Site-archief

Elma van Haren

Zacht gat in broekzak

.

Elma van Haren (1954) studeerde aan de kunstacademie te ‘s-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’, waarvoor ze de C. Buddingh’-prijs ontving tijdens Poetry International in Rotterdam, voor het beste debuut in de Nederlandstalige poëzie. Het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt. De prijs werd tot en met dit jaar elk jaar uitgereikt met uitzondering van 1989.

In 1997 kreeg ze de Jan Campert-prijs voor de bundel ‘Grondstewardess’. Sinds de dichtbundel ‘De wiedeweerga’ (1998) schrijft ze ook voor kinderen. Sinds 2003 is ze jurylid van de P.C. Hooft-prijs. Daarnaast is ze redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B (Dietsche Warande en Belfort).

In 2005 verscheen de bundel ‘Zacht gat in broekzak’ en uit die bundel komt het gedicht ‘De Conradstraat vanuit alle ooghoeken’.

.

De Conradstraat vanuit de ooghoeken

.

In de zwijgende straat de voetstap;
hakkentik of een met kolenschopecho,
wie weet wie er nadert?
Broek-, maat- of trainingspak
en wat dan nog…
Daar is de verende sportschoenentred,
de gumizolenparadepas, piepend
in de regen.
En dan nog,
wie – o wie – houdt de helft van
het naderen geheim,
als hij achter je loopt
zonder geluid?

.

Jij, stuiterend met een zwarte kous
over je gipsen enkel, kou
die vanuit de kuit de lies intrekt,
waar is je engelbewaarder?

.

Waterspiegelbeelden

Nel Noordzij

.

De Rotterdamse dichter en schrijver Nel Noordzij (1923-2003) studeerde pedagogiek en psychologie. Dat is heel goed te zien in haar werken. De belangrijkste thema’s uit haar vrij omvangrijke oeuvre zijn het isolement ten gevolge van lichamelijke of geestelijke trauma’s. Zij beschrijft de gevoelens van haar personages inzake liefde en seksualiteit met een grote openhartigheid.

In haar poëzie probeerde zij het diepste van de menselijke ziel bloot te leggen. Noordzij verbloemde niets en haar taalgebruik was vaak hard. En toch schreef ze ook gevoelige gedichten. In haar bundel ‘Leven zonder opperhuid’, verschenen als Literaire Pocket bij de Bezige Bij in 1962, staat het liefdesgedicht ‘Waterspiegelbeelden’ en daarin is van harde taal niets te lezen. Oordeel zelf.

.

Waterspiegelbeelden

.

En de liefde, deze,

die zo stilstaand voor zich uitstaart,

waterspiegelbeelden spigelt

en verwaand als deze liefde

lief bewaard gebleven is,

.

Zo stil staan in je ogen, liefde,

spiegeltranen en pupillen omgekeerd

als waterspiegelbogen,

bogenbeelden en herinneringen

tot de rand gevuld.

.

Zo stil staat liefde in je ogen,

in je ogen staat

en omgekeerd.

.

Ik had als kind een huis en haard

Willem Wilmink en Jean Pierre Rawie

.

Ter gelegenheid van Willem Wilminks (1936 – 2003) zestigste verjaardag in 1996 maakte dichter Jean Pierre Rawie een sprekende en eigenzinnige keuze uit het omvangrijke oeuvre van dichter Wilmink. Na zijn dood in 2003 voegde hij nog enkele gedichten toe uit zijn latere werk. Die bundeling van gedichten verscheen in de jaren daarna in vele drukken bij uitgeverij Prometheus met als titel ‘Ik had als kind een huis en haard’ .

Ik bezit een versie uit 2010, een negende druk, wat iets zegt over de populariteit van Willem Wilmink als dichter en liedjesschrijver. Wilmink zelf maakte geen onderscheid tussen zijn liedjes en gedichten en stond daarmee in een grote, zij het bij ons ongewone, traditie, die teruggaat tot de middeleeuwen. Wilmink zelf beschouwde de verzameling van Rawie als de mooiste bloemlezing die iemand ooit uit zijn werk had gemaakt.

Uit de bundel koos ik het gedicht dat me om de een of andere reden erg aansprak getiteld ‘ Oude mensen’ .

.

Oude mensen

 

Ze hebben honderd rimpels

en ze hebben grijze haren

en ouderwetse dingen

die ze altijd maar bewaren.

Oude mensen, oude mensen.

.

Ze hebben snoepjes bij zich

om aan kinderen te geven,

daar moeten ze naar zoeken,

dus dan wacht je nog maar even.

Oude mensen, oude mensen.

.

Ze slapen nog maar kort, hoor,

dus ze worden heel vroeg wakker.

Ze gaan een praatje maken

met de slager en de bakker.

Oude mensen, oude mensen.

.

Ze willen graag vertellen

over heel erg lang geleden,

toen ’t zo koud was in de winter,

toen er nergens auto’s reden.

Oude mensen, oude mensen.

 

Kinderen, weet je wat zo gek is

aan dit grappige verhaal?

Over dertigduizend nachtjes,

dan zijn jullie allemaal

oude mensen, oude mensen.

.

Vroeger

Dubbel-gedicht

.

Vandaag een dubbel-gedicht over vroeger, toen alles nog goed was (schijnt). Grappig genoeg zijn de twee gedichten die ik vond en over vroeger gaan beide met een stevige knipoog. Het eerste gedicht ‘Vroeger’ is van Wim de Vries (1923 – 1994) en komt uit de bundel  ‘Van 8 tot 5’ uit 1975. Wim de Vries was arbeider, dichter en prozaïst. Daarnaast was hij redacteur van het tijdschrift WAR (Werkgroep voor Arbeidsliteratuur Rotterdam) en medewerker aan Remco Camperts tijdschrift Gedicht.

Het tweede gedicht ‘Vroeger kon het zo hard sneeuwen’ is van Willem Wilmink (1936-2003) en komt uit ‘Verzamelde liedjes en gedichten’, uit 1986. Willem Wilmink was een zeer bekend en gewaardeerd dichter, zanger en schrijver.

.

Vroeger

.

Als mijn vader het boodschappenlijstje

voor Simon de Wit invulde,

schreef hij achter elk artikel

(goed en goedkoop).

Hij is nu oud maar beschikt nog

altijd over een grenzeloze fantasie.

.

Willem Wilmink, uit Verzamelde liedjes en gedichten, uit 1986

.

Vroeger kon het zo hard sneeuwen

.

Vroeger kon het zo hard sneeuwen,

zo’n dik pak.

Dus je kon alleen je huis uit

langs het dak.

En je zag wel aan de torens

waar je was,

en dan kwam je door de schoorsteen

in je klas.

.

En dan maakte ik een sneeuwpop,

groot en wit.

En zijn tanden waren vaders

kunstgebit.

Sneeuwpop kon een liedje zingen,

lief en zacht.

Maar toen is hij weggelopen,

in de nacht.

.

Van een hele grote sneeuwhoop,

stap voor stap,

maakte ik een hele hoge,

lange trap.

Ben ik naar de maan geklommen,

tree na tree.

Kijk: een hele tas vol sterren

bracht ik mee.

.

Bekentenis

Bart Moeyaert

.

Nu het intermenselijk klimaat onder druk staat en de spanningen in de wereld toenemen, leek het me gepast mijn lezers een kleine opsteker, een lichtpuntje te bieden. En hoe doe je dat beter dan door het delen van een liefdesgedicht. Tenslotte zou liefde (in een ideale wereld, waarin we niet leven, ik weet het) het verschil moeten maken. Dus zie het als opsteker, als positieve bijdrage aan mijn en jullie gemoedsrust.

Het gedicht dat ik heb uitgezocht is van de Vlaamse dichter Bart Moeyaert. Moeyaert (1964) is schrijver van met name jeugdboeken, dichter en docent Creatief Schrijven aan de afdeling Woordkunst van het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. Van 2006 tot 2008 was hij Stadsdichter van Antwerpen. Hij ontving verschillende literaire prijzen voor zijn jeugdboeken ( Deutsche Jugendliteraturpreis, de Boekenleeuw en de Zilveren griffel) en werd in 2009 genomineerd voor de J.C.Bloem-poëzieprijs 2009.

In 2008 publiceerde hij de bundel ‘Voor gelukkige mensen’ maar in 2003 debuteerde hij als dichter met de bundel vol liefdespoëzie ‘Verzamel de liefde’. Uit deze bundel koos ik het ogenschijnlijk eenvoudige maar oh zo effectieve liefdesgedicht ‘Bekentenis’.

.

Bekentenis

.

Ik mag je.

Nee. Ik mag je niet.

Ik moet je. Dat bedoel ik.

.

Ik heb je lief.

Nee. Heb ik niet.

Ik word je lief. Dat voel ik.

.

Ik ga met jou.

Nee. Ga ik niet.

Ik sta je bij. Beloof ik.

.

Ben stapel op je.

Hou je vast. Ik. Hou. Van. Jou.

.

Geloof ik.

.

Double Talk, Rap en Poëzie

Bart FM Droog

.

In 1997 publiceerde de Stichting Paradiso de bundel ‘Double Talk’ Rap & Poëzie. Samenstellers Emerald Beryl en Fred Bomber schrijven in hun voorwoord: “Nu de rap ook in Nederland floreert achtten Paradiso en de Nes-theaters de tijd rijp voor een festival. In januari 1997 organiseerde zij daarom het festival Double Talk, waar pure hiphop-optredens van onder andere De Puta Madre, Spookrijders en RollaRocka worden geplaatst naast poëzie en theaterperformances. Een aantal dichters als Dalstar, Serge van Duijnhoven en Maria Barnas werd gevraagd voor deze gelegenheid een gedicht te schrijven, waarbij zij zich lieten inspireren door rapoetry. Sommigen van hen bleken al met rapvormen te experimenteren”.

In deze bundel zijn dus naast dichters als Ruben van Gogh, Menno Wigman, Arjan Witte en Tjitse Hofman ook rappers en rapgroepen vertegenwoordigd als Osdorp Posse, Zombi Squad en The Nugsta. Opvallend is dat de rappers destijds nog vrijwel allemaal in het Engels rapten (uitzondering uiteraard Osdorp Posse). Daardoor viel het doel dat het Double Talk destijds zichzelf had gesteld, namelijk de kunstmatige grens tussen rap en poëzie opheffen, enigszins in het water.

De poëzie van de dichters is echter kwalitatief goed en dus valt er wel wat te genieten. Ik koos voor een gedicht van Bart FM Droog (1966) getiteld ‘Not the end’. Bart FM Droog is dichter, bloemlezer en onderzoeker.  Droog trad in binnen- en buitenland op met het gezelschap De Dichters uit Epibreren, dat vanaf 1998 tot in 2011 bestond uit Tjitse Hofman, Jan Klug en hijzelf. In 2003 kreeg dit poëzie- en muziekgezelschap de Johnny van Doornprijs voor de Gesproken Letteren. Tevens is hij oprichter van de Stichting Nederlandse Poëzie Encyclopedie. Deze beoogt de verspreiding van de Nederlandstalige poëzie en de van kennis daarover en geeft ‘Nederlandse Poëzie Encyclopedie’ uit.

Droog debuteerde in 1998 met de bundel ‘Deze dagen’, zijn laatste bundel is van 2017 getiteld ‘Moordballaden’.

.

Not the end

.

Parkeer de wagen aan de hellestraat
en zie: verkeer snelt in helse vaart

.

ik nip de binnenverlichting aan

draai de cassette nogmaals om

just remember death is not the end

not the end, not the end

remember death is not the end…

.

ik wrijf m’n ogen uit, de slaap

is niet aan chauffeurs besteed

inderdaad

is het rijden met de duivel

als Morpheus naast je staart

.

het landschap is me vreemd

de route ligt echter duidelijk

op de kaart en borden genoteerd:

afslaan is er niet bij, vandaag

.

al de grenzen die ik passeer

een zwaai, een knik, een groet

-mijn nummerplaat is goud waard!-

smuggler’s delight, met blind oog

voor de schoften in uniform

.

nee, ik kom niet op voor de zwakken

door honderd paarden voortgedreven

rij ik het onrecht voorbij

stop slechts om de kanker te krijgen.

.

Plotsklaps de ware liefde

Wim Hofman

.

Afgelopen zaterdag stond er in de boekenbijlage van de Volkskrant een uitgebreid artikel over Wim Hofman naar aanleiding van het gegeven dat hij op tachtigjarige leeftijd de winnaar is van de Zeeuwse Boekenprijs voor zijn verhalenbundel ‘We vertrekken voordat het licht is’ uit 2021 dat tegelijk verscheen met een bloemlezing uit zijn poëzie ‘Er is altijd wel iemand’. De Zeeuwse Boekenprijs wordt sinds 2003 jaarlijks uitgereikt aan het volgens een jury beste boek over een Zeeuws onderwerp of van een auteur met een Zeeuwse achtergrond en is een initiatief van de Zeeuwse Bibliotheek en het Zeeuws Tijdschrift.

Wim Hofman (1941) schrijft proza en poëzie voor volwassenen en kinderen en is illustrator en beeldend kunstenaar. De zee en de (Zeeuwse) natuur nemen een belangrijke plaats in, in zijn brede oeuvre. Wim Hofman debuteerde als dichter in 2003 met de bundel ‘Wat we hadden en wat niet’, in 2005 gevolgd door ‘Na de storm’. In 2009 verschijnt de bundel ‘Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde’. Deze bundel heeft de liefde als thema in de breedste zin des woords. Niet alleen de liefde voor een ander maar ook de liefde voor de zee, voor het leven en, zoals in onderstaand prozagedicht, voor een steen. En omdat dit gedicht een verwijzing heeft naar één van mijn favoriete dichters E.E. Cummings deel ik dat gedicht hier graag met jullie.

Hofman won talrijke prijzen voor zijn werk. In 1991 ontving hij de Theo Thijssenprijs, in 2001 de Zeeuwse Prijs voor Kunst en Wetenschap, maar ook de Gouden Penseel voor Aap en beer, in 1984 (naast verschillende andere gouden en zilveren griffels en penselen).

.

Lievelingssteen

it’s always ourselves we find in the sea
e.e. cummings

Toen was ik nog jong en bezonnen en de zon scheen overal op en hij liet mij alles zien. Kijk, zei hij, dit is dit, dat is dat. Op het dak blink ik, een haan bezorg ik een vuurrood spookoog. Langs de weg groeiden toen brandnetels, braambossen, dwaalkruid. In het dorre gras bij de kromme boom lag rot sponzig fruit met de geur van zure cider en het venijnige gezoem van zwartgeel gestreepte wespen. Stof wolkte op, dorre bladeren maakten een rondedansje. De wind deed toen, lang geleden god na en de wolken bootsten alles na en werden daarom door de boze wind gestraft. De regen, hard begonnen, zocht uiteindelijk zoetjes de goot. Het water maakte van die gevoelige en droevige geluidjes en de regenboog stond wel drieduizend meter hoog, boven de zee. Bij de slordige vloedlijn een stuk hout met letters, geheimtaal, een vloek.
Dat moest terug vanwaar het kwam. Alles moest terug, de golven in, de plank, de arme, vierarmige zeester, de vieze vis, de werkschoen vol zand.
Ze begonnen met duidelijke tegenzin aan een onduidelijke tocht. Mocht alleen met mij mee een zwarte steen, koud en nat en rond, hij vulde precies mijn hand.

.

Gegeven is mij slechts

Gerard J.D. Goudriaan

.

De relatief onbekende dichter Gerard Goudriaan (1919-1949) was in de eerste plaats een Leidse student. Na een verkeersongeval in 1949 te Leiden kwam hij als enige van de zes inzittenden van een auto te overlijden. In de jaren daarvoor had hij een reputatie opgebouwd, als student, als dandy en in beperkte kring als dichter. Hij bewonderde ook andere dichters; zo sprak hij als student enkele woorden tijdens de begrafenis van Pieter Cornelis Boutens (1870-1943).

Gerard Goudriaan gaf verschillende publicaties in eigen beheer uit, waaronder eigen dichtbundels. Een van diens uitgaven was het herdenkingsartikel ter gelegenheid van de 20e sterfdag van Louis Couperus (1863-1923). Ook schreef voor de Nederlandsche Bibliographie en het dagblad de Kroniek. In 2003 kwam van Goudriaan een biografie uit bij uitgeverij De Nieuwe Vaart met de titel ‘De gedrevene tussen de dorens; leven en werk van de Leidse dandy-student Gerard Goudriaan (1919-1949)’.

Eén van de dichtbundels die Goudriaan in eigen beheer uitgaf was ‘De Wenteltrap’ in 1942. Uit deze bundel komt het naamloze gedicht over het dichterschap.

.

Gegeven is mij slechts te zingen

over voorbijgegane dingen

en over alles, wat niet gebeuren

zal, nu gesloten zijn de deuren.

.

Als de ziel geen vrede heeft

en zij mij niet de liefde geeft,

ontbreekt aan mij de eerste steen –

blijf ik, wat ik ben, geheel alleen.

.

Mijn vers, dat niet gehoord zal worden,

daar ik niet raken kan tot orde,

voert mij weg van al het leven.

.

O hoor mij, doch zij zal niet luisteren.

O hart, dat nog maar steeds moet fluisteren.

O blad, blijft altijd onbeschreven.

.

De idioot op het dak

Tjitske Jansen

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de Leidse PoëzieNacht georganiseerd door Fields of Wonder in De Burcht in hartje Leiden. Deze Poëzienacht (of eigenlijk avond) werd door Fields of Wonder gemaakt in samenwerking met stichting INDEX Poetry en stichting Leids Literair Landschap. Op deze avond kwamen Anton Korteweg, Dorien de Wit, Wout Waanders en Tjistske Jansen voordragen en de kandidaat stadsdichters droegen een gedicht voor. Paar opvallende dingen: de twee mannelijke dichters waren geblesseerd aan hun voet (Wout Waanders droeg voor gezeten in een rolstoel en Anton Korteweg bewoog) zich voort geholpen door twee stokken, het was een heerlijke ontspannen mooie nazomeravond en de sfeer was uitstekend. Naast serieuze poëzie viel er ook regelmatig te lachen om de gedichten en de voordrachten.

De presentator van dienst kondigde Tjitske Jansen (1971) aan met een verhaal over zijn eerste ervaring met Tjitske Jansen bij Festina Lente in 2001 waar ze de finale van deze Poetry Slam won. Daar hoorde hij haar voor het eerst het gedicht ‘ De idioot op het dak’ voordragen. Hij vroeg haar of ze dat wilde voordragen (waarschijnlijk niet zei hij erbij) maar Tjitske was zeer bereid om het gedicht voor te dragen en dat was voor mij een van de hoogtepunten van de avond. Daarom uit de bundel ‘ Het moest maar eens gaan sneeuwen’  uit 2003 het gedicht ‘ De idioot op het dak’.

.

De idioot op het dak

.

Ik vroeg de jongen op mijn werk – dat bestaat uit peperoni, melanzani en carciofi in de bakjes scheppen, kip en friet en gamba’s bakken, salades maken, enzovoort, ik deed de koude kant vandaag en hij de warme – of we na het werk wat gingen drinken. Na het werk gingen we wat drinken.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen, er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog een keer aanbellen. Nog één keer. Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren. Ik wil niet dat hij mij negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Steeds als ik denk: nu laat ik de bel los, laat ik de bel niet los. Hij doet nog steeds niet open. Ik zoek waar ik beginnen kan met op het dak te klimmen. Een paar daken van zijn dak vandaan is een begin. Ik begin met op het dak te klimmen. Als ik drie daken heb gehad, ik ben er bijna,

gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannenhoofd verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief, een mannenhoofd uit een dakraam zien steken, Ik zeg: Ik ben geen inbreker, ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen.

De man geeft me geen kans verder te klimmen. Hij blijft met zijn hoofd uit het dakraam. Er gaat nog een dakraam open. Ik had nog nooit één mannenhoofd van zo dichtbij uit een dakraam zien steken, laat staan twee tegelijk. Zitten blijven! zeggen ze. Zitten blijven! Ik vraag me af of ik een strafblad krijg.

De politie is gearriveerd. Waar is hij? Hoor ik vragen. Het is een vrouw. Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden, maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

Ik klim naar binnen door het dakraam van het eerste mannenhoofd. Ik sta op een zolder. Ik zie de vrouw die godverdomme riep, ik aai de hond, ik zeg: Sorry, sorry. Ik zeg:
Ik ben geen inbreker.

Iemand vraagt me hoe ik op dat dak gekomen ben. Iemand vraagt me waarom ik dit deed. Liefdesverdriet, zeg ik. Ja, zegt een politieman, uit liefdesverdriet kun je rare dingen doen. Hoe heet je? Vraag ik hem. Ik heet Paul, zegt hij. En waar woon je?

.

 

 

Laatste bezoek

Erik Menkveld

.

Afgelopen zondag was ik door Louis van London gevraagd, samen met een groot aantal andere dichters, voor te dragen bij De Groene Fee in de kloostertuin aan de Oranjeboomstraat in Breda. Het was een heel fijn weerzien met een aantal dichters, met Louis maar vooral het gegeven dat we eindelijk weer eens konden voordragen voor publiek was, ondanks het miezerige weer en de kou, voor alle dichters reden tot een heel positieve beleving.

Rinske Kegel, Peter Goossens, Mandy Eggerding, Katelijne Brouwer, Rachelle Hardes, Azar Tishe, Yanni Ratajczyk Monique Wilmer-Leegwater, Amal Karam en nog een aantal dichters maakten van deze middag een bijzondere middag. Tijdens de voordrachten zag ik mijn koffiebekertje langzaam verworden tot een vrijplaats van slakken en naaktslakken. Ik moest hier meteen weer aan denken toen ik het gedicht ‘Laatste bezoek’ van Erik Menkveld las in ‘Verzamelde gedichten’ uit 2015.

Erik Menkveld (1959 – 2014) was dichter, romancier en criticus. Tussen 1987 en 1998 beheerde hij onder andere het poëziefonds van uitgeverij De Bezige Bij. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International in Rotterdam. Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade. In 2003 en in 2012 was hij jurylid van de P.C. Hooftprijs, en in 2003 ook van de VSB Poëzieprijs. Sinds 2009 was hij actief als poëzie-recensent voor De Volkskrant.

Menkveld debuteerde als dichter in 1997 met de bundel ‘De karpersimulator’. Voor deze bundel kreeg hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Ook werd hem de C. Buddingh’-prijs toegekend, die echter niet werd uitgereikt omdat hij op dat moment werkzaam was bij Poetry International (die de prijs formeel organiseerde). Zijn Oeuvre is klein doordat hij al op 54 jarige leeftijd overleed aan een hartstilstand, hij liet drie dichtbundels na en in 2015 werden dus zijn verzamelde gedichten uitgegeven. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Laatste bezoek’.

.

Laatste bezoek

.

De slak op haar oor

liet geen woord meer door.

.

mijn stem ternauwernood:

geruis en gekrijs. Meeuw

.

die binnenvloog, zichzelf

aan flarden fladderde

.

in dat oude, dove hoofd.

Tot ik maar zweeg en zij

.

haar ogen weer sloot,

al minder door lakens

.

omspoeld en onverhoeds heden.

Misschien een kleine hand

.

nog in haar hand, het verre

lichten van een kus op haar wang.

.

Meer is er niet van mij

met haar verdwenen.

.

%d bloggers liken dit: