Site-archief

Reisgenoten

20 jaar poëzietijdschrift Awater

.

In 2002 richtte Gerrit Komrij, destijds Dichter des Vaderlands, het poëzietijdschrift Awater op. Een tijdschrift om de Nederlandstalige poëzie toegankelijk te maken voor een breed publiek. Nu, 20 jaar later, komt Awater met een bloemlezing van dichters die de afgelopen 20 jaar aan het tijdschrift hebben meegewerkt. De bloemlezing is getiteld ‘Ik vond vele reisgenoten’ en ik kreeg hem bij mijn abonnement op dit tijdschrift met het zomernummer van 2022 meegestuurd.

De bundel wordt ingeleid door Myrte Leffring en bevat 20 gedichten van bekende dichters die een gedicht schreven rond het thema ‘Ik zoek een reisgenoot’ het motto van het gedicht ‘Awater’ van Martinus Nijhoff uit 1934 (waar het tijdschrift naar vernoemd is). Zoals op het achterflap te lezen staat is het resultaat een rijk scala aan poëtische bestemmingen, met de nodige obstakels én prachtige uitzichten onderweg.

Als er voor mij één ding blijkt uit deze jubileumbundel dan is het dat de poëzie in Nederland (en de andere Nederlandstalige gebieden) leeft en veelzijdig is en dat er voor een poëzietijdschrift altijd ruimte is. Wat mij betreft op naar het volgende jubileum.

Onder de deelnemende dichters in de jubileumbundel grote bekende dichtersnamen en een enkele wat minder bekende. Ik koos voor het gedicht ‘Een wat langere reis’ van Jan Glas (1958) een Gronings beeldend kunstenaar, schrijver, dichter, zanger, fotograaf en redacteur van het Groningse tijdschrift Krödde. Ik koos dit gedicht omdat de laatste strofe mij heel erg deed denken aan het gedicht ‘Mannenman’ dat ik schreef in 2013.

.

Een wat langere reis

.

Voor een wat langere reis zoek ik gezelschap.

Een ezel. Een met harde hoefjes. Sterk, koppig en lief.

.

Een metgezel om de bevroren uren in te halen.

Om samen op te trekken door ons laagland

en te krabbelen in de bergen over steile paadjes

langs geïsoleerde dorpen waaruit rook kringelt.

Af en toe iets zeggen.

.

Wat ik te bieden heb, ik val met de deur in huis:

ik ben een truffel, opgegraven door een varken.

Heb slanke handen en haal honden aan. Een eenling

.

met weinig ambities. Ik hoef geen man te zijn.

Ik wil er eentje spelen.

.

Vrijhaven voor poëzie

Rotterdam

.

Dat Rotterdam door veel mensen gezien wordt als de hoofdstad van de poëzie van ons land begrijp ik wel. De stadsdichter is er een monument, veel dichters van naam kwamen en komen uit Rotterdam, de stad bied vele plaatsen waar de poëzie vloeit, of het nu de geschreven poëzie is, poetry slam, spoken word, bruggedichten of Poetry International, de stad ademt poëzie.

Het verbaasde mij dan ook niet, toen ik de bundel ‘Rotterdam Vrijhaven voor Poëzie’ in handen kreeg dat deze in opdracht van het gemeentebestuur van Rotterdam was uitgegeven in 2001. Een stad met een dichtende burgemeester Aboutaleb, die jarenlang onderdak bood aan de dichtende nachtburgemeester Jules Deelder, is bijna verplicht zich te laten kennen in dit opzicht. De bundel bevat gedichten van Rotterdamse, andere Nederlandse en internationale dichters. De gedichten werden door de leden van gemeenteraad vanaf 29 april 1999 voorgelezen bij het begin van raadsvergaderingen als opmaat voor Rotterdam 2001, culturele hoofdstad van Europa.

De bundel werd in een kleine oplage van 500 hors commerce uitgegeven en het is een prachtige bundel. Mooi vormgegeven, harde kaft, fraaie stofkaft, stevig papier en de gedichten zijn van grote kwaliteit. De grote Rotterdamse namen zijn vertegenwoordigd (Deelder, Waskowsky, Kneepkens, Vaandrager, Sleutelaar, Beranová) maar ook grote buitenlandse namen als Brodsky, Ginsberg, Shiraishi en Masalha. De gedichten zijn gekozen, samengesteld en en van dichterslexicon voorzien door Martin Mooij.

Ik koos voor een gedicht van Hans Wap (1943) dichter, decorontwerper en beeldend kunstenaar. Wap debuteerde in 1967 met de bundel ‘Schoten en filtersigaretten’. Wap tekent en schildert ook in zijn gedichten. Het gedicht van zijn hand is getiteld ‘havenstad’.

.

havenstad

.

waar aankomst en vertrek

tesamen vloeien

onzichtbare lijnen

lopen door de zee

.

het schuim

staat op de golven

en de glazen

orkanen blazen

.

in plastic boterhammen-

zakken

daar is geluk gezocht

en zwaar geleden

.

staan koffers met verleden

tijd

op overtreffende treden

en liggen paspoorten

.

vol littekens

te rotten in depots

naast een kompas vol richtingen

dat wacht

op het vertreksein

.

Nocturne

Dubbel-gedicht

.

Vandaag een dubbel-gedicht met als titel ‘Nocturne’. Een nocturne (van het Latijnse nocturnus, ‘nachtelijk’) is een muzikale compositie die geïnspireerd is op de sfeer van de nacht, een romantisch of dromerig geheel. Niet zo verwonderlijk dus dat dichters dit gegeven hebben gebruikt voor hun poëzie. Ik zet in dit dubbel-gedicht twee gedichten tegenover elkaar met deze titel van Nic van Bruggen en Herman van den Bergh maar er zijn ongetwijfeld nog meer voorbeelden van gedichten te vinden met deze titel.

Allereerst Nic van Bruggen (1938-1991). Van Bruggen was een Vlaams dichter, ‘Pink Poet’ (een avant-garde kunstenaarscollectief), flamingant, publicist, kunstcriticus, sportjournalist, reclametekstschrijver en beeldend kunstenaar. Als grafisch kunstenaar gebruikte hij de naam Nikolaas. Van Bruggen zocht in zijn gedichten een beeldende stijl, die meer op associatie dan op vergelijking berustte. In 1987 verscheen van hem de bundel ‘Leeftijd’ en in deze bundel staat het gedicht ‘Nocturne’.

De tweede dichter, Herman van den Bergh (1897 – 1967) was een Joods Nederlands dichter, journalist en publicist. Hij was tussen 1918 en 1921 redacteur van ‘Het Getij’ (1916-1924) en in 1924 medeoprichter en redacteur van ‘De Vrije Bladen’ waaruit in 1932 ‘Forum’ is voortgekomen. Van den Bergh wordt gezien als de eerste vitalist ( een stroming in de literatuur van de 20e eeuw, waarin het humanitaire aspect op de achtergrond komt en hiervoor in de plaats komt een gericht zijn op het eigen innerlijk, vooral de levensdrift) Zijn gedicht ‘Nocturne’ komt uit de debuutbundel ‘De boog’ van van den Bergh uit 1917.

.

Nocturne

.

Dit leven liegt. Aan dwaasheid

Geen tekort. Tenzij als ’s nachts

De droefheid wordt geschreid,

In een verlaten lichaam.

.

De kamer kent mij niet. Zij is

Zichzelf nu in spiegels eenzaamheid.

Motten aan het raam. En in mezelf

De herinnering aan oude,

Herhaalde gebaren – de weigering.

.

Want niets vergeet ik – hoe afwezig

Ook – het onheil verzamelt mijn liefde.

Straks als ik ouder word, droger

De uren, langer mijn seizoenen, en

Stiller het noodlot dat zich aanbiedt.

.

Nocturne

.

De maan roeit brandend

langs ’t wolkenrif,

en ’t bosch is paars:

vergiftigd. –

.

Poel en half open apd

vol heete bramen,

fel en rond

in geur.

.

De vlakte, een feltse ruiker

en de lippen droog;

sterren vallen

als dauw.
.

Gestalten jagen woest

saters in horden;

en hun grijze adem

is zichtbaar.

.

Nimfen, bloemwit

met groene haren,

vluchten in ’t bosch,

hijgend,

.

In den neven de syrinx

en op onzen mond,

week en dartel:

Pans fluit. –

.

‘                                                                                                                       Schilderij ‘Nocturne: James Abbott McNeill Whisther

 

Plotsklaps de ware liefde

Wim Hofman

.

Afgelopen zaterdag stond er in de boekenbijlage van de Volkskrant een uitgebreid artikel over Wim Hofman naar aanleiding van het gegeven dat hij op tachtigjarige leeftijd de winnaar is van de Zeeuwse Boekenprijs voor zijn verhalenbundel ‘We vertrekken voordat het licht is’ uit 2021 dat tegelijk verscheen met een bloemlezing uit zijn poëzie ‘Er is altijd wel iemand’. De Zeeuwse Boekenprijs wordt sinds 2003 jaarlijks uitgereikt aan het volgens een jury beste boek over een Zeeuws onderwerp of van een auteur met een Zeeuwse achtergrond en is een initiatief van de Zeeuwse Bibliotheek en het Zeeuws Tijdschrift.

Wim Hofman (1941) schrijft proza en poëzie voor volwassenen en kinderen en is illustrator en beeldend kunstenaar. De zee en de (Zeeuwse) natuur nemen een belangrijke plaats in, in zijn brede oeuvre. Wim Hofman debuteerde als dichter in 2003 met de bundel ‘Wat we hadden en wat niet’, in 2005 gevolgd door ‘Na de storm’. In 2009 verschijnt de bundel ‘Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde’. Deze bundel heeft de liefde als thema in de breedste zin des woords. Niet alleen de liefde voor een ander maar ook de liefde voor de zee, voor het leven en, zoals in onderstaand prozagedicht, voor een steen. En omdat dit gedicht een verwijzing heeft naar één van mijn favoriete dichters E.E. Cummings deel ik dat gedicht hier graag met jullie.

Hofman won talrijke prijzen voor zijn werk. In 1991 ontving hij de Theo Thijssenprijs, in 2001 de Zeeuwse Prijs voor Kunst en Wetenschap, maar ook de Gouden Penseel voor Aap en beer, in 1984 (naast verschillende andere gouden en zilveren griffels en penselen).

.

Lievelingssteen

it’s always ourselves we find in the sea
e.e. cummings

Toen was ik nog jong en bezonnen en de zon scheen overal op en hij liet mij alles zien. Kijk, zei hij, dit is dit, dat is dat. Op het dak blink ik, een haan bezorg ik een vuurrood spookoog. Langs de weg groeiden toen brandnetels, braambossen, dwaalkruid. In het dorre gras bij de kromme boom lag rot sponzig fruit met de geur van zure cider en het venijnige gezoem van zwartgeel gestreepte wespen. Stof wolkte op, dorre bladeren maakten een rondedansje. De wind deed toen, lang geleden god na en de wolken bootsten alles na en werden daarom door de boze wind gestraft. De regen, hard begonnen, zocht uiteindelijk zoetjes de goot. Het water maakte van die gevoelige en droevige geluidjes en de regenboog stond wel drieduizend meter hoog, boven de zee. Bij de slordige vloedlijn een stuk hout met letters, geheimtaal, een vloek.
Dat moest terug vanwaar het kwam. Alles moest terug, de golven in, de plank, de arme, vierarmige zeester, de vieze vis, de werkschoen vol zand.
Ze begonnen met duidelijke tegenzin aan een onduidelijke tocht. Mocht alleen met mij mee een zwarte steen, koud en nat en rond, hij vulde precies mijn hand.

.

De Etruskische weduwe

Albertina Soepboer

.

Op 27 augustus heb ik een bezoek gebracht aan een nieuw poëziepodium ‘Unica’, een initiatief van Irene Siekman (onder andere directeur van stichting de Poëziebus) en Gilbert van Drunen in Koffie & Ambacht (Rotterdam zuid). Het idee van dit nieuwe poëziepodium is dat er 1 dichter te gast is die een hele avond vult onder het motto ‘One poet, one show’. Geen muziek, geen andere dichters of gasten maar een podium voor 1 dichter. Op deze manier leer je een dichter veel beter en ook van een andere kant kennen.

De avond die ik bezocht had Albertina Soepboer (1969) als gast. De Friese Soepboer is schrijfster, dichteres, vertaler en beeldend kunstenaar. Ze publiceert zowel in het Nederlands als in het Fries. In haar verhaal kwamen de verschillen tussen de Nederlandse taal en de Friese taal ter sprake, legde ze verbanden tussen mensen die Fries als thuistaal hebben en Marokkaanse of Turkse leerlingen van haar die het Berbers of Turks als thuistaal hebben. Ze droeg voor uit de verschillende dichtbundels die ze publiceerde en vertelde over haar leven, haar werk en haar dichterschap. Een bijzondere avond in een bijzondere setting. Het is duidelijk dat Irene en Gilbert hiermee iets moois neerzetten.

In 2005 publiceerde Soepboer de bundel ‘Zone’ een bundel die ontstond naar aanleiding van de reizen die zij maakte door het nieuwe en vaak nog chaotische Europa. Zone gaat over grenzen: over oude en nieuwe grenzen tussen noord en zuid, tussen man en vrouw en tussen toen en nu. Zone gaat ook over geweld: wie grenzen trekt of openbreekt, lijkt daar niet aan te kunnen ontkomen. Uit deze bundel komt het gedicht ‘De Etruskische weduwe’.

.

De Etruskische weduwe

.

Je sterft gewoon, sprak ze

uit de binnentuin kwam ze op stamelende voeten

en die nacht was het niet de wind in de oleanders.

.

Later leunde ze tegen een zuil

in de villa arriveerde de herfst als eenzame bijslaap

en iemand anders zou de jurk op het gras leggen.

.

Geen woord van de keizer

dan de gescheurde beloftes, het te hgete waterbad

en zijn schroeiende woestijn in weer andere zuiden.

.

De rotte appels rolden

zo van de bomen, rijpten nog een hele zomer na

en haar polsen bleven de drempels over glijden.

.

Waarde

Michael Tedja

.

De Rotterdamse Michael Tedja (1971) is schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en curator. In 2003 debuteert hij als schrijver met zijn eerste roman. Twee jaar publiceert Tedja zijn eerste dichtbundel bij de onafhankelijke uitgeverij – gespecialiseerd in ‘historical avant-garde and counterculture’ – Sea Urchin, met als titel ‘De aquaholist’. Deze gedichten en prozagedichten zijn ontstaan in de periode 1991-2004.

Hierna worden nog verschillende dichtbundels van hem uitgegeven waaronder de serie ‘Het 1 euro gedicht’ in 2011. Naast zijn poëzie in dichtbundels publiceerde hij regelmatig gedichten, essays, proza en tekeningen in De Gids, Absint, Samplekanon, nY, Revisor, Hollands Maandblad, De Volkskrant, Metropolis M en Caraïbisch Uitzicht. Ook cureert hij een beeld en taalrubriek voor de Poëziekrant.

In 2021 neemt Tedja plaats in de jury van de P.C. Hooftprijs voor poëzie. Ook werd hem dit jaar de Sybren Poletprijs  toegekend. De prijs is bedoeld voor het oeuvre van een Nederlandstalige auteur die schrijft en werkt in de geest van Sybren Polet (1924-2015).

In het werk van Tedja komen thema’s als identiteit, hosselen (titel van zijn tweede ‘roman’ met fictie, essays, poëzie en pamfletten), exclusiviteit, on-line aanwezigheid, het postkoloniale bewustzijn en communicatie voor. Michael Tedja is een dichter die zijn nek durft uit te steken (zoals Hans Puper het omschreef in een column op Meander) en heeft daarmee een heel eigen en origineel geluid. Uit zijn bundel ‘Regen’ uit 2016 het gedicht ‘Waarde’.

.

Waarde

.

Het bewijs, het tegendeel
dat tot leven kwam reisde.
Ik was er een mee, een geheel
dat ik zelf neerzetten kon.

.

Toen zag ik de groep staan.
Die was wat het was: zij
die terug wilden naar hoe het was.
Ik dacht dat die op zich stond.

.

Het beste dat er was voordat het
een en al kern werd. Ooit, ja.
Ik was er solitair mee, totdat
de regen tegen het raam kletterde.

.

Op de achtergrond
waren kinderen bewegingen
aan het tellen. Basketballers
sprongen naar een hoop.

.

Het water was vloeibaar.
Door de kou werd het ijs.
Door de zon weer vloeibaar.

.

De zangeres zonder stem

Hans Wap

.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw kwam onder de leiding van poëziefanaat Martin Mooij, bij de sectie letteren van de Rotterdamse Kunststichting de Sonde-reeks uit. De reeks liep van 1971 met de eerste uitgave ‘Pat’ van Leyn Leynse tot de laatste uitgave in 1987. Koos Teeuwkens sloot de Sonde-reeks af met het 56ste deel maar liefst in de serie, die een prachtige dwarsdoorsnee vormt van wat er in Rotterdam tussen 1971 en 1987 op literair gebied gebeurde.

In de Sonde-reeks verschenen bundels van Dirk Kroon, Rien Vroegindeweij, Cor Vaandrager en Jules Deelder (een verzameling humor) maar ook van vele namen die inmiddels bijna of helemaal vergeten zijn.

In mijn bezit heb ik (volgens telling) het 17e deel uit 1974 van Hans Wap getiteld ‘De zangeres zonder stem’. Een bundel die zelfs is opgenomen in de Research Library van het Rijksmuseum.

Hans Wap (1943) is een Nederlands beeldend kunstenaar, actief als zeefdrukker, vervaardiger van houtsnedes, grafisch ontwerper, illustrator, wandschilder, tekenaar, schilder, dichter, en vervaardiger van gouaches, een veelzijdig man kortom. Als dichter is hij minder bekend dan als kunstenaar maar hij publiceerde in 1967 ‘Schoten en filtersigaretten’ in 1971 ‘Van wie is dat gekke koppie’ en in 1973 de telexrol ‘5 Electrische dichters. En in 1974 dus ‘De zangeres zonder stem’.

In ‘De zangeres zonder stem’ een bonte verzameling gedichten die doen denken aan Vaandrager en Deelder. Recht voor zijn raap en soms zo panklaar gebracht zoals ‘Leuk’.

.

Leuk

.

Leuk voor in de auto

deze zwerver met baard

compleet met ophanglusje

f 1,98

.

Maar ook een gedicht getiteld ‘Poëzie’ waarin de dichter zich aan het begin en einde de vraag stelt die jij misschien ook had na het lezen van ‘Leuk’.

.

Poëzie

.

Wat heeft het nog met poëzie te maken als

de kamer als een waanzinnige

om je heen draait

als overvloedig bewijs

dat de fles weer groter was

dan de glazen

.

of als je op een paardeharen matras

ligt te naaien

na een jarenlange vegetarische opvoeding

met een voldoende hoeveelheid grass

eet zelfs de meest verstarde planteneter

zijn hond op

.

ja, zo is dat

maar wat heeft het nog met poëzie te maken

.

Pauze in licht

Martie Genger

.

Vanaf 2017 ben ik in gesprek met Iris Has, dochter van Martie Genger (1936), beeldend kunstenaar, dichter en schrijfster, sinds 1969 (met tussenpozen) woonachtig op Curaçao, over het publiceren en uitgeven van het verzameld werk (poëzie) van Martie Genger, dat tevens haar debuut als dichter is. Haar gedichten komen nu uit bij MUGbooks facilitair uitgeverij onder de titel ‘Pauze in licht’ (in drie delen).

De drie delen bestaan uit verschillende hoofdstukken en periodes uit Marties leven. De gedichten in deze bundels zijn persoonlijk, poëtisch en omsluiten bij elkaar vele decennia van het leven van Martie. De gedichten zijn bij elkaar geplaatst onder titels als ‘Pauze in angst, Pauze in hartzeer, Pauze in droefheid, Pauze in rouw, Pauze in licht en zo nog een aantal overkoepelende thema’s. In deel 3 zijn de balladen bij elkaar gebracht.

Alle aspecten uit het leven komen langs in de poëzie van Martie. Zoals familie, moeder en kind, rouw maar ook dierenleed, emigratie en politici. Het is met recht de poëzie van haar leven. Martie Genger is bovenal kunstenaar. Haar eerste solotentoonstelling vindt plaats in het Hilton Hotel Curaçao in 1971. In 1983 verhuist ze naar Costa Rica en blijft daar 11 jaar. In die periode exposeert ze regelmatig haar werk, zowel solo als in groepstentoonstellingen. Ze verhuist in 1994 naar Curaçao en exposeert sindsdien haar werk in voornamelijk groepstentoonstellingen.

Het Curaçao Museum reikt haar Eerste Prijs uit in 1998 ‘ Ekshibishon di nos Arte’ .
Haar kunstwerken zijn vaak driedimensionaal of installaties. ‘Como Cerrar’ (Hoe ermee om te gaan), een stuk dat ze in 1981 maakte, werd voor het eerst tentoongesteld in Costa Rica. Het is een kritische blik op de gevestigde orde, waarden en vooroordelen.

De drie delen ‘Pauze in licht’ zijn prachtig vormgegeven door Brrt.Graphic.Design en aan te schaffen via Iris Has, stuur dan een mail naar pauzeinlicht@gmail.com  of via een mail aan mij (via een reactie op dit bericht). De kosten zijn € 35,- voor de trilogie of voor de afzonderlijke delen: Deel 1: € 20,-, Deel 2: € 20,- en Deel 3: € 15,-.  Koop je de trilogie in één keer dan scheelt dat dus in de prijs.

 

ik heb de ernst lief

.

ik heb de ernst lief

van het spelend kind

en iemand die iets beweert

vanaf de kansel

of welke verhoging

ter lering en vermaak.

.

ik heb de ernst lief

de bezinning

de concentratie

het aanwezig zijn

van simpelen

en dieren

rustig in zichzelf.

.

ik heb de ernst lief

van die malle verliefden

en de vrouw

die ruiten kuist

de verzamelaar

de geleidehond

van alle toegewijden

heb ik de ernst lief.

.

Wendy little rose

Marleen De Crée

.

In de laatst verschenen editie van leukste en kleinste poëziemagazine MUGzine, https://woutervanheiningen.wordpress.com/2021/02/17/in-de-nieuwe-mugzine/ met Nederlandse en Vlaamse dichters, staan een aantal gedichten van de Vlaamse dichter Marleen De Crée (1941). Alle gedichten , ook die van Marleen De Crée, zijn gratis te lezen via http://mugzines.nl/

De Crée is dichter en beeldend kunstenaar. Ze studeerde kunstgeschiedenis aan de K.U. Leuven. De eerste uitgever van Marleen de Crée was J.L. de Belder, waar ze jarenlang, net als met Maurice Gilliams, goed bevriend mee was. Haar werk is met meerdere literaire prijzen bekroond. Haar poëzie verscheen behalve in MUGzine ook in Deus ex Machina, Dietsche Warande en Belfort, Gierik, Nieuw VlaamsTijdschrift, Poëziekrant, Restant, Revolver, Spiegel, De Vlaamse Gids en Yang.

Haar oeuvre is sinds haar debuut in 1969 gegroeid naar meer dan 20 dichtbundels en haar werk is opgenomen in verschillende bloemlezingen. In 2004 verscheen van haar hand de bundel ‘Vita Vita’ en uit deze bundel is het gedicht ‘Wendy little rose’ genomen.

 

Wendy little rose

rozen, als kwamen ze ’s avonds, laten
zich niet lezen. ze slurpen taal en teken
uit mijn blik. in een sonore stoet trekken
ze voorbij. maanlicht staat te staren,

rukt aan de tijd, zwart als water en
vol onzekerheid. niets is nog bewezen.
rozen hebben me beet en bijten. ik slik
hun geur, blijf aan ze haken.

lucht hangt als verbeelding te verbleken,
veegt met een vage hand mijn adem uit.
hoe ver zijn rozen, hoe dicht aan mij gebrand.

mijn stem wikkelt zich soms uit hun blaren.
niets is guller dan een rozenhart. daarin
zal ik slapen, schuilen, leven als het moet.

.

De kaartlezers

Albertina Soepboer

.

Soms lees ik een gedicht dat ik een paar keer moet lezen om goed te weten wat er nu precies staat en vooral waarom er staat wat er staat. Zo’n gedicht is ‘De kaartlezers’ van Albertina Soepboer (1969). Soepboer is naast dichter ook prozaïst, beeldend kunstenaar en vertaler. Ze studeerde Romaanse talen en culturen en Friese taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Ze heeft vanaf haar debuut met ‘De hengstenvrouw’ in 1997 tot 2005 vooral Friestalige poëzie geschreven.

Ze was redacteur (1994-1999) van ‘Trotwaer’ en medewerker aan onder meer het ‘Gratis Literair Blaadje’, ‘Millennium’ en ‘Schrijver & Caravan’. Voor haar gedichten kreeg ze in 1996, 1997 en 1998 de Rely Jorritsma-prijs.  Ook heeft ze als dichter teksten geschreven voor de Friese fadozangeres Nynke Laverman en werkte ze samen met het Rubens Kwartet.

Het gedicht ‘De kaartlezers’ lijkt in eerste instantie te gaan over een reisje naar zee. Het duin, de meeuwen, op de fiets met de kaart op weg. En dan die laatste strofe, alles valt in het water en uiteindelijk ‘verdronken in zee’. De eindstreep gehaald maar niet was wat het leek en alle goede bedoelingen ten spijt bleek het een groot fiasco. Een prachtig gedicht over wat we denken zeker te weten en de harde werkelijkheid. Uit de bundel ‘De hengstenvrouw’ uit 1997 waarin gedichten uit de bundels ‘Gearslach’ en ‘De twirre yn ’e tiid’ zijn bewerkt en vertaald door Soepboer.

.

De kaartlezers

.

Dat het dichterbij kwam, daar
waren we wel zeker van. Als duin
zou het in ons huizen. En al
vielen meeuwen vaak uit wolken,
het was er, naderde en naderde.
Zoveel wisten wij.

.
Het pad, zeker, we tekenden het.
Zo zou het zijn. Alles was in kaart
gebracht en dan zouden we gaan.
Veters gestrikt. Fiets mee. Naar
zee, naar zee waar alles begint.
Zoveel wisten wij.

.
Maar hoeveel wisten wij niet.
Wij raakten het pad kwijt, konden
de kaart niet meer lezen en
verdronken in zee.

.

%d bloggers liken dit: