Site-archief

Voor waar genomen

Inge Boulonois

.

Inge Boulonois (1945) leerde ik jaren geleden kennen (2008) via het huiskameratelier van Alja Spaan, waar door laatstgenoemde met enige regelmaat poëzieavonden werden georganiseerd in het kader van Alkmaar Anders. We mochten daar beiden een voordracht doen. Vorig jaar schreef ik nog over haar bundel light verse getiteld ‘Vers gekruid’ https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/08/03/vers-gekruid/ en over de verzamelbundel ‘Er is light’ met light verse gedichten waar Inge aan deel nam via Het Vrije Vers.

Maar nu is er dus een nieuwe bundel zonder light verse dit keer maar met poëzie geïnspireerd op kunst (Inge is van origine kunstschilder). In deze bundel wordt door Inge het raakvlak tussen beeldende kunst en poëzie verkend. De invalshoeken die Inge kiest zijn zeer gevarieerd, zo kan een model, een landschap, een kunstenaar of een stilleven centraal staan bij de gedichten. Verreweg de meeste kunstwerken, van beroemde tot onbekende, zijn in full colour bij het gedicht afgedrukt. Een deel van de gedichten is bekroond in Nederland en Vlaanderen en/of gepubliceerd in literaire tijdschriften.

De bundel is te koop voor € 18,50 bij https://www.bravenewbooks.nl/shop/index.php/catalog/product/view/id/564417/s/voor-waar-genomen-gedichten-geinspireerd-door-kunstwerken-248493-www-bravenewbooks-nl/

Uit de bundel een voorbeeld van een gedicht bij een stilleven van Giorgio Morandi (1890 – 1964), de Italiaans schilder, tekenaar en etser, gespecialiseerd in stillevens.

.

Bij de stillevens van Giorgio Morandi (20e eeuw)
.
Dat dingen kunnen rijmen.
Leeg steengoed in bedaarde aardetinten,
verbindend strijklicht. Onveranderlijk
.
in een geschikt herschikt evenwicht,
een seizoenloze pleisterplaats
voor onze ogen. Kijken
.
wordt zien hoe tijd door verf
tot stilte is gebracht. Ik hoor
het zwellen van mijn oorgesuis.
.
Wilde de schilder lof zwijgen
van het dieplood van het hier en nu,
van vazen die tot zichzelf ontwaken,
ving hij hun eigen klank op?
.
Of zag hij dat ze zó stil staan
te staan als enkel schilderijen
kunnen laten horen?
.

 

De nek van het paard

J. Eijkelboom

.

Soms komen dingen samen die je van te voren niet had zien aankomen. Zo liep ik afgelopen weekend in het plaatsje Wemeldinge in Zeeland en in de hoek van een tuin tussen twee heggen zag ik daar een paard. Niet zomaar een paard, nee een paard van kunststof. Naast dat ik mij meteen afvroeg waarom iemand een kunststof paard zou willen bezitten en dit in zijn tuin zou willen plaatsen kwam ook meteen de vraag op waarom je zo’n bezit dan ergens wegstopt in een hoek verscholen achter twee heggen.

Maar dat is niet de reden dat ik er hier over schrijf. De reden is dat ik daags daarvoor in de bundel ‘Tot zo ver’ De meeste gedichten van J. Eijkelboom (1926 – 2008) uit 2002 had zitten lezen en ik bij het aanzicht van dat paard (en dan met name de achterkant en dus de nek van dat paard) meteen moest denken aan een gedicht uit die bundel getiteld ‘de nek van het paard’. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Het arsenaal’ uit 2000. Allerlei details en onderdelen (trottoir, de nek, de staart, het gebogen hoofd) deden me aan dit gedicht denken. Uiteraard heb ik een foto van dit paard gemaakt omdat ik daar en toen wist dat ik dit bericht op mijn blog ging plaatsen.

.

De nek van het paard

.

De weg is bekend en precies

weet ik nog waar de mustang toen liep,

tussen trottoir en trottoir

dwars door de straat.

.

Maar was het cowboy of indiaan

die hem bereed? En van het paard

zie ik in feite niet meer dan de nek,

die strakgespannen boog

.

en ja, een golvende staart,

bijna reikend tot aan de grond.

Je kende wel het briesende paard

van horen zingen, maar

.

dat gebogen hoofd was trotser

dan wat ik ooit had meegemaakt:

ons leven in deemoed

met trappelpasjes achterhaald.

.

Literaire tijdschriften

Van Awater tot De Zingende Zaag

.

Een tijdje geleden las ik een masterscriptie over literaire tijdschriften door V.J. Drost uit 2008 met als titel ‘De functie van het literaire tijdschrift in de literaire wereld’ en als ondertitel ‘Onderzoek naar de functie van 10 gesubsidieerde Nederlandstalige literaire tijdschriften in de periode van 2002 tot en met 2007 voor de Nederlandse literaire uitgeverijen.

Een van de conclusies die ik trok na het doorgelezen te hebben was dat de nadruk bij deze 10 gesubsidieerde grote bladen ligt op proza en dat men, wanneer men poëzie plaats, er een grote voorkeur is voor bepaalde dichters per tijdschrift. Zo verscheen van Drs. P. 23 maal poëzie in De Tweede Ronde maar in geen enkel ander van de 10 tijdschriften.  Piet Gerbrandy kwam in 5 tijdschriften een paar keer voor maar wel 10 maal in Hollands Maandblad. Hetzelfde geldt voor Ingmar Heytze al werd hij ook 5 maal opgenomen in Passionate en Leo Vroman met maar liefst 15 plaatsingen in Hollands Maandblad.

Een andere voorzichtige conclusie die ik hieruit trek is dat literaire tijdschriften duidelijk hun favoriete dichters kennen en deze zijn, vrijwel altijd bekend of gearriveerd. Gelukkig zijn er momenteel volgens Wikipedia maar liefst 34 literaire tijdschriften van Awater tot de Zingende Zaag, nog altijd actief. Feitelijk zijn het er meer want MUGzine staat (nog) niet in deze lijst. Slechts een aantal van deze tijdschriften (op papier en digitaal) afficheert zichzelf als poëzietijdschrift.

Een groot deel van deze poëzietijdschriften heeft (gelukkig ook) aandacht voor jonge, wat mider bekende en talentvolle nieuwe dichters. Awater is een goed voorbeeld maar ook MUGzine durf ik hier wel te noemen. Het aardige ook is dat er wat deze tijdschriften betreft geen grens bestaat tussen Nederland en Blegië (Vlaanderen). Voor de allround breed georiënteerde poëzieliefhebber is er dan ook genoeg te kiezen.

En omdat er altijd wat te kiezen is wil ik dit stuk besluiten met een gedicht  van een nieuwe dichter die afgelopen jaar in MUGzine stond (in #3) Marie-Anne Hermans met het gedicht ‘Tot stilstand’.

.

Tot stilstand

.

Zittend op een boomstam wrikken we

onszelf los. Deze omgevallen liefde

is niet helemaal naar wens gegaan.

.

Een verdwaalde padvinder op badslippers

flipflopt voorbij, de zorgen op zijn rug.

.

Binnenin mij waait en wiekt

de vlinderjacht nog onbestendig.

.

Als we op een boomstam zitten,

zijn we prettig in de omgang.

.

Dat frambozen zoeter smaken in de herfst

wil ook niemand geloven.

.

Een kap van afschuw

Vera Brittain

.

In de Volkskrant van 20 februari stond een mooi artikel over dichteressen aan de frontlinie. Dit artikel gaat over een boek  ‘A Cap of Horror / Een Kap van Afschuw’ van medisch historicus Leo van Bergen, dat als onderwerp heeft de gedichten van verpleegkundigen die werkzaam waren achter het front van de Eerste Wereldoorlog en daar geconfronteerd werden met de gruwelen van de oorlog, en later tijdens de oorlog met de gevolgen van de Spaanse Griep. De Spaanse griep was een pandemie die in omvang vele malen erger was dan de huidige pandemie (100 miljoen doden). Deze vrouwelijke verpleegkundigen schreven gedichten over wat ze meemaakten. Bekend zijn dichters als Wilfred Owen, Guillaume Apollinaire en Siegfried Sassoon maar deze vrouwelijke dichters zijn veel minder bekend.

Leo van Bergen selecteerde voor ‘A Cap of Horror / Een Kap van Afschuw’ zeventien Engelstalige vrouwen werkzaam in de zorg, die poëzie over hun ervaringen in de hospitalen van de Eerste Wereldoorlog hebben geschreven. Van hen vertaalde hij veertig gedichten en een sonnettencyclus. Honderd jaar na dato lezen zij nog steeds alsof ze gisteren geschreven zijn. Stille, schreeuwende getuigen van een tijd die kansen bood, grenzen stelde en afschuw wekte.

Het boek bestaat uit twee delen, de vertalingen en de originelen, en is voorzien van een twintigtal illustraties. Het bevat 40 gedichten en een sonnettencyclus geschreven door 17 verschillende verpleegsters en verzorgsters en handelend over hun ervaringen in de hospitalen van de Eerste Wereldoorlog. Zij zijn in tien onderwerpen ingedeeld: verpleging, hospitaal, ondersteuning, geweld, gender, verlangen, verlies, nostalgie, ontsnapping, terugkeer.

Een van deze verpleegkundigen is Vera Brittain (1893-1970). Deze Britse schrijfster, feministe en pacifiste was vooral bekend als de auteur van het biografisch boek ‘Testament of Youth’ uit 1933. Dit boek werd eind jaren ’70 verwerkt tot een televisieserie waarna in 2009 opnieuw een televisieserie zou volgen bij de BBC. Uiteindelijk kwam er zelfs een bioscoopfilm naar dit boek uit in 2014. Het boek gaat over haar ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog en het begin van haar weg naar het pacifisme. In 2008 werd ‘Because You Died’, een nieuwe selectie van Brittain’s poëzie en proza uit WOI gepubliceerd, en ik vermoed dat het onderstaande gedicht uit dit boek is genmomen.

..

Toevluchtsoord hospitaal

.

Als je alles hebt verloren toen de wereld werd vermoord,

Hebt geleden en gebeden, al zag je de zinloosheid,

Als liefde dood is en iedere hoop de grond ingeboord,

Juist dan hebben zij jou nodig; wees tot terugkeer bereid.

.

Als door trieste dagen alle ambitie verloren is gegaan,

En dromen zijn uiteengespat, beslissingen groot of klein,

Als de trots is verdwenen die de kracht gaf alles te doorstaan,

Wend je dan tot hen, die van jouw zorg afhankelijk zijn.

.

Ook zij daalden af tot in de krochten van menselijk lijden,

Zagen dat alles van waarde werd weggevaagd,

De grauwe plek van pijn waar zij nu uitzichtloos strijden,

Geeft hun de vrede waar jij in je gebeden om vraagt.

.

Hospital Sanctuary

.

When you have lost your all in a world’s upheaval,
Suffered and prayed, and found your prayers were vain,
When love is dead, and hope has no renewal –
These need you still; come back to them again.
.
When the sad days bring you the loss of all ambition,
And pride is gone that gave you strength to bear,
When dreams are shattered, and broken is all decision –
Turn you to these, dependent on your care.
.
They too have fathomed the depths of human anguish,
Seen all that counted flung like chaff away;
The dim abodes of pain wherein they languish
Offer that peace for which at last you pray.

.

Schaakmeisje

The Queen’s Gambit

.

Momenteel loopt er op Netflix een serie die een hele generatie meisjes naar het schaakbord doet grijpen: The Queen’s Gambit. Deze serie gaat over een weeshuis in de jaren ’50 waar een jong meisje ontdekt dat ze een groot schaaktalent is. Ze wordt onverwacht een ster terwijl ze worstelt met haar drugs- en alcoholverslaving en emotionele problemen. Deze Amerikaanse dramaserie is gebaseerd op de gelijknamige novelle van Walter Tevis uit 1983. De hoofdrol van Beth Harmon wordt gespeeld door Anya Taylor-Joy.

Toen ik het pas geleden over een gedicht had dat ik lang geleden schreef zei een vriendin dat dit zo goed paste bij deze serie. Ze doelde hierbij op het gedicht ‘Schaakmeisje’ en deze serie. Het gedicht ‘Schaakmeisje’ schreef ik in 2008 of 2009 maar is in het licht van deze serie heel actueel. In 2012 schreef ik dit blogbericht erover https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/01/26/schaakmeisje/. Daarom, en omdat ik het destijds niet op dit blog heb gedeeld hier ‘Schaakmeisje’.

.

Schaakmeisje

.

Vlindervlug vloog je mijn verhalen binnen
Je dienaren nederig in je verblindende nabijheid
Je nam bloemen mee en honing
Waarmee je mij de mond snoerde

.
Je bracht je legers onder bij vrienden
Liet ze jagen op onooglijke vijanden
Tegenstanders van schoonheid en jeugd
Maar mij had  je al ingelijfd

 .
Je groeide door naar grote hoogten
Wurmde je los uit zoveel geschiedenis
Zocht je geluk en vond het in een ander gevecht
En liet mij achter, dankbaar en geïnspireerd

 .
Eens was je een schaakmeisje
Onschuldig en zoekend naar de prins
Niet het paard, maar nu, zoveel later
Toon je mij een ware koningin

.

kleine tietjes

Ilja Leonard Pfeijffer

.

Een dichter waar ik regelmatig aandacht aan besteed, maar dan niet als dichter, maar als samensteller van de dikke verzamelbundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie (samen met Gert Jan de Vries) is Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Deze dichter en schrijver is de laatste jaren voornamelijk in beeld als schrijver van zeer succesvolle romans als ‘La Superba’ en ‘Grand Hotel Europa’. Als dichter is hij bij het grote publiek minder bekend maar onder de liefhebbers en lezers van poëzie wel degelijk.

In 2008 verscheen de bundel ‘De man van vele manieren’ verzamelde gedichten 1998-2008 (uit zijn eerste vier bundels). In deze bundel staat het gedicht dat om verschillende redenen mij kan bekoren getiteld ‘kleine tietjes…’.

.

kleine tietjes…

.

kleine tietjes in een strak

regime van petieterigheid met een rokje

wat moet je ermee Ilja?

.

wil je haar soms downloaden

voor je collectie? o ze stapt al op

gelukkig maar

.

zwarte laarzen ook

.

je wilt niet thuis zijn en ook niet naar buiten

en in geen geval kinderen

.

ja rome ach rome

.

dat ligt ook steeds verder weg

.

Tijdelijk gedicht

Adriaan Jaeggi

.

Gedichten in de buitenruimte of ergens binnen in een gebouw kunnen ook een tijdelijk karakter hebben in tegenstelling tot bijvoorbeeld gedichten op buiten- of binnenmuren of op het glas van ramen. Zo stond er in 2014 in de centrale bibliotheek van Den Haag een tentoonstelling van verschillende gedichten van het project ‘Poëzie op pootjes’ op posters https://woutervanheiningen.wordpress.com/2015/01/06/poezie-op-pootjes-2/ .

Blijkbaar was 2014 een goed jaar voor tentoonstellingen van (tijdelijke) gedichten want ook in Amsterdam, op het binnenplein van het Amsterdam Museum, was poëzie te lezen die daar tijdelijk werd tentoongesteld. Hieronder een voorbeeld van een gedicht van (de eerste) stadsdichter van Amsterdam Adriaan Jaeggi (1963 – 2008) getiteld ‘II Toeristisch intermezzo / Gedicht dat op een T-shirt past’.

.

En dan stopt het

Alfred Schaffer

.

Als je, zoals ik, al vele jaren poëzie leest, erover schrijft en met poëzie bezig bent, dan denk je dat je de meeste dichters uit Nederland toch wel tenminste van naam kent. Groot was dan ook mijn verrassing toen ik hoorde dat Alfred Schaffer de P.C. Hooftprijs voor poëzie is toegekend in 2021. Wie dacht ik? Ik kom er steeds meer achter dat hoe meer ik poëzie lees en denk te weten hoe minder ik van poëzie weet. Dat is een vreemde ervaring maar tegelijkertijd ook een prettige constatering, tenslotte blijft er altijd iets te leren, te weten te komen of mee verrast te worden.

Alfred Schaffer dus. geboren in Leidschendam (vlakbij nog wel) in 1973, verhuisde hij na zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde en Film- en theaterwetenschappen aan de Universiteit Leiden naar Zuid Afrika waar hij in 2002 promoveerde en aan de slag ging als docent moderne Nederlandse letterkunde. Van 2007 tot 2010 was hij fondsredacteur bij De Bezige Bij in Amsterdam, en redacteur van het tijdschrift ‘Bunker Hill’, dat in 2008 werd opgeheven. Hij keerde in 2011 terug naar Zuid-Afrika en werd docent bij de vakgroep Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch. Hij is ook medewerker voor poëzie van De Groene Amsterdammer en de Zuid-Afrikaanse dagbladen Die Burger en Beeld.

Als dichter debuteerde hij in 2000 met de bundel ‘Zijn opkomst in de voorstad’. Daarna volgde nog verschillende bundels en daarvoor werd hij meerdere malen bekroond of genomineerd voor literaire of poëzieprijzen. Zo ontving hij onder andere de Jan Campertprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Paul Snoekprijs en werden zijn dichtbundels maar liefst drie keer genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Ook stelde hij bloemlezingen samen van moderne Afrikaanse poëzie samen met Antjie Krog, van het werk van Elisabeth Eybers en van het werk van H.H. ter Balkt.

De jury van de P.C. Hooftprijs noemde zijn werk in haar rapport volstrekt oprecht en zonder pretenties en poëzie die zich onderscheidt door een sprankelende veelstemmigheid. Door de P.C. Hooftprijs is mijn kennis van de dichters uit het Nederlands taalgebied weer wat toegenomen en daarom het gedicht ‘En dan stopt het’ uit zijn debuutbundel uit 2000.

.

En dan stopt het

.

De afgelopen dagen denk ik meer en meer
aan het eiland van mijn moeder
en het huis van haar vader,
het had blauwe buitenmuren en geen deuren,
zoals de meeste huizen aan de baai.
.
De zee,
het blauwe huis op het strand,
de boom in de keuken die men uit bijgeloof
niet had willen omkappen, er was zelfs
een gat gemaakt in het dak –
alles komt steeds meer op hetzelfde neer:
.
daar staat mijn vader,
maar nu zonder zijn vrouw of zijn schoonvader,
de enige blanke man in zee
en hij kan niet zwemmen.
Voetje voor voetje stapt hij, zonnebril op,
met een brede grijns door het ondiepe water.
.
Deze domme dagen zoek
of bedenk ik maar wat bij elkaar, met stomheid
geslagen.
Zo voorbeeldig, en dan stopt het.

.

Foto: Trouw

Lief bekje

Hoe ik klonk

.

Poëzie is er voor alle gemoedstoestanden. Of je nu blij, verrast, verdrietig, depressief, uitgelaten, verward, twijfelachtig, uitzinnig, verliefd, rouwend, in afwachting, triest, onzeker of juist heel zeker, ontheemd, ongeremd, geaard, in bloei, stervende of in blijde verwachting bent, poëzie past bij elke stemming. Het is alleen vaak een kwestie van het juiste gedicht bij de juiste stemming vinden.

Toen ik het gedicht ‘Hoe ik klonk’ van Hagar Peeters (1972) uit de bundel ‘Loper van licht’ uit 2008 las wist ik precies bij welke stemming dit gedicht hoorde. En omdat het zo’n heerlijk positief en vrolijk gedicht is hier ‘Hoe ik klonk’.

.

Hoe ik klonk

.

Je hebt een lief bekje

vooral als het getuit is

kust met de lucht

en wuft gewauwel laat klinken.

.

Tussen je tanden

je kolderieke tongetje

het opstandig snaveltje

dat guitig huigje van je.

.

Al dat gestamel en gebazel,

ik krijg er maar geen genoeg van.

Betere onzin vind ik niet in boeken.

Daar bezinkt het jij zingt het weer los.

.

Kom nog even naast me liggen

en doe dat nog eens, dat van je lippen.

Meer heb ik helemaal niet nodig.

.

 

Barack Obama

Pop

.

Deze week werd het eerste deel van de memoires van oud president van de Verenigde Staten, Barack Obama gepresenteerd getiteld ‘A Promised Land’. Woensdagavond was een bijzonder interview met Obama door schrijver Tommy Wieringa te zien bij Nieuwsuur en in het programma Op1, later die avond, werd over dat interview en het boek nagepraat. In die napraat werd terloops door Tommy Wieringa gemeld dat Obama niet alleen veel leest maar dat hij ook schrijver is en gedichten heeft geschreven. Tsja, dan weet je als lezer van dit Blog inmiddels genoeg. Daar wil ik dan meer over en van weten.

Op zoek naar de poëzie van Barack Obama kwam ik op de website van The New York Times terecht op een pagina uit 2008. Daar staat het volgende te lezen:

“Hieronder volgen twee gedichten van Barack Obama die werden gepubliceerd in het voorjaarsnummer van 1981 van ‘Feast’, een literair tijdschrift voor studenten van 51 pagina’s dat zichzelf omschreef als ‘een halfjaarlijks tijdschrift met korte poëzie en fictie verzameld door de Occidental College-gemeenschap’. Volgens een woordvoerder van de universiteit wordt het tijdschrift niet meer gepubliceerd. Twee gedichten waarvan ik het eerste (en wat mij betreft beste) gedicht hier plaats. Wil je meer lezen dan kun je hier terecht https://www.nytimes.com/2008/05/18/us/politics/18poems.html?ref=oembed

.

Pop

.

Sitting in his seat, a seat broad and broken
In, sprinkled with ashes
Pop switches channels, takes another
Shot of Seagrams, neat, and asks
What to do with me, a green young man
Who fails to consider the
Flim and flam of the world, since
Things have been easy for me;
I stare hard at his face, a stare
That deflects off his brow;
I’m sure he’s unaware of his
Dark, watery eyes, that
Glance in different directions,
And his slow, unwelcome twitches,
Fail to pass.
I listen, nod,
Listen, open, till I cling to his pale,
Beige T-shirt, yelling,
Yelling in his ears, that hang
With heavy lobes, but he’s still telling
His joke, so I ask why
He’s so unhappy, to which he replies…
But I don’t care anymore, cause
He took too damn long, and from
Under my seat, I pull out the
Mirror I’ve been saving; I’m laughing,
Laughing loud, the blood rushing from his face
To mine, as he grows small,
A spot in my brain, something
That may be squeezed out, like a
Watermelon seed between
Two fingers.
Pop takes another shot, neat,
Points out the same amber
Stain on his shorts that I’ve got on mine, and
Makes me smell his smell, coming
From me; he switches channels, recites an old poem
He wrote before his mother died,
Stands, shouts, and asks
For a hug, as I shrink, my
Arms barely reaching around
His thick, oily neck, and his broad back; ’cause
I see my face, framed within
Pop’s black-framed glasses
And know he’s laughing too.

.

%d bloggers liken dit: