het kader van de (bijna) vergeten dichters hier het gedicht  ‘Adieu’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1989.

.

Adieu

.

In de kamer zit ik aan de tafel,

luister naar het suizen in mijn oren.

Vogels houden eindelijk hun snavel,

het wordt stil, ik kan de sterren horen,

en wat in de aarde wordt geboren.

.

Nu vannacht, het hele huis ligt open,

ik zit in de blote eeuwigheid,

en ik laat mij door de regen dopen

voor een zachte dood, ik ben bereid.

.

Regen regent en de bomen lopen

bij mij binnen, op mijn hand die schrijft

groeit het gras. Adieu. Mijn hart verstijft.

.

Canadezen

Peter Theunynck

.

Peter Theunynck (1960) is Vlaams dichter en schrijver uit Antwerpen. Theunynck begon pas begin jaren ’90 met het schrijven van gedichten. In 1994 debuteerde hij in eigen beheer met de bundel ”Waterdicht’. In 1997 verscheen bij Manteau  ‘Berichten van de Panamerican Airlines & Co’ die genomineerd werd voor de C. Buddingh’prijs . In 1999 publiceerde hij de dichtbundels ‘De bomen zijn paars en de hemel’ (1999) en ‘Man in Manhattan’ (2003). In 2005 kreeg hij voor ‘Man in Manhattan’ de Poëzieprijs Gerard Michiels toegekend. Voor diezelfde bundel werd hij ook genomineerd voor de Vijfjaarlijkse prijs voor poëzie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) in Gent. Daarnaast werkte Theunynck mee als samensteller aan een aantal poëzie bloemlezingen. Uit de bundel ‘Man in Manhattan’ het gedicht ‘Canadezen’.

.

Canadezen

.

Mijn vader zei: hier liggen ze,
de Canadezen. Ik zag ze staan
aan de vaart, in hun grijze kleren.
Eindeloze, slachtrijpe rijen.

Man tegen man stonden ze:
een beetje wind en ze gingen.

Vrede. Aan beide kanten
Canadezen. Te lang in het land
om terug te keren. Te diep
in de grond om weg te marcheren.

.

Morgen bij Ongehoord!

Anne-Fleur van der Heiden

.

Aanstaande zondag (morgen) op 24 september is er weer een poëziepodium van Ongehoord! op de 4e etage van de centrale bibliotheek Rotterdam (naast station Blaak). Omdat het Jongerenmaand is bij de bibliotheek een podium vol jongeren en jong talent en één iets ouder talent. Dit keer allemaal dichters die mee gereisd hebben met de Poëziebustoer 2017 van afgelopen zomer. Een van de dichters van deze toer die morgen ook te zien en horen is, is Anne-Fleur van der Heiden.

Anne-Fleur van der Heiden is in 1987 geboren in Rotterdam om in 2009 via een omweg  in Utrecht neer te strijken. Met een diploma van de Hoge Hotelschool Maastricht, deed ze in 2013 selectie voor de Schrijversvakschool Amsterdam en schrijft daar poëzie. Publicaties zijn te vinden bij De Optimist, bloemlezingen van de Turing Gedichtenwedstrijd en De Revisor. In januari 2018 verschijnt haar debuut roman ‘Klaproos’ bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam.

In 2016 verscheen de bundel ‘Handboek voor een optimistisch leven’, samengesteld door de redacteuren van ‘De Optimist’.  Uit  deze bundel uit 2016 het gedicht ‘Champagne’.

.

Champagne

.

Nu ik mezelf lang genoeg heb rondgedraaid wordt het tijd
stil te staan te groeien en de draagkracht te hertaxeren als
een voorjaarsbloem, pril
en jeugdig op haar steel, haar wortels krampachtig
vastklemmend in de losse aarde.

Om ook het licht niet te beoordelen naar kilowattvermogen
ook licht kan ellendig zijn, voor een vlieg bijvoorbeeld
die zijn vleugels brandt aan een vlam.

Met de pijp van een blaasbalg in mijn mond
maak ik wind en vuur en doe feestelijk alsof
ik speel op een accordeon.

Als ik zeg dat het onmogelijk is, is het onmogelijk
maar dat geldt ook voor het omgekeerde; van tranen
een glas champagne maken of een bubbelbad.

.

%d bloggers liken dit: