Site-archief

Lees nu de nieuwe MUG!

Nummer 12

.

Het nieuwste nummer van minipoëziemagazine MUGzine is uit! Een heerlijk helder lentenummer met poëzie van drie oude bekende en een nieuw Vlaams talent. Wim Hofman, Anton Korteweg, Jana Beranová en de Vlaamse dichterAmina Belôrf verzorgden de gedichten in #12. De kunst in dit nummer is van internationaal werkend fotograaf Scarlett Hooft Graafland. Natuurlijk een verse Luule en een sprankelend voorwoord van onze eigen redactiefilosoof.

Elke editie van MUGzine is gratis te downloaden via Mugzines.nl en voor de liefhebber (en wie is dat niet?) is er een papieren versie beschikbaar. Wil je die standaard een jaar lang bij verschijnen in je brievenbus hebben word dan donateur. En als je een keer een proefexemplaar wil ontvangen mail dan naar MUGzines (zie de website).

MUGzine wordt gemaakt door MUG books, Poetry Affairs en BRRT graphic design . Volg ons op Instagram of Twitter

 

Van één van de dichters van MUGzine #12 een gedicht als voorproefje. Anton Korteweg (1944) publiceerde recent (2021) de bundel ‘Enfin’. Uit deze bundel het gedicht ‘Niet eerlijk’.

.

Niet eerlijk

.

We zijn al aan ’t verzakken; de spinnen

beginnen ons te tarten met hun webben en

de balsemienen zijn maar al te graag bereid

te knakken.

.

Tegen de muur van ons vervallen schuurtje

wiegen, nauw zichtbaar op een lichte zucht,

de windekelken, oog verblindend prachtig. Dat

dan weer wel.

.

Zij mogen maar één dag. Een beetje boomer,

hoe krakkemikkig ook, schopt het doorgaans

tot in de tachtig.

.

De laatsten der Mohikanen

De nieuwe MUG komt eraan

.

De afgelopen twee maanden zijn we van MUGzine weer volop bezig geweest om een fonkelnieuwe en prachtige editie van dit mini poëziemagazine te maken. We zijn ontzettend blij dat vier dichters een bijdrage wilde leveren en een vermaard fotograaf. De dichters zijn Anton Korteweg (1944), Wim Hofman (1941), Jana Beranová (1932) en een nieuw Vlaams talent Amina Belôrf (1990). De illustraties zijn van internationaal werkend en exposerend fotografe Scarlet Hooft Graafland (1973).

De richting die MUGzine #12 meekreeg was een dichtregel van E.E. Cummings uit het gedicht ‘maggie and milly and molly and may’  die luidt: ‘it’s always ourselves we find in the sea’.

Omdat we dit keer een drietal oudere en ervaren dichters in MUGzine hebben vond ik het wel toepasselijk een gedicht van één van hen hier te plaatsen. Het betreft hier het gedicht ‘De laatsten der Mohikanen’ van Jana Beranová uit haar ‘Werkboek’ bloemlezing 1983-2010 uit 2011.

.

De laatsten der Mohikanen

.

Daar staan ze

gebakken uit zeldzame klei.

De punten van hun laarzen

wijzen omhoog

om de aarde

geen pijn te doen.

.

Geboren worden

Anton Korteweg

.

Afgelopen week kreeg ik het bericht dat een collega van me was bevallen van een zoon. Ik moest toen meteen denken aan een gedicht dat ik in de bundel ‘Enfin’ van Anton Korteweg  uit 2021 had gelezen daags daarvoor. In de Poëzieweek kreeg je de bundel van Ramsey Nasr gratis bij aankoop van poëzie. Nu stond de bundel van Anton Korteweg al even op mijn verlanglijstje, helemaal nadat ik hem had horen voordragen in september 2021 op de Leidse Poëzienacht dat werd georganiseerd door Fields of Wonder.

Anton Korteweg is  dichter en neerlandicus die van 1979 tot 2009 hoofdconservator (directeur) was van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag. Sinds zijn debuut in het literair tijdschrift Tirade in 1968 heeft Anton Korteweg met regelmaat dichtbundels gepubliceerd. Zijn poëzie kenmerkt zich door de ironische beschrijving van kleine gebeurtenissen, die gevoelens van melancholie oproepen. Zijn enigszins afstandelijke stijl bedient zich van woordspelingen en archaïsmen en een alledaagse woordkeuze voor verheven onderwerpen. Voor zijn poëzie werd Korteweg in 1986 de A. Roland Holst-Penning toegekend.

Het gedicht waaraan ik moest denken is getiteld ‘Geboren worden: over hoe je er ook naar kunt kijken’ en is grappig maar helemaal waar.

.

Geboren worden: over hoe je er ook naar kunt kijken

.

Negen maanden later

moet je er toch echt uit,

hoe goed je het ook naar je zin hebt.

.

Je hebt er dan al bij al

veel langer gewoond dan je vader.

Die bleef altijd maar even.

.

Ze is wel jouw huis, maar het moet;

haar nood wordt gewoon te hoog.

.

Je wordt een uit de klei

je ondergang tegemoet

gedwongen regenworm.

.

Je vader maakt een beginnetje,

je moeder schenkt je de dood.

.

Dichter voor dichter

Anton Korteweg

.

Een van de laatste keren dat ik live dichters hoorde voordragen was in Leiden. Dat was bij de Leidse Poëzienacht. Daar droeg onder andere Anton Korteweg voor en ik moet zeggen, zeer naar mijn genoegen. De poëzie verfijnd en grappig, de voordracht rustig en aangenaam. Nu is bij uitgeverij Meulenhoff de bundel ‘Enfin’ verschenen. Vijftig jaar na zijn debuut een nieuwe bundel met vijftig gedichten ter ere van dit jubileumjaar.

Korteweg (1944) debuteerde in 1968 in het literair tijdschrift Tirade en in 1971 met de bundel ‘Niks geen Romantic Agony’. Zijn poëzie werd aanvankelijk gekenmerkt door de beschrijving van kleine alledaagse gebeurtenissen en de melancholische gevoelens waaraan deze appelleren. Daarbij speelt de ironisering van deze gevoelens een rol die bereikt wordt door dubbelzinnig taalgebruik en toespelingen op verheven onderwerpen in een alledaagse context. Korteweg was jarenlang conservator van het Lettrkundig museum, hij verzorgde bloemlezingen en was poëzierecensent.

En nu is er dan zijn jubileumbundel ‘Enfin’ waarin ik een gedicht tegen kwam dat hij schreef voor een andere dichter Luuk Gruwez. En hoewel de categorie getiteld is ‘dichters over dichters’ kun je in het gedicht wel degelijk lezen dat het hier over een andere dichter gaat.

.

Leve de poëzie!

(voor Luuk Gruwez)

.

Of ’t nou bij meneer Tintel was op ’t gym

-mijn leraar Nederlands in Dordt met maar een arm-

of in de bloemlezing Dichters van dezen tijd,

als knaap was ik verrukt: beminde je een vrouw,

ontkwam je aan de dood en werd je even

weggerukt uit het aards bestaan. Net wat ik wou.

Ed. Hoornik kon na dit verrukkelijk perspectief

als favoriete dichter niet meer stuk;

dat kwam ook door zijn kleine dochter van Jaïrus,

van wie het dode haar een tijdje zonder zwier was.

.

Een jaar of vijftien later, pasgetrouwd, las ik

bij een gerespecteerd collega, ‘k zeg niet wie

over een voelspriet in een warme schacht

gretig de lust van de geslachten aftastend

tot aan het oerslijm. ‘k Kreeg het Spaans benauwd

en dankte God: ik had al nageslacht.

.

De idioot op het dak

Tjitske Jansen

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de Leidse PoëzieNacht georganiseerd door Fields of Wonder in De Burcht in hartje Leiden. Deze Poëzienacht (of eigenlijk avond) werd door Fields of Wonder gemaakt in samenwerking met stichting INDEX Poetry en stichting Leids Literair Landschap. Op deze avond kwamen Anton Korteweg, Dorien de Wit, Wout Waanders en Tjistske Jansen voordragen en de kandidaat stadsdichters droegen een gedicht voor. Paar opvallende dingen: de twee mannelijke dichters waren geblesseerd aan hun voet (Wout Waanders droeg voor gezeten in een rolstoel en Anton Korteweg bewoog) zich voort geholpen door twee stokken, het was een heerlijke ontspannen mooie nazomeravond en de sfeer was uitstekend. Naast serieuze poëzie viel er ook regelmatig te lachen om de gedichten en de voordrachten.

De presentator van dienst kondigde Tjitske Jansen (1971) aan met een verhaal over zijn eerste ervaring met Tjitske Jansen bij Festina Lente in 2001 waar ze de finale van deze Poetry Slam won. Daar hoorde hij haar voor het eerst het gedicht ‘ De idioot op het dak’ voordragen. Hij vroeg haar of ze dat wilde voordragen (waarschijnlijk niet zei hij erbij) maar Tjitske was zeer bereid om het gedicht voor te dragen en dat was voor mij een van de hoogtepunten van de avond. Daarom uit de bundel ‘ Het moest maar eens gaan sneeuwen’  uit 2003 het gedicht ‘ De idioot op het dak’.

.

De idioot op het dak

.

Ik vroeg de jongen op mijn werk – dat bestaat uit peperoni, melanzani en carciofi in de bakjes scheppen, kip en friet en gamba’s bakken, salades maken, enzovoort, ik deed de koude kant vandaag en hij de warme – of we na het werk wat gingen drinken. Na het werk gingen we wat drinken.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen, er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog een keer aanbellen. Nog één keer. Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren. Ik wil niet dat hij mij negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Steeds als ik denk: nu laat ik de bel los, laat ik de bel niet los. Hij doet nog steeds niet open. Ik zoek waar ik beginnen kan met op het dak te klimmen. Een paar daken van zijn dak vandaan is een begin. Ik begin met op het dak te klimmen. Als ik drie daken heb gehad, ik ben er bijna,

gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannenhoofd verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief, een mannenhoofd uit een dakraam zien steken, Ik zeg: Ik ben geen inbreker, ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen.

De man geeft me geen kans verder te klimmen. Hij blijft met zijn hoofd uit het dakraam. Er gaat nog een dakraam open. Ik had nog nooit één mannenhoofd van zo dichtbij uit een dakraam zien steken, laat staan twee tegelijk. Zitten blijven! zeggen ze. Zitten blijven! Ik vraag me af of ik een strafblad krijg.

De politie is gearriveerd. Waar is hij? Hoor ik vragen. Het is een vrouw. Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden, maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

Ik klim naar binnen door het dakraam van het eerste mannenhoofd. Ik sta op een zolder. Ik zie de vrouw die godverdomme riep, ik aai de hond, ik zeg: Sorry, sorry. Ik zeg:
Ik ben geen inbreker.

Iemand vraagt me hoe ik op dat dak gekomen ben. Iemand vraagt me waarom ik dit deed. Liefdesverdriet, zeg ik. Ja, zegt een politieman, uit liefdesverdriet kun je rare dingen doen. Hoe heet je? Vraag ik hem. Ik heet Paul, zegt hij. En waar woon je?

.

 

 

Poëzienacht

Fields of Wonder

.

Op zaterdag 11 september is de Leidse Poëzienacht. Dit is een avond lang poëzie op de Burcht van Leiden op loopafstand van het Centraal Station, met een grote verscheidenheid aan voordrachten van dichters om je volledig te laten omarmen door de reikwijdte van de poëzie. Het programma bestaat uit Leidse, Nederlandse en internationaal gevestigde namen zoals Anton Korteweg, Tjitske Jansen, Dorien de Wit en Wout Waanders. Ook zullen de kandidaat-stadsdichters van Leiden zich deze avond komen presenteren aan het publiek. Meer informatie vind je op http://fieldsofwonder.nl/voorstellingen/136-poezienacht.

Ik ga erheen om de ambiance ( als je wilt kun je zelfs in het Openluchthotel blijven slapen, het hele festival duurt maar liefs drie dagen), de dichters en de plek waar het wordt georganiseerd. En uiteraard omdat ik ook nieuwsgierig ben naar de nieuwe stadsdichter van Leiden.  Dat onderdeel is op zaterdagmiddag 11 september om 14:00 uur.

Dan zullen de kandidaten voor het stadsdichterschap optreden op de Burcht. Inloop is vanaf 13:30. Toegang is gratis, maar aanmelden is verplicht in verband met de corona maatregelen. Het middagprogramma is gecombineerd met de uitreiking van de studentenpoëziewedstrijd. Dat programma is (deels) in het Engels.

Op dit moment is Marianne van Velzen nog stadsdichter. Op de website https://wisselgeldland.nl/gedichten/ zijn een aantal van haar stadsgedichten te lezen. Ik koos voor

.

Billykast

.
Was ik maar
een billykast
Mijn knoesten
zouden gladgeschuurd
en glimmend gelakt zijn
Mijn hout
kaarsrecht
en splinterloos
Ik zou mijn plek weten
Ik zou boeken
strak naast elkaar
laten staan
Muziekdragers huizen
op kleur
Letter voor letter
Klaar voor het grijpen
of om jaren te verstoffen
Al naar gelang de wens
Oordeelloos
zou ik steunen

.

Het zou duidelijk zijn
Niets meer om te snappen
Ik zou nuttig zijn

.

Maar nee
ik werd wrakhout
Ooit voorbestemd
honkvast te reizen
maar bij de eerste de beste storm
liet ik los

.

Bestemmingsloos
losgelaten
Zonder vergezicht

.

Mijn rechte vorm
van weleer
is meegebogen met
tijd en tegenslag
Wat overbleef
was doelloos dobberen

.

Ik heb het wel geprobeerd
Weer richting vinden
Zelfs tegen de stroom in
Maar er was altijd weer
een golfslag
die me terugbracht
naar daar
waar ik eerder was

.

Nu dobber ik maar een beetje
En zie ik wel
wat de stroom brengt
En sinds ik dat doe
zie ik soms
heel kort
een lijn
in de verte

.

Eddy’s verstrooiing

Anton Korteweg

.

Voor de rubriek dichters over dichters, kwam ik in de bundel ‘Ouderen zijn het gelukkigst’ uit 2009 van Anton Korteweg, het gedicht ‘Eddy’s verstrooiing’ tegen over de verstrooiing van de as van dichter Eddy van Vliet op 12 oktober 2002 in Watou in België.

Eduard Léon Juliaan (Eddy) van Vliet (1942 – 2002) was een Vlaams schrijver, dichter en advocaat. Regelmatig werd de poëzie van Eddy van Vliet als neoromantisch bestempeld of geplaatst in de literaire richting van de nieuwe romantiek. Neoromantiek is een synoniem van postromanticisme of laat romanticisme. Het is een langdurige beweging die begint aan het einde van de negentiende eeuw en het is een herleving van de romantiek in de kunst en de literatuur.

In 1971 won Eddy Van Vliet de Arkprijs van het Vrije Woord voor ‘Columbus Tevergeefs’. In 1975, mocht van Vliet de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen en in 1989 kreeg hij de Staatsprijs voor poëzie in België.

Anton Korteweg (1944) schreef het gedicht dus naar aanleiding van het verstrooien van de as van van Vliet in Watou, het kleine dorpje in West Vlaanderen, bijna op de grens met Frankrijk, waar tussen 1980 en 2008 de Poëziezomer Watou werd georganiseerd door Gwy Mandelinck – zelf een dichter – en zijn echtgenote Agnes Hondekyn. Het vormde al die jaren gedurende twee zomermaanden een unieke dialoog tussen internationale beeldende kunst en poëzie.

.

Eddy’s verstrooiing

(voor P.P.

‘Zoals een man pist, met de wind mee, zo

verstrooie men as.’

Chinese wijsheid

.

Maar andersom heeft ook wel wat: een zwarte,

gekromde regenjas met wapperende panden,

als boos tegen de storm optornend op een hoefpad

een man uitzaaiend, en daarachter wij,

.

een rijtje treurenden: wat mooie blonde vrouwen

met zonnebril, maar ook zwartharige zonder,

want Eddy was een te benijden echte

dichter geweest, steeds goed omringd, morsige

door drank – en dichtzucht aangetaste koppen en

hardlijvige vriendachtigen, – dat volk

woei de dichter toen in de gezichten.

.

We nipten daarna in De Hommelhof

zijn as van haar en huid, eigen en andermans,

en dachten bedremmeld die Eddy.

.

Ik was er trouwens niet bij

maar zie het weer duidelijk voor me.

.

grafmonument voor Eddy van Vliet in Watou

Met de wil elkander bij te staan

Olga Orman

.

Toen ik in de winkel het bundeltje ‘Met de wil elkander bij te staan’ tegenkwam, was ik meteen nieuwsgierig naar de inhoud. Het bleek een bundel gedichten te zijn, uitgegeven ter gelegenheid van de viering van 50 jaar Statuut voor het Koninkrijk. De titel intrigeerde me juist omdat we lijken te leven in een tijd waarin de wil elkander bij te staan nogal eens op de achtergrond dreigt te raken. De wil is er wel en men staat elkander bij maar soms bekruipt me het gevoel dat het ‘ik’ en de zogenaamde ‘persoonlijke vrijheid’ belangrijker is dan het wij.

In het statuur worden de verhoudingen tussen de Antillen en Aruba en Nederland vastgelegd maar Thom de Graaf, de toenmalige minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, legt de link van het bestuur naar de cultuur. Het is ook een momentopname van dichtkunst uit de drie landen van het Koninkrijk en een cultureel symbool voor de onderlinge verbondenheid.

Maar een gelegenheidsbundel dus uit 2004 met daarin dichters van de overzeese gebiedsdelen, de Nederlandse Antillen Curaçao, en Bonaire en Aruba, aangevuld met een stuk of wat Nederlandse dichters die over de Antillen hebben gedicht. Bekende namen als Quito Nicolaas, Frida Winklaar, Hagar Peeters, Anton Korteweg en Esther Jansma maar ook mij onbekende namen als Tania Pietersz, Bertrando Joung, Joan Leslie, Walter Palm en Buchi Ibu.

En een gedicht ‘Heimwee’ van de pas recent overleden Arubaanse schrijver, vertelster en dichter Olga Orman (1943 – 2021). Zij schreef zowel in het Nederlands als in het Papiaments. Met voordracht van vertellingen en poëzie trad zij sinds 1983 op tal van nationale en internationale festivals op, vooral ook met verhalen rond de Spin Kompa Nanzi (Anansi), behalve in Nederland en op de Nederlandse Antillen ook in Peru, Wales en Cuba.

.

Heimwee

.

Lopend langs je wit satijnen randen

Liggend in je korrelige glazen handen

Voel ik mijn begraven navelstreng

.

Spartelend in je schoon schuimend bad

Deinend op je azuren zilte mat

Voel ik mijn gemiste vlot

.

Wandelend over je geel gloeiende glooiingen

Struinend door je groen getooide plooiingen

Voel ik mijn ontwortelde cactus

.

Klauterend op je grijs granieten ruggen

Turend naar je karmijnrode bruggen

Voel ik mijn verlangen groeien

.

Nog eens ooit terug.

.

Feest

Geluk dat kan wel jaren duren

.

In 2000 publiceerde uitgeverij Prometheus in de Ooievaar reeks de verzamelbundel ‘Geluk dat kan wel jaren duren’ het huwelijk in honderd gedichten. Ik ben een groot fan van verzamelbundels en bloemlezingen juist omdat er zoveel verschillende dichters in vertegenwoordigd zijn.

In dit geval dus rond het thema het huwelijk. Gedichten van dichters uit de 19e tot de (bijna) 21ste eeuw. Van luchtige, light verse gedichten tot zeer serieuze werkjes. Ik koos uit deze bundel voor twee wat kortere gedichten van Judith Herzberg en Anton Korteweg.

.

Hij deed zijn best 

.

Hij deed zijn best maar in acht jaar

niet veel geluk gehad met haar.

Thuis van zijn werk was zij óf weg óf boos

haar dood verbeterde hun huwelijk eindeloos.

 

(Judith Herzberg)

.

Feest

.

Ik moest de Hema in. Voor vruchtentaart.

Goed en goedkoop. Want junior verjaart.

Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw

dan wil ik wel naar huis. Naar die van jou.

 

(Anton Korteweg)

.

Wat ik graag zie

Anton Korteweg

.

Ik kreeg van Ons Erfdeel vzw een foldertje toegestuurd met de aankondiging dat dichter Anton Korteweg een bloemlezing had samengesteld met vijfentwintig duetten van gedichten en schilderijen in een soort Musée imaginaire (een papieren museum zoals Ted van Lieshout het ooit noemde). In deze bloemlezing gedichten van bekende dichters (o.a. Hugo Claus, Judith Herzberg, Ida Gerhardt, Ingmar Heytze en Vasalis) en schilderijen van ook niet de minste (Rembrandt, Vermeer, Renoir, Gauguin etc.). Aan de omvang en de zorg die aan deze bundel is besteed (voor zover je dat uit een folder kan opmaken) lijkt de aanschafprijs van €35,- me legitiem.

Door deze folder ben ik weer werk van Anton Korteweg gaan lezen. Anton Korteweg (1944) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap te Leiden. Hij was enige tijd leraar Nederlands, wetenschappelijk medewerker Moderne Nederlandse Letterkunde te Leiden en vervolgens sinds 1979 hoofdconservator van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te ‘s-Gravenhage. In die periode heb ik nog contact met hem gehad als lid van het comité van aanbeveling van het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ’t Hart.

Zijn poëzie werd aanvankelijk gekenmerkt door de beschrijving van kleine alledaagse gebeurtenissen en de melancholische gevoelens waaraan deze appelleren. Daarbij speelt de ironisering van deze gevoelens een rol die bereikt wordt door dubbelzinnig taalgebruik en toespelingen op verheven onderwerpen in een alledaagse context. Naast zijn eigen dichtwerk was Korteweg poëzierecensent en verzorgde hij al eerder verschillende bloemlezingen.

.

Uit zijn bundel ‘In handen’ uit 1997 het volgende gedicht.

 

Wat ik graag zie

.

Wachtend voor ’t stoplicht, in ’t halfdonker nog,
op het Bevrijdingsplein, half acht, zag ik,
een vrachtwagen van Domomelk langsdenderen
met op de frisse flanken het bericht
dat, ingang heden, eindelijk het verschil
tussen houdbaar en lekker is verdwenen.

Ik ben niet jong meer, maar toen na een poosje
het dan toch tot me doorgedrongen was:
wij, jij en ik, we mogen ons elkaar
weer laten smaken, waarom ben ik toen
zo hard ik kon niet naar je terug gefietst?

.

%d bloggers liken dit: