Site-archief

Het klein heelal

April op de Veluwe

.

Uit mijn boekenkast vandaag de bundel ‘het klein heelal’ uit 1970. Een bundel moderne gedichten voor het voortgezet onderwijs, samengesteld door H. Doedens en P. Maassen. De titel komt uit een gedicht van H.W.J.M. Keuls. De samenstellers hebben zich bij hun keuze laten leiden door de liefde voor de eigentijdse letteren. Zij wagen het, zo stellen ze, een bloemlezing van merendeels nog levende dichters samen te stellen want, de jeugd herkent zich het best in de uitingen van tijdgenoten. Je vraagt je af hoe zo’n bundel er heden ten dage uit zou zien.

In een aantal hoofdstukken met titels als Fantasieën, Bloemen en dieren, Het Vaderland, Het leven van alledag, De dood, De seizoenen, De religie en Epische gedichten staan de bijna 200 gedichten gerangschikt. Gedichten van bekende namen maar ook van minder bekende namen als Edmond de Clerq, Alette Beaujon, W.S. Noordhout en Willem Enzink.

Ik koos voor een, mij onbekende, dichter namelijk Jo Landheer met het gedicht ‘April op de Veluwe’.

.

April op de Veluwe

.

In andre streken is ’t nu volop voorjaar.

Daar staan nu al veel bomen in een zacht,

Pril waas van groen en gaat jong gras ontspruiten.

Verblindend trilt er de ijle bloesempracht.

.

Hier blijft het donker op de stille heide,

Die nog van winterkoude lijkt verstard.

Vaal en verlaten liggen de stuifzanden

En al het loofhout ziet nog kaal en zwart.

Maar meer dan naar het liefelijkste op aarde

Trekt naar dit stugge land mijn hele hart.

.

Advertenties

Joenna Morits

Winterdag

.

In de dikke bundel ‘Spiegel van de Russische poëzie’ lees ik het gedicht ‘Winterdag’ van Joenna Morits. Vreemd genoeg vind ik achterin bij de bronvermelding niet waar het gedicht eerder is gepubliceerd of door wie het is vertaald. Wel vind ik in de bundel dat Morits (1937) in Kiev is geboren en heeft gestudeerd aan het Gorki Instituut voor Literatuur in Moskou. Morits schrijft meditatieve lyriek, veelal met de natuur als belangrijkste inspiratiebron. Dat blijkt zeker uit het gedicht ‘Winterdag’.

.

Winterdag

.

Al wat ik zie vanuit mijn raam –

De grandioze wereldorde –

Zal in mijn dikste schrift niet gaan,

Laat zich ternauwernood verwoorden.

.

Het bos is van kristal, het meer,

De ribes en de rechte hagen.

De bleke zon is in de weer

De januaridag te schragen.

.

De weg bukt onder sneeuwgewicht,

Zwart glanzen losse ravenveren,

Maar verder is het klaar en licht

Van kwetteren en kwinkeleren.

.

De ster die weinig anders doet

Dan licht te werpen op mijn leven

Praat met me op gelijke voet

En staat haar schijnsel weg te geven.

.

Misschien bestaat geluk daarin,

Misschien is dit het magistrale,

Dat niemand deze dag nadien

Letter voor letter kan herhalen.

.

Doe wat je ’t liefste doet

Het beste van poëzie in het park

.

Poëzie laat zich zeer goed genieten in de buitenlucht. In een tuin of een park, op een landgoed of in het bos, de omgeving draagt dan bij aan de beleving. Van april 2008 tot en met april 2009 was Amsterdam Wereldboekenstad. Binnen die context werden stadsdeelparken omgetoverd tot bloemrijke poëzieparken. Bewoners uit de verschillende stadsdelen leverden eigen dichtregels aan als inspiratiebron voor dichters, het publiek werd aan het schrijven gezet en er werden workshops georganiseerd voor bewoners in de parken. Ook werd er een interactieve poëzietentoonstelling in het Vondelpark georganiseerd.

Initiatief en organisatie waren in handen van Xsaga, en vele organisaties werkten mee aan dit jaarproject waaronder de Openbare Bibliotheek, de School der Poëzie, Kunstenaars & Co en vele culturele instellingen in de stadsdelen.

Mick Witteveen, Jacques Brooijmans en Jos van Hest stelden een bundel samen met de gedichten en foto’s van dit bijzondere project die werd gepubliceerd in 2009. Mustafa Stitou, destijds stadsdichter van Amsterdam, verzorgde het voorwoord.

Uit de vele gedichten van rijpe en groene dichters koos ik uiteindelijk een gedicht van de Westlandse Amsterdammer of Amsterdamse Westlander Jos Zuijderwijk, die op 3 januari 2015 onverwacht kwam te overlijden, getiteld ‘Houdt nooit op’. De inspiratiebron voor dit gedicht, zo lees ik in de bundel, was een dichtregel van Sonja Machielsen ‘Zie de twinkeling van je ogen weerspiegelen in het wateroppervlak’.

.

Houdt nooit op

.

Denkend aan molens bij sloten
waarop recht toe recht aan
tussen twee punten in lage landen
gevaarten steeds heen en weer gaan
soms om op zandbanken te stranden
verbreed ik mijn perspectief
om uit de hoogst wondere
wereld van waterwerken
teer gevoelig te verbijzonderen

Tot de vorst onder de Molen van Sloten
de Ringvaart doet kraken en snerpen
de witte wieken onder zuchtjes draaien
wij op glad ijs al van puur geluk kraaien
samen één te worden bij dat ene open wak

Schat dit houdt nooit op ik heb je lief
en zie de twinkeling van je ogen
weerspiegelen in het wateroppervlak
verwaten in tranen die nooit drogen
en wacht als steeds trots en onverdroten

.

Programma

Bastiaan van Heijningen

.

De tot voor kort mij volledig onbekende dichter Bastiaan van Heijningen (soms ook geschreven als Heyningen en nee, geen familie) werd in 1865 geboren in Dubbeldam. Op 8 jarige leeftijd verhuisde hij met zus en ouders naar Rotterdam. Rond zijn 20ste studeert hij aan de Poly-technische school te Delft. In Rotterdam treft hem een zware verkoudheid en hij keert terug naar zijn (inmiddels in Amsterdam wonende) ouders. Hij lijdt aan hevige pijn in zijn zij en heeft een hardnekkige hoest. Gevaarlijk lijkt dit aanvankelijk niet, maar na een bloedspuwing  – hij is dan eenentwintig jaar oud- ziet de situatie er nogal hopeloos uit. De ene bloedspuwing volgt op de andere.

Ondanks of misschien dankzij zijn ziekte kan Bastiaan toegeven aan zijn literaire aspiraties. Hij maakt studie van het Italiaans en van de Engelse letteren, vertaalt en schrijft poëzie. In deze laatste jaren van zijn leven ziet hij zijn gedichten en vertalingen in tijdschriften gepubliceerdMede hierdoor maakt hij zich literaire vrienden. Nadat zijn zus sterft in augustus van dat jaar (1889) aan de vliegende tering moet hij opnieuw hevig bloed opspugen. Dit ziekbed komt hij niet meer te boven en op de avond nadat zijn eerste gedichten gebundeld zijn in de bundel ‘Gedichten’ sterft ook hij op 24 jarige leeftijd.

Hoewel zijn werk verschillend beoordeeld wordt is er zeker waardering onder critici. Meer dan een euw na zijn dood wordt er van hem een gedicht opgenomen in de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994 getiteld ‘Programma’.

.

Programma

.

‘k Beschrijf u niet den boedel der natuur;

Ik tel u niet, mocht ik van rozen spreken,

De blaadjes vóor; gewaag ik van een muur,

Wacht niet, dat ik u het stenental bereken.

.

‘k Tracht den graceur niet naar de kroon te steken;

En haar gelijm, gelik, gepoets, geschuur;

Maar ‘k troost mij lichtlijk over die gebreken.

Ik heb wat gal, wat hoogheid en wat vuur.

.

Mijn zang is vol vertwijfeling en toren,

Er in gestort uit overvloeiend hart,

Vrij schuw dit boekje, wie niets hards kon hooren.

.

O, kon ik zuivrer, liefelijker zingen!

Maar uit den gorgel, dichtgeschroefd door smart,

Zijn eenmaal weeker klanken niet te wringen.

.

Met dank aan Paulien van den Andel, 2010  http://bastiaanvanheijningen.webklik.nl

 

Ik ben de vurige

De liefste, onsterfelijke liefdesverzen

.

Gustavo Adolfo Domínguez Bastida (1836 – 1870), kortweg Gustavo Bécquer, was een Spaanse toneelschrijver en dichter. Hij wordt tot de bekendste schrijvers van de Spaanse romantiek gerekend.

Zijn bekendste werken zijn de Rimas (‘Rijmen’) en de Leyendas (‘Legendes’), die tegenwoordig doorgaans samen als de  ‘Rimas y leyendas’ worden uitgegeven. Deze gedichten en verhalen vormen een onlosmakelijk onderdeel van de Spaanse literatuur en behoren tot de verplichte stof van middelbare scholieren in de Spaanstalige wereld.

In de bundel ‘De liefste, Onsterfelijke liefdesgedichten’ staat het gedicht ‘Ik ben de vurige’ van zijn hand.

.

Ik ben de vurige

,

‘Ik ben de vurige, de donkere vrouw,

ik ben het zinnebeeld van elk verlangen;

door liefdeshunker is mijn ziel bevangen.

Ben jij op zoek naar mij?’ – ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Mijn hoofd is bleek; mijn vlechten zijn van goud;

ik heb jou eindeloos geluk bereid;

ik draag in mij een schat aan tederheid.

Roep jij misschien naar mij?’- ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Ik, ik ben een onmogelijke droom,

een hersenschim van nevel en van licht;

ik heb geen lichaam, ik heb geen gezicht;

ik kan je niet beminnen.’  – ‘Kom, o kom!’

.

Het kleine meisje

Nâzım Hikmet

.

In de vuistdikke bundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries staat een enorme schat aan gedichten van vrijwel elke Europese dichter die er toe doet. Vele bekende dichters en een groot aantal ( voor mij) onbekende dichters.

Zo ook de dichter  Nâzım Hikmet Ran (1901 – 1963).  Hikmet was een Turks dichter, toneelschrijver, romanschrijver, regisseur en memoires schrijver. Hij stond vooral bekend om zijn vloeiende lyrische manier van schrijven. Hij werd ook gezien als een romantische communist en romantische revolutionair. Hij werd regelmatig gearresteerd om zijn politieke ideeën en hij zat daardoor een groot deel van zijn volwassen leven in de gevangenis of buiten Turkije als politiek vluchteling. Zijn gedichten werden  in meer dan 50 talen vertaald.

In 1981 verscheen het Masereelfonds in Gent de bundel ‘Turkse gedichten’. Daar komt ook de vertaling vandaan van het gedicht ‘Het kleine meisje’ door Joris Iven en Perihan Eydemir.

.

Het kleine meisje

.

Bij zovelen klopte ik aan,

wie weet, ook bij jou misschien.

Maar doden zijn onzichtbaar,

ik kan me niet laten zien.

.

Het is nu tien jaar geleden

dat ik in Hiroshima stierf.

Ik ben een meisje van zeven,

dode kinderen groeien niet.

.

Eerst vatte mijn haar vuur,

dan verbrandde mijn ogen.

Ik werd een handvol as,

mijn bloed is vervlogen.

.

Ik vraag van jullie niets,

je hoeft niet te boeten.

Een kind dat verbrandde

kan niet eens meer snoepen.

.

Ik klop weer bij jullie aan:

geef me toch je woord van eer.

Laat de kinderen snoepen.

en doodt hen nooit meer, nooit meer.

.

‘T nicotiaansche kruid

Bilderdijk

.

Velen zullen de naam van Willem Bilderdijk kennen maar maar weinigen zullen zijn werk kennen. Bilderdijk (1756 – 1831) was geschiedkundige, taalkundige, dichter en advocaat.  In 1776 bekroonde het Leidse dichtgenootschap ‘Kunst wordt door Arbeid Verkreegen’ zijn vers over de Invloed van de dichtkunst op het staetsbestuur met de gouden medaille. Zijn ambitie om zich geheel aan de dichtkunst te wijden, werd door zijn strenge vader, die arts was en later belastinginspecteur, niet gesteund. In hetzelfde jaar begon hij met tegenzin als boekhouder op het kantoor van zijn vader te werken. In 1780 kon hij, inmiddels bekend als dichter en in contact met Rhijnvis Feith, beginnen aan zijn studie rechten te Leiden. Twee jaar later rondde hij deze studie af en vestigde hij zich als advocaat te Den Haag. In 1781 zag zijn bundel met licht erotische verzen, ‘Mijn Verlustiging, met de door hem zelf geëtste vignetten, het licht.

In 1981 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker een bloemlezing uit zijn gedichten getiteld ‘Ik reikhals naar het graf’ samengesteld door Peter van Zonneveld. In deze bundel korte en langere stukken, fragmenten en gedichten.  Toen ik de bundel doorlas bleef ik hangen bij ‘T nicotiaansche kruid. In dit lange gedicht gaat Bilderdijk tekeer tegen de slechte invloed en het ‘vergift voor borst en ingewand’ de tabak. Misschien moet Bénédicte Ficq Bilderdijk als boegbeeld nemen in haar strijd tegen de tabaksindustrie.

Hier een fragment uit dit lange gedicht. De hele tekst is digitaal terug te lezen op http://www.dbnl.org/tekst/bild002dich08_01/bild002dich08_01_0023.php

.

‘T nicotiaansche kruid

.

Weg met dat stinkend stof! weg met die vuile dampen,
De lucht en ’t heldre licht van tafeltoorts en lampen
Verduistrend, d’ ademtocht verstikkend, en vergift
Voor borst en ingewand! Wat razerny van drift
Kon zoo het menschenras van zelfbesef berooven,
Om dus zich ’t leven in den boezem uit te doven?
En, Hemel, alles is aan deze dolheid vast,
En gaat op prikklingstank en walgingrook te gast!
Euroop, wat zijt ge dwaas! – Van waar toch dit gelusten
Naar ’t onkruid, naar ’t vergif van Oost- en Westerkusten?
Is ’t wonder, daar ge alom en ziekte en gift vergaârt,
Dat lichaamsplaag aan plaag ’t verzwakt gestel bezwaart?
Ja, ‘k gun u, specery der geurige Molukken,
‘k Vergun u, wierook, myrrhe uit Yemensgaard te plukken,
Verkwikkend, mits met maat genoten. – Maar venijn -?
Uw grond brengt giften voort, indien ze u noodig zijn.
’t Ontbreekt aan maankop niet of holle kervelstelen,
Indien ze noodig zijn om eenig kwaad te heelen;
Maar zeldzaam, zeldzaam ja, en minder dan men ’t denkt,
Is ’t heilzaam, wat uit d’ aart het menschlijk lichaam krenkt.
.

Is dit genoeg

Een stuk of wat gedichten

.

In 1983 publiceerde Elsevier in de serie Elseviers literaire serie de themabloemlezing ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten’. Honderd jaar Noord- en ZuidNederlandse poëzie (1880 – 1980) in dertig thema’s samengesteld door C. Buddingh’ en Eddy van Vliet. Dit is deel 1 ( er is ook een deel 2) en de thema’s zijn Afscheid, angst, arbeid, dood, droom & illusie, eenzaamheid, engagement, eros, geluk, god, humor, jaargetijden, kind, liefde en moeder.

Tegenwoordig zouden de samenstellers ongetwijfeld voor andere thema’s kiezen. Vooral de thema’s engagement, arbeid en eenzaamheid vind ik interessant. Uit de bundel ‘Om zo de volledige mens te tonen’ uit 1970 van de dichter J.P. Guépin (1929 – 2006) nam men het gedicht ‘De Tsjechische emigré’ . Na de inval van de Sovjet Unie in Praag (1968) de zogenaamde Praagse lente, vluchten veel Tsjechen naar het Westen waaronder Nederland. Over één van die vluchtelingen gaat dit gedicht.

.

De tsjechische emigré

.

zong hij daarom

het russische volkslied

met zijn schallende stem

in de nachtelijke straten

van Bloemendaal

.

omdat hij vond dat het tijd werd

dat de Russen hier ook eens kwamen,

,

of was hij dronken?

.

Herkenningsteken

Anton van Duinkerken

.

In de bundel ‘Dichterkeur, een keuze uit verzen dezer eeuw’ uit 1949 samengesteld door dr. W.L. Brandsma komen een aantal dichters voor waar je tegenwoordig vrijwel nooit meer iets van hoort. En dat is zeker niet altijd terecht.

Zo gaf van Duinkerken(1903 – 1968) in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw verschillende dichtbundels uit, publiceerde hij in 1932 een grote bloemlezing; Dichters der Contra-Reformatie, en in 1939 Dichters der Emancipatie en werd hem de C.W. van der Hoogtprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs toegekend.

Uit de bundel ‘Tobias met de Engel’ uit 1946 komt het gedicht ‘Herkenningsteken’.

.

Herkenningsteken

.

Een klerk herkent men aan zijn hand,

Een koning aan zijn beeldenaar,

Een vingerafdruk wijst, wat kant

Men zoeken moet naar stokebrand,

Bankrover, dief of moordenaar.

.

Doch wie den dichter kennen wil

Moet raden, wat verborgen pijn

Hem zo geduldig en zo stil

Doet buigen voor de vreemde gril

Der woorden, die zijn dienaars zijn.

.

Geen rijmkracht en geen beeldenschat,

Geen onophoudelijk taalgevijl

Onthullen wat zijn hart bevat.

Men kent hem aan ’t onzegb’re, dat

Hij wegveinst in zijn stijl.

.

De hinde

Francesco Petrarca

.

Ik vond het wel weer eens tijd voor een liefdesgedicht en dus trok ik de bundel ‘De liefste, onsterfelijke liefdesverzen’ maar eens uit mijn kast. Deze bundel is samengesteld en vertaald door Paul Claes en bevat dichters die “eeuwig verliefd zijn, verliefd op hun beminde en op de taal, maar nog het meest op de liefde zelf”.

In deze bundel beroemde dichters uit alle tijden zoals Sappho, Dante, Keats, Hölderlin, Beaudelaire, Rilke, Yeats, Pessoa en vele anderen. Ik koos voor het gedicht ‘De hinde’ of zoals het in het Italiaans heet ‘Canzoniere CXC’ en ik heb zowel het origineel als de vertaling overgenomen.

.

De hinde

.

Een blanke hinde zag ik op het groen

met gouden horens onder een laurier

verschijnen bij de dubbele rivier,

terwijl de zon rees, in het guur seizoen.

.

Zo zoet verheven was dit visioen,

dat ik elk werk liet varen om het dier

te volgen, als een vrek die met plezier

zijn zwoegen opgeeft om een vondst te doen.

.

‘Raak mij niet aan,’ stond op haar sierhalsband

geschreven met topas en diamant,

‘Mijn heer heeft mij in vrijheid laten gaan.’

.

Reeds zag ik hoe de zon in ’t zenit scheen

-mijn ogen waren moe, maar niet voldaan-

toen ik in ’t water viel, en zij verdween.

.

Canzoniere CXC 

.

Una candida cerva sopra l’erba

verde m’apparve, con duo corna d’oro,

fra due riviere, all’ombra d’un alloro,

levando ’l sole, a la stagione acerba.

.   

Era sua vista sì dolce superba,

ch’i’ lasciai per seguirla ogni lavoro;

come l’avaro, che ’n cercar tesoro,

con diletto l’affanno disacerba.

Nessun mi tocchi — al bel collo d’intorno

scritto avea di diamanti e di topazî —

libera farmi al mio Cesare parve.

Et era ’l sol già vòlto al mezzo giorno;

gli occhi miei stanchi di mirar non sazî,

quand’io caddi ne l’acqua, et ella sparve.

.

%d bloggers liken dit: