Site-archief

Een affaire

Eddy Evenhuis

.

Tijdens de tweede wereldoorlog schreef Eddy Evenhuis (1920 – 2002) twee dichtbundels die clandestien verschenen. Meteen na de oorlog publiceerde hij zijn derde bundel ‘Pan in de stad’ waarna hij een lange tijd geen poëzie meer schreef. In die tijd werkte hij als journalist in Groningen, Soerabaja en Leeuwarden. Tot 1974. Toen verscheen vrij onverwacht bij De Arbeiderspers de bundel ‘een affaire’ van zijn hand. Deze bundel ontstond in minder dan een jaar tijd en verhaalt over hoe de relatie tussen een jonge vrouw Amicula (wat onder andere de naam is van een vlinder) en een oudere man (de verteller) zich ontwikkelt en afloopt. Het is een romantisch verslag van een turbulente ervaring.

Na deze bundel zou het weer lang stil zijn tot hij in 1995 zijn laatste bundel ‘Eigen keur’ in eigen beheer uitgaf. Uit de bundel ‘een affaire’ het gedicht in sonnetvorm ‘Fluistering’.

.

Fluistering

.

Noem de onnoemelijke dingen,

fluister: dring diep in mij door,

stoot mij, stort leeg in mijn voor,

doorbrand al mijn zekeringen.

.

Fluister: laat in mij ontspringen

het bewijs dat ik bij jou behoor,

ik zal wat jij wekt met je spoor

met water en vliezen omringen.

.

Fluister: blijf tegen mij rusten,

speel branding rondom mijn kusten,

heftig en schuimig, zacht en infaam.

.

Fluister: blijf mij herkennen

in wilgen, in grassen en dennen,

verleen vogels en vossen mijn naam.

.

Advertenties

Nieuwste Dichtkunst

Jo Landheer

.

In 1950 publiceerde uitgeverij Bigot en van Rossum in De Uilenreeks het eerste nummer onder de titel ‘Nieuwste Dichtkunst’. Samenstellers C. J. Kelk en Halbo C. Kool brachten gedichten bij elkaar in deze bundel uit de jaren vlak voor 1950. Een dichter die ik van naam vaag kende maar niet van haar werk is Jo Landheer (1900 – 1986).

Van deze, in Rotterdam geboren dichter verschenen in totaal 7 dichtbundels. Haar gedichten worden in zeven voornamelijk literaire tijdschriften geplaatst: Leven en Werken, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, De Nieuwe Gids, Helikon, De Nieuwe Stem, De Gids en Maatstaf. Jo Landheer heeft – los van vijf vertalingen – in totaal drieënnegentig gedichten gepubliceerd. Ongeveer twee derde ervan is meer dan eens in boek of tijdschrift afgedrukt. In aanmerking genomen dat de dichteres in 1918 voor het eerste publiceert en in 1974 voor het laatst, dan komt haar (gepubliceerde) productie op slechts anderhalf tot twee gedichten per jaar.

.

De verlatenen

.

Die met ons in de zelfde kamers woonden,

En met ons samen waren dag en nacht,

-Hun wangen waren zacht en warm aan de onze –

Zijn nu voor altijd van ons weggebracht.

.

Zij liggen ergens in den grond verborgen,

Gesloten in een smalle kist van hout,

Hun mond werd star, het bloed stolde in hun oogen,

Stijf zijn hun vingers en als steen zoo koud.

.

Wij leven verder, lachen weer en praten.

Wie van ons beiden zijn het meest verlaten?

.

Spel en drank

Eric van der Steen
.

In Helikon, tijdschrift voor poëzie, onder redactie van Ed. Hoornik, verscheen in 1940, het bundeltje ‘Cadans’ gedichten door Eric van der Steen.  Eric van der Steen was het pseudoniem van Dirk Zijlstra (1907 – 1985) dichter, schrijver en journalist. Als dichter debuteerde van der Steen in 1932 met ‘Gemengde berichten’ en zette zijn dichterlijke carrière aanvankelijk krachtig door. Zijn poëzie valt op door nuchterheid en droge humor. Veel van zijn boeken kenmerken zich door frisse, ongewone uiterlijke vormgeving. In de jaren veertig begon hij proza te publiceren. Na 1958 droogde zijn schrijfader op.

In totaal zou van der Steen 11 dichtbundels publiceren maar ook essays, aforismen en proza. Het bundeltje ‘Cadans’ bevat 25 gedichten en werd gedrukt in een oplage van 300 stuks. Uit dit mooie bundeltje het gedicht ‘Spel en drank’.

.

Spel en drank

.

Omdat geboren spelers ongelukkig zijn –

wij zullen ook op ons verlies niet snoeven,

wij spelen verder, al kreeg één de troeven,

dat is de Dood, en hij is groot, wij klein

en blind als paarden in een smalle mijn:

de droomen die wij overnacht behoeven,

zij slaan ons ’s morgens met hun blinde hoeven,

wij drinken om verdooving voor de pijn.

.

God en de goden lachen nu misschien

om deze sluwheid en dit slinkchse slooven:

de ooren om te hooren, om te zien

twee lichte oogen, maar om te gelooven

niets dan de koele, zorgelooze wijn –

maar ben ik dan een blinde en een doove?

.

Herkenningsteken

Anton van Duinkerken

.

In de bundel ‘Dichterkeur, een keuze uit verzen dezer eeuw’ uit 1949 samengesteld door dr. W.L. Brandsma komen een aantal dichters voor waar je tegenwoordig vrijwel nooit meer iets van hoort. En dat is zeker niet altijd terecht.

Zo gaf van Duinkerken(1903 – 1968) in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw verschillende dichtbundels uit, publiceerde hij in 1932 een grote bloemlezing; Dichters der Contra-Reformatie, en in 1939 Dichters der Emancipatie en werd hem de C.W. van der Hoogtprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs toegekend.

Uit de bundel ‘Tobias met de Engel’ uit 1946 komt het gedicht ‘Herkenningsteken’.

.

Herkenningsteken

.

Een klerk herkent men aan zijn hand,

Een koning aan zijn beeldenaar,

Een vingerafdruk wijst, wat kant

Men zoeken moet naar stokebrand,

Bankrover, dief of moordenaar.

.

Doch wie den dichter kennen wil

Moet raden, wat verborgen pijn

Hem zo geduldig en zo stil

Doet buigen voor de vreemde gril

Der woorden, die zijn dienaars zijn.

.

Geen rijmkracht en geen beeldenschat,

Geen onophoudelijk taalgevijl

Onthullen wat zijn hart bevat.

Men kent hem aan ’t onzegb’re, dat

Hij wegveinst in zijn stijl.

.

De muze en Europa

Venezia

.

In 1963 was het Boekenweekgeschenk de poëzieverzamelbundel ‘de muze en europa’. Een deel uit de serie van ‘de muze’. Mijn exemplaar is uit de kringloopwinkel en de tijd na verschijnen nogal beschadigd. Op de voorkant zit een rode vlek en de titelpagina is eruit gescheurd. Toch ben ik blij met dit bundeltje. In deze bundel poëzie van dichters over (plaatsen in) Europa. Gedichten van bekende dichters en gedichten van (mij) onbekende dichters zoals het gedicht ‘Venezia’ van Jan van Nijlen. Jan van Nijlen (1884 – 1965) was een Vlaams dichter maar vreemd genoeg werd zijn werk in Nederland meer gewaardeerd dan in België.

De motieven in zijn poëzie zijn ontleend aan het vliedende leven: herinneringen aan de jeugd, geluksverlangen, berusting in het onvermijdelijke leed, aanvaarding van de ouderdom en de naderende dood. In 1955 kreeg hij toch nog de eer die hem in België toe kwam, hij ontving de Belgische Staatsprijs ter bekroning van zijn schrijversloopbaan en in 1963 kreeg hij de Contstantijn Huygens-prijs.

Uit de bundel ‘de muze en europa’ het gedicht (oorspronkelijk verschenen in ‘Verzamelde gedichten, Te laat voor de wereld’) ‘Venezia’.

.

Venezia

.

Nu is de laatste straal van de zon geweken,

En in den hemel zijn de kleuren broos, Zoodat de zuiderwind, die ademloos

Erlangs wuift, schuchter doet verbleken

.

Het laaiend rood tot bijna blauwend roos

Dat geelgroen is waar ’t in de zee gaat breken.

Nu is ’t het uur dat elke ziel zich koos

Om, op het water dat zoo luid kan spreken,

.

Te varen in de schaduw der paleizen,

Wanneer met dieper kleur de zomernacht

Het laatste blauw des hemels gaat vergrijzen,

.

En neerdaalt van het zwartbevolkte oosten,

Dat lichtend niet zoo innige schoonheid bracht,

Volmaakte goedheid die bijna kan troosten.

.

Voor wie dit leest

J.A. Emmens

.

In mijn collectie poëziebundels bevinden zich een aantal Salamanderpockets. Een daarvan is de pocket ‘Voor wie dit leest’ Proza en poëzie van 1950 tot heden (heden is in dit geval 1977). Lezend in deze bundel kom ik naast de vele bekende namen van grote dichters ook een paar dichters tegen die ik minder goed of helemaal niet ken.

De dichter J.A. Emmens is zo’n dichter die ik helemaal niet ken of kende moet ik inmiddels zeggen.  Jan Ameling Emmens (1924 – 1971) was doctor in de Kunstgeschiedenis en was van 1958 tot 1961 directeur van het Nederlands Kunsthistorisch Instituut in Florence. Vanaf 1967 was J.A. Emmens hoogleraar algemene kunstwetenschap en ikonologie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.

Samen met o.a. Theo Sontrop en William Kuik wordt hij wel tot de ‘Utrechtse school’ gerekend. Hij schreef simpele, erudiete gedichten, waarin gevoel en verstand hand in hand gaan. In zijn soms geestige werk relativeerde hij veel vaststaande waarden. Terugkerende thema’s zijn angst en agressie. Hij leed aan depressies en maakte zelf een einde aan zijn leven door zich op te hangen.

Een voorbeeld van het thema angst in zijn poëzie is opgenomen in de Salamander pocket 306 maar verscheen oorspronkelijk in ‘Autobiografisch woordenboek’ uit 1963. Het betreft hier het gedicht ‘Rapport over de angst’.

.

Rapport over de angst

.

Oorsprong nog onbekend, het groeit,

naar men thans aanneemt, in ’t geheim,

merkwaardig struikgewas

.

Paart zelden, in volwassen staat

als in een mist ontwaard,

gehuld in ziektes uiterst ingenieus.

.

Sterft, schijnt het, niet altijd: een god,

verouderd tegengif,

is het wel eens genadig.

.

Vergeten dichters

R. de Clercq

.

Onlangs kocht ik in de kringloopwinkel de bundel ‘Een vlucht door zeven eeuwen poëzie’ verzameld en ingeleid door J.P.H. Krijgsman. In deze bundel poëzie vanaf de klassieken als Karel ende Elegast tot dichters als A. Roland Holst en E. Hoornik. Ik weet dan al dat er in zo’n bundel een groot aantal dichters staan die wij met zijn alleen allang vergeten zijn of, misschien vaker nog, nooit van gehoord hebben.

Een dichter die in de laatste categorie valt is wat mij betreft R. de Clercq (1877 – 1932).

René de Clercq was een Vlaams romantisch dichter van natuurgedichten, ambachtsliederen, bijbelspelen, libretto’s van zangspelen en gedichten in het kader van de Vlaamse Beweging (tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij de “bard van het activisme”) en in het kader van de arbeidersbeweging.

Verscheidene van zijn gedichten werden gemeengoed als liedteksten, zoals Tinneke van Heule, De Gilde viert e.a. Vanaf 1920 waagde hij zich ook aan de toondichtkunst. Zijn eest gekende bundels zijn: ‘Natuur’ (1902), ‘Liederen voor het volk’ (1903), ‘Toortsen’ (1909, algemeen beschouwd als ‘socialistische’ poëzie), ‘De Noodhoorn’ (1916, activistische strijdgedichten, cultbundel bij jonge flaminganten in de twintiger jaren, meerdere sterk aangevulde herdrukken).

Op de website http://schrijversgewijs.be/schrijvers/de-clercq-rene/ staat een uitgebreide bio- en bibliografie en wordt de waarde van zijn werk als “zeer relatief” omschreven. Desalniettemin is er tegenwoordig in zijn geboorteplaats Deerlijk een museum in de voormalige Herberg waar hij destijds geboren werd en is hij dus opgenomen in deze verzamelbundel uit 1938. Uit deze bundel, oorspronkelijk gepubliceerd in ‘De Noodhoorn’ het gedicht ‘Ik ben van den buiten’.

.

Ik ben van den buiten

.

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part;
Van vader mijn schouders,
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten
Met zuster en broêr;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Bij d’eigensten pachter,
Eerst koeier, dan knecht;
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht;
Zoo dien ‘k om mijn duiten,
En teer op mijn toer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie,
Ik eg en ik ploeg;
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
En glets in de moer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderezint;
De mallende meisens
De wagens gepint;
Dan zit ik te fluiten
Van boven op ’t voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

.

Dichters Omnibus

Tweede bloemlezing

.

In 1954 verscheen de eerste editie van de ‘Dichters Omnibus’. Een bloemlezing uitgegeven door ESSO Nederland N.V., onder haar ‘relaties’ als nieuwjaarsgeschenk verspreid. Er verschenen achttien edities van.van de achttien edities mis ik alleen nog deel 1, 3, 4, 5, 6, 14, 17 en 18. De andere 10 delen heb ik door de jaren heen inmiddels bij elkaar verzameld. Mijn laatste aanwinst is deel 2 uit 1956 (blijkbaar werd 1955 overgeslagen).

Uit dit tweede deel een gedicht van dichter Pierre Kemp getiteld ‘Nieuw sterrenbeeld’.

.

Nieuw sterrenbeeld

.

Ze gaven me speelgoed om mij te doen vergeten:

je bent geboren.

Ik ben nu wel oud en moest alles weten,

maar wijl ik mijn speelgoed niet heb verloren,

niet gebroken of stuk gesmeten,

zal ik er eens mee tussen de sterren staan,

niet te kort bij de zon, niet te ver van de maan.

En de kinderen zullen het hun ouders tonen,

als zij om te spelen bij mij willen wonen.

.

tb

 

De wereld

Eli Scheen

.

Van de dichter Eli Scheen (1914 -1982) is niet veel bekend. In 2003 verscheen postuum de bundel ‘Gedichten’ van deze uit Lochem afkomstige dichter in De Sandwich-reeks. In het voorwoord van de bundel die door Gerrit Komrij werd samengesteld schrijft hij:

“Hij moet vroeg al gedichten hebben gemaakt, al stuurde hij me eerst later een pak toe met iets van een samenhang. Vervolgens bestookte hij me met wijzigingen, dan weer trok hij alles terug. ?De gedichten beschouw ik als een grap. Het was een uitbarsting die precies vijf maanden heeft geduurd. Sindsdien ben ik sprakeloos. Enkele verzen kwam nog in het literaire tijdschrift Maatstaf terecht.”

In 2011 nam Arie Boomsma nog een gedicht van deze kortstondige dichter op in zijn verzamelbundel ‘Met dat hoofd gebeurd nog eens wat’ een persoonlijke keuze uit de Nederlandse poëzie. Het betreft hier het gedicht ‘De wereld’

.

De wereld

.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

De wereld draait om seks en geld,

om geld en seks.

God heeft het aangezien

en goed bevonden.

De duivel heeft het bekeken

en goedgekeurd.

Ieder moet maar zien hoe hij zich redt,

met seks en geld of zonder het.

.

elischeen

De mattenklopper

(bijna) vergeten dichters

.

Henricus Zacharias Alexander (Alex) Gutteling (1884 – 1910) was een dichter en criticus. Alex. Gutteling debuteerde in 1906 met ‘Een jeugd van liefde’. Zijn bundel ‘Doorgloeide wolken’ verscheen postuum in 1911. In 1912 verscheen eveneens postuum Guttelings vertaling van ‘Paradise Lost’ van de Engelse dichter John Milton.

Hoewel de dichter Gutteling uit het collectief geheugen van Nederland is verdwenen nam Gerrit Komrij een gedicht van hem op in de bundel ‘In liefde bloeyende’ de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten. Van Gutteling nam hij het gedicht ‘De mattenklopper’ op.

Komrij schrijft hierover: Het gaat over zoiets onspectaculairs als een mattenklopper. Zo’n ding lijkt op het eerste gezicht misschien geknipt voor het achterwerk van een poëzie-professor, maar minder als onderwerp voor een gedicht. Toch heeft Gutteling het aangedurfd. In het gedicht blijft hij in de ontroerde, verstilde toonzetting die bij een mattenklopper past.

.

De mattenklopper

.

Er is een schoonheid in ’t armoedigst kleine,
Die zich in stilsten droom slechts openbaart.
Gelijk somtijds een zwerver eenzaam staart
Naar een Moors venster, sierlijk rijk van lijnen,
Zo boeit dit nietig ding betoovrend mijnen
Ontroerden blik: hoe speels en toch hoe klaar ‘t
Riet zich verwindt en tot een steel zich paart:
Geringde palmenstam en blonde schijnen!

Was het een kunstenaar die voor het eerst verzon
Zo tot een kroon, een arabesk, te spreiden
lichte en veerkrachtige stengels, guld in zon?
Of is elk ding dat zorgvol en bescheiden
De mens goed voor zijn doel vervaardgen kon,
Schoon geen ’t vermoed, Schoonheid voor alle tijden?

.

dw

mattenklopper

%d bloggers liken dit: