Site-archief

Herfst

W.J. van der Molen

.

In mijn boekenkast staan vele dichtbundels, bloemlezingen en verzamelbundels. Zo ook ‘Van de morgen tot morgen’ uit 1964 (tweede druk) een bloemlezing van moderne poëzie ten dienste van het onderwijs. Toen ik deze bundel uit mijn boekenkast pakte en de ondertitel las moest ik onmiddellijk denken aan een bericht dat Kila van der Starre mij toestuurde over een symposium in Utrecht op dinsdag 5 november 2019 met als thema ‘Uitgesproken poëzie: over poëzievoordracht in de klas’ waar ik gisteren nog over schreef.

In begin jaren zestig was poëzie in de schoolklas blijkbaar belangrijk genoeg dat er zelfs een bundel aan gewijd werd. In deze bundel staan gedichten van alle grote dichters. En soms kom ik een naam tegen van een dichter die ik (nog) niet ken. Zoals de dichter W.J. van de Molen (1923 -2002). Volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie https://www.nederlandsepoezie.org was Willem Johan van der Molen bevriend met Michaël Deak. Hij publiceerde met hem onder het pseudoniem Aernout van Leiden zes bloed- en bodemverzen in nr. 5/6 (mei/juni) 1944 van het door de SS gerunde tijdschrift ‘Groot Nederland’.

In 1985 verklaarde Deak daarover dat deze zes verzen dienden om vijf sonnetten met een verborgen verzetsboodschap een door de Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven poëziewedstrijd te laten winnen. Na de oorlog zouden hij en Van der Molen deze boodschap dan onthullen. Probleem is evenwel dat niemand vóór 1985 van deze wedstrijd gehoord had. De enige bron voor het bestaan van die poëziewedstrijd is Michaël Deak, die erover repte in een brief d.d. 14-08-1985 aan literair onderzoeker Frank van den Bogaard. In kranten- en tijdschriften uit 1944 is geen spoor van de wedstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat Van der Molen, een paar jaar jonger dan Deak, door deze in dit avontuur is gesleept (Bron NPE).

In 1949 publiceert van der Molen zijn bundel ‘Sous-terrain’ (1949) in de Windroos-reeks. In het tweede deel van zijn leven hield van der Molen zich vooral bezig met Haiku’s. Zo was hij vanaf 1981 redacteur van ‘Vuursteen’, het vierjaarlijkse tijdschrift van de Nederlandse en Vlaamse Haiku centra. Na zijn dood wijdde de vanuit Japan opererende World Haiku Association een internetpagina aan hem, vanwege zijn grote verdiensten op haiku-gebied:
www.worldhaiku.net/poetry/nl/wjvan.molen.htm

In ‘Van de morgen tot morgen’ is het gedicht ‘Herfst’ opgenomen. In deze, al donker wordende, dagen leek me dat wel toepasselijk.

.

Herfst

.

De herfst komt met een tondeuse van wind

en een schaar van zilveren schemerregen.

Met lakens wolken om wachtende bomen.

.

Hij legt in het lover een watergolf van tranen

Hij schudt uit flessen doorzichtig grijs

brillantine van dauw en lotions van dromen.

.

Hij snijdt met een scheermes het licht uit de hemel.

Hij knipt met een schaar het geluid uit de tijd,

met zijn vingers de as van de werkelijkheid.

.

Advertenties

Nu hoort gij mij misschien

Coert Poort

.

De in Rotterdam geboren dichter Coert Poort (1922 – 2004). Woonde drie jaar in India (Bombay) en een jaar in Indonesië (Medan). Hij debuteerde in 1953 met ‘Twee gedichte’n, waarin details uit de werkelijkheid op hallucinerende wijze worden uitvergroot waardoor hun essentie voor de waarnemer aan het licht komt. Een van de centrale thema’s in de poëzie van Poort is de geboorte als grondslag voor het `ik’.

In 1970 verscheen van Poort bij Uitgeversmaatschappij Holland de bundel ‘Gedichten’ waarin gedichten zijn opgenomen uit de bundels ‘Een kleine dag voor mijzelf’, ‘De koning van Wezel’, ‘Mannenwerk’ en ‘Zonder omslag’. C. Ouboter schreef over deze verzamelbundel: ‘Terwijl de voornaamste tendens in onze westerse cultuur expansief is, staat de poëzie van Coert Poort in een tegengesteld teken van versobering en zelfs verijling, van inkeer tot een begin: een geboorte in een huis van bewaring’.

Een andere criticus Anton B. Lam schreef over Poort: Voor Poort is de poëzie een gebeuren, waarin niet de dichter het woord voert, maar waarin de taal zich, in haar volle openbarende kracht, aan de dichter – en via hem aan de lezer – meedeelt en voltrekt.

Uit de bundel met verzamelde gedichten koos ik voor een vroeg gedicht van Poort met de titel ‘Nu hoort gij mij misschien’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Een kleine dag voor mijzelf’ uit 1955.

.

Nu hoort gij mij misschien

.

Nu hoort gij mij misschien

gaan door het leven

door een deur

zoals huizen mij horen

eenmaal of honderdmaal op een dag

zoals zij mij beter horen

dan ik zelf

ik strijk vuur in het donker

ik streel een huid tegen de zin

ik blaas averechts op een fluit

ik schop stenen tegen de hellingen op

ik zwem rond in de lange rivier

ik wacht in de voortsnellende treinen

ik praat maar wat tegen de zon

ik geef mijn kinderen terug aan God

tegen de wind

ik steek langzaam de nacht over

ik paasser de stilte

langs de wegen verlaat ik het land

langs de zeeën verlies ik het water

ik ga tussen mijn woorden door

om bij u te zijn.

.

Gouden munt

Tj. A. de Haan

.

Op 30 november van het vorige jaar schreef ik over de bundel ‘Album van de Indische poëzie’ en ik plaatste uit die bundel een gedicht van de dichter Tj. A. de Haan. https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/11/30/indische-poezie/ Ik schreef toen ook dat ik niks had kunnen vinden over deze dichter. Niet lang daarna kreeg ik een reactie van de zoon van Tjaarda Aldert de Haan (want dat is de volledige naam van de betreffende dichter) dat hij wel meer informatie kon verstrekken over zijn vader. Deze Aldert Willem de Haan heb ik aan de telefoon gesproken en ik heb inmiddels heel wat informatie over een bijzonder mens en dichter, die ik hier met jullie wil delen. Aan de ene kant omdat Tjaarda Aldert de Haan een bijzonder mens en dichter was maar ook omdat dit voor mij de kracht van een blog weergeeft. Het feit dat mensen lezen wat ik schrijf en daarop reageren is voor mij altijd een enorme stimulans geweest om door te blijven gaan met hetgeen ik het liefste doe; schrijven over poëzie. Of dat nu is om me te verbeteren (typefouten, grammaticale fouten, inhoudelijke fouten, stuur ze me alsjeblieft toe, het helpt mij en de lezer) maar ook inhoudelijke reacties over dichters, omstandigheden, bundels, stromingen, reacties zijn altijd zeer welkom.

Aldert Willem de Haan vertelde mij dat zijn vader, geboren in Nederlands Indië en als arts opgeleid,  bij de marine officier-arts was. Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984) was geboren in Makassar op Celebus (zijn vader was rechter in Makassar en had in Leiden het Adatrecht of ongeschreven recht gestudeerd dat in Nederlands Indie gold). In 1935 wordt hij vanuit Nederland uitgestuurd op een marineschip voor 4 jaar naar Nederlands Indië. Dan wordt het oorlog en de kruiser (de Java) waarop hij werkt, wordt door de Japanners tot zinken gebracht in de slag om de Javazee. Hijzelf is op dat moment gelegerd aan wal en in 1942 wordt hij krijgsgevangen genomen. Hij wordt te werk gesteld in een kamp in Thailand bij de aanleg van de Burma-spoorweg. Hij was daar actief vanwege zijn eed als arts aan Hippocrates. Hij werd bij de Japanse artsen gewaardeerd over zijn kennis van tropische ziekten waar ze geen weet van hadden en erg angstig van waren. Hij is zelfs bij afwezigheid van daartoe geschikte officieren een keer kampcommandant geweest.

Aan het einde van de oorlog op 3 mei 1946 wordt het gezin van Tjaarda naar Nederland gerepatrieerd. Tjaarda Aldert de Haan schreef altijd al veel verzen. Bij bijzondere gelegenheden zoals bruiloften, Sinterklaas en geboortes maar ook vrije verzen zoals over zijn tijd in Indië. Tijdens zijn leven publiceert hij drie dichtbundels. Twee in eigen beheer: ‘Zilveren fluit’ (1964) en ‘Gouden munt’ (1975)  en ‘Mnémosyné, sprekend verleden’  bij uitgeverij Moesson in Den Haag in 1981. Mnémosyné is een dochter van Uranus en Gaea en een Titanide. Zij is volgens de voorstelling der Griekse fabelleer, de vormster van het menselijk verstand, inzonderheid van het geheugen, welk geestvermogen voor de kennis der schrijfkunst zo bijzonder belangrijk was. (bron: colofon van de dichtbundel).

Deze bundels zijn nergens meer te krijgen. Van de dochter van Tjaarda Aldert de Haan, mevrouw A.M. Schermer – de Haan heb ik een exemplaar van ‘Gouden munt’ gekregen (waar ik heel blij mee ben) en de bundel ‘Mnémosyné’ heb ik in bruikleen gekregen. Uit deze laatste bundel heb ik gekozen voor het gedicht ‘Het spoor’ omdat ik denk dat dit gedicht gaat over een gebeurtenis die de dichter terug voert naar de tijd die hij doorbracht bij de bouw van de Burma-spoorweg.

.

Het spoor

.

Een treurwilg in zijn wintertooi

Zo koud, zo ijzig en zo mooi

Een bruine brug boven donker ijs

Daaronder diepten, zwart en grijs

Een tintelende zon aan een blauwe lucht

In de vroege morgen, geen enkel gerucht

.

Maar zij is des nachts hier voorbij gekomen

Een metgezellin uit mijn bange dromen

.

Ik zag het gebeuren in mijn droom

Een schrijdend fantoom bij de witte boom

En ten teken dat zij daar werkelijk was

Een duidelijk spoor in beijzeld gras

Een spoor dat eensklaps een einde vond

Bij verblekende maan in de morgenstond

.

Zij is hier vannacht voorbij gedreven

Op zoek naar mijn hart, op zoek in mijn leven

.

En nu in de morgen, geen enkel gerucht

Een vriendelijke zon aan de blauwe lucht

Daar vlak bij de boom. het eind van een spoor

Dat plotseling zich in het niets verloor

Of lijkt dat maar zo en is het bedrog

En zijn het mijn eigen schreden toch

.

er blijven geheimen om niet te doorgronden

De stille getuigen, aan tijd gebonden

.

Zij sloeg mij daarheen, een tijdelijke brug

En ik ging op weg, maar keerde weer terug.

.

Berijmd verzet

W.A. Wagener

.

De Rotterdamse Willem Adriaan Wagener (1901 – 1968) was kunstcriticus, schrijver, kunstredacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en toneelregisseur. Daarnaast schreef hij ook gedichten. In de Poëzieweek deel ik gedichten over het thema ‘Vrijheid’ en in de bundel ‘Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad’ staan gedichten uit de jaren 1933 – 1945. Jaren waarin verzetspoëzie vaak het verlangen naar vrijheid uitdrukte, het verzet tegen de bezetter en de hoop dat men eens weer in vrijheid leven kon.

W.A. Wagener schreef verzetspoëzie tijdens de bezetting onder het pseudoniem Willem van Schieland in de clandestien uitgegeven bundel ‘Verkort front’ uit 1944 en uitgegeven in ‘s-Gravenhage. Daarmee was zijn rol als dichter gespeeld. Het zou bij deze éénmalige uitgave blijven. In de andere kunsten zou hij, na de oorlog een bekende naam worden in Rotterdam en daarbuiten.

.

Berijmd verzet

.

Vertreden volk, volhard niet in uw zwijgen,

Smeed uit uw fiere taal een bajonet

En wil daaraan, in naam van recht en wet

De leugenleer van de gehate rijgen.

.

Doorboor ’t bedrog, verscheur het duistre dreigen

En baan u, strijdend met berijmd verzet,

Met vlijmend puntdicht of gevijld sonnet,

De weg, die uit dit smartendal zal stijgen.

.

Een volk, dat slechts van zwijgen weet, en buigen,

Offert zich op ’t altaar van de tiran.

Vrijheid en recht verwerft een volk eerst dan

Wanneer ’t van vrijheidswil weet te getuigen.

.

Merk toch hoe sterk uw zelfbewustzijn wordt

Als ’t vrijheidslied zich in rijmen stort.

.

De stervende dichter

Hendrik Kretzer

.

In mijn boekenkast staat het boek ‘Dichten over dichten’ een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw. Een vuistdik boek met daarin echt prachtige gedichten over poëzie, over dichters, dichten en gedichten. De bundel is samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters en verscheen in 1994. En hoewel dus al 25 jaar oud heeft deze bundel nog niets van zijn kracht verloren. Bijna 600 pagina’s smullen van prachtige poëzie over poëzie. Op de titelpagina staat onder de titel: Een ontwikkelingsgang, wat volgens mij slaat op de chronologische volgorde die is aangehouden maar lezend door de bundel vraag ik me dat eerlijk gezegd af, er lijkt geen chronologie in aangebracht. Gelukkig is er een bibliografie en inhoudsopgave. De bundel begint met een mededeling dat ‘Aan de wet omtrent het Kopijrecht is voldaan, gevolgd door een mededeling aan welke mensen een present-exemplaar is gezonden (den Koning, den Prins van Oranje, Prins Frederik der Nederlanden en een aantal ministers uit de 19e eeuw. Waarna het eerste, op een gedicht lijkende tekst op de derde pagina staat van P.G. Witsen Geysbeek: Intekening op de gedichten van – –

.

Liefdadigheid is een der eerste Christenpligten:

‘k weet niet wat meer, uw nood of uwe poëzy,

Myn hart beweegt tot medely’…

Ja, ‘k teken in op uw gedichten.

.

Al bladerend en lezend in het boek kwam ik een gedicht tegen van de, mij nog onbekende, dichter Hendrik Kretzer (1818 – 1856). Van hem is het gedicht ‘De stervende dichter’ opgenomen dat verscheen in 1895 in de bundel ‘Nederlandse scherts, humor en satire’. Op de geweldige webbsite https://www.dbnl.org staat te lezen over hem:  “Zijn ijverige arbeid in den tweeden jaargang van Braga heeft aanmerkelijke wijzigingen ondergaan, eer zij ter perse ging, door een medewerker, vaster in maat en rijm dan de genie-officier met zijne overigens groote talenten, die naast dit geestig dichtwerk zich op de wijsbegeerte toelegde en inzonderheid een sterk aanhanger was der toen hoogvereerde philosophie positive van Aug. Comte.”

Verder is niet veel van hem bekend behalve dat hij opgeleid werd aan de militaire academie en dat hij het tot 2e luitenant der genie heeft geschopt.

.

De stervende dichter

.

Snel vloog mijn penne rond. –

Sneller mijn inkt…

Groot was mijn schrijfinstinct –

Maar – ongezond.

‘k Sterf en – ’t verrast me niet!

‘k Zing nog een laatste lied

Uit de karaf –

Een been in ’t graf

.

Ziet hoe Aurore thans

Bleekt van de pijn!

Waar zal de weêrga zijn

Van mijn kadans?

Kroonloze Fuhri! vlugt …

Hoort vge geen plaat-gezucht?

’t Roept om een lier

’t Raakt me geen zier

.

Schrei niet zoo, lezeres!

’t Roert me te zeer.

Troost u: er gaan er meer

Met me op de flesch.

Na dit nog één koeplet

Dat er de kroon opzet: –

Lammer produkt

Is nooit gedrukt

.

Broeder hoe fronst ge zoo?

Wordt het u bang?

Volgt uw verbeelding noô?

Vroomt u me zang?

Neen! want me borrelpraat

Houdt zoo perfekt de maat,

Dat je er een punt

Aan zuigen kunt

.

 

Een affaire

Eddy Evenhuis

.

Tijdens de tweede wereldoorlog schreef Eddy Evenhuis (1920 – 2002) twee dichtbundels die clandestien verschenen. Meteen na de oorlog publiceerde hij zijn derde bundel ‘Pan in de stad’ waarna hij een lange tijd geen poëzie meer schreef. In die tijd werkte hij als journalist in Groningen, Soerabaja en Leeuwarden. Tot 1974. Toen verscheen vrij onverwacht bij De Arbeiderspers de bundel ‘een affaire’ van zijn hand. Deze bundel ontstond in minder dan een jaar tijd en verhaalt over hoe de relatie tussen een jonge vrouw Amicula (wat onder andere de naam is van een vlinder) en een oudere man (de verteller) zich ontwikkelt en afloopt. Het is een romantisch verslag van een turbulente ervaring.

Na deze bundel zou het weer lang stil zijn tot hij in 1995 zijn laatste bundel ‘Eigen keur’ in eigen beheer uitgaf. Uit de bundel ‘een affaire’ het gedicht in sonnetvorm ‘Fluistering’.

.

Fluistering

.

Noem de onnoemelijke dingen,

fluister: dring diep in mij door,

stoot mij, stort leeg in mijn voor,

doorbrand al mijn zekeringen.

.

Fluister: laat in mij ontspringen

het bewijs dat ik bij jou behoor,

ik zal wat jij wekt met je spoor

met water en vliezen omringen.

.

Fluister: blijf tegen mij rusten,

speel branding rondom mijn kusten,

heftig en schuimig, zacht en infaam.

.

Fluister: blijf mij herkennen

in wilgen, in grassen en dennen,

verleen vogels en vossen mijn naam.

.

Nieuwste Dichtkunst

Jo Landheer

.

In 1950 publiceerde uitgeverij Bigot en van Rossum in De Uilenreeks het eerste nummer onder de titel ‘Nieuwste Dichtkunst’. Samenstellers C. J. Kelk en Halbo C. Kool brachten gedichten bij elkaar in deze bundel uit de jaren vlak voor 1950. Een dichter die ik van naam vaag kende maar niet van haar werk is Jo Landheer (1900 – 1986).

Van deze, in Rotterdam geboren dichter verschenen in totaal 7 dichtbundels. Haar gedichten worden in zeven voornamelijk literaire tijdschriften geplaatst: Leven en Werken, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, De Nieuwe Gids, Helikon, De Nieuwe Stem, De Gids en Maatstaf. Jo Landheer heeft – los van vijf vertalingen – in totaal drieënnegentig gedichten gepubliceerd. Ongeveer twee derde ervan is meer dan eens in boek of tijdschrift afgedrukt. In aanmerking genomen dat de dichteres in 1918 voor het eerste publiceert en in 1974 voor het laatst, dan komt haar (gepubliceerde) productie op slechts anderhalf tot twee gedichten per jaar.

.

De verlatenen

.

Die met ons in de zelfde kamers woonden,

En met ons samen waren dag en nacht,

-Hun wangen waren zacht en warm aan de onze –

Zijn nu voor altijd van ons weggebracht.

.

Zij liggen ergens in den grond verborgen,

Gesloten in een smalle kist van hout,

Hun mond werd star, het bloed stolde in hun oogen,

Stijf zijn hun vingers en als steen zoo koud.

.

Wij leven verder, lachen weer en praten.

Wie van ons beiden zijn het meest verlaten?

.

Spel en drank

Eric van der Steen
.

In Helikon, tijdschrift voor poëzie, onder redactie van Ed. Hoornik, verscheen in 1940, het bundeltje ‘Cadans’ gedichten door Eric van der Steen.  Eric van der Steen was het pseudoniem van Dirk Zijlstra (1907 – 1985) dichter, schrijver en journalist. Als dichter debuteerde van der Steen in 1932 met ‘Gemengde berichten’ en zette zijn dichterlijke carrière aanvankelijk krachtig door. Zijn poëzie valt op door nuchterheid en droge humor. Veel van zijn boeken kenmerken zich door frisse, ongewone uiterlijke vormgeving. In de jaren veertig begon hij proza te publiceren. Na 1958 droogde zijn schrijfader op.

In totaal zou van der Steen 11 dichtbundels publiceren maar ook essays, aforismen en proza. Het bundeltje ‘Cadans’ bevat 25 gedichten en werd gedrukt in een oplage van 300 stuks. Uit dit mooie bundeltje het gedicht ‘Spel en drank’.

.

Spel en drank

.

Omdat geboren spelers ongelukkig zijn –

wij zullen ook op ons verlies niet snoeven,

wij spelen verder, al kreeg één de troeven,

dat is de Dood, en hij is groot, wij klein

en blind als paarden in een smalle mijn:

de droomen die wij overnacht behoeven,

zij slaan ons ’s morgens met hun blinde hoeven,

wij drinken om verdooving voor de pijn.

.

God en de goden lachen nu misschien

om deze sluwheid en dit slinkchse slooven:

de ooren om te hooren, om te zien

twee lichte oogen, maar om te gelooven

niets dan de koele, zorgelooze wijn –

maar ben ik dan een blinde en een doove?

.

Herkenningsteken

Anton van Duinkerken

.

In de bundel ‘Dichterkeur, een keuze uit verzen dezer eeuw’ uit 1949 samengesteld door dr. W.L. Brandsma komen een aantal dichters voor waar je tegenwoordig vrijwel nooit meer iets van hoort. En dat is zeker niet altijd terecht.

Zo gaf van Duinkerken(1903 – 1968) in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw verschillende dichtbundels uit, publiceerde hij in 1932 een grote bloemlezing; Dichters der Contra-Reformatie, en in 1939 Dichters der Emancipatie en werd hem de C.W. van der Hoogtprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs toegekend.

Uit de bundel ‘Tobias met de Engel’ uit 1946 komt het gedicht ‘Herkenningsteken’.

.

Herkenningsteken

.

Een klerk herkent men aan zijn hand,

Een koning aan zijn beeldenaar,

Een vingerafdruk wijst, wat kant

Men zoeken moet naar stokebrand,

Bankrover, dief of moordenaar.

.

Doch wie den dichter kennen wil

Moet raden, wat verborgen pijn

Hem zo geduldig en zo stil

Doet buigen voor de vreemde gril

Der woorden, die zijn dienaars zijn.

.

Geen rijmkracht en geen beeldenschat,

Geen onophoudelijk taalgevijl

Onthullen wat zijn hart bevat.

Men kent hem aan ’t onzegb’re, dat

Hij wegveinst in zijn stijl.

.

De muze en Europa

Venezia

.

In 1963 was het Boekenweekgeschenk de poëzieverzamelbundel ‘de muze en europa’. Een deel uit de serie van ‘de muze’. Mijn exemplaar is uit de kringloopwinkel en de tijd na verschijnen nogal beschadigd. Op de voorkant zit een rode vlek en de titelpagina is eruit gescheurd. Toch ben ik blij met dit bundeltje. In deze bundel poëzie van dichters over (plaatsen in) Europa. Gedichten van bekende dichters en gedichten van (mij) onbekende dichters zoals het gedicht ‘Venezia’ van Jan van Nijlen. Jan van Nijlen (1884 – 1965) was een Vlaams dichter maar vreemd genoeg werd zijn werk in Nederland meer gewaardeerd dan in België.

De motieven in zijn poëzie zijn ontleend aan het vliedende leven: herinneringen aan de jeugd, geluksverlangen, berusting in het onvermijdelijke leed, aanvaarding van de ouderdom en de naderende dood. In 1955 kreeg hij toch nog de eer die hem in België toe kwam, hij ontving de Belgische Staatsprijs ter bekroning van zijn schrijversloopbaan en in 1963 kreeg hij de Contstantijn Huygens-prijs.

Uit de bundel ‘de muze en europa’ het gedicht (oorspronkelijk verschenen in ‘Verzamelde gedichten, Te laat voor de wereld’) ‘Venezia’.

.

Venezia

.

Nu is de laatste straal van de zon geweken,

En in den hemel zijn de kleuren broos, Zoodat de zuiderwind, die ademloos

Erlangs wuift, schuchter doet verbleken

.

Het laaiend rood tot bijna blauwend roos

Dat geelgroen is waar ’t in de zee gaat breken.

Nu is ’t het uur dat elke ziel zich koos

Om, op het water dat zoo luid kan spreken,

.

Te varen in de schaduw der paleizen,

Wanneer met dieper kleur de zomernacht

Het laatste blauw des hemels gaat vergrijzen,

.

En neerdaalt van het zwartbevolkte oosten,

Dat lichtend niet zoo innige schoonheid bracht,

Volmaakte goedheid die bijna kan troosten.

.

%d bloggers liken dit: