Site-archief

Laatste heer

Jan Wit

Het aardige van veel poëziebundels in huis hebben is dat je soms vergeet dat je een speciale of obscure bundel bezit. In mijn boekenkast kwam ik een mooie stevige bundel tegen met plastic beschermlaag (kom daar nog maar eens om) van de mij onbekende dichter Jan Wit (1914 – 1980). Jan Wit werd ook wel de blinde dichter van het licht genoemd. Deze dominee-dichter werd vrijwel blind geboren (op zijn 6e jaar kreeg hij twee glazen ogen) vandaar dat er waarschijnlijk zoveel licht  en verwijzingen naar licht in zijn kerkgezangen en gedichten voorkomt. Jan Wit is voornamelijk bekend van zijn bijdragen aan de psalmberijming en zijn liederen in het Liedboek voor de Kerken van 1973.

Maar de Groningse Jan Wit was ook bekend als vertaler, toneelschrijver, bloemlezer en dus dichter. Als dichter debuteerde hij met de bundel ‘Rites de passage'(1950) gevolgd door ‘In den metalen stier’ in 1954. In 1965 verscheen de bundel ‘Nederlandse gedachten en andere gedichten’ van hem bij Uitgeversmaatschappij Holland. In deze bundel staan vier afdelingen: Programmatisch (proeve van moraliserende poëzie), Nota bene (proeve van informatieve poëzie), Van liever leden (proeve van bevindelijke poëzie) en Nederlandse gedachten ( een evocatie van het tot zichzelf en de ander komen door een verre en onmogelijke reis). Uit de afdeling ‘Nota bene’ nam ik het gedicht ‘Laatste heer’ waarin ook weer het licht een rol speelt.

.

Laatste heer

.

Nu heeft ook Ad den Besten

een Opel Kadett en oom,

dat is te zeggen Guillaume

beweegt zich hulp-gemotoriseerd

door zijn autonome gemeente.

.

Dat gaat zo niet langer: ik neem

een geleidster met blinkende brilleglazen

en super-gevulde boezems

of, mocht dat niet lukken, een rode

hond met dito achterlicht.

.

 

Benjamin’s vertellingen

W.L. Penning jr.

.

Wanneer ik de vele dichtbundels bekijk op de rug in mijn boekenkast, zie ik soms bundels waarvan ik het bestaan vergeten ben of waarvan ik het bestaan niet eens kon vermoeden. Meestal zijn dit oude en wat obscure bundels zoals in onderhavig geval ‘Benjamin’s vertellingen’ een gedicht door de Schiedamse dichter Willem Levinus Penning jr (1840 – 1924) . Dit fraaie werkje is uitgegeven in de sprokkelmaand (februari) van 1898 (zo staat het er echt) in Amsterdam door S.L. van Looy en bevat een aantal hoofdstukken en delen die in de jaren voor 1898 vanaf 1881 werden gepubliceerd onder andere in De Gids, Europa en De Nieuwe Gids.

De gedichten gaan over Benjamin en zijn vrouw Ruth, over het dichterschap, over het familieleven, over het dagelijks leven maar steeds rondom de familie van Benjamin waar de titel naar verwijst. In het hoofdstuk ‘Hoe in den grooten Benjamin de kleine werd wakker geluid’ staat het gedicht ‘De muze en haar dienaar’ dat losgezongen van de rest ook goed leesbaar is als opzichzelfstaand gedicht. Waarbij ik graag je wijs op de laatste 4 zinnen van de tweede strofe, waar de dichter duidelijk aangeeft hoe hij denkt over de ware kunst  (een kunstenaar moet lijden).

Penning was een van de voorlopers van de Beweging van Tachtig, een stroming die mede opkwam uit verzet tegen de clichématige, bloedeloze literatuur van haar voorgangers. Hoewel Penning tot die voorgangers behoorde, was hij nu juist een van de weinigen die een eigen geluid lieten klinken. Dichtbundels als ‘Benjamin’s vertellingen’ en ‘Tom’s dagboek’ thematiseren de kinderjaren van de dichter. Door een oogkwaal ging het gezichtsvermogen van Penning snel achteruit en werd hij uiteindelijk blind. Penning was bevriend met bekende dichters, zoals Jacques Bloem, Jan Greshoff, Hein Boeken en Albert Verwey. Zij maakten het mogelijk dat “Levensavond” (1921) verscheen daar Penning toen al enige jaren blind was..

Op Delpher kun je de bundel (tweede druk uit 1920) in zijn geheel lezen mocht je hierin geïnteresseerd zijn https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB02A:000031081:00001

.

De muze en haar dienaar

.

Aanschouwlijk, zou zich Ruth het nonnetje ook doen hóóren;

Zou ’t dubbel spoken! had ik wel gezworen;

Doch nu ’t Portret weêr hing, werd van geen vers gewaagd;

En liggen bleef het – tot door na-jaarskoren,

Door storm-muziek mijn ziel werd opgejaagd,

En zich ontwikkelde uit een zakendrukte

Waarvoor de muze al menigwerven week;

Wien ze ooit zich eensklaps weêr ontsluierde ne vrrukte,

Gist hoe in mij de minnaar Dienaar bleek.

Wien ze ooit verkóór, hij weet hoe’s dichters leven

Een dubbel-leven is, en al wie kunstig doet

Veel en uit liefde lijden moet-

Of koud is de uitslag van zijn streven,

Fabriekswerk! mooi, maar poppig goed!

.

Met zwier en glans den Geest ontwrongen,

Zij ’t kunstgewrocht bewond’renswaard, –

Beminnelijk is, en Goddelijk van aard,

Wat, tevens aan ’t Gemoed ontsprongen,

Meer bloeit dan blinkt, als uit de ziel gezongen

Dier leven trillende openbaart.

.

En wijl in ’s dichters hof de lieflijkste rozen

Zich drenkten met zijn hartebloed,

En tranen dauwden op haar gloed,

En stille pijn zich teekent in haar blozen,

Zoo heet de dichter ziek? ….

Blijkt maar zijn oogst gezond,

Gezond is ook zijn ziel! En àlweêr, zorgzaam blijde,

Wil ze als der Parel moeder lijden. –

En aarden naar de Schelp daar Venus uit ontstond.

.

 

Triosonate

De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur

.

Uit 1986 stamt de bundel ‘Gelezen worden ze ontelbre malen; de bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur’. In deze bundel vele bekende gedichten maar ook (voor mij) veel onbekende gedichten. En dan doel ik niet op de middeleeuwse werkjes van anoniemen of de gedichten uit de 16e , 17e en 18e eeuw maar ook gedichten van dichters uit de vorige eeuw waar ik in ieder geval nog nooit van had gehoord. Of de titel de lading dekt is dus maar de vraag. Ik denk dat het hier in veel gevallen gedichten betreft die indertijd heel bekend waren (en deels nog steeds).

De dichter die ik hier  naar voren wil halen is Jan Wit (1914 – 1980). Het gedicht waarmee Wit in de bundel is opgenomen is getiteld ‘Triosonate’ en verscheen in 1982 in de bundel ‘Terwijl ik wacht wat mij de wereld doet’.

Jan Wit was dichter, predikant en hymnoloog (onderdeel van de studie van kerkmuziek). Jan Wit, die blind was, was van 1948 tot 1967 als predikant verbonden aan de Waalse gemeente van Nijmegen. Hij schreef een groot aantal teksten voor het Liedboek voor de Kerken. In 1969 ontving hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als theologiestudent behoorde hij tot de vriendenkring van Theo van Baaren en Gertrude Pape en droeg hij in de oorlogsjaren bij aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar ‘De Schone Zakdoek’  http://schonezakdoek.blogspot.nl.

.

Triosonate

.

Er blies een vrouw op een fluit

van zomaar, van zomaar, van zomermiddagslaapje.

Er blies een vrouw op een fluit

van zomaar je kleren uit.

.

Er sloeg een man op een trom

van toe nou, van toe nou, van toenadering zoeken.

Er sloeg een man op een trom

van toe nou, dat doe je erom.

.

Toen trok een kind aan een bel

van even, van even, van evenwichtsorgaantjes.

Toen trok een kind aan een bel

van eventjes mag toch wel?

.

Collage uit De Schone Zakdoek (1941)

%d bloggers liken dit: