Site-archief

Oude winter

Glad en wijd ligt het ijs

.

Het zal een paar weken geleden zijn toen de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden (ja dat is de officiële naam) bekend maakte dat de Elfstedentocht dit jaar niet door zou gaan. Op een moment dat er nog geen sprake was van enige vorst, in een snel opwarmende wereld waarin het de vraag is of er überhaupt ooit nog een Elfstedentocht verreden gaat worden vond ik dit een wonderlijk bericht. Men maakte dit bekend in verband met de Corona crisis. Maar bijzonder blijft het wel.

Ik moest hieraan denken toen ik de bundel ‘Glad en wijd ligt het ijs’ De mooiste schaatsgedichten uit de Nederlandse en Friese literatuur uit 1999 ter hand nam. Deze bundel met schaatsgedichten, gekozen door Max Dohle en (oud schaatser) Ben van der Burg biedt een mooi overzicht van schaatsgedichten door de tijden heen. Ik koos voor het gedicht ‘Oude winter’ van E. den Tex oorspronkelijk uit de bundel ‘Slagzij’ uit 1942 waarin de dichter een welhaast vooruitziende blik heeft al kan het zijn dat ik de laatste twee zinnen anders lees dan de dichter ze bedoeld heeft. Emile den Tex (1918 – 2012) was de vader van schrijver Charles den Tex, dichter, petroloog, avonturier en prozaïst.

.

Oude winter

.

Mijn vader brak altijd het ijs

vroeg in de winter in de tuin;

wij zochten door het bijtgat schuin

naar goudvissen in ’t stilstaand grijs.

.

En als zijn stok het niet meer brak,

nam hij de schaatsen uit het vet;

de dromen van ons kinderbed

werden als ijsbootzeilen strak.

.

Wij gleden weg naar Ilpendam,

soms stopt’ hij even, las de kaart

en streek wat rijpwit van zijn baard.

Maar ’s avonds zweeg hij in de tram.

.

De tijd dat vader ’t ijs nog brak

is een steeds wijderwordend wak.

.

Al die mooie beloften

Rutger Kopland

.

Uitgeverij van Oorschot heeft in de afgelopen decennia heel wat dichtbundels uitgegeven in de zo bekende zeer sobere stijl. Omslagen met de naam van de dichter en de titel van de bundel in een steunkleur. Niets meer en niets minder. Tegenwoordig haalt geen uitgever het meer in zijn hoofd om een dichtbundel zo sober uit te geven. Altijd wanneer ik zo’n bundel zie moet ik goed nadenken of ik de titel al heb of niet (dat komt door die zelfde sobere stijl, vaak is alleen de kleur van de omslag een indicatie). Maar deze bundels bieden eigenlijk altijd waar voor hun geld.

De bundel ‘Al die mooie beloften’ van Rutger Kopland (1934 – 2012) in stemmig grijsbruin uit 1978 is zo’n bundel. En hoewel de omslag en de publicatie van uitgeverij van Oorschot als geheel wat gedateerd aandoet, is de inhoud nog steeds springlevend.

Uit deze bundel koos ik het titelloze gedicht dat een mooi weemoedige inhoud kent.

.

Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin,

de baas voor mijn hond, het kind in mijn jeugd,

de oude man bij mijn dood, wie zal dat zijn als

ik het niet ben? Jij? Ach kom, jij bent niets

.

dan twee ogen, die zien wat ze zien, jij

bent niets dan het uitzicht: een zon schijnt,

een appelboom bloeit, een stoel staat in

het gras; vreugde, verdriet, weet jij veel,

.

uitzicht, Maar wie zal mijn liefste grijs en

ziek laten worden, er voor zorgen dat de hond

jankt, het kind huilt, en de dood komt? Wie

zal de appelboom laten verkommeren, de stoel

voorgoed laten staan in de regen? Iemand toch

zal moeten zien dat alles voorbij gaat.

.

Uit het oog

Miguel Declercq

.

Met enige regelmaat ontdek ik nieuwe dichters. Vaak zijn het Vlaamse dichters en ook nu betreft het een Vlaamse dichter namelijk Miguel Declercq (1976). Voor hij in 1997 debuteerde met de dichtbundel ‘Person@ges’, een sonnettenkrans waarmee hij de Hugues C. Pernath-prijs won, publiceerde hij al gedichten in allerlei literaire tijdschriften. Magazines van gefotokopieerde blaadjes (iets waar ik veel respect voor heb, zo laat je als dichter blijken dat je je niet te goed voelt om gelezen te worden) tot Deus Ex Machina , Yang, De Revisor en Parmentier.

De sonnettenkrans in ‘Person@ges’ is een bijzonder werk. Deze sonnettenkrans bestaat uit veertien regelmatig rijmende gedichten waarvan de slotregel de begin regel van het volgende gedicht is en het laatste vers van nummer veertien hetzelfde is als het eerste vers van het eerste sonnet; die veertien beginregels samen vormen dan het vijftiende zogenaamde ‘meestersonnet’.

In het 2000 wordt  Miguel Declercq in ‘Dietsche Warande & Belfort’ samen met Paul Bogaert, Paul Demets, Jan Lauwereyns, Johan de Boose en Peter Holvoet-Hanssen gepresenteerd als behorend tot de kopgroep van de jonge Vlaamse dichters. In 2001 wordt zijn frivole bundel ‘Zomerzot/Somersault‘ gepubliceerd waarna het maar liefst 11 jaar duurt voordat er weer een bundel van Declercq verschijnt; ‘Boven water’ in 2012.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Uit het oog’.

.

Uit het oog

.

We gingen naar Oostende om de sterren te bekijken,

maar het enige wat we van de sterren te zien kregen,

was oud licht, oude hitte, herinneringen

aan koude plaatsen, aan hoe we ’s zomers urenlang aan tafel zaten

om op te warmen

als hagedissen.
We hielden onze ogen open. We hielden onze ogen open
met de hulp van tandenstokers. We leefden nog,
maar vaak leek het of ons
ons laatste dictee werd afgenomen. Vaak leek het
alsof we loodrecht naar de bodem zonken, alsof we onder tonnen modder
     zouden worden bedolven
zodra we onze ogen sloten.
We schitterden als nooit tevoren,

maar enkel aan de oppervlakte.

 

 

Sterfbed

Dubbel-gedicht

.

Nu er weer meer sterfgevallen zijn door Corona leek het me goed om hier op de een of andere manier middels poëzie bij stil te staan. Dat doe ik middels een dubbel-gedicht met als thema het sterfbed. Twee gedichten uit twee totaal verschillende tijdperken van twee totaal verschillende dichters.

De eerste dichter is Hélène Swarth (1859 – 1941). Zij was een van de Tachtiger en was tot op hoge leeftijd productief en in haar beste gedichten toont zij zich de evenknie van de andere vooraanstaande Tachtigers. Een criticus schreef over haar: “Door de zuiverheid van uitdrukking wist zij een volmaakte eenheid van vorm en inhoud te bereiken. Aan het liefdesverlangen paarden zich gevoelens van eenzaamheid en deze verdiepten haar zintuiglijke ontvankelijkheid zo, dat haar natuurpoëzie bij wijlen een kosmisch-religieuze beleving laat doorstralen.”

De tweede dichter is Eric Derluyn (1943). Deze Vlaamse dichter studeerde Germaanse filologie (studie van Germaanse talen) en debuteerde in 1969 met ‘De geliefde van Altena’ waarna verschillende dichtbundels volgden. Daarnaast verscheen veel van zijn werk in literaire tijdschriften tijdschriften en bloemlezingen.

Het gedicht ‘Bij moeders sterfbed’ van Hélène Swarth heb ik genomen uit de bundel ‘Morgenrood’ uit 1929, het gedicht ‘Sterfbed’ komt uit ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ uit 2015 maar verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Een reiziger, hij slaapt’ uit 2012.

.

Bij Moeder’s Sterfbed

.

Haar kille hand lag in mijn warme hand,
Als wilde ik mild wat gloed haar wedergeven
Van ’t mij geschonken leeddoorvlamde leven,
Dat vreugde en liefde en vrede en hoop verbrandt.
.
– ‘O Moeder! ‘k wil mijn leven u vergeven
– Een droef geschenk! – wijl, doodsangst-overmand,
Ge in zwarte schaduw van het Doodenland,
Hoe levensmoe, voor levens eind moet beven.
O Moeder! neem de troost aan van uw kind,
Dat aan Gods liefde zelf niet kan gelooven,
Maar, sterk van deernis, de echte woorden vindt.’
.
Gaf God mij kracht? – Zij kwam haar vrees te boven.
En ’t stervensuur, hoe smartvol, moet ik loven,
Wijl zij door mij zich voelde Godbemind.

.

Sterfbed

een anekdote

.

Nooit nog een mooie zondag; een zondag

met zoiets: op de kerselaar schitteren

bloesems; in hun schaduw gaat het gesprek

over niets; niets wordt aangereikt, niets uit-

.

gewisseld, niets dan hoog in de lucht een

kleine versleten wolk; uitgerafeld

passeert ze van één onzichtbare hand

in een andere onzichtbare hand.

.

Een zondag met niets. Over het dunne

laken schuift mijn moeder naar elkaar: haar

uitgerafelde handen; en van

.

levende naar dode hand, verschuift zij

dat niets, die kleine wolk van toen, dat nooit

meer. Ze zegt: en nooit nog zo’n zondag.

.

 

Wie wordt nummer 7?

Ongehoord! Gedichtenwedstrijd 2020

.

Vandaag wordt in kasteel Rhoon bekend gemaakt wie de winnaar is van de 7e editie van de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd. In 2009 begon ik op dit blog een poëziewedstrijd. De winnaar van de eerste editie was Jeer https://woutervanheiningen.wordpress.com/2009/01/15/de-winnaar-van-de-gedichtenwedstrijd-is-bekend/ de jury destijds bestond uit Ruben Philipsen en Loes van Vliet en er waren 35 inzendingen.

In 2010 waren er al 85 inzendingen en ging de eerste prijs naar Marije Zijlstra https://woutervanheiningen.wordpress.com/2010/05/03/winnaar-van-de-gedichtenwedstrijd-2010/  de jury bestond uit Otto Zeegers en Pero Senda.

In 2011 waren er al 120 inzendingen en de winnaars (er was toen een prijs voor volwassenen en een voor jeugd) waren Tugba Nur Karkide (jeugd) en Janine Huson (volwassenen). De jury werd gevormd door Bep van Wely en Henriette Faas. https://woutervanheiningen.wordpress.com/2011/05/24/uitslag-gedichtenwedstrijd-2011/

In 2012 was ik inmiddels bestuurslid van Ongehoord! en besloot het bestuur dat we mijn gedichtenwedstrijd zouden voortzetten als de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd waarvan vandaag dus de prijsuitreiking is van alweer de 7e editie (in 2018 en 2019 waren er geen edities).

In al die jaren heb ik vele prachtige dichters en gedichten zien langs komen, beginnende dichters, ervaren dichters, bekende en (voor mij) onbekende dichters. En elke keer is het weer een verrassing wie er nu weer tot de prijswinnaars behoren. Vanaf morgen lees je vier dagen lang wie de prijswinnaars waren en wie de runner ups. Vandaag nog een terugblik met een gedicht van een dichter die in 2013 winnaar was van de 2e editie van de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd. Uit haar debuutbundel ‘Atlas van de tijd’ het liefdesgedicht ‘Mank’.

.

Mank

.

Verder dan de wandeling
die mensen wil veranderen in
zwarte stippen aan de horizon

.

stiller dan een schemering
die met het daglicht mediteert
en in de nacht berusten zal

.

wat samenzijn bijzonder maakt
kan geen taal beschrijven
het woord gaat mank bij jou en mij

.

 

Dichter op bezoek

Dichter van de maand

.

Wanneer je de titel van dit stukje leest denk je misschien; is dit een nieuw initiatief in tijden van Corona? En kan dat dan of moet de dichter (op bezoek) dan een mondkapje voor? Maar nee, het gaat hier niet over een nieuw initiatief (wat trouwens best een goed idee is bedenk ik me nu, dichter op bezoek, waarom ook niet?) maar het betreft hier een gedicht van de dichter van de maand augustus, de Duitse dichter Michael Krüger.

In vertaling van opnieuw Cees Nooteboom koos ik vandaag voor het gedicht met de titel ‘Dichter op bezoek’ uit de bundel ‘Voor het onweer’ uit 2012.

.

Dichter op bezoek

.

Hij komt onaangekondigd, zoals altijd,

en vertelt het verhaal van de rivier

die zijn naam tegemoet stroomt

maar hem nooit bereikt.

.

Ik ben de rivier, zegt de dichter,

alsof wij dat niet allang wisten.

Alles verzwelgt hij, je moet echt oppassen,

zijn honger naar dingen is niet te stillen.

.

Wat hem aan waardigheid herinnert of

verering verlangt, vindt hij pijnlijk,

dan heeft hij het over watervlooien en riet.

.

Drie dagen stroomt hij door ons huis,

.

en drie dagen lang kijken we elkaar aan

zonder te weten wie we zijn.

.

Twee kerkhoven

Dichter van (de rest van) de maand

.

Ik lees in de bundel ‘Voor het onweer’ van de Duitse dichter Michael Krüger in vertaling van Cees Nooteboom uit 2012, en ik kom tot de conclusie dat ik zijn poëzie bijzonder krachtig en mooi vind. Reden om Krüger de rest van de maand augustus dichter van de maand te maken. Dus de komende zondag een gedicht van zijn hand op dit blog.

Vandaag het gedicht ‘Twee kerkhoven’, een niet heel verrassende keuze voor mensen die mij een beetje kennen. Kerkhoven zijn om meerdere reden plekken waar ik graag kom; om de rust en stilte, als plek van bespiegeling en beschouwing en om de cultuurhistorische waarde, kerkhoven zijn ook altijd een weerspiegeling van een tijd en een cultuur. Sommige zijn sober en ingetogen en andere zijn uitbundig en vol ‘leven’. Kruger beschrijft dit prachtig in onderstaand gedicht. Bezoek maar eens een willekeurige begraafplaats buiten Nederland of zelfs in een ander deel van Nederland en je begrijpt wat ik bedoel.

.

Twee kerkhoven

.

Vandaag ben ik langs twee kerkhoven gekomen.

Het ene lag afwijzend onder de gloeiende zon

en zei met al zijn  houten kruisen: Nee!

Het andere prees zich aan met duizendhandige ahorn

en vogelgezang voor zijn gepolijst marmer.

Ik kon niet kiezen. Voor alle twee viel veel te zeggen.

Ook de doden konden me niet verder helpen,

vergeten dichters en scheikundeprofessoren,

hun gespeelde ernst verwarde me.

Toen voelde ik het potlood in mijn jaszak,

mijn vriend op alle reizen, en ik maakte me klein

en verdween.

.

                                                                             Begraafplaats in Sighișoara, Transsylvanië  (Roemenië) Foto: WvH

Het verhaal van de historicus

Michael Krüger

.

In 1990 vertaalde Cees Nooteboom de bundel ‘Idyllen, illusies’ van Michael Krüger, gevolgd in 2003 door de bundel ‘Rooksignalen’. In 2012 kwam alweer de derde bundel in vertraging van Nooteboom uit met de titel ‘Voor het onweer’.

Michael Krüger (1943) woont in München. Hij is dichter, romanschrijver, criticus en uitgever (van Hanser Verlag). Vanaf 1968 was hij mederedacteur van het literaire jaarboek ‘Tintenfisch’. Hij geeft het literaire tijdschrift ‘Akzente’ uit en ontving voor zijn werk verschillende literaire prijzen. In 1976 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Reginapoly’. Voor zijn werk ontving Krüger verschillende nationale en internationale literaire prijzen. Een bekende uitspraak van Krüger is: “Mijn doel is om mensen te laten zien dat een dag, zonder een gedicht te lezen, een verloren dag is”. Een uitspraak die ik volledig kan onderschrijven.

Ik koos uit de bundel ‘Voor het onweer’ het gedicht ‘Het verhaal van de historicus’. Een prachtig gedicht waarin de dichter met de poëtische middelen die hem ter beschikking staan een verhaal verteld, nu al één van mijn favoriete gedichten uit deze bundel.

.

Het verhaal van de historicus

.

Wat ik te pakken kon krijgen heb ik

uit de geschiedenis naar het heden gesleept.

Ik heb acties gelezen, documenten bestudeerd,

met barbaren gesproken

en met hun vijanden, onze vrienden.

Mijn potlood is nog maar een stompje,

de gum versleten, de inktpot

leeg. Ik wou erachter komen waarom wij

zijn zoals wij zijn.

Toen ik mijn werk had afgesloten

leek het op een donkere spiegel.

Ik schrok zelfs niet toen ik

erin keek en mij daar zag staan,

oneindig mislukt.

.

Rivier

Kusters en Kuypers

.

Vandaag in de categorie Dubbel-gedicht als onderwerp de rivier. Er zijn veel gedichten geschreven over rivieren, meanderend door het Hollandse landschap, over bruggen over rivieren, dorpen en steden aan rivieren en ga zo maar door. En in sommige gevallen krijgt de rivier iets menselijks of vereenzelvigd de dichter zich met een rivier.

In de twee gedichten in dit Dubbel-gedicht is er sprake van de laatste twee voorbeelden.

Het eerste gedicht is van Wiel Kusters (1947) en is getiteld ‘Rivier’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Leesjongen’ Verzamelde gedichten 1978 – 2017 uit 2017. In dit gedicht komt de rivier pas later in het gedicht voor maar Kusters geeft haar menselijke trekjes ( de rivier / die altijd weet waarheen ) en hij betrekt de rivier op zichzelf ( dat ik de rivier / niet meer kan zien / of stromen voel in mij ).

Het tweede gedicht is van Sjoerd Kuyper (1952) en is ook getiteld ‘Rivier’ en dit komt uit de bundel ‘Het heelal van jouw hart’ uit 2012. Kuyper begint zijn gedicht meteen met een wens (Ik zou zo graag / een rivier zijn ) en vervolgt het gedicht door de eigenschappen van een rivier op zichzelf te betrekken.

Twee totaal verschillende gedichten met de rivier als onderwerp.

.

Rivier

.

Toen mijn moeder
net zo oud was als mijn oma
wist ze niet goed meer
wie ze was.
.
Daar ben ik bang voor,
zei ze, en wees
naar witte strepen
in de blauwe lucht.
.
Later vlogen er ganzen
over. Wel zeven,
hoog boven de rivier.
.
(Ik had de strepen uitgewist
en was op weg
naar huis.)
.
Eén vloog er fier voorop,
zes volgden hem.
Allemaal achter die ene aan,
die ene wist de weg.
.
Of volgde hij soms niet
zichzelf maar de rivier
die altijd weet waarheen,
vanzelf?
.
Daar ben ik bang voor,
dacht ik vlug niet oud:
dat ik de rivier
niet meer kan zien
of stromen voel in mij.

.

Rivier

.

Ik zou graag

een rivier zijn

.

die door de zomer

stroomt, zo loom,

.

ik bewoog wel

maar niemand

die het zag.

.

Alleen een steen

zou zeggen:

Wat wriemel je toch!

.

En ik zei:

Praat niet zoveel.

.

Dan zou de steen

graag zijn

ik die dit schrijf

.

in een trein

op een brug.

.

Goedlachs

Dewi de Nijs Bik

.

Lezend in ‘Grenzenloos’ kom ik namen van dichters tegen die ik nog niet ken. Zoals Dewi de Nijs Bik (1990). de Nijs Bik is literair freelancer, schrijver en interviewer. Ze houdt sinds 2012 diepte-interviews voor Moesson, hét Indisch maandblad. Haar proza en poëzie verschenen in DW B, Kluger Hans, Extaze, op Hard//hoofd en in de bundel van de Turing Gedichtenwedstrijd 2017. Ze droeg onder meer voor op Oerol, tijdens Dichters in de Prinsentuin en op het Dichtersbal.

In de bundel ‘Grenzenloos’ is van haar het gedicht ‘Goedlachs’ opgenomen.

.

Goedlachs

.

Als de aardappels niet willen garen

spreekt zij ze toe

.

alsof het haar kinderen zijn, losgetrokken

lavendel wordt potpourri in schaaltjes

door het huis verspreid

.

ze redt wat er te redden valt, schraapt vlinders

van de vensterbank

.

heeft de bloemen leren nemen zoals gegeven

door de grond

.

                                                                                                                                                                      Foto: Marianne Hommersom
%d bloggers liken dit: